direct naar inhoud van MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Mezenweg tegenover 19
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0027-vas1

MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT

behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Mezenweg tegenover 19

1 Inleiding

De gemeente Apeldoorn wil het gebied 'Schatkamer van Zuid' transformeren. Een gedeelte van die transformatie is voltooid. Een uitzondering hierop is een voormalig bedrijfsperceel aan de Mezenweg. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de transformatie van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Het TAM-plan maakt het realiseren van 18 woningen mogelijk.

1.1 Aanleiding

Het toekomstperspectief voor Apeldoorn is weergegeven in de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn', vastgesteld door de gemeenteraad op 24 februari 2022.

De gemeente Apeldoorn wil groeien van 150.000 inwoners naar 180.000 inwoners. Uitbreiding van het aantal inwoners vraagt ook om een uitbreiding van het aantal woningen in de gemeente. Op basis van regionale prognoses is er in Apeldoorn in de periode van 2020 tot en met 2039 behoefte aan 12.500 woningen. Dit aantal woningen wordt gerealiseerd middels inbreiding in de binnenstad en stadsuitbreiding.

In de Omgevingsvisie is een aantal locaties aangewezen waar het wenselijk is om in Apeldoorn woningbouw te realiseren. Deze locaties zijn o.a. de Binnenstad, langs de Kanaaloevers en in de Spoorzone.

Dit omgevingsplan heeft betrekking op het gebied gelegen langs de Kanaalovers, aan de Mezenweg en het Kanaal Zuid, wat wordt getransformeerd naar woningbouw.

1.2 Ligging en begrenzing

Het besluitgebied betreft de gronden aan de Mezenweg en het kanaal Zuid, waar voorheen Papierwarenfabriek Koldewijn heeft gezeten. In dit gebied zullen 18 sociale huurwoningen gerealiseerd worden, een rij woningen aan de Mezenweg en een rij woningen langs het Kanaal. Het omgevingsplan Apeldoorn, uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Lepelaarweg - Kanaal Zuid', zijn al 11 woningen gerealiseerd. Dit valt dan ook buiten het nu voorliggende besluitgebied. Binnen het besluitgebied zullen 18 woningen worden gerealiseerd. Op onderstaande afbeelding is de begrenzing van het besluitgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0001.png"

Afbeelding: begrenzing besluitgebied

1.3 Geldend omgevingsplan

Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn' De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Kanaal Zuid - Kayersmolen'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 17 februari 2012. Het terrein heeft de bestemming 'bedrijf tot en met categorie 1' Op grond van het geldende omgevingsplan is realisering van de woningen niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0002.png"

Afbeelding 1.2 uitsnede van het plangebied 'Kanaal Zuid - Kayersmolen' met rood omlijnd het besluitgebied en groen omlijnd het plangebied 'Lepelaarweg - Kanaal Zuid' waar reeds woningbouw is voorzien.

De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.

Plannaam   Datum vaststelling  
Beleidsregel parkeren   30 augustus 2024  
Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit)   8 november 2022  
Omgevingsplan gemeente Apeldoorn   1 januari 2024  
TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden   4 april 2024  

1.4 Werkwijze en opzet van de motivering

De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor Mezenweg tegenover 19 is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de participatie die zich op de planlocatie heeft voortgedaan. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.

1.5 Verleden en toekomstige situatie

1.5.1 Verleden

Het plangebied is pas in de 19e eeuw in gebruik genomen. Hiervoor bestond dit uit voornamelijk heide gronden. Vanaf 1866 is er voor het eerst bebouwing in het plangebied. En dit breid zich steeds verder uit vanaf 1935. Het betreft op dat moment een papierwarenfabriek "de Koldenwijn". In 1918 liet de firma D. en T. Koldewijn uit Dordrecht een fabriek, pakhuis, schaftlokaal en portierswoning bouwen aan het Kanaal nabij de Wormense brug. In verband met de woningnood na de Eerste Wereldoorlog let Koldewijn er ook vier blokken van drie arbeiderswoningen bouwen. Zie onderstaande foto.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0003.png"

Afbeelding: Luchtfoto uit 1921 van de fabriek, pakhuizen, schaflokalen en portierswoningen (bron: Geheugen van apeldoorn)

Er werden allerhande papieren zakken gemaakt. Broodzakken, ijszakjes en luxe gevouwen draagtassen. De draagtassen werden al in de fabriek bedrukt met de namen van de winkels. In de laatste jaren maakte Koldewijn de bekende enveloppen van de Postbank. Welke in 1970 en 1976 uitgebreid lijkt te zijn. In 1985 komt er een rubberverwerker in het pand, waarna het pand in 1996 is gesloopt.

1.5.2 Nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0004.png"

Afbeelding: impressie nieuwe situatie (bron: ROR gemeente Apeldoorn)

Om voor beide gebouwdelen het industriële karakter te waarborgen, wordt er gebouwd in drie bouwlagen met plat dak en heeft een symmetrische opzet. Op de hoeken van beide gebouwen worden de woningen van drie volledige woonlagen voorzien. De tussenliggende woningen krijgen allen een setback, waardoor een uniforme uitstraling een de straten gevormd is.

2 Participatie

Op 23 november 2023 heeft de gemeenteraad de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' vastgesteld. Deze notitie is op 1 januari 2024 in werking getreden.
Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Gemeenten zijn verplicht om participatie voor belanghebbenden toe te passen bij de kennisinstrumenten (o.a. omgevingsplan) van de Omgevingswet.Belanghebbenden zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden.
Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor de participatie, dit kan de gemeente zelf zijn een particulier en/of ontwikkelaar, een ander bevoegd gezag of samenwerkingspartner.

Op 22 december 2022 heeft de gemeenteraad de op de Gemeentewet gebaseerde Participatieverordening vastgesteld. Met de Participatieverordening wordt inspraak verbreed tot participatie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De Participatieverordening en het participatiebeleid zijn op elkaar afgestemd.

Het proces van participatie bestaat uit: een belangenafweging, het opstellen van een participatieplan, het informeren van belanghebbenden/omwonenden over het plan, het verwerken van ideeën, belangen of bedenkingen, zo nodig aanpassing van het plan en terugkoppeling hiervan aan belanghebbenden/omwonenden en het opstellen van een participatie verslag.

Participatie in het kader van het plan

Aangezien het voorlopig ontwerp bekend begin november, heeft er een inloop bijeenkomst plaats gevonden voor bewoners en omliggende bedrijven. 46 woningen en 17 bedrijven in een straal van 150 meter rondom de plan locatie hadden een uitnodiging ontvangen om op 17 november 2025 tussen 15:00 en 19:00 uur de plannen te komen bekijken. totaal zijn er ongeveer 20 mensen geweest. De algemene indruk van de bijeenkomst was positief.

Ook zijn er enkele zorgen geuit over onder andere, hoe de verkeersafwikkeling zal gaan. Zo is aangegeven, los van de ontwikkelingen, er veel drukte wordt ervaren tijdens spitstijden. Daarnaast werd opgemerkt dat de positionering van de woningen in het ontwerp anders was dan in het verleden was aangegeven. en Echter stond op de website van de Woonmensen al enige tijd een nieuwe indeling.

Tevens zijn suggesties gedaan voor het doortrekken van het voetpad in het binnenterrein van het plan. We kijken terug op een geslaagde inloop middag/avond. Het volledige verslag staat in Bijlage 2.

3 Toetsing aan beleid

 

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel

3. Sterke en gezonde steden en regio's

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig.
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken.
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en

3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

3.1.2 Nationaal Water Programma 2022 - 2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.

Beleids- en beheerdoelen

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart, en;
  • de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

3.2 Rijksinstructieregels

3.2.1 Besluit Kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang.

Betekenins voor dit plan

In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Betekenis voor dit plan

Voor voorliggende ontwikkeling is de Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen. De toets is als Bijlage 1 toegevoegd aan deze motivering.

In het plangebied worden 18 woningen gerealiseerd. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing.

De bouw van 18 grondgebonden woningen past binnen de Woondeal en de recent vastgestelde Prestatieafspraken 2024-2025. Gelet op de grote woonbehoefte binnen de gemeente Apeldoorn en de geplande bouw voor de specifieke doelgroep zal geen sprake zijn van leegstand, zoals genoemd binnen de Ladder voor stedelijke vernieuwing. Realisering vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied (binnenstedelijk transformatiegebied Kanaalzone). In 2020 is door vaststelling van het bestemmingsplan Lepelaarweg – Kanaal Zuid de locatie al voor een deel gewijzigd van bedrijfsfunctie naar woningbouw. Door realisering nu wordt het resterende deel met een bedrijfsbestemming van de Koldewijnlocatie getransformeerd naar woningbouw.

De geplande bouw wordt gezien als passend binnen in ieder geval tweetal doelen, zoals die geformuleerd zijn bij het woningmarktonderzoek, namelijk ‘bouw ook ontspannen - stedelijk’ en ‘benut het Apeldoorns kanaal’. Deels wordt ook voldaan aan het doel ‘verander, verstedelijk’, ondanks feit dat hier geen appartementen worden gerealiseerd. De woningbouw is hier meer afgestemd op de woningen in de directe omgeving, zoals ook genoemd in de Structuurvisie Kanaalzone, waar gesproken wordt over het behoud (het koesteren) van de dorpse sfeer rondom de Lepelaarweg.

Daarnaast komt de toevoeging van woningen overeen met wat is aangegeven in paragraaf 3.6.2, waarin het gemeentelijke Volkshuisvestingskader 2023-2030 is beschreven. Hierin staat dat er in 2027 in Apeldoorn behoefte is aan ongeveer 8.500 woningen.

Zoals aangegeven onder 1.2 ligt de locatie van de ontwikkeling in de binnenstad. De woningen worden binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Aan de laddertoets voor stedelijke vernieuwing wordt daarom voldaan (Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving).

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0005.png"
Afbeelding 3.1 Gelderse Omgevingsvisie


Ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.


Ambitie biodiversiteit

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.


Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Cultuurhistorie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

Archeologie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Betekenis voor dit plan

Het plan voorziet in de realisatie van woningbouw voor sociale huur met ruimte voor groen en parkeren, waarmee wordt voorzien in de ambitie voor ieder een passende duurzame woning.

Het initiatief komt overeen met de ambities binnen de Omgevingsvisie. Het nieuwe gebouw wordt karakteristiek en geeft een doorkijk naar het verleden.

3.4 Provinciale instructieregels

3.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Wonen

De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

De onderhavige woningbouw binnen het besluitgebied past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda, zie paragraaf 3.5.1.

Intrekgebied

Op grond van de verordening geldt dat het verboden is in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte.

Bij voorliggend plan worden geen mijnbouwwerken gerealiseerd. De regels ten aanzien van een intrekgebied hebben dan ook geen gevolgen voor deze ontwikkeling.

Klimaatadaptatie

Tot slot geldt dat in de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.

In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Per saldo wordt bij deze ontwikkeling het aandeel groen op de locatie uitbreid en wordt de kwaliteit van het groen verhoogd. Er wordt voorzien in (extra) waterbergingsmogelijkheden door het beter zichtbaar maken en uitbreiden van de beek tot een wadi. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.

3.5 Regionaal beleid

3.5.1 Woonagenda Cleantech Regio 2018

De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.

De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:

  • woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
  • woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod;
  • de programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.

Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.

Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.

De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.

Betekenis voor dit plan

Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.

3.5.2 Waterschapsbeleid

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1. Waardevolle leefomgeving
  • 2. Klimaatverandering
  • 3. Energietransitie
  • 4. Circulaire economie
  • 5. Biodiversiteit

Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.

Uitgangspunt wijziging Omgevingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

3.6 Gemeentelijk beleid

3.6.1 Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn'

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbiij ingetrokken.


Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan (de opvolger van de bestemmingsplannen). De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.


De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:

  • 1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
  • 2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • 3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed) en
  • 4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).


Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.


Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied


Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:

Wonen

Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).


Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).


Omgevingskwaliteit

Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.

Mobiliteit

De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.


Economie en recreatie

Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies

De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.

Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.


Energie en circulariteit

Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.

Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.

Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.


Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament


De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente.


Dit is als volgt opgebouwd:

Natuur en landschap

De groene mal/ het groen-blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.


Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.


Klimaatadaptatie

Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.

In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.

Milieu en gezondheid

Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.

Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.


Inclusiviteit

Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).


Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0006.png"


Uitvoering Omgevingsvisie

Gebiedsprofielen

De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.

Afwegingsmatrix

Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.

3.6.1.1 Partiële wijzinging omgevingsvisie

Momenteel is een partiële wijziging van de Omgevingsvisie in voorbereiding. Deze wijziging vloeit voort uit het 'vertalen' van de Omgevingsvisie in diverse projecten in stad, dorp en buitengebied. Door de partiële herziening van de Omgevingsvisie wordt de Omgevingsvisie weer in lijn gebracht met actuele inzichten vanuit deze projecten en het actuele beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving.

De partiële herziening van de Omgevingsvisie heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • a. Hoogbouw: technische afstemming op de nieuw vast te stellen Hoogbouwnota 2025 (dit betreft een herziening van de Hoogbouwnota uit 2008);
  • b. Toepassing Wegingsmodel: technische afstemming op het actuele Wegingsmodel ruimtelijke initiatieven stad, dorpen en buitengebied;
  • c. Grond- en vastgoedbeleid en kostenverhaal: technische afstemming op de actuele Nota grond- en vastgoedbeleid en de actuele Nota kostenverhaal en financiële bijdragen;
  • d. Uitvoering vastgestelde gebiedsprofielen: technische wijzigingen om de uitvoering van de vastgestelde gebiedsprofielen te optimaliseren.
  • e. Actueel sectoraal beleid: technische optimalisering en verduidelijking van de verankering van dit beleid.

Het ontwerp van de partiële herziening van de Omgevingsvisie heeft ter inzage gelegen in de periode van 5 juni 2025 tot en met 16 juli 2025. Gedurende voornoemde periode bestond de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen.

Betekenis voor dit plan

Met de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plan wordt voornamelijk bijgedragen aan de ambities 1 en 3. Door de realisatie wordt voorzien in sociale woningbouw in het stedelijk gebied, waar een groot tekort aan is. Bij de realisatie wordt rekening gehouden met klimaatadaptief en natuurinclusief (NIKA) bouwen. Het TAM-omgevingsplan heeft als uitgangspunt wonen in het groen, zodat er voldoende aandacht is voor realisatie van groen van goede kwaliteit. De woningen worden gasloos en minimaal BENG (Bijna energie neutraal gebouw) uitgevoerd. Deze ontwikkeling past hiermee binnen de ambities van de gemeente, zoals deze in de Omgevingsvisie zijn verwoord.

3.6.2 Volkshuisvestingskader 2023-2030

In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.

Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:

  • de grote behoefte aan goedkope en betaalbare woningen;
  • demografische ontwikkelingen: de voortgaande vergrijzing en de groeiende behoefte aan zorg;
  • het belang van verduurzaming en CO2 neutraal bouwen;
  • zorgen voor een ongedeelde stad door te werken aan veerkrachtige wijken en dorpen.

Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:

  • 1. Doorbouwen aan een diverse woningvoorraad:
  • Tot en met 2030 worden bijna 9.000 woningen toegevoegd;
  • De nadruk ligt op het toevoegen van goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen;
  • Aandacht voor woningen voor alle doelgroepen.

  • 2. Veerkrachtige wijken en dorpen:
  • Apeldoorn streeft naar gemengde wijken en dorpen;
  • Ontmoeten stimuleren
  • Referentienormen voor voorzieningen;
  • Toegankelijkheid van de omgeving verbeteren waar dat kan.

  • 3. Woningvoorraad verduurzamen:
  • Nieuwbouw zoveel mogelijk energieneutraal en natuurinclusief
  • Focus op verduurzaming van de particuliere woningvoorraad
  • De Transitievisie Warmte zet de lijn uit:
    • a. Isoleren, ventileren en besparen (hoofddoel tot 2030)
    • b. Starten met buurtaanpakken (Wijken van de Toekomst)
    • c. Innoveren

  • 4. Wonen met zorg of ondersteuning
  • Tot 2030 sturen op realisatie van 800 woningen geschikt voor senioren
  • Bouwen aan gebieden waar voorzieningen, zorggeschikte woningen en zorg nabij zijn
  • Ruimte voor particuliere initiatieven
  • Meer woningen beschikbaar stellen voor jongeren.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 18 sociale huurwoningen in een stedelijke omgeving, nabij voorzieningen zoals het station. Er wordt een fijne woonomgeving gecreëerd met veel aandacht voor groen. Door hier aandacht aan te besteden wordt gestreefd naar een veerkrachtige straat. Hiermee wordt invulling gegeven aan de ambitie, zoals onder 1 en 3 wordt omschreven.

3.6.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.

3.6.3.1 Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0007.png"

Afbeelding: Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

3.6.3.2 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0008.png"

Afbeelding: Kaart groenstructuurplan

3.6.3.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Betekenis voor dit plan

Het plangebied ligt zoals te zien is in de 'afbeelding: kaart groene mal' nabij de gebieden waar een Lanen structuur en Weteringen is aangegeven. Daarnaast is het aangrenzend aan het kanaal. Bij de groenstructuurkaart is te zien dat het plangebied aangrenzend ligt aan de groenstructuur; Snelweg corridors en spoorwegen. Het groenplan zorgt ervoor dat het groene perspectief mee wordt genomen binnen het ontwerp van het plangebied. Dit groen moet wordt waar mogelijk geïntegreerd en gehandhaafd.

3.6.4 Natuurinclusief en Klimaatadaptief ontwikkelen

Sinds 26 juni 2024 is in de gemeente Apeldoorn het 'Beleid voor NatuurInclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen gemeente Apeldoorn' (NIKA) van toepassing.

De aanleiding voor het NIKA-beleid is de verandering van het klimaat. Dit speelt wereldwijd. Perioden van droogte, hitte en neerslagpieken beïnvloeden de leefomgeving van mens en dier en veroorzaken schade in de landbouw, bebouwing, gezondheid van mensen etc. Het aantal dier- en plantensoorten neemt schrikbarend af met alle gevolgen van dien. De afname van bijen en vlinders resulteert onder meer in minder bestuiving van gewassen waardoor ook voedselproductie onder druk komt te staan. Ook in Nederland ervaren we klimaatsverandering. Denk aan perioden van droogte of hitte, zoals in de zomers van 2018, 2019, 2020 en 2022. Of de vele regen en overstromingen in de zomer van 2021 in Limburg.

Deze ontwikkelingen raken iedereen, zowel mens als dier. Dit vraagt om een aanpak waaraan iedereen meehelpt. Wereldwijd, landelijk en regionaal wordt nagedacht over strategieën voor klimaatadaptatie en voor het beperken van de afname van biodiversiteit. Ook Apeldoorn werkt hier aan. Dit werd al aangekondigd in het Ecoplan en de omgevingsvisie “Woest aantrekkelijk Apeldoorn”. Gemeente Apeldoorn stelt het NIKA-beleid voor. NIKA staat voor ‘natuurinclusief en klimaatadaptief’ ontwikkelen en bouwen. Dit betekent dat we bij bouw ontwikkelingen ruimte maken voor klimaatadaptatie en natuurontwikkeling. Zo dragen we bij aan een gezonde leefomgeving en aan brede welvaart en nemen we de verantwoordelijkheid om de problematiek nu op te pakken en niet af te wentelen in tijd of ruimte.

Toegevoegde waarde NIKA

Stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomer, buffert water, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadbewoners zoals de huismus, gierzwaluw of gewone dwergvleermuis.

Meer groen en een vitale bodem dragen bij aan de infiltratiecapaciteit van de bodem, houden water beter vast en zorgen voor schaduw (met name bomen en pergola’s) en verkoeling tijdens hete periodes. (Openbaar) groen met een hoge diversiteit en met inheemse vegetatie draagt bij aan het verbeteren van de leefgebieden van diersoorten in de gebouwde omgeving. Kortom: minder verharding en meer (inheemse en diverse) bomen, struiken en groenstroken leveren een belangrijke bijdrage aan zowel klimaatadaptatie als aan het versterken van de biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Een omgeving die bewoners en bezoekers stimuleert om buiten te ontmoeten, bewegen en te spelen. Door groene buitenruimtes wordt lichaamsbeweging gestimuleerd en stress verminderd, wat resulteert in gezondere burgers.

De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat nieuwe bouw ontwikkelingen toekomstbestendig zijn. Wij willen leefomgevingen creëren waar ruimte is voor biodivers groen en waar een antwoord wordt gegeven op wateroverlast, hittestress en droogte. Hiervoor hebben wij NIKA beleid ontwikkeld.

Wanneer is NIKA van toepassing

Het NIKA-beleid is van toepassing op bouw ontwikkelingen waarvoor na inwerkingtreding een anterieure overeenkomst is gesloten, een ontwerp omgevingsplan ter inzage is gelegd een omgevingsvergunning is aangevraagd en/of een door het bestuur akkoord bevonden stedenbouwkkundig plan.

Het NIKA-beleid is dus van toepassing wanneer we gaan bouwen en daarvoor een ruimtelijk plan moet worden opgesteld. Het gaat om:

  • 1. Nieuwe bouw ontwikkelingen (grote ontwikkeling of kleine ontwikkeling);
  • 2. Optopping;
  • 3. Functieverandering.

Bij nieuwe bouw ontwikkelingen wordt onderscheid gemaakt tussen 'grote' en 'kleine' bouw ontwikkelingen. Bij grote bouw ontwikkelingen is NIKA geheel van toepassing, bij kleine bouw ontwikkelingen zijn alleen de variabele waarden van toepassing.

Een grote ontwikkeling is een nieuwe bouw ontwikkeling die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • 1. aanpassing van het omgevingsplan nodig of buitenplanse omgevingsplan activiteit- vergunning (BOPA) nodig, en
  • 2. het plangebied is gelijk aan of groter dan 1.500 m², en
  • 3. er worden 11 of meer woningen of andere bebouwing met een oppervlakte van ten minste 200 m² bouwvlak gerealiseerd.

Een kleine ontwikkeling is een nieuwe bouw ontwikkeling die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • 1. aanpassing van het omgevingsplan nodig of buitenplanse omgevingsplan activiteit- vergunning (BOPA) nodig, en
  • 2. het plangebied is kleiner dan 1.500 m², of
  • 3. er worden maximaal 10 woningen of andere bebouwing met een bouwvlak kleiner dan 200 m² gerealiseerd.

In dit geval is sprake van een grote ontwikkeling. Dit impliceert dat de vaste waarden en de variabele waarden van het NIKA-beleid van toepassing zijn. De vaste waarden zijn hieronder aangegeven.

Vaste waarden

  • 1. Waterberging: neerslagwater met een piekbelasting van 60 mm. moet worden opgevangen en vastgehouden waarvan maximaal 50% op openbaar terrein.
  • 2. Voorzieningen voor gebouw bewonende soorten: er dienen voorzieningen voor voegels (gierzwaluwen en huismussen) en vleermuizen, dien in woningen wonen, te worden aangebracht aan elke nieuwe woning of nieuw gebouw. Dit volgens de normen zoals omschreven in het Soorten Management Plan (SMP).
  • 3. Groen op maaiveld: 40% van de oppervlakte van het plangebied van een bouw ontwikkeling bestaat uit groen op maaiveld, waarvan minimaal de helft publiek toegankelijk is en minimaal de helft van het groen uit biodivers groen bestaat.
  • 4. Bomen: binnen iedere bouw ontwikkeling worden bomen toegevoegd: minimaal 1 boom per 200 m² bebouwing (bouwvlak).
  • 5. Windcomfort: wordt er binnen het plangebied bebouwing hoger dan 15 meter toegevoegd, dan voldoet de bouw ontwikkeling aan bepalingen ten aanzien van windhinder.

Variabele waarde

Naast de vaste waarden bestaat het NIKA beleid ook uit variabele waarden. Bij de variabele waarden wordt gewerkt met een puntensysteem. Aan verschillende maatregelen zijn punten gekoppeld. Het puntensysteem bestaat uit drie onderdelen: Biodiversiteit, gebouwgroen en klimaatadaptatie.
In totaal moeten minimaal 5 punten worden gehaald. Een overzicht van de puntenverdeling is opgenomen in bijlage Bijlage 4, onder punt 11.1.

Juridische uitwerking

In paragraaf 12 van het NIKA beleid is aangegeven hoe de juridische uitwerking van het NIKA-beleid in het omgevingsplan moet plaatsvinden. De vaste waarden worden middels een gebodsbepaling in het omgevingsplan opgenomen en de variabele waarden worden als voorwaarden in het omgevingsplan opgenomen eventueel in combinatie met een vergunningvoorschrift.

Hardheidsclausule
Het NIKA-beleid bevat een hardheidsclausule. Die hardheidsclausule is gebaseerd op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Afwijking van het NIKA-beleid mag wanneer het beleid leidt tot een 'onbillijkheid van overwegende aard'. De hardheidsclausule is bedoeld voor situaties waarin sprake is van een 'onredelijk gevolg' van NIKA-normen. Een gevolg dat niet de bedoeling van het beleid kan zijn geweest en ook niet met maatwerk valt op te lossen.

Betekenis voor dit plan

In het huidige ontwerp is er op de binnenplaats ruimte gemaakt voor groen. In de driehoek is een grasveld met bomen.

Bij het ontwerp van de woningen wordt er in de voortuin gebruik gemaakt van leilindes. Deze bomen dragen bij aan schaduw vorming wat een verkoelende werking heeft. Daarnaast loopt er een sloot voor de woningen aan de oost zijde, langs de kanaal zuid weg, ten behoeve van waterberging.

Aan de achterzijde van de woningen wordt als perceelscheiding gebruik gemaakt van hekwerken met Hedera begroeiing in plaats van schuttingen. De bergingen worden voorzien van een lessenaarsdak of optioneel een mossedum dak, ook ter behoeve van waterberging.

3.6.5 Verkeer en parkeren
3.6.5.1 Verkeersvisie

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.

Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.

Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

Doorwerking in het plan

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is onderzoek gedaan naar de verkeersgeneratie door de ontwikkeling. Dit onderzoek dat is opgesteld door Royal HaskoningDHV, is als bijlage 3 bij deze motivering toegevoegd. Het verkeersonderzoek laat zien wat de verwachte verkeersgeneratie zal zijn als gevolg van de ontwikkeling.

Voor wegverkeer zijn de volgende gemeentelijke wegen van belang: de Matenpoort en mogelijk de Kayersdijk. Voor de Mezenweg, de Lepelaarweg en de Kanaal Zuid geldt geen plicht tot toetsing aan de standaardwaarden, omdat de totale verkeersintensiteit op deze wegen niet hoger is dan 1000 motorvoertuigen per etmaal.

3.6.5.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 13 juni 2024). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen.
Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.
Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.
Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen.

Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 13 juni 2024. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast.

3.6.5.3 water

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

3.6.5.4 Archeologie

Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart, vastgesteld door de gemeenteraad in november 2024. Het beleid kent 7 categorieën. Er is vastgesteld dat er altijd archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodem ingrepen dieper dan 35 cm -mv. De verschillende categorieën geven de grootte weer qua oppervlakte, van het plan waar de activiteit plaatsvindt.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de omvang van de graafwerkzaamheden. De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde categorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.

Categorie 0 Maatwerk: neem contact op met de Sectie Archeologie van de gemeente Apeldoorn.

Categorie 1 In principe geen bodemingrepen nodig.

Categorie 2 Bij verstoring van de bodem groter dan 50 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3 Bij verstoring van de bodem groter dan 100 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 4 Bij verstoring van de bodem groter dan 500 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 5 Bij verstoring van de bodem groter dan 2500 m² is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 6 Geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de omvang van de bodemingreep.

Doorwerking in het plan

Het besluitgebied valt binnen categorie 5 gezien het gebied groter 2500 m². Wanneer er tijdens werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Op grond van deze resultaten en de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is er geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig.

3.6.5.5 Cultuurhistorie

De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”

Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Op 29 december 2023 is de Erfgoedverordening gemeente Apeldoorn 2023 vastgesteld. Met inwerkingtreding van deze Erfgoedverordening worden geen nieuwe karakteristieke panden meer aangewezen en zijn bestaande karakteristieke panden vanaf 1 januari 2024 niet meer via het bestemmingsplan maar via het (tijdelijke) omgevingsplan beschermd. Vanaf inwerkingtreding van de nieuwe Erfgoedverordening worden alleen nog beeldbepalende panden aangewezen. Bij de overgang naar het definitieve omgevingsplan voor Apeldoorn worden de beeldbepalende en karakteristieken panden geïntegreerd.

4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.

4.1.2 Bodem

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Betekenis voor dit plan

In de rapportage, opgesteld door Royal HaskoningDHV, en opgenomen in bijlage 6, is vooronderzoek ten aanzien van het onderdeel bodem uitgevoerd. Het vooronderzoek heeft tot de volgende resultaten en conclusies geleid.

Op het terrein aan de noordzijde van de Lepelaarweg zijn diverse onderzoeken uitgevoerd en zijn verontreinigingen gesaneerd. De kwaliteit van de bovenste halve meter is in 2023 in beeld gebracht en voldoet aan de maximale waarde voor wonen.

Op het terrein zijn nazorgmaatregelen van toepassing. Aangezien de planvorming raakvlakken heeft met de nazorgmaatregelen is afstemming nodig met het bevoegd gezag. Hierbij dient ermee rekening te worden gehouden dat de aanzwezige leeflaag in stand dient te worden gehouden. Indien dieper dient te worden ontrgraven, zoals bijvoorbeeld voor het aanbrengen van riolering, dient tevens rekening te worden gehouden met het vrijkomen van verontreinigde grond en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen.

De bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.3 Milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richt afstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieu categorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

Betekenis voor dit plan

Royal HaskoningBHV heeft onderzoek gedaan gezien Bedrijven en Milieuzonering ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling van het besluitgebied op basis van de VNG Brochure Bedrijven en Milieuzondering (editie 2009). Aan de hand van het onderzoek wordt aangetoond dat er vanuit het oogpunt van bedrijven en mileuzonering geen belemmeringen zijn. Het onderzoek, is als bijlage Milieuzonering bij deze motivering gevoegd. Kortheidshalve is enkel de conclusie naar aanleiding van de quickscan opgenomen. Voor het volledige rapport wordt naar de bijlage verwezen.

Uit het oogpunt van milieuzonering kunnen de beoogde woningen zonder nadere maatregelen worden ingepast in de omgeving. Deze conclusie is mede gebaseerd op het akoestisch onderzoek dat voor de plan wijziging is uitgevoerd.

4.1.4 Geluid (spoor)wegverkeer

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.

De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

Betekenis voor dit plan

Het plangebied ligt aan de oostzijde, aangrenzend aan het spoor. Echter is dit enkel in gebruik door de museumstoomtrein. Dit traject ligt tussen Apeldoorn en Dieren. Het geluid van dit spoor wordt buiten beschouwing gelaten bij het akoestisch onderzoek vanwege het zeer beperkte gebruik van het traject. Er wordt maar één keer per dag heen en weer gereden met de stoomtrein. Daarom zal de trein maar twee keer per dag langs rijden en vind dit voornamelijk plaats in de zomermaanden.

De grenswaarde is in dit plan 55 dB(A), uit het onderzoek van RoyalHaskoning is gebleken dat er in de omgeving 47 dB(A) wordt gemeten. De geluidswaarden vallen dus binnen de toegestane normen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

De locatie valt niet binnen een wettelijk aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Dat betekent dat een toets aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig is wanneer een project weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. De verwachting voor dit project is dat het inderdaad niet in betekendende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarom wordt het woningbouwproject doorgerekend met behulp van de NIBM-tool.

Onderzoeksresultaten

In artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de standaardgevallen 'niet in betekenende mate luchtkwaliteit' aangegeven. In het geval van woningbouw leidt het bouwen van 1.500 of meer woningen met één ontsluitingsweg of het bouwen van 3.000 of meer woningen met twee ontsluitingswegen tot een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit

Het plan maakt realisering van in totaal 18 nieuwe woningen mogelijk. Dit aantal woningen is aanzienlijk lager dan de aantallen woningen die in artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn genoemd.

Voor het ontsluiten van de woningen wordt gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur.

Gelet op het vorenstaande is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

Op basis van de NIMB-tool is de bouw van 18 woningen aan te merken als een project dat Niet in Betekenende Mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Het plan is uit het oogpunt van luchtkwaliteit aanvaardbaar.

4.1.6 Gezondheid

De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema;s en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit. In

4.1.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, direct overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof of windturbine.

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

    • a. Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
    • b. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
    • c. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
    • d. Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.

Betekenis voor dit plan

Het advies van Royal HaskoningDHV wordt overgenomen in de verdere planvorming en de vergunningverlening. Het plan is hiermee in overeenstemming met de bepalingen uit het Bkl ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid.

4.1.8 Elektromagnetische velden

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.

Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).

De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.

Betekenis voor dit plan

Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan. Evenmin is er sprake van elektromagnetische velden in de omgeving van het plangebied.

4.1.9 Milieueffectrapportage

De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Betekenis voor dit plan

Royal Haskoning heeft ten behoeve van de herontwikkeling van het besluitgebied het rapport Mer-beoordeling opgesteld. Het rapport is als bijlage 10 de motivering toegevoegd. Hieronder is kortheidshalve enkel de conclusie opgenomen. Voor het volledige rapport wordt naar de bijlage verwezen.

In deze mer-beoordeling zijn de milieueffecten als gevolg van het woningbouwproject in De Koldewijnlocatie beschreven. Gelet op het inzicht in de potentiële effecten en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten gezien verkeer, geur & stof, luchtkwaliteit, externe veiligheid en water.

Voor een aantal thema's zijn (mitigerende) maatregelen, aanvullend onderzoek of borging in het Omgevingsplan nodig om risico's op negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Dit is het geval voor geluid, bodem, natuur en cultuurhistorie.

Daarom is de conclusie dat, mits de voorgestelde maatregelen in acht worden genomen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

Koldewijn locatie (Mezenweg tegenover 19) ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 0,76 hectare groot. Het plangebied bevindt zich wel binnen enige Keurzone (Apeldoorns Kanaal) en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

4.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Er zijn in en om het plangebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het plangebied rond de NAP+ 12,0 m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

4.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In en om het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten van het plangebied loopt het Apeldoorns Kanaal. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat hemelwater lokaal wordt opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd naar de ondergrond heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. In en om het plangebied komt geen natuurwater voor (voorheen wateren met HEN- of SED-functie). Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

4.2.4 Afvoer van regenwater

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0009.png"

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0027-vas1_0010.png"

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

Het regenwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd in het plangebied en deels in de openbare ruimte. Door bodempassage wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.

4.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

Aan de oostzijde van het plangebied loopt een bestaand vuilwaterriool door het plangebied. Dit riool dient ingepast te worden in het plan dan wel dient deze verlegd te worden. Hiervoor is afstemming nodig met de gemeente.

4.2.6 Watertoets

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets.
De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan.

In verband met onder andere de hoeveelheid verhard oppervlak en de aanwezigheid van een A-watergang, moet er afstemming zijn met het waterschap. Hier wordt bepaald welke invloed het plan heeft en welke maatregelen genomen moeten worden. De uitkomsten van de afstemming dienen opgenomen te worden in het plan en de maatregelen moeten hierin ook opgenomen worden.

Het ontwerp van dit plan dient in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe.

4.3 Flora en Fauna

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • 1. er soorten aanwezig zijn;
  • 2. welke soorten dat zijn.

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Gebiedsbescherming

De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.

Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.

Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.

Betekenis voor dit plan

Soortenbescherming

In het plangebied kunnen mogelijk beschermde zoogdieren, broedvogels, amfibieën en ongewervelden voorkomen. Deze soorten kunnen gebruik maken van de ruigte en het tijdelijke water binnen het plangebied en de bebouwing in de directe omgeving van het plangebied als leefgebied. Voor de meeste van deze soorten zijn negatieve effecten en een overtreding van de Ow te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Voor kleine marterachtigen en de

teunisbloempijlstaart geldt dat niet. Nader soort gericht onderzoek dient uit te wijzen welke functie het gebied precies vervult voor deze soorten. Daarom is Artikel 7 opgenomen in de regels. Dit is ook terug te zien op de plankaart onder 1.2 als de 'overige zone - voorwaardelijke verplichting ecologisch onderzoek'.

Naar aanleiding van dit onderzoek kunnen er eventueel mitigerende maatregelen plaatsvinden.


Gebiedsbescherming

Het Natura 2000 gebied ligt op een afstand van circa 3,5 kilometer van het plangebied. In verband met stikstofdepositie is een rapportage stikstofdepositie opgesteld. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 14 van de BIJLAGEN BIJ MOTIVERING. Deze rapportage bevat een

toelichting op de mogelijke gevolgen van het plan op stikstofgevoelige habitattypen. De toelichting geeft een inzicht in de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de aanlegfase en de gebruiksfase is een aeriusberekening uitgevoerd. Deze aeriusberekeningen zijn in de bijlage van de rapportage opgenomen.


Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op Natura 2000-gebieden, door de aanlegfase en de gebruiksfase, is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Door realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal de stikstofdepositie niet zorgen voor een significante toename van stikstofdepositie. Daardoor kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Hieruit volgt dat geen vergunning van het College van Gedeputeerde Staten is vereist voor het aspect stikstofdepositie. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Houtopstanden

Het gebied van het plan ligt braak, daarom is er geen sprake van houtopstanden.

4.4 Archeologie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Onderzoeksresultaten

In het besluitgebied heeft archeologish onderzoek plaatsgevonden. Kortheidshalve zijn hieronder de conclusies naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken en het selectiebesluit dat is genomen door het bevoegde gezag.

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven geen nader onderzoek geadviseerd. Voor de volledige rapportages wordt naar de Bijlage 5 verwezen.

De eventueel aanwezige waarden zijn in alle waarschijnlijkheid flink verstoord door de uitgevoerde sanering en de voormalige bebouwing. Aangezien hierdoor slechts onderkanten van extreem diepe sporen aanwezig kunnen zijn, weegt in dit geval de informatiewaarde die nader onderzoek oplevert niet op tegen de inspanning en de kosten die vervolgonderzoek met zich meebrengt. Daarom is het plangebied vrij gegeven.

4.5 Cultuurhistorie

Wettelijk kader

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Cultuurhistorische analyse

In 2004 is een cultuurhistorische analyse voor de Kanaalzone Apeldoorn opgesteld. Het plangebied ligt in het gebied waarvoor de voornoemde cultuurhistorische analyse is opgesteld.

In de cultuurhistorisch analyse is een aantal aanbevelingen gedaan voor herontwikkeling en nieuwbouw. Deze aanbevelingen betreffen: het continueren van de groenstructuren, het afstemmen van de vervangende nieuwbouw op de korrelgrootte, oriëntatie en verkaveling van de oorspronkelijk industriële bebouwing. Tevens is het wenselijk om te voorzien in een gedifferentieerd woningaanbod, met een duidelijk hiërarchisch onderscheid in woningtypen.

4.6 Niet gesprongen explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen (ontplofbare oorlogsresten) uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het aantreffen van deze oorlogsresten ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico doordat het explosief door beroering (ook na al die jaren nog) kan exploderen. Dergelijke explosies kunnen dodelijk letsel aan mens en dier toebrengen en zware schade veroorzaken aan materieel en milieu. Een vondst van ontplofbare oorlogsresten kan resulteren in meerkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden.

wel wordt geadviseerd om het uitvoerend personeel van bodemingrepen te wijzen op het Protocol Toevalsvondst, waarin staat hoe te handelen bij het onverhoopt aantreffen van een munitie(gelijkend) object. Wanneer het protocol tijdens de uitvoering in werking is getreden, zal bezien moeten worden of voortzetting van het opsporingsproces heroverwogen moet worden.

4.7 Duurzaamheid

De nieuw te realiseren woningen zullen allen aardgasvrij worden. Dit betekent dat voor deze woningen gezocht moet worden naar een alternatief om deze woningen te verwarmen. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van een warmtepomp. De woningen zullen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (voorheen het Bouwbesluit 2012). In het Bbl is opgenomen dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de Beng-eisen. Beng staat voor Bijna Energieneutrale Gebouw. Hoewel Apeldoorn in haar beleid heeft opgenomen dat voor nieuwbouw geldt dat woningen moeten voldoen aan de nul-op-de-meter-eis kan dit juridisch niet worden afgedwongen. Het Rijk heeft bepaald dat het Bbl een uitputtende werking heeft en gemeenten geen strengere eisen aan (nieuwbouw)woningen mogen stellen. De bestaande gebouwen in het besluitgebied die worden behouden zullen worden verduurzaamd.

Waar mogelijk worden daken geschikt gemaakt voor de plaatsing van zonnepanelen en voor de bestaande bebouwing zal worden gezocht naar manieren om deze bebouwing te verduurzamen. Hierbij valt te denken aan isolatie en het vervangen van beglazing. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaamheid.

5 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22ac Molenstraat-Centrum 1, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn. De voorgestelde woningbouw op deze locatie is in strijd met bestemmingsplan 'Haven Centrum Zuidoost', onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22ac van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22ac deel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven binnen het besluitgebied. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.

Wonen

Op basis van het nu nog geldende omgevingsplan is het wonen toegestaan. In het onderhavige plan is deze mogelijkheid gecontinueerd.

Ook de mogelijkheid tot het uitoefenen van beroepsuitoefening aan huis en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten is overgenomen. Aan het uitoefenen van voornoemde activiteiten worden in artikel 8.4 voorwaarden gesteld.

Groen

Het structurele en structurerende openbare groen in het plan heeft de functie Groen toebedeeld gekregen. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen, nuts- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze functie zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten voor zover deze zijn toegestaan op grond van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Daarbovenop zijn in artikel 22 lid 1 beoordelingsregels opgenomen om speel- en klimtoestellen tot een hoogte van 4 meter te kunnen vergunnen.

Verkeer - Verblijfsgebied

De functie Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen in de woongebieden. Ook het niet-structurerende groen is in deze functie ondergebracht.

Waarde - lage archeologische verwachtingswaarde

Deze waarde is opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische waarden in het plangebied.

overige zone - voorwaardelijke verplichting ecologisch onderzoek 

Deze waarde is opgenomen in verband met de mogelijke aanwezigheid van beschermde diersoorten. Er dient een ecologische onderzoek uit te worden gevoerd voordat met de bouwwerkzaamheden wordt gestart. Dit ter voorkoming van 'verstoring' van beschermde (dier)soorten.

Hoofdgebouw bouwen

In artikel 9, Hoofdgebouw bouwen en zijn voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om een aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw te kunnen verlenen.
In artikel 9 is een gezamenlijke waarde voor geluid opgenomen omdat op de oostgevels van de vier woningen aan de Kanaal-Zuid de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 Lden(dB).

bevoegd gezag

Waar in de regels van dit hoofdstuk 22z de bevoegdheid in het leven is geroepen om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.

Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn er vier bijlagen opgenomen bij de regels die enerzijds uiteenzetten welke functies zijn toegestaan en anderzijds zijn gekoppeld aan beoordelingsregels.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.

6 Haalbaarheid

6.1 Financiële haalbaarheid

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

De financieel economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd via de PPS-grondexploitatie Schatkamer van Zuid waar deze ontwikkeling onder valt.

6.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Voor een toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 2 Participatie.