| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ba Wikkeweg 9-15 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0054-vas1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ba Wikkeweg 9-15
Namens de eigenaren van de Wikkeweg 9 en 15 is in eerste instantie verzocht medewerking te verlenen aan de verplaatsing van een historische boerderij die nu als opslagruimte wordt gebruikt. Omdat de boerderij in slechte staat verkeerd en zij er alles aan willen doen de laatste historische boerderij te behouden is hiertoe een voorstel ingediend. Hierin is de boerderij verplaatst naar het agrarische perceel ten westen van de Wikkeweg 15. Gezien het cultuurhistorische belang heeft het college heeft op dit plan een positief standpunt ingenomen. Later is het verzoek uitgebreid met het samenvoegen van Wikkeweg 9 en 11 en een nieuwe woning toe te voegen. Ook is verzocht om een splitsingsmogelijkheid op te nemen voor de boerderij aan de Wikkeweg 15.
Het geldende bestemmingsplan staat de realisatie van de ruimtelijke ontwikkelingen niet bij recht toe. Het doel van het voorliggende plan is dat het de bovenstaande ontwikkelingen ruimtelijk en juridisch regelt. En hiermee bijdraagt aan het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en de versterking van de landschappelijke waarden in het buitengebied van Apeldoorn.
Het nu voorliggende TAM-omgevingsplan maakt deze ontwikkelingen mogelijk.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Apeldoorn, aan de Wikkeweg in de buurtschap Den Ankeler. Het betreft de percelen rond de huisnummers 9, 11 en 15, waar de samenvoeging van woningen, de verplaatsing van de historische boerderij en de aanleg van nieuwe natuur plaatsvinden. Het betreft de volgende kadastrale percelen: gemeente Apeldoorn, sectie F, nummers 10102, 10513, 10514 en 10563.
Op de onderstaande afbeelding is de begrenzing van het plangebied met een blauwe markering aangegeven.
Afbeelding Begrenzing plangebied Wikkeweg 9–15 (Bron: eigen bewerking)
Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Buitengebied Nood-Oost'. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad op 9 april 2014 en kent voor de betrokken gronden voornamelijk agrarische- en woonfuncties.
Afbeelding Uitsnelde geldend planologisch kader omgevingsplan 'Stadsdeel Noord-Oost' (Bron:omgevingswet.overheid.nl)
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bedoeld voor agrarisch gebruik, erf en tuin, landschappelijke elementen en één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wonen met tuinen en erven.
De huidige functies en activiteiten staan de verplaatsing van de boerderij, de samenvoeging van woningen en de toevoeging van een nieuw bouwvolume niet toe. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan wijzigt deze regeling zodat:
Daarnaast zijn de parapluherzieningen en voorbereidingsbesluiten die voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelden ook op dit plangebied van toepassing, zoals:
De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor de Wikkeweg 9-15 is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.
De Wikkeweg 9-15 ligt in het buitengebied van de gemeente Apeldoorn. Het ligt ten noordoosten van het centrum richting de kern Teuge. Het heeft zich ontwikkeld als een kleinschalige lintbebouwing met agrarische en woonfuncties. De straat telt een beperkt aantal adressen en een mix van bouwperioden, variërend van vroeg-20e-eeuwse erven tot recente bijbouw en vervangende nieuwbouw, wat de geleidelijke transformatie van agrarisch naar gemengd landelijk wonen weerspiegelt. Kenmerkend voor de Wikkeweg is de lage dichtheid, ruime percelen en een informele verkavelingsstructuur: de erven en woningen liggen verspreid langs de weg, vaak met bijgebouwen en erfbeplanting die de landschappelijke inpassing bepalen.
Voor de locaties 9–15 specifiek betekent het dat de bestaande situatie wordt gekenmerkt door een overwegend woonfunctie met incidentele agrarische nevenactiviteiten, een variatie in bouwstijlen en -jaren en een infrastructuur die is afgestemd op lokaal verkeer. Deze kenmerken vormen het toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen: behoud van landschappelijke kwaliteit, waarborging van erfkarakter en beperking van schaalvergroting zijn leidende principes bij ruimtelijke aanpassingen.
Op de locatie Wikkeweg 9 staat een historische boerderij uit 1856 op het erf. De boerderij is in een zeer slechte staat. Omdat het nog de laatste historische boerderij is en dus uniek is een plan gemaakt het te restaureren en behouden. Dit door het te verplaatsen en een woonfunctie te geven. Daarbij worden ook de oorspronkelijke bijgebouwen terug gebouwd, een steltenberg en een eenroedige hooiberg. Met dit voornemen is de boerderij gered en duurzaam in stand te houden.
Het plan voorziet verder in het samenvoegen van de bestaande woningen op nummers 9 en 11 tot één volledige vrijstaande woning. Dit omvat het formaliseren van één kavelgrens, het verwijderen van eventuele tussenliggende aanbouwen of verblijfsruimten en het herstellen van een zelfstandige vrijstaande hoofdwoning met een heldere erfgrens en eigen ontsluiting. Tegelijkertijd wordt op een aangrenzende bouwlocatie de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Voor beide woningen gelden ruimtelijke randvoorwaarden ten aanzien van maximale goot- en nokhoogte, situering ten opzichte van de weg en omliggende erven, en een begrenzing van bebouwingspercentage om de kleinschalige lintkarakteristiek te behouden.
Als tegenprestatie en als voorwaarde voor vergunningverlening wordt een erfinrichtings- en natuurcompensatiepakket voorgeschreven.
Afbeelding de ligging van het plangebied Wikkeweg 9-15 en omgeving (Bron: luchtfoto Apeldoorn)
De ruimtelijke structuur van het plangebied is te typeren als een lintstructuur langs een lokale ontsluitingsweg, met percelen die zich oriënteren op de Wikkeweg en een duidelijke overgang naar omliggende open landbouwgronden. Binnen deze structuur vormen de erven een schakelpunt tussen het dorpse netwerk en het omliggende coulisselandschap; de schaal is kleinschalig en heterogeen, met een sterke relatie tussen bebouwing, erfbeplanting en zichtlijnen in het landschap.
Functioneel is het gebied primair residentieel met ondersteunende functies (schuren, kleinschalige agrarische opslag, hobby- en bedrijfsmatige activiteiten in beperkte mate). Locaties 9–15 hebben een dominante woonbestemming met ruimte voor aan huis gebonden bedrijvigheid onder voorwaarden, waarbij functiemenging mogelijk is mits deze de woonkwaliteit en het landschap niet aantast. De verkeersstructuur is lokaal van aard; parkeren en ontsluiting vinden hoofdzakelijk op eigen terrein plaats, waardoor openbare ruimte en wegprofiel beperkt zijn in capaciteit.
Planologisch betekent dit dat ruimtelijke ingrepen moeten worden gestuurd op: (1) behoud van de lintkarakteristiek; (2) inpassing van nieuwe bouwmassa's in schaal en materiaalgebruik; (3) beperking van intensivering van bedrijvigheid; en (4) waarborging van groenstructuren en erfbeplanting. Voor locaties 9–15 vertaalt dit zich in specifieke randvoorwaarden in het TAM-plan: maximale goot- en nokhoogtes, erfafscheidingen in natuurlijke materialen, en regels voor nevenfuncties die het ondergeschikt houden aan de woonfunctie.
Afbeelding vogelvlucht de Wikkeweg (Bron: Google Maps)
Afbeelding weilanden achter de Wikkeweg 9 (Bron: Google Maps)
Afbeelding straat de Wikkeweg ter hoogte van 9 (Bron: Google Maps)
Afbeelding straat de Wikkeweg ter hoogte van de twee te realiseren woningen (Bron: Google Maps)
De percelen Wikkeweg 9–15 worden rechtstreeks ontsloten vanaf de Wikkeweg zelf; er is geen aanvullende openbare ontsluiting. De Wikkeweg is een smalle 60 km ontsluitingsweg door het buitengebied. De bereikbaarheid van de percelen is primair per auto, secundair per fiets en te voet. Het parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost. De weg is ingeklemd door een greppel, berm of prikkeldraad dat rond de aanwezige weilanden is geplaatst.
Bij nieuwe of gewijzigde inritten is realisatie alleen mogelijk indien zij voldoen aan de zichtafstandseisen en aan de technische richtlijnen van de wegbeheerder. Erfafscheidingen en beplanting mogen zichtlijnen niet belemmeren; dit wordt vastgelegd in het erf- en inrichtingsplan als voorwaarde voor vergunningverlening. Alle genoemde eisen worden juridisch verankerd in het TAM-plan en de omgevingsvergunning.
Functioneel zijn de percelen niet meer in gebruik voor agrarische doeleinden. Omdat ze ingeklemd liggen tussen Wikkeweg 9 en 15 is de transformatie naar wonen opportuun. Het sluit goed aan bij de aanwezige lintbebouwing. Met het plan wordt een historische boerderij in stand gehouden. De toevoeging van de vrijstaande woning en de samenvoeging van 9 en 11 sluit goed aan binnen het lint.
Bij alle percelen vindt het parkeren op eigen terrein plaats, hier is meer dan voldoende ruimte voor. Voorts worden de erven landschappelijk ingepast en zal de biodiversiteit toenemen.
De erfinrichting zal gaan bijdragen aan de landschappelijke inpassing en de biodiversiteit: dit betekent onder meer beperkte verharding, inheemse erfbeplanting (hagen en solitaire bomen), groene erfafscheidingen en ecologisch verantwoorde opritten. Ook wordt een nieuwe boomgaard aangelegd. Op de naastgelegen percelen wordt de aanleg van nieuwe natuur verplicht gesteld: voorbeelden zijn graanakkers, bloemrijke graslanden, houtsingels, struweel, poelen en bomenrijen die aansluiten op bestaande groenstructuren en zo ecologische verbindingen versterken. Voor de volledigheid van de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage 1 Inrichtingsplan Den Ankelaar Wikkeweg 9-15 en het addendum mail (bijlage 2) verwijderen aanleg dassenburcht.
Juridisch worden deze maatregelen vastgelegd in het TAM-plan en bijbehorende vergunningvoorwaarden: een verplichte erf- en landschapsplan als onderdeel van de omgevingsvergunning, een ecologisch beheerplan met instandhoudingsverplichting en een eventuele privaatrechtelijke overeenkomst voor onderhoud en beheer van de nieuw aangelegde natuur. Hiermee wordt de ruimtelijke ontwikkeling van twee woningen mogelijk gemaakt terwijl tegelijkertijd de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit in en rond de Wikkeweg substantieel worden versterkt.
Afbeelding 4, inrichtingsschets Wikkeweg 9 – 15 in Apeldoorn * de ingetekende dassenburcht is uit het plan gehaald – bron: Biedtruimte BV
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Betekenis voor dit plan
Deze ontwikkeling is in lijn met de uitgangspunten van het NOVI, doordat zij bijdraagt in de woningbehoefte en het versterken van de kwaliteit van het platteland door het behoud van cultuurhistorische bebouwing en het versterken van de natuur. Daarnaast wordt ingezet op klimaatbestendigheid en duurzaamheid door bijvoorbeeld de voorwaarde te stellen dat hemelwater niet mag worden afgevoerd naar het riool en doordat woningen niet meer mogen worden aangesloten op het aardgasnet. Verder moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn en dient rekening te worden gehouden met overige duurzaamheidsnormen uit onder andere het Bouwbesluit, waaronder eisen op het vlak van isolatie. Door deze regels is verzekerd dat de nieuwbouwwoningen duurzaam zijn. Dit geldt ook voor te de verplaatsen historische boerderij. Deze wordt zoveel als mogelijk verduurzaamd.
Bij een bestemmingsplanherziening moeten de Rijksinstructieregels en relevante onderdelen van het Besluit ruimtelijke ordening worden gevolgd: de planmotivering moet aantonen dat de omgeving geschikt is voor de nieuwe woning en dat negatieve effecten zijn uitgesloten of gemitigeerd. Concreet betekent dit dat de aanvraag onderbouwende onderzoeken moet bevatten voor archeologie, geluid (weg en vliegveld), bodem, flora & fauna en stikstof en dat de uitkomsten in de planmotivering worden verwerkt.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Betekenis voor dit plan
Voor voorliggende ontwikkeling is de Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen. Artikel 5.129g van het Bkl schrijft voor dat, voor zover een Omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met:
In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd:
Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Gelet op de omvang van dit project, het betreft hier de realisatie van 20 woningen, kan er gesproken worden van een zogenaamde stedelijke ontwikkeling. Gelet hierop dient de ladder dan ook doorlopen te worden.
Behoefte woningbouw:
De gemeente Apeldoorn staat voor een forse woningbouwopgave. In het afwegingskader Woningbouw 2018-2027 streeft de gemeente naar voldoende woningen voor iedereen en wil men ruimte scheppen voor 5.500 extra huishoudens, waarvan 4.000 al zijn ingevuld. Dat betekent dat er in de periode tot 2027 nog behoefte is aan 1.500 woningen. Het basisprincipe is 'adaptief en flexibel programmeren'. De regionale behoefte aan woningen is dus evident. Van belang is dat deze de juiste woningen op de juiste plek worden gebouwd. De gemeente stuurt hierop. Trede 1 – Actuele behoefte: De gemeente Apeldoorn heeft een aantoonbare woningbouwbehoefte, zoals vastgelegd in het Afwegingskader Woningbouw 2018–2027 en de Regionale Woonagenda. De voorgestane ontwikkeling voorziet in de vraag naar betaalbare woningen voor starters en senioren.
Trede 1 – Buitengebied: De locatie ligt in het buitengebied van Apeldoorn. Het betreft een functieverandering en de bouw van een woning. Omdat het twee woningen betreft is het niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.
Trede 2 – Passende ontsluiting en voorzieningen: De locatie is goed ontsloten via de Wikkeweg, met aansluiting op een doorgaande weg tussen Apeldoorn en Teuge. Voorzieningen bevinden zich niet op korte afstand. De locatie is derhalve passend ontsloten en geschikt voor een woonfunctie.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan alle treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking en is daarmee ruimtelijk verantwoord en duurzaam ingebed in het stedelijk weefsel van Apeldoorn.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang.
Betekenis voor dit plan
In de voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding Gelderse Omgevingsvisie (Bron: provincie Gelderland)
Ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
Ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuur inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.
Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaat adaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
Cultuurhistorie
Gaaf Gelderland positioneert cultuurhistorie als een kernwaarde die beschermd en waar mogelijk ontwikkeld moet worden. De visie gebruikt het begrip gaaf om aan te geven wat “beschermenswaardig” is: objecten, ensembles en landschappen die historisch, landschappelijk of architectonisch waardevol en relatief ongeschonden zijn en daarom prioriteit verdienen bij ruimtelijke besluiten. Deze formulering maakt cultuurhistorie tot een expliciet afwegingscriterium bij nieuwe ontwikkelingen.
Betekenis voor dit plan
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle boerderij mogelijk. De herbouw van de boerderij geldt als herstel van een historische erfensemble. Daarnaast wordt een nieuwe woning toegevoegd die zorgt voor een verduurzaming van de woonvoorraad doordat ze onder meer 'bijna energie neutraal gebouwd (BENG)' dienen te zijn en aan de overige (wettelijke) duurzaamheidseisen moet voldoen. Verder wordt de biodiversiteit verbeterd en de landschappelijke waarden versterkt. Daarmee past het plan in het omschreven beleid en bij de omschreven ambities van de provincie.
Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. De meest recente versie is geldig vanaf 1 januari 2024, met aanvullende wijzigingen in voorbereiding voor inwerkingtreding op 25 april 2025. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Wonen
De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.
Cultureel erfgoed
Ten aanzien van cultureel erfgoed verplicht de verordening dat bij ingrepen in of nabij karakteristieke bebouwing en erfensembles de planmotivering inzichtelijk maakt welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en op welke wijze de voorgenomen maatregel deze waarden raakt of versterkt. Waar sprake is van karakteristieke of monumentale objecten dient een bouwhistorische onderbouwing te worden overlegd; sloop, verplaatsing of ingrijpende wijziging is slechts toelaatbaar indien er sprake is van aantoonbaar herstel, reconstructie of een gelijkwaardige versterking van de cultuurhistorische kwaliteit en indien de maatregelen juridisch zijn verankerd in bestemmingsplanregels, bouwvoorschriften of een realisatie- en beheerconvenant. De verordening verlangt bovendien dat maatvoering, situering en materiaalkeuze in de planregels worden opgenomen als toetsingscriteria zodat de ruimtelijke kwaliteit op lange termijn is gewaarborgd.
Landschap en natuur
Voor landschap en natuur schrijft de verordening voor dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten aantonen dat negatieve effecten op landschappelijke structuren, ecologische verbindingen en beschermde natuurwaarden zijn uitgesloten of adequaat worden gecompenseerd. Natuurcompensatie moet kwalitatief bijdragen aan ecologische samenhang en mag niet louter kwantitatief worden ingevuld; de verordening vraagt om een onderbouwing van soortenkeuze, inrichting en beheer en om aansluiting op regionale groenstructuren om versnippering te voorkomen. Waar ingrepen invloed kunnen hebben op hydrologie, bodem of stikstofdepositie zijn respectievelijk een watertoets, bodemonderzoek en een stikstoftoets vereist. De verordening verplicht dat realisatie en langdurig beheer van nieuwe natuur en landschapselementen juridisch worden geborgd, bijvoorbeeld via een bestemming, een realisatie- en beheerconvenant of een verplicht ecologisch beheerplan met monitoring en financieringsgaranties.
Waterbeleid Omgevingsvisie
Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Eén van de ambities uit de omgevingsvisie is klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Ten aanzien van dit aspect, wat een belangrijk dwarsverband kent met het omgaan met water in ruimtelijke plannen zegt de omgevingsvisie het volgende:
“Overtollig water moet zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. Wij werken hier vooral aan vanuit onze betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houden daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed vangen we water op en houden het voor langere tijd vast in onze beken. En: we zorgen voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor onze Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier.”
Verder is, onder andere, vastgelegd hoe de grondwaterwinning beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.
Klimaatadaptatie
Tot slot geldt dat in de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.
Betekenis voor dit plan
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 2 woningen, in overeenstemming met de regionale woonagenda (zoals later nog aan bod komt) en het NIKA-beleid van de gemeente. Het draagt bij aan het behoud van cultureel erfgoed en het woon- en leefklimaat in de gemeente Apeldoorn. Daarnaast dragen de aanleg van natuur en landschapselementen bij aan het versterken van de biodiversiteit. Het initiatief is in lijn met de ambities uit de omgevingsverordening en is daarmee consistent met de gestelde doelstellingen. Het plan is in overeenstemming met de verordening. De regels hebben dan ook geen gevolgen voor dit plan.
De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.
De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:
Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.
Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.
De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.
Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023 - 2027 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda. Zie voor een uitgebreidere toelichting het gemeentelijke beleid in de volgende paragraaf.
Betekenis voor dit plan
Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:
Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.
Uitgangspunt wijziging omgevingsplan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan (de opvolger van de bestemmingsplannen). De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies.
De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave:
het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Afbeelding Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Betekenis voor dit plan
Met de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plan wordt voornamelijk bijgedragen aan de ambities 2 en 3. Door de realisatie wordt cultuurhistorisch waardevol erfgoed behouden en het landschap en de natuurwaarden versterkt. Bij de realisatie zal rekening gehouden worden met klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Het nieuwe woongebouw wordt minimaal BENG (Bijna energie neutraal gebouw) uitgevoerd. De te verplaatsen boerderij wordt zo goed als mogelijk verduurzaamd. Deze ontwikkeling past hiermee binnen de ambities van de gemeente, zoals deze in de Omgevingsvisie zijn verwoord.
In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.
Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:
Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:
Betekenis voor dit plan
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 2 woningen in het buitengebied. Er wordt een fijne woonomgeving gecreëerd met veel aandacht voor groen en natuur, klimaatadaptatie en duurzaamheid. Door hier aandacht aan te besteden wordt gestreefd naar een leefbare omgeving en het behoud van erfgoed door het een woonfunctie te geven.
Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Afbeelding Kaart Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
Doorwerking in het plan
Het besluitgebied ligt langs de Wikkeweg en valt binnen een groot groengebied. Het ligt niet in de nabijheid van de Groenstructuur de Groene Mal. Maar het initiatief zal wel bijdragen aan het realiseren
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016 bijlage 3). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare, leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogd te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.
De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de 'Beleidsregel Parkeren' verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.
De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.
Doorwerking in het plan
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 2 woningen. Het besluitgebied is gelegen in het buitengebied met weinig verstedelijking. Dit betekent dat op basis van onderstaande tabel 4 parkeerplaatsen binnen het besluitgebied gerealiseerd moeten worden, immers geldt voor de woningtypen een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning. Voor de woningen wordt voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein, hier is voldoende ruimte voor. Mede gezien de omvang van het besluitgebied kan worden geconcludeerd dat het plan voorziet in de totale parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Tabel Parkeernormen Auto (Bron: Beleidsregels Parkeren 2024)
Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid per woning. Het aspect parkeren vormt dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van de woningen aan de Wikkeweg. Het voorliggende plan is in overeenstemming met de Beleidsregel Parkeren 2024.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Uitgangspunten in ruimtelijke plannen
Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
- Afkoppelen/niet aansluiten van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
- Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.)
- Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
Doorwerking in het plan
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudingsplan opgesteld. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op het waterhuishoudingsplan. Aan de hand van het plan is invulling gegeven aan gemeentelijk beleid ten aanzien van water.
Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2015. Het beleid kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:
Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de
Monumentenverordening.
Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.
Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.
Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
Doorwerking in het plan
In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische waarden.
De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties: - Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
- Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
- Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.
In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het plan een beschermende regeling krijgen.
Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.
Doorwerking in het plan
In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Onderzoeksresultaten
Verkennend bodemonderzoek rapport 14 augustus 2025, opgesteld door Boluwa Eco Systems BV
In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen op de locaties Wikkeweg 9-15 te Apeldoorn tot wonen is op verzoek van de initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 25172/ bijlage 4).
Conclusie en advies:
Op dit moment kon niet beoordeeld worden of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het volgende bodemonderzoek dient nog te worden uitgevoerd tijdens de behandeling van een BOPA aanvraag:
Vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725, met aandacht voor asbest. Indien daar aanleiding voor is gevolgd door verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en/of verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707.Voor een volledig beeld wordt verwezen naar bijlage 4 van de toelichting.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
Notitie milieuzonering
In het kader van een ETFAL is de voorgenomen functiewijziging beoordeeld op milieutechnische aspecten. Daarbij is de systematiek van milieuzonering nieuwe stijl uit de VNG-publicatie Activiteiten en milieuzonering geraadpleegd. Deze systematiek is primair bedoeld voor de ruimtelijke inpassing van milieubelastende activiteiten ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen.
Het realiseren van twee woningen betreft geen milieubelastende activiteit, maar juist een gevoelige functie. Toetsing aan de richtafstanden van de VNG-publicatie is daarom niet aan de orde. Wel is beoordeeld of de omgeving waarin de woningen worden gerealiseerd geschikt is voor een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is gekeken naar relevante milieuthema's zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en externe veiligheid. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn en dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
De bouw van twee woningen is vanuit milieuzonering nieuwe stijl niet toetsingsplichtig, maar voldoet wel aan de vereisten van ETFAL. Verder zijn in de omgeving binnen ca. 250 meter van de planlocatie geen veehouderijen gelegen, die een mogelijk belemmering opleveren. Vanuit het aspect bedrijven/activiteiten, zijn er geen belemmeringen om de nieuwe woning te realiseren en de bestemming van de dubbele woning te wijzigen in 1 woning.
De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).
Onderzoeksresultaten
Het aspect lichthinder is in voorliggende situatie niet aan de orde. Activiteiten die dergelijke effecten teweeg kunnen brengen zijn immers niet in of in de omgeving van het besluitgebied terug te vinden.
Conclusie
Lichthinder vormt geen belemmering voor het plan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.
Onderzoeksresultaten
Om de akoestische situatie ter plaatse inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Sound Force One op 2 oktober 2025. Dit onderzoek is als bijlage 12 bij deze motivering gevoegd. Hierna zijn verkort de resultaten naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek (waarbij rekening wordt gehouden aan de eisen van de Omgevingswet) te vinden, alsmede de conclusie die hieruit wordt getrokken.
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Hierdoor is het toetsingskader voor geluid anders dan het eerder was. In het onderzoek zal in principe getoetst worden aan de regels van de Omgevingswet en bij behorende besluiten. In dit geval ligt de ontwikkellocatie in het aandachtsgebied van de rijksweg A50, provinciale weg de N344 en de gemeentelijke weg de Wikkeweg. Voor de gemeentelijke wegen geldt een ander toetsingskader dan voor de provinciale wegen en rijkswegen. Voor de provinciale weg zijn onlangs de zogenaamde geluidsproductieplafonds onder de Omgevingswet vastgesteld. Toetsing van beide type wegen valt nu onder de Omgevingswet.
Kort samengevat betekent dit dat voor de N344, de A50 en de gemeentelijke wegen toetsing aan de omgevingswet én het lokaal beleid van toepassing is. Het plan voorziet in de vervanging en verplaatsing van de een bestaande gevoelige bestemming én voorziet in de vervanging van een schuur (niet-gevoelig). In beide gevallen geeft het Bkl aan dat een overschrijding tot 5 dB hoger dan de grenswaarde in dat geval is toegestaan.
Uit de resultaten blijkt:
Het betreffende plan maakt nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk en ligt in het aandachtsgebied van enkele gemeentewegen, de provinciale weg N344 en de rijksweg A50. Het plan ligt niet in het aandachtsgebied van een spoorweg of in de zone van een gezoneerd industrieterrein.
Gemeentelijke wegen
Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege alle gemeentelijke wegen samen de gevelbelasting maximaal 53 dB bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB wordt niet overschreden.
Rijksweg A50
Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege de A50 samen de gevelbelasting maximaal 61 dB bedraagt op de meest westelijk gelegen woning. Op de oostelijke gelegen woning bedraagt de gevelbelasting als gevolg van de rijksweg maximaal 60 dB. Dit betekent dat daardoor de grenswaarde van 60 dB wordt overschreden. Aangezien voor één van de woningen sprake is van vervangende nieuwbouw mag een overschrijding tot maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde worden toegestaan. De waarde van 65 dB wordt op de nieuwe woningen niet overschreden. Wellicht is er uitruil mogelijk tussen de twee woningen als de één de verhoging van de grenswaarde niet nodig blijkt te hebben. Per saldo neemt het “aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u,” dan niet wezenlijk toe. Als dat niet het geval is kan westgevel van de westelijke woning, indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, als niet gevoelige gevel (voorheen dove gevel) worden uitgevoerd.
Als sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde dient onderzocht te worden of bron-
en of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn. Uit het onderzoek is gebleken dat bron- en
overdrachtsmaatregelen of niet toepasbaar zijn of tot zowel financiële, verkeerskundige, stedenbouwkundige als landschappelijke bezwaren leiden.
Het bevoegd gezag heeft daarom de mogelijkheid om de gezamenlijke gevelbelasting vast te leggen in het omgevingsplan. Daarbij zullen voor de woningen extra gevelmaatregelen nodig zijn om aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Een bouwakoestisch onderzoek moet uitwijzen welke gevelmaatregelen nodig zijn.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er voor dit plan op voorhand geen belemmeringen worden verwacht als het de gemeentelijke wegen betreft. De grenswaarde ten aanzien van geluid overschreden. Dit geldt wel voor de A50. Nader onderzoek moet uitwijzen welke extra gevelmaatregelen afdoende zijn om een binnenwaarde van maximaal 33 dB te garanderen. Dit gebeurt met een bouwakoestisch onderzoek bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit is voor dit ruimtelijk spoor geen belemmering.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een QuickScan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Situatie besluitgebied
Het besluitgebied ligt op meer dan 400 meter afstand van het spoortraject Apeldoorn-Deventer. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling.
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het plan.
De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen. Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:
Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 2 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk.
De blootstelling aan luchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op basis hiervan vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering.
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het initiatief.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.1.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen.
Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. In voorliggende situatie geldt dat uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat in en om het besluitgebied een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.
Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking. Doordat in voorliggende ontwikkeling zowel fysiek als juridisch-planologisch veel nieuw groen aan het besluitgebied wordt toegevoegd, wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan het stimuleren van de gezondheid.
Voor de bouw van de woningen aan de Wikkeweg is een locatie-specifiek onderzoek uitgevoerd (bjlage 11) naar de risico’s van spuitdrift vanuit aangrenzende agrarische percelen. De betrokken percelen zijn al decennialang in gebruik als permanent grasland, waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen zeer beperkt is en hoogstens enkele behandelingen per decennium plaatsvinden. Intensieve teelten die veelvuldig bespoten moeten worden zijn hier, gezien bodem en waterhuishouding, niet aan de orde.
De afstand van de bouwvlakken tot de perceelgrenzen bedraagt circa 25 meter. Hoewel dit korter is dan de in jurisprudentie gehanteerde 50 meter, is beoordeeld dat het risico op drift verwaarloosbaar is. Als aanvullende voorzorgsmaatregel wordt langs de perceelsgrens een windsingel aangelegd, die de kans op drift verder reduceert. Daarmee is sprake van een verantwoorde situatie waarin bouwen en wonen binnen de spuitzone geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s oplevert.
Conclusie
Bouwen en wonen binnen de spuitzone is hier aanvaardbaar en levert geen onaanvaardbare risico’s op voor de gezondheid of leefomgeving. Voor de volledigheid wordt verwezen naar het volledige risicobeoordelingsrapport van Foreest Groen Consult, dat als bijlage bij dit omgevingsplan wordt opgenomen.
Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Onderzoeksresultaten
Het aspect externe veiligheid is beoordeeld door de OVIJ – kenmerk ODV013251 d.d.: 4 december 2025. De ontwikkeling betreft de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Het plangebied ligt deels binnen het gifwolkaandachtsgebied van de A50. De effecten van een gifwolk als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute zijn echter dusdanig laag dat een verdere beschouwing van externe veiligheid niet aan de orde is. Externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor de ontwikkeling. Nabij het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
Conclusie externe veiligheid
Gezien de ligging van het plangebied enkel binnen het gifwolkaandachtsgebied van de A50 vormt externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling.
In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.
Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).
De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Onderzoeksresultaten
Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan.
De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Onderzoeksresultaten
Uit de adviesaanvraag is gebleken dat er geen sprake is van een activiteit die genoemd is in de bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is geen aanleiding om een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling te doen.
Conclusie
Het bevoegde gezag heeft naar aanleiding van voorgaande conclusie op besloten om geen mer-procedure te doorlopen.
Het besluitgebied van de ontwikkeling Wikkeweg 9-15 in Apeldoorn ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied bevindt zich binnen in een Keurzone van het Waterschap Vallei en Veluwe, maar niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.
Het gebied ligt ten oosten van het Apeldoorns Kanaal en een deel van het gebeid ligt net in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Er zijn in en om het plangebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het plangebied tussen NAP+ 2,5 m en NAP+ 3,0 m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend. Binnen een grondwaterfluctuatiezone moet bij planvorming rekening worden gehouden met wisselende grondwaterstanden. Dit kan invloed hebben op fundering, kelderbouw, infiltratievoorzieningen en groeninrichting.
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.
In en om het plangebied is geen noemenswaardig oppervlaktewater aanwezig. Door dit plan ontstaat ook wel extra oppervlaktewater in de vorm van een poel (achter Wikkeweg 15). Er zal niet geloosd worden op dit oppervlaktewater. Doordat er niet geloosd wordt op oppervlaktewater heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.
In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een vacuüm rioolstelsel waarmee alleen vuilwater wordt afgevoerd. Hemelwater kan niet worden afgevoerd.
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.
Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.
Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.
Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:
De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.
In dit plangebied wordt het regenwater ter plekke vastgehouden en geïnfiltreerd in de ondergrond – er wordt géén hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. Doordat het geen vervuilingsgevoelige oppervlakken betreffen, wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.
De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets.
De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van (een wijziging van) het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan.
Aan de hand van het waterhuishoudingsplan is een analyse van het bestaande systeem uitgevoerd en een plan voor de toekomstige waterhuishoudingssituatie opgesteld. Dit plan is opgesteld in samenspraak met de ontwikkelaar, het waterschap en de gemeente. Het waterbelang is op deze wijze goed meegenomen bij voorliggende ontwikkeling.
Op d.d. XXX 2025 is voorliggend plan, met het waterschap gedeeld. De digitale watertoets is uitgevoerd op d.d. xxx zoals ook vernoemd in het rapport. Er zijn geen op- en/of aanmerkingen op het plan ontvangen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Onderzoeksresultaten
In de rapportages (een voor de sloop en een voor de twee nieuwe woningen) uitgevoerd door Foreest Groen Consult B.V. d.d. 18 juni 2025 die is opgenomen in bijlagen 9 en 8 bij deze motivering, zijn de resultaten van het natuurwaardenonderzoek weergegeven.
Sloop
Bij de sloop van de boerderij en het bakhuis is specifiek gekeken naar gebouwbewonende soorten. De inspectie van de rieten kap, muldenpannen, muren en zolders heeft geen sporen van vleermuizen of vogels opgeleverd. Ook voor soorten als huismus, gierzwaluw, spreeuw, zwarte roodstaart en kerkuil zijn geen nesten of verblijfplaatsen aangetroffen. Holle ruimten en nestkasten ontbreken. Daarmee is uitgesloten dat de sloop leidt tot overtreding van de beschermingsregels voor gebouwbewonende soorten.
Daarnaast is vastgesteld dat het plangebied volledig verhard is en daardoor ongeschikt voor amfibieën, reptielen en grondbroedende vogels. Ook voor vlinders, libellen en overige ongewervelden ontbreken de noodzakelijke waardplanten of habitats. De aanwezigheid van beschermde soorten is uitgesloten.
Bouw van twee woningen
In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en de locatie is, gezien het beheer en de aard van het terrein, niet geschikt voor de in de omgeving voorkomende beschermde flora. Bij de fauna zijn sporen van algemene zoogdiersoorten vastgesteld, waaronder konijn en mol, evenals vraatsporen van boom- of steenmarter. Voor vrijgestelde soorten geldt geen belemmering. Voor hermelijn en wezel kan nader onderzoek noodzakelijk zijn indien beplantingen rond de kavels worden gerooid. Amfibieën zijn wel aanwezig: de bruine kikker en heikikker zijn aangetroffen, terwijl nabijgelegen wateren geschikt leefgebied bieden voor de alpenwatersalamander. Voor deze soorten geldt dat werken volgens een ecologisch werkprotocol noodzakelijk is. Reptielen zijn niet aangetroffen, al kan de hazelworm incidenteel gebruik maken van de randen van het plangebied. Broedvogels van algemene soorten zijn vastgesteld, waarvoor geldt dat werkzaamheden buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden of voorafgaand gecontroleerd moeten worden. Vissen ontbreken door het ontbreken van open water en voor vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen of geschikte bomen aangetroffen.
Conclusie
De voorgenomen bouw van twee woningen aan de Wikkeweg 9–15 en sloop van de boerderij is uitvoerbaar binnen de kaders van de Omgevingswet, mits uitvoering plaatsvindt conform een ecologisch werkprotocol en buiten het broedseizoen. Voor hermelijn en wezel geldt dat nader onderzoek alleen noodzakelijk is indien beplantingen worden gerooid. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de volledige QuickScan rapporten van Foreest Groen Consult B.V., dat als bijlage 8 Quickscan sloop boerderij en bjlage 9 Quickscan bouw woningen Wikkeweg.
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie).
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Gelderland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Gelderland.
Het plan omvat de sloop van een bestaande boerderij en de bouw van twee woningen, waarvan één wordt herbouwd met hergebruikte materialen. Voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn de emissies van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen doorgerekend met de meest recente versie van AERIUS Calculator (2025). Daarbij is rekening gehouden met factoren zoals stationair draaien, koude starts en AdBlue-verbruik.De berekeningen tonen aan dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden, waaronder de Veluwe (4,6 km afstand), Rijntakken, Landgoederen Brummen en Boetelerveld. Ook op hexagonen met hersteldoelen is geen toename vastgesteld. Voor een volldigbeeld van de berekeningen wordt verwezen naar de bijlagen 5 en 6.
Onderzoeksresultaten
Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000 en ook niet binnen het Gelders Natuur Netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Veluwe, bevindt zich op 4,6 km afstand en het dichtstbijzijnde GO-gebied op 0,9 km. Er zijn geen houtopstanden aanwezig die onder de Wet natuurbescherming vallen en de bestaande bomenrijen en heggen blijven behouden. Zowel de sloop van de boerderij en het bakhuis alsmede de bouw van de twee woningen heeft geen effect op deze gebieden.
Conclusie
De voorgenomen bouw van twee woningen aan de Wikkeweg 9–15 is uitvoerbaar binnen de kaders van de Omgevingswet, mits uitvoering plaatsvindt conform een ecologisch werkprotocol en buiten het broedseizoen. Voor hermelijn en wezel geldt dat nader onderzoek alleen noodzakelijk is indien beplantingen worden gerooid. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de volledige QuickScan rapporten van Foreest Groen Consult B.V., dat als bijlage 9 Quickscan bouw woningen Wikkeweg bij dit omgevingsplan is opgenomen. Het project leidt tevens niet tot een verhoging van stikstofdepositie en veroorzaakt geen significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.
Wettelijk kader archeologie
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Wettelijk kader cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Onderzoeksresultaten
In het besluitgebied heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Kortheidshalve zijn hieronder de conclusies naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken en het selectiebesluit dat is genomen door het bevoegde gezag. Voor de volledige rapportages wordt naar de bijlage verwezen. In het kader van voorliggend plan heeft inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. De bijbehorende rapportage d.d. 7 augustus 2025, met kenmerk ISSN 25060037, is opgenomen onder bijlage 7 bij de motivering.
Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het besluitgebied een lage trefkans voor het aantreffen van oude archeologische resten. Het advies luidt om de middelhoge archeologische verwachting in het plangebied te handhaven, met uitzondering van de locaties waar de bodemopbouw door booronderzoek is getoetst. Voor deze onderzochte gebieden zijn, in het kader van de voorgenomen nieuwbouw, geen aanvullende maatregelen nodig.. Er zijn geen archeologische vondsten bekend in de omgeving van het gebeid.
Op basis van de resultaten van het rapport wordt geadviseerd de archeologische dubbelbestemmingen intact te laten. De geplande ingreep kan zonder verder onderzoek uitgevoerd worden. Op basis van het rapport is geadviseerd de gebieden archeologisch vrij te geven.
De mogelijkheid van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van OO in de Nederlandse bodem houden over het algemeen verband met het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoort. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten munitie ontplofte niet en bleef als OO achter.
Voor het besluitgebied is onzeker of rekening gehouden moet worden met de (mogelijke) aanwezigheid van OO. Op grond hiervan heeft vooronderzoek OO plaatsgevonden. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er onontplofte oorlogsresten aanwezig zijn.
Op basis van het vooronderzoek, waarbij een analyse is gedaan van het historisch feitenmateriaal, wordt het besluitgebied als onverdacht aangemerkt op het aantreffen van OO. Geadviseerd wordt om de grondroerende werkzaamheden voor het onderzoeksgebied de normale doorgang te laten hebben. Er is geen aanleiding gevonden tot het nemen van vervolgstappen. Algemeen aandachtspunt is dat als er tijdens de uitvoering altijd aandacht dient te zijn voor het aantreffen van onverdacht zaken en dat grondroerend personeel op de hoogte dient te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Als tijdens het werk gestuit wordt op zaken die lijken op OO, dient het werk onmiddelijk gestaakt te worden en moet een deskundige worden geraadpleegt. Het handelingsproces moet als volgt worden doorlopen:
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen problemen oplevert voor de gewenste ontwikkelingen binnen het besluitgebied.
In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 'energieneutraal' is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:
De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpen op het gebied van energie:
Voor nieuwbouw
Voor bestaande bouw
Doorwerking in het plan
De nieuw te realiseren woningen zullen allen aardgasvrij worden gebouwd. Dit betekent dat voor deze woningen gezocht moet worden naar een alternatief om deze woningen te verwarmen. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van een warmtepomp. De woningen zullen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het Bbl is opgenomen dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de Beng-eisen. Beng staat voor Bijna Energieneutrale Gebouw. Hoewel Apeldoorn in haar beleid heeft opgenomen dat voor nieuwbouw geldt dat woningen moeten voldoen aan de nul-op-de-meter-eis kan dit juridisch niet worden afgedwongen. Het Rijk heeft bepaald dat het Bbl een uitputtende werking heeft en gemeenten geen strengere eisen aan (nieuwbouw)woningen mogen stellen. De bestaande gebouwen in het besluitgebied die worden behouden zullen zoveel mogelijk worden verduurzaamd.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.
Eindconclusies
Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22ba Wikkeweg 9-15 in Apeldoorn, vormt een wijziging van het omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied Noord-Oost', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een plan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd.
Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22ba van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling aan de Wikkeweg 9-15 te Apeldoorn. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor een specifieke locatie binnen het besluitgebied. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor Wikkeweg 9-15 Apeldoorn is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.
Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ba Wikkeweg 9-15 Apeldoorn worden bestaande functies wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.
Bijlagen bij de regels
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn er 13 bijlagen opgenomen bij de regels, die enerzijds uiteenzetten welke functies zijn toegestaan en anderzijds zijn gekoppeld aan de beoordelingsregels voor parkeren en beeldkwaliteit.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ba Wikkeweg 9-15 Apeldoorn dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'bestemmingen' zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn als zodanig op de verbeelding opgenomen. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.
Procedureel
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
Het ontwerp-omgevingsplan (wijzigingsbesluit) en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd (artikel 3:11 Awb). Binnen deze termijn heeft iedereen de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel digitaal, schriftelijk als mondeling.
De wijziging van het omgevingsplan wordt digitaal gepubliceerd via de Landelijke voorziening. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel 'Regels op de kaart' kan iedereen zien welke regels waar gelden.
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen. Onder de Omgevingswet wordt met participatie bedoeld: 'het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit'. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn daarom regels over participatie opgenomen bij de toepassing van de gemeentelijke kerninstrumenten. Daarnaast zijn gemeenten verplicht gesteld participatiebeleid op te stellen waarin wordt vastgelegd hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden.
De gemeenteraad van Apeldoorn heeft op 23 november 2023 de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' vastgesteld. In deze notitie zijn voorwaarden gesteld aan de participatie bij wijzigingen van het omgevingsplan.
Participatie bij wijziging Omgevingsplan
Vanuit de gemeente wordt verwacht dat de ontwikkelende partij investeert in draagvlak door in gesprek te gaan met omwonenden. Zo kan in een vroegtijdig stadium nog bijsturing plaatshebben. Aan de hand van de regels kan worden beoordeeld of de participatie voldoet en of de initiatiefnemer hiermee aan zijn verplichting tot participatie heeft voldaan. De kring van belanghebbenden/omwonenden en aanpak is onder meer afhankelijk van de grootte, complexiteit en ligging van het initiatief, plan of project. In de regels is opgenomen dat met belanghebbenden/omwonenden in het stedelijk gebied en een dorpskern in ieder geval binnen een straal van 150 meter dient te worden geparticipeerd. Voor het buitengebied geldt een straal van 500 meter. Voor initiatieven/projecten met een meer beperkte of grotere impact op de omgeving en op de kring van belanghebbenden/omwonenden wordt in overleg met de gemeente het participatiegebied bepaald. Eventuele criteria zijn dan bijvoorbeeld zicht hebben op of geluid.
Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet daarvan een kennisgeving worden gedaan. Op grond van het Omgevingsbesluit moet in die kennisgeving ook staan hoe de participatie is vormgegeven. Daaraan voorafgaand dient initiatiefnemer hiervoor een participatieplan bij de gemeente aan te leveren. Na doorlopen van het participatieproces en het aanbieden van een participatieverslag aan de gemeente is er een eerste indruk van de draagkracht. De uitkomsten van de participatie worden betrokken bij de besluitvorming al dan niet een anterieure overeenkomst aan te bieden voor het opstellen van een ontwerp (wijziging) van een omgevingsplan of om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met adviesrecht aan de gemeenteraad voor te leggen. Daarmee is participatie onderdeel van de weging bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Resultaten participatie
Over het initiatief voor het verplaatsen en herbouwen van een historische boerderij, het samenvoegen van twee woningen en de bouw van een nieuwe woning aan de Wikkeweg 9-15 in Apeldoorn was reeds voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet overeenstemming bereikt. Op dat moment gold de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' nog niet. Onder de oude regelgeving moest echter ook geparticipeerd worden, zij het op een ander moment en in enigszins andere vorm. Initiatiefnemers hebben daaraan voldaan. Op 15 april 2025 heeft er een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Hiervan is een verslag bijgevoegd in de bijlagen (bijlage 13 Participatie verslag 15 april 2025).
In het kader van de vaststelling zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen hebben uitsluitend betrekking op het aanvullen en verduidelijken van de toelichting en het actualiseren van de verbeelding. Het betreft geen inhoudelijke aanpassingen van de planopzet of de planregels. Aan de toelichting zijn drie nieuwe bijlagen toegevoegd die de karakteristieke bebouwing op de percelen Wikkeweg 9 en Wikkeweg 13 inzichtelijk maken. Het gaat om bijlage 14 (Schuur bij Wikkeweg 9), bijlage 15 (Steltenberg bij Wikkeweg 13) en bijlage 16 (Eenroedige hooiberg bij Wikkeweg 13). Deze bijlagen bevatten bouwkundige informatie die dient ter verduidelijking van de feitelijke situatie en de cultuurhistorische waarden. De bijlagen hebben geen normstellende werking en brengen geen wijziging aan in de juridische regeling. Daarnaast is de verbeelding aangevuld met de bijbehorende aanduidingen, zodat de planologische context volledig en consistent zijn weergegeven. Deze aanpassingen zijn uitsluitend technisch-administratief van aard en beogen de leesbaarheid en volledigheid van het plan te verbeteren.