| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Groot Panorama 34-36 Beekbergen en Dalenk 22 Loenen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0051-vas1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Groot Panorama 34-36 Beekbergen en Dalenk 22 Loenen
De percelen Groot Panorama 34-36 te Beekbergen hebben in het vigerende bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (vastgesteld in 2001) de bestemming Verblijfsrecreatie. Sinds 2007 zijn de voormalige bedrijfswoningen van Recreatiebedrijf Groot Panorama in gebruik als woning. Dit TAM omgevingsplan gaat in op de wijziging van de bestemming Verblijfsrecreatie naar de bestemming Woondoeleinden.
Het vakantiepark was kort voor 2007 opgekocht door de Provincie Gelderland in het kader van het Groei-krimpbeleid. Daarmee werden vakantieparken in kwetsbare natuur opgekocht om daarmee uitbreiding van andere bedrijven op minder kwetsbare locaties mogelijk te maken. Voor de koop heeft de huidige eigenaar van de gemeente de schriftelijke toezegging (brief RO/RJZ/ van 13 april 2007) gekregen dat de bestemming Verblijfsrecreatie die op de woning rust, zou worden gewijzigd naar de bestemming Woondoeleinden. Daarom heeft de huidige eigenaar destijds besloten de woning te kopen. De provincie heeft het ontmantelde recreatieterrein overgedragen aan de stichting Natuurmonumenten en het terrein aan het N2000 areaal toegevoegd, waarbij het object is geëxclaveerd met het oog op de omzetting naar "burgerwoning".
Het perceel Dalenk 22 te Loenen betreft het legaliseren van een woning (rijksmonument) waarbij het gebruik gewijzigd wordt van een agrarische bedrijfswoning naar wonen. Kortom hergebruik van een bestaand rijksmonument naar wonen zonder te slopen. Er is feitelijk al lang geen sprake van agrarisch gebruik. De huidige eigenaar heeft de monumentale boerderij door vererving verkregen. De ouders, de vorige eigenaren, waren al jaren niet meer agrarisch actief.
Het besluitgebied Groot Panorama 34-36 te Beekbergen betreft de gronden ten zuiden van Beekbergen. Aan de noordzijde wordt het besluitgebied globaal begrensd door de A50, De zuid-, west- en oostzijde wordt begrensd door de weg Groot Panorama. Op onderstaande afbeelding is het perceel van het besluitgebied met een rode pijl aangeduid.
Afbeelding: Aanduiding perceel met een rode pijl
Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (vastgesteld in 2001). Het terrein heeft hoofdzakelijk de bestemming "verblijfsrecreatie". Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven met bijbehorende legenda.
Afbeelding: Verbeelding en legenda Groot Panorama 34-36 te Beekbergen in bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (vastgesteld in 2001)
Op het besluitgebied is eveneens van toepassing het plan Stuwwalrand parkzone Zuid, 1e partiele herziening, vastgesteld 5 oktober 2006. Verder zijn de plannen ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (17 mei 2018) en ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q kamerverhuur en woningsplitsing van toepassing. Deze plannen hebben echter geen werking op het besluitgebied aangezien het plan niet verder gebracht is dan het ontwerpbestemmingsplan. Verder geldt ook het bestemmingsplan Parapluherziening begeleid wonen analoge plannen, vastgesteld 17 januari 2019. Het bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat.
De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.
| Plannaam | Datum vaststelling | |
| Parapluherziening parkeren | 21 maart 2019 | |
| Parapluherziening kelders | 24 februari 2022 | |
| Standplaatsen voor woonwgens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit) | 8 november 2022 | |
| Omgevingsplan gemeente Apeldoorn | 1 januari 2024 | |
| TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden | 4 april 2024 | |
Door allerlei redenen heeft het tot 2018 geduurd voordat de toezegging gestalte kreeg in het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (2018). Daarin is zonder milieu- en / of natuureffect onderzoek de bestemming in overeenstemming gebracht met de doelstellingen en de afspraken rond de opkoop. Dit plan is echter stilgelegd vanwege de integrale stikstofeffecten van het meer omvattende plan. Het is niet de verwachting dat het plan op korte termijn weer zal worden opgepakt, nu er (landelijk) geen uitzicht lijkt op stikstofoplossingen die nodig zijn om het veel omvattende plan weer volledig verder te brengen.
Afbeelding: Verbeelding en legenda Groot Panorama 34-36 te Beekbergen in ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (2018)
Het besluitgebied Dalenk 22 te Loenen betreft de gronden iten zuiden van Loenen. Aan de noordzijde wordt het besluitgebied globaal begrensd door de kern Loenen, De zuid-, west- en oostzijde wordt begrensd door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding is het perceel van het besluitgebied met een rode pijl aangeduid.
Afbeelding: Aanduiding perceel met een rode pijl
Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (vastgesteld in 2001). Het terrein heeft de bestemming "agrarisch gebied met landschappelijke waarde". Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven met bijbehorende legenda.
Afbeelding: Verbeelding en legenda Groot Panorama 34-36 te Beekbergen in bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (vastgesteld in 2001)
Op het besluitgebied is eveneens van toepassing het plan Stuwwalrand Parkzone Zuid, 1e partiele herziening, vastgesteld 5 oktober 2006. Verder zijn de plannen ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (17 mei 2018) en ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q kamerverhuur en woningsplitsing van toepassing. Deze plannen hebben echter geen werking op het besluitgebied aangezien het plan niet verder gebracht is dan het ontwerpbestemmingsplan. Verder geldt ook het bestemmingsplan Parapluherziening begeleid wonen analoge plannen, vastgesteld 17 januari 2019. Het bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat.
De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.
| Plannaam | Datum vaststelling | |
| Parapluherziening parkeren | 21 maart 2019 | |
| Parapluherziening kelders | 24 februari 2022 | |
| Standplaatsen voor woonwgens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit) | 8 november 2022 | |
| Omgevingsplan gemeente Apeldoorn | 1 januari 2024 | |
| TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden | 4 april 2024 | |
De ontwikkeling kreeg gestalte in het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (2018). Daarin is zonder milieu- en / of natuureffect onderzoek de bestemming in overeenstemming gebracht met de doelstellingen en de afspraken rond de opkoop. Dit plan is echter stilgelegd vanwege de integrale stikstofeffecten van het meer omvattende plan. Het is niet de verwachting dat het plan op korte termijn weer zal worden opgepakt, nu er (landelijk) geen uitzicht lijkt op stikstofoplossingen die nodig zijn om het veel omvattende plan weer volledig verder te brengen.
Afbeelding: Verbeelding en legenda Dalenk 22 te Loenen in ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen (2018)
De motivering van de wijziging van het omgevingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.
Sinds 2007 is Groot Panorama 36 te Beekbergen van Recreatiebedrijf Groot Panorama in gebruik als woning. Dit vakantiepark was kort daarvoor opgekocht doro de Provincie Gelderland in het kader van het Groei-krimpbeleid. Daarmee werden vakantieparken in kwetsbare natuur opgekocht om daarmee uitbreiding van andere bedrijven op minder kwetsbare locaties mogelijk te maken.
Dalenk 22 te Loenen betreft het legaliseren van een woning (rijksmonument) waarbij het gebruik gewijzigd wordt van een agrarische bedrijfswoning naar wonen. Kortom hergebruik van een bestaand rijksmonument naar wonen zonder te slopen. Er is feitelijk al lang geen sprake van agrarisch gebruik. De huidige eigenaar heeft de monumentale boerderij door vererving verkregen. De ouders, de vorige eigenaren, waren al jaren niet meer agrarisch actief.
Voor de koop heeft de huidige eigenaar Groot Panorama 36 te Beekbergen van de gemeente de schriftelijke toezegging (brief RO/RJZ/ van 13 april 2007) gekregen dat de bestemming Verblijfsrecreatie die op de woning rust, zou worden gewijzigd naar de bestemming Woondoeleinden. Voor Groot Panorama 34 te Beekbergen betreft éénzelfde situatie en wordt hierin op identieke wijze meegenomen. Groot Panorama 34 (het oude recreatiebedrijf) krijgt de bestemming Natuur (op de verbeelding is het donkergroen ingetekend). Dit betekent dat nummer 34 impliciet van Verblijfsrecreatie naar Natuur wordt omgezet.
Voor Dalenk 22 te Loenen is het omgevingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (26-04-2001) het geldende bestemmingsplan waarin het de bestemming “agrarisch gebied met landschappelijke waarde” heeft. In dit omgevingsplan zijn de gebruiksmogelijkheden van de locatie weergegeven. Daarin heeft de locatie de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Met dit plan wordt de bestemming gewijzigd naar de bestemming Woondoeleinden.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
3. Sterke en gezonde steden en regio's;
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig;
2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken;
3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd;
4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit mdraagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.
Beleids- en beheerdoelen
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:
* klimaatadaptatie;
* waterveiligheid;
* zoetwater en waterverdeling;
* waterkwaliteit en natuur;
* scheepvaart, en;
* de functies van de rijkswateren.
Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.
Wettelijke bijlagen bij het NWP
Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.
Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.
Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.
Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Betekenis voor dit plan
Het initiatief van het besluitgebied is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de in de Woondeal geconstateerde kwantitatieve woningbehoefte in de regio en in Apeldoorn in het bijzonder. Dit initiatief past in de totale opgave van 8.800 woningen. De woning wordt in de prijsklasse koop aangeboden, waardoor ook de provinciale, regionale en gemeentelijke kwalitatieve doelstellingen worden gehaald. Het initiatief voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g van het Bkl).
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang. In hoofdstuk 4 bij deze motivering wordt ook nog ingegaan op de verschillende van toepassing zijnde rijksinstructieregels.
Betekenis voor dit plan
In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels op dit punt is daarom niet vereist.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding: Gelderse Omgevingsvisie
Ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
Ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.
Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing (onder meer deze casus) heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
Cultuurhistorie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.
Archeologie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Betekenis voor dit plan
Het initiatief komt overeen met de ambities binnen de Omgevingsvisie en is daarmee in overeenstemming.
Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Wonen
De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.
Klimaatadaptatie
In de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.
Betekenis voor dit plan
Wonen
De onderhavige woning binnen het besluitgebied past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda.
Op 23 april 2025 is het voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie van de provincie Gelderland in werking getreden. Voor de provincie is het noodzakelijk met het oog op de voorbereiding van deze regels en vooruitlopend op de vaststelling daarvan de omgevingsverordening te wijzigen met voorbeschermingsregels. Deze regels strekken ertoe te voorkomen dat binnen dit beperkingengebied nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot plaatsvinden die zorgen voor stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur binnen de aangegeven Natura 2000-gebieden of dat bestaande activiteiten uitbreiden die leiden tot extra stikstofdepositie op de aangegeven Natura 2000-gebieden.
De locaties zijn gelegen in het Voorbereidingsbesluit Beperkingengebied stikstofemissie (Omgevingsverordening Gelderland). Het gebruik van de reeds aanwezige woning wijzigt niet. De activiteit die ter plaatse aanwezig is, wonen, blijft wonen. Er is daarom geen sprake van een nieuwe activiteit met stikstofemissie dan wel uitbreiden van een bestaande activiteit met stikstofemissie in de zin van artikel 4a.3 van het Voorbereidingsbesluit. De bepalingen over het Beperkingengebied stikstofemissie in de Omgevingsverordening Gelderland zijn daarom niet van toepassing.
De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. In de GO is plaats voor ruimtelijke ontwikkelingen, als die gekoppeld worden aan een investering in natuur en landschap. De kernkwaliteiten van het betreffende gebied moeten per saldo en naar rato worden versterkt. Per saldo betekent dat gecompenseerd moet worden voor de waarden die eventueel verloren gaan. Naar rato betekent dat de grootte en de aard van de ontwikkeling bepalen hoe veel er versterkt moet worden. Naast het investeren in de kernkwaliteiten mag een ontwikkeling in de GO niet ten koste gaan van de samenhang van het natuurnetwerk. De versterking moet worden uitgewerkt in een versterkingsplan. Gedeputeerde Staten hebben nadere regels vastgesteld voor de versterking in de GO. Hier geldt dat gezien het feit dat de objecten er sinds lange tijd staan, het gebruik sinds langere tijd voor Woondoeleinden gebruikt wordt (en onveranderd is en blijft) de GO niet ter sprake is.
De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.
De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:
- woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
- woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod;
- de programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.
Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.
Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.
De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.
Betekenis voor dit plan
Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:
1. Waardevolle leefomgeving
2. Klimaatverandering
3. Energietransitie
4. Circulaire economie
5. Biodiversiteit
Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.
Uitgangspunt wijziging Omgevingsplan
Aangezien er voor deze initiatieven geen veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden zijn de regels van de keur van het waterschap niet van toepassing.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed), en;
4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).
Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties.
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld.
De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe initiatieven energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Afbeelding: Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Betekenis voor dit plan
Deze ontwikkelingen passen hiermee binnen de ambities van de gemeente, zoals deze in de Omgevingsvisie zijn verwoord.
In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.
Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:
- de grote behoefte aan goedkope en betaalbare woningen;
- demografische ontwikkelingen: de voortgaande vergrijzing en de groeiende behoefte aan zorg;
- het belang van verduurzaming en CO2 neutraal bouwen;
- zorgen voor een ongedeelde stad door te werken aan veerkrachtige wijken en dorpen.
Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:
1. Doorbouwen aan een diverse woningvoorraad:
- Tot en met 2030 worden bijna 9.000 woningen toegevoegd;
- De nadruk ligt op het toevoegen van goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen;
- Aandacht voor woningen voor alle doelgroepen.
2. Veerkrachtige wijken en dorpen:
- Apeldoorn streeft naar gemengde wijken en dorpen;
- Ontmoeten stimuleren
- Referentienormen voor voorzieningen;
- Toegankelijkheid van de omgeving verbeteren waar dat kan.
3. Woningvoorraad verduurzamen:
- Nieuwbouw zoveel mogelijk energieneutraal en natuurinclusief
- Focus op verduurzaming van de particuliere woningvoorraad
- De Transitievisie Warmte zet de lijn uit:
a. Isoleren, ventileren en besparen (hoofddoel tot 2030)
b. Starten met buurtaanpakken (Wijken van de Toekomst)
c. Innoveren
4. Wonen met zorg of ondersteuning
- Tot 2030 sturen op realisatie van 800 woningen geschikt voor senioren
- Bouwen aan gebieden waar voorzieningen, zorggeschikte woningen en zorg nabij zijn
- Ruimte voor particuliere initiatieven
- Meer woningen beschikbaar stellen voor jongeren.
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.
De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de ‘Beleidsregel Parkeren’ verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.
De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.
Doorwerking in het plan
BPD heeft aan de hand van de Beleidsregels Parkeren 2024 een parkeerbalans opgesteld. Deze parkeerbalans (d.d. 02-09-2024) is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Uit de parkeerbalans blijkt dat in voldoende mate kan worden voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.
Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt gesteld dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Doorwerking in het plan
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudingsplan opgesteld. Verderop in dit plan wordt ingegaan op het waterhuishoudingsplan. Aan de hand van het plan is invulling gegeven aan gemeentelijk beleid ten aanzien van water.
Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2015. Het beleid kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:
Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.
Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m² archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m² geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m² van de bodem verstoord gaat worden.
Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.
Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m² altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
Doorwerking in het plan
Het besluitgebied ligt in een gebied met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde. Er vinden geen bodemingrepen plaats. Er heeft daarom geen archeologisch onderzoek plaats gevonden.
De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen.
Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De besluitgebieden liggen niet in een gebied met een attentiewaarde. Dit betekent dat er geen cultuurhistorisch bureauonderzoek moet plaatsvinden.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het TAM omgevingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.
Voor deze locatie is beoordeeld of de bodem verdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging en of voor deze bestemmingswijziging in dit stadium reeds bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Uit deze beoordeling volgt dat voor deze locatie niet verdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Op deze locatie hoeft voor het TAM omgevingsplan geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Indien inzicht in de kwaliteit van de bodem noodzakelijk is voor een omgevingsvergunning, activiteit bouwen, kan op dat moment bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen Belastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De besluitgebieden liggen buiten de richtafstanden van milieubelastende bedrijven of inrichtingen waardoor er geen sprake is van milieubelastende functies in de gebieden. Door de milieugevoelige bestemmingen, zoals wonen binnen het besluitgebied buiten de richtafstanden van de bovengenoemde bestemmingen te realiseren, wordt een beperking door en negatieve invloed van de bovengenoemde bestemmingen op de milieugevoelige functies binnen het besluitgebied voorkomen. Daarnaast wordt hiermee voorkomen dat de initiatieven een beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de bestemmingen zorgt.
De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).
Onderzoeksresultaten
Het aspect lichthinder is in voorliggende situatie niet aan de orde. Activiteiten die dergelijke effecten teweeg kunnen brengen zijn immers niet in of in de omgeving van het besluitgebied terug te vinden.
Conclusie
Lichthinder vormt geen belemmering voor het plan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.
Onderzoeksresultaten
Om de akoestische situatie ter plaatse inzichtelijk te maken zijn hierna verkort de resultaten (waarbij rekening wordt gehouden aan de eisen van de Omgevingswet) te vinden, alsmede de conclusie die hieruit wordt getrokken.
Uit de resultaten blijkt:
- Er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB die geldt voor de gemeentelijke wegen. Aanvullende maatregelen voor de gemeentelijke wegen zijn niet nodig.
- Er wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB, maar wel aan de grenswaarde van 60 dB die gelden voor rijkswegen. Aanvullende maatregelen voor de rijksweg A50 zullen echter niet mogelijk en/of onvoldoende doelmatig zijn (de behaalde reductie zal niet opwegen tegen de benodigde kosten).
- Het gezamenlijke geluid bedraagt hoogstens 57 dB, waarbij de rijksweg ruimschoots bepalend is.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er voor dit plan op voorhand geen belemmeringen worden verwacht. Nergens wordt de grenswaarde ten aanzien van geluid overschreden. Om die reden kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.
De besluitgebieden liggen niet bij een spoortraject. Er is geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling.
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het plan.
De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.
Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:
- PM10 (fijnstof);
1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m³ mag niet worden overschreden;
2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m³ mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
- NO2 (stikstofdioxide);
1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m³ mag niet worden overschreden;
2. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m³ mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.
Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.
Uit de kaart van het CIMLK blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Omgevingswet. Ook ten aanzien van het besluit gevoelige bestemmingen is er geen belemmering voor een positief besluit op het plan. Hiermee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat en daarmee aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regelgeving inzake geurhinder van veehouderijen is vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) en is sinds 1 januari 2007 van toepassing. De wet kent diercategorieën waarvoor een geuremissie factor is vastgesteld, zoals vleesvee, varkens, schapen en legkippen. Daarnaast kent de wet diercategorieën, zoals melkrundvee en paarden, waarvoor een vaste afstand geldt tussen het emissiepunt van de stal en een geurgevoelig object, zoals een woonhuis.
Een uitbreiding van een stal conform de geurverordening is buiten de bebouwde kom niet mogelijk op een afstand van 50 meter of minder van een geurgevoelig object (zoals een woning). Dit betekent ook dat een bestaande stal die aan vervanging toe is, deze vervanging moet plaatsvinden op een afstand van minimaal 50 meter. Op termijn zullen daarmee steeds minder dierverblijven op minder dan 50 meter afstand staan en zal het aantal knelpunten afnemen. Een uitbreiding van grondgebonden veehouderij zal dus geen knelpunten opleveren ten aanzien van geur. De uitbreiding van bestaande bedrijven zal plaatsvinden buiten de 50 meter contour. Er wordt geconcludeerd dat de geurhinder niet ter sprake is als gevolg van het vaststellen van het TAM omgevingsplan.
De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit. In voorliggende situatie geldt dat olgt dat in en om het besluitgebied een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.
Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
a. Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
b. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
c. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
d. Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de bepalingen uit het Bkl ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid.
De locaties worden sinds langere tijd als woning gebruikt en er worden geen landschappelijke kernkwaliteiten aangetast.
De omzetting naar een woonbestemming heeft geen negatieve invloed op de effecten van klimaatadaptatie, namelijk waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte.
In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.
Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).
De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Onderzoeksresultaten
Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Gelet op het inzicht in de potentiële effecten en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Op grond van deze uitkomsten wordt aan het bevoegd gezag voorgesteld om in het kader van de besluitvorming over het omgevingsplan te besluiten dat geen mer-procedure zal worden doorlopen.
Het bevoegde gezag heeft naar aanleiding van voorgaande conclusie op besloten om geen mer-procedure te doorlopen.
De locatie ligt in een overwegend beheergericht omgevingsplan, waarbij worden enkele uitbreidingsmogelijkheden en ontwikkelingsruimten geboden. Hierdoor kan een negatief effect op zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit optreden.
De plangebieden bevatten meerdere beeklopen en watergangen met bijbehorende kleine stroomgebieden. Diverse beken beginnen vanuit het grondwater dat vanuit de Stuwwal sijpelt aan de randen van of in de laagtes op de Veluwe naar buiten komen. Vanaf de relatief steile rand stromen de beken door grotendeels open beekdalen die worden omsloten door beplanting.
De verschillende beken hebben slechts voor een klein gedeelte een natuurlijke loop. De meeste beken zijn gegraven, middels sprengen naar boven toe verlengd en verplaatst als opgeleide beekloop naar de rand van het beekdal. Dit om het water te kunnen gebruiken voor het aandrijven van watermolens.
Waterbeheer
Het kwantitatieve en kwalitatieve waterbeheer is in beginsel een taak van de waterschappen. Dit is in handen van het waterschap Veluwe en Vallei. In de Keur van de waterbeheerder zijn de gebods- en verbodsbepalingen voor de watergangen aangegeven.
Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebieden
In het gebied rondom de locatie vindt waterwinning plaats en rondom deze waterwinningen liggen de grondwaterbeschermingsgebieden. Voor deze grondwaterbeschermingsgebieden gelden specifieke gebruiksregels van de grond om te voorkomen dat vervuiling van het grondwater ontstaat. Verder liggen ook een aantal regenwaterinfiltratiegebieden die van belang zijn voor de drinkwaterwinning.
Waterkwaliteit
Wanneer er onbegrensde ontwikkelingsmogelijkheden aan de landbouw worden geboden , kan dat resulteren in een sterke groei van de veestapel. Dit kan ertoe leiden dat er meer meststoffen worden verspreid en dat van het oppervlaktewater zwaarder wordt belast met vermestende stoffen (N en P) via af- en uitspoeling. De ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven zijn daarom in het bestemmingsplan gebonden aan randvoorwaarden.
De bescherming van de waterwingebieden is in het bestemmingsplan gegarandeerd door de aanduiding 'milieuzone - waterwingebied’. Gronden met deze aanduiding zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor het behoud en herstel van de drinkwatervoorziening.
Voor de natte delen van de EHS en de HEN-wateren geldt in het bestemmingsplan dat ruimtelijke ingrepen/ ontwikkelingen niet mogen leiden tot verlaging van de grondwaterstand in en om de natte natuur, (bij wateren) tot verslechtering van de waterkwaliteit of tot aantasting van de morfologie van de beken en waterlopen. De mate waarin andere functies zich kunnen ontwikkelen binnen of nabij natte natuurgebieden, wordt bepaald door hun effecten op de natuur. Hierbij geldt voor zogenaamde ‘significante aantastingen’ het ‘nee, tenzij’-principe.
Er vindt geen emissie plaats van (mest-)stoffen naar het oppervlakte- en grondwater mede door het gebruik van vloeistofdichte vloeren bij uitbreidingen. Het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan heeft geen negatief effect op de waterkwaliteit
Wet- en regelgeving
Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Gebiedsbescherming
Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit. In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de eofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator.
Soortenbescherming
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Houtopstanden
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht. De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.
Doorwerking plangebied
De locaties Groot Panorama 34-36 maken gedeeltelijk onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Gebiedsbescherming
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk, Nationaal landschap, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied behoren.
Gronden die tot natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 3 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Een direct effect van onderhavige ontwikkeling op het Gelders Natuurnetwerk kan daarom op voorhand uitgesloten worden.
Natura 2000-gebied
De eigendomspercelen rond Groot Panorama 34-36 ligt gedeeltelijk in N2000, volgens de juridisch geldende N2000-kaart https://www.natura2000.nl/gebieden In het Aanwijzingsbesluit N2000 Veluwe is in de Nota van Toelichting https://www.natura2000.nl/sites/default/files/ documenten/gebieden/057/N2K057_DB%20HVN%20Veluwe%20web.pdf onder 3.3 opgenomen dat Bestaande bebouwing, bedrijfsterreinen en kazernes (inclusief erven en tuinen; al tekstueel geëxclaveerd) waar geen Natura 2000-waarden voorkomen, zijn waar mogelijk op grond van kadastrale of topografische lijnen ook op de kaart buiten de begrenzing gebracht.
Het gedeelte van het eigendomsperceel wat volgens de N2000-kaart is gelegen binnen N2000, is erf en/of tuin. Een erf is een onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmede in gebruik zijnde terrein. Tuin is in de onmiddellijke nabijheid van een woning of ander gebouw gelegen intensief onderhouden terrein, beplant met siergewassen en gazons of in gebruik als moestuin, die zich duidelijk onderscheiden van de omgeving. Dat is hier het geval. Ook is de tuin volgens de definitie besloten en omheind middels een afrastering, schutting, muur of haag, of (deels) omgeven door een sloot. Het gehele perceel is dus geëxclaveerd en ligt daarmee geheel buiten N2000. Gezien het feit dat de objecten er sinds lange tijd staan, het gebruik sinds langere tijd voor Woondoeleinden gebruikt wordt (en onveranderd is en blijft) en de afstand tot aan een Natura 2000-gebied is het niet aannemelijk dat het initiatief significante gevolgen op het gebied zal hebben ten gevolge van stikstofdepositie.
Dalenk 22 te Loenen ligt buiten N2000, volgens de juridisch geldende N2000-kaart https://www.natura2000.nl/gebieden Ook hier geldt dat gezien het feit dat het object er sinds lange tijd staat, het gebruik sinds langere tijd voor Woondoeleinden gebruikt wordt (en onveranderd is en blijft) en de afstand tot aan een Natura 2000-gebied is het niet aannemelijk dat het initiatief significante gevolgen op het gebied zal hebben ten gevolge van stikstofdepositie.
Houtopstanden
De locaties zijn gelegen binnen de bebouwingscontour van houtkap. Zodoende is de bomenverordening van de gemeente Apeldoorn van toepassing. Artikel 22.299 van het 'Omgevingsplan gemeente Apeldoorn' bepaalt dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd waaruit de noodzaak van het vellen blijkt, evenals een toelichting op de wijze waarop wordt voorzien in de herplant of compensatie. Deze verplichting geldt ter bescherming van de houtopstanden binnen de bebouwingscontour, in overeenstemming met het beleid van de gemeente Apeldoorn.
Het omgevingsaspect Ecologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkelingen.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen onder andere het integreren van archeologie in de RO-procedures en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Gemeentelijk archeologisch beleid
De gemeenteraad heeft de Cultuurhistorische en Archeologische beleidskaart 2024 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2015 vervangt. Er zijn drie categorieën van terreinen met archeologische waarden. Op deze terreinen is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Ten behoev van de ontwikkelingen vinden geen graafwerkzaamheden plaats.
In dit TAM omgevingsplan worden de archeologische waarden en verwachtingen, zoals opgenomen in de Archeologische beleidskaart 2015, beschermd via gebiedsaanduidingen in de verbeelding met daaraan gekoppelde regels.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In Hoofdstuk 3 en de Hoofdstuk 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.
Eindconclusies
1. Beleid
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op tranformatie van de bestemming Verblijfsrecreatie naar Woondoeleinden. De nieuwe functie is in overeenstemming met het beleid.
2. Omgevingsaspecten
De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.
Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn. Woningbouw op deze locaties zijn in strijd met bestemmingsplan, onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
Groot Panorama 34-36 te Beekbergen en Delenk 22 te Loenen worden via de publiekrechtelijke weg met de regels in het omgevingsplan vastgelegd. Groot Panorama 34-36 betreft een vastlegging van een publiekrechtelijk besluit i.h.k.v. het Groei-krimpbeleid in 2007. Hiermee is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.
Het conceptontwerp van dit TAM omgevingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan meerdere instanties. Er is van de provincie een reactie ontvangen. Hieronder is de reactie van de provincie samengevat van antwoord voorzien.
Beantwoording vooroverlegreactie provincie
- Tekst over Groene Ontwikkelingszone is opgenomen in paragraaf 3.4.3.
- De gebruiksregels van de recreatiewoningen zijn jaarrond recreatief verblijf.
- De onderwerpen landschap en klimaatadaptatie zijn toegevoegd in de paragrafen 4.1.11 en 4.1.12.
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en
creativiteit op tafel te krijgen. Onder de Omgevingswet wordt met participatie bedoeld: 'het in
een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming
over een project of activiteit'. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers
van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden.
In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn daarom regels over participatie opgenomen
bij de toepassing van de gemeentelijke kerninstrumenten. Daarnaast zijn gemeenten verplicht
gesteld participatiebeleid op te stellen waarin wordt vastgelegd hoe participatie wordt
vormgegeven en welke eisen daarbij gelden. De gemeenteraad van Apeldoorn heeft op 23 november 2023 de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' vastgesteld. In deze notitie zijn voorwaarden gesteld aan de participatie bij wijzigingen van het omgevingsplan.
Participatie bij wijziging Omgevingsplan
Vanuit de gemeente wordt verwacht dat de ontwikkelende partij investeert in draagvlak door in
gesprek te gaan met omwonenden. Zo kan in een vroegtijdig stadium nog bijsturing
plaatshebben. Aan de hand van de regels kan worden beoordeeld of de participatie voldoet en of
de initiatiefnemer hiermee aan zijn verplichting tot participatie heeft voldaan. De kring van
belanghebbenden/omwonenden en aanpak is onder meer afhankelijk van de grootte,
complexiteit en ligging van het initiatief, plan of project. In de regels is opgenomen dat met
belanghebbenden/omwonenden in het stedelijk gebied en een dorpskern in ieder geval binnen
een straal van 150 meter dient te worden geparticipeerd. Voor het buitengebied geldt een straal
van 500 meter. Voor initiatieven/projecten met een meer beperkte of grotere impact op de
omgeving en op de kring van belanghebbenden/omwonenden wordt in overleg met de gemeente
het participatiegebied bepaald. Eventuele criteria zijn dan bijvoorbeeld zicht hebben op of geluid.
Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet daarvan een kennisgeving worden
gedaan. Op grond van het Omgevingsbesluit moet in die kennisgeving ook staan hoe de
participatie is vormgegeven. Daaraan voorafgaand dient initiatiefnemer hiervoor een
participatieplan bij de gemeente aan te leveren. Na doorlopen van het participatieproces en het
aanbieden van een participatieverslag aan de gemeente is er een eerste indruk van de
draagkracht. De uitkomsten van de participatie worden betrokken bij de besluitvorming al dan
niet een anterieure overeenkomst aan te bieden voor het opstellen van een ontwerp (wijziging)
van een omgevingsplan of om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een
buitenplanse omgevingsplanactiviteit met adviesrecht aan de gemeenteraad voor te leggen.
Daarmee is participatie onderdeel van de weging bij een evenwichtige toedeling van functies aan
locaties.
Resultaten participatie
Omwonenden en andere geinteresseerden zijn door aanvragers op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling. Geen van de gesproken omwonenden heeft bezwaren geuit tegen de beoogde ontwikkeling. Daarmee is er sprake van een breed draagvlak.
Zienswijzen
Van 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 heeft het ontwerp van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ax Groot Panorama 34-36 Beekbergen en Dalenk 22 Loenen ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is geen zienswijze ingediend.
Ambtshalve wijzigingen
De volgende ambtshalve wijzigingen zijn doorgevoerd:
- Meerdere regels zijn verplaatst van hoofdstuk 3 (algemene regels) naar hoofdstuk 2 (functies en activiteiten).