| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0024-ont1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26
De eigenaar van het perceel Landgoedlaan 26 wenst het bestaande bedrijf uit te breiden. Op dit moment is aan dit adres een hotel gevestigd met onder andere een landschapstuin, fitnessruimte, luxe wellness en ruimte voor meetings en evenementen. De initiatiefnemer heeft het plan het hotel en de bijbehorende functies uit te breiden met een variëteit aan activiteiten die een aanvulling vormen op de huidige bestemming. De functies betreffen onder andere het aanleggen van een extended stay accomodatie, groepsaccomodatie, de aanleg van recreatieve/sportvelden, het inrichten van een bosrijk gebied, een landgoedwinkel, een dierenweide en een uitbouw van de huidige bebouwing waardoor meer kamers mogelijk gemaakt worden in het hotel.
Het initiatief past niet binnen het huidige (tijdelijke) omgevingsplan. Dit plan voorziet in het juridisch-planologisch mogelijk maken van de beoogde veranderingen.
Het plangebied ligt aan de oostelijke rand van de stad Apeldoorn, direct naast de A50 aan de Landgoedlaan. De Landgoedlaan staat via de Zutphensestraat in verbinding met zowel de stad als de A50. Onderstaande afbeelding toont de locatie van het plangebied.
Ligging plangebied in de gemeente Apeldoorn
Begrenzing plangebied
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Barnewinkel', door de gemeenteraad vastgesteld 21 maart 2013 en maakt sinds 1 januari 2024 onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Apeldoorn. Ter plaatse van een klein deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Groot Zonnehoeve', dit plan is vastgesteld op 18 juli 2012. Verder geldt nog de 'parapluherziening parkeren' (vastgesteld op 21 maart 2019).
Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen met het plangebied in rood gemarkeerd. Links is het plan 'Barnewinkel' te zien, rechts het plan 'Groot Zonnehoeve'.
Uitsnede geldende bestemmingsplannen, plangebied in rood aangegeven.
In het plangebied liggen op dit moment verschillende bestemmingen. Het hotel heeft een gemengde bestemming. Het overige terrein heeft een bestemming voor agrarisch, agrarisch - kwekerij, bos, natuur en verkeer - verblijfsgebied . Daarnaast ligt in het zuidelijke deel van het plangebied een bedrijfsbestemming.
Verder gelden ook nog een aantal dubbelbestemmingen in het plangebied, zo hebben delen van het plangebied een dubbelbestemming 'archeologie - middelhoog'. Daarnaast loopt een hoogspanningsverbinding en een buisleiding door een deel van het plangebied die zijn aangemerkt met een dubbelbestemming.
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de bestaande en gewenste situatie. In Hoofdstuk 3 zijn de beleidskaders van alle niveaus beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de uitvoerbaarheid van dit plan. De juridische planopzet wordt toegelicht in Hoofdstuk 5. In Hoofdstuk 6 staan de inspraak- en participatie-aspecten beschreven. Hoofdstuk 7 stelt een conclusie voor het plan en vat het gehele document samen.
Aan het begin van de 20e eeuw is het merendeel van de gronden ten behoeve van de landbouw verkaveld. De spoorlijn richting Zutphen is aangelegd. Dwars op het spoor is De Barnewinkel, een verbindingsweg tussen de Zutphenseweg en de Traandijk, aangelegd. Her en der zijn boerenhoeves gebouwd. In het Apeldoornsche Bosch is een gesticht gevestigd. In de jaren 70 van de 20e eeuw is de A50 aangelegd. De snelweg heeft het dorp, dat stad is geworden, met de buitenwereld verbonden, via de Zutphensestraat takt Apeldoorn Oost op het snelverkeer aan. Tegelijk werpt de weg een barrière tussen de landgoederenstrook en Apeldoorn op. Het gesticht in het bos is vervangen door 's Heerenloo, een inrichting voor mensen met een verstandelijke beperking. Op het gebied langs De Voorwaarts en De Barnewinkel na is Apeldoorn tot aan de A50 volgebouwd.
Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd en doet voornamelijk dienst als grasland en agrarisch bouwland. Op het terrein zijn verscheidene gebouwen, een parkeerterrein, wandel-tuinen, kassen, bergingen, een loods en akker aanwezig. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich de Landgoedlaan met aan de oostelijke zijde een akker en aan de westelijke zijde een bedrijfspand. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich de Rijksweg A50, landbouwgrond en een bos. De zuidelijke zijde wordt begrensd door een verharde weg, de Woudhuizermark, met verder ten zuiden agrarische percelen. Langs de westelijke zijde van de onderzoekslocatie ligt een woonwijk. In het plangebied aan de noordwestzijde waren voorheen twee kwekerijen aanwezig waarbij de meest noordelijke (Barnewinkel 13) ook een verkoopfunctie heeft terwijl de meer zuidelijke kwekerij aan de Woudhuizermark zich puur richt op het kweken. Tevens is er een aannemersbedrijf midden in het plangebied aanwezig. Bij dit bedrijf zijn twee bedrijfswoningen aanwezig, dit bedrijf en beide bedrijfswoningen zijn buiten de planopzet gelaten.
Het plangebied wordt op dit moment op verschillende manieren ontsloten. De Landgoedlaan is de voornaamste ontsluiting voor het Van der Valk hotel en de kwekerij aan de noordkant van het plangebied. Dit is gericht op gemotoriseerd vervoer. Verder naar het zuiden ligt ook nog de straat de Barnewinkel en een zijstraat van de Woudhuizermark die het bedrijf aan de zuidkant van het plangebied ontsluiten. Door middel van een grindweg is het noordelijk deel van het plangebied verbonden met het zuidelijk deel. Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele impressies van het plangebied weergegeven:
Te slopen voormalige loods van kwekerij aan de noordzijde
Vooraanzicht van het hotel
Achteraanzicht van het hotel
Akker achter het hotel
In de nieuwe situatie wordt het terrein ingericht als een stadslandgoed met bijhorende functies. De eigenaar van het hotel heeft de volgende plannen voor het terrein:
Aan de bestaande bebouwing zullen enkele elementen worden toegevoegd of aangepast. Het huidige hotel zal worden uitgebreid aan de zuidoostelijke vleugel, zodat meer ruimte geboden kan worden voor de gasten van het hotel en meer gasten verwelkomd kunnen worden.
De oude kwekerij aan de noordkant van het plangebied wordt gesloopt en in plaats daarvoor komen extended stay accommodaties terug. Vergelijkbaar in grootte, maar met een functie gericht op het faciliteren van langduriger verblijf dan de reguliere hotelbezoekers. Deze ruimtes worden dan ook net anders ingericht met meer gemakken om hier een langere periode te verblijven. Deze appartementen zijn gericht op het accommoderen van gasten die ongeveer 3 tot 6 maanden willen verblijven.
Naast het gebouw van de extended stay accommodaties wordt een landgoedwinkel gerealiseerd, waar lokale boerderij- en streekproducten verkocht worden.
Het zuidelijk deel van het plangebied worden enkele groepsverblijven toegevoegd, met bijbehorende welkomstvoorziening. Hier kunnen onder andere de groepen welkom geheten worden en informatieve sessies worden gehouden.
De zuidoostkant van het plangebied wordt vormgegeven door de toevoeging van een sport- en recreatieterrein waar de gasten uit de groepsaccomodaties kunnen sporten. Bij het sportveld wordt een sanitaire ruimte gebouwd. In dit gebouw wordt ook onderhoudsmateriaal opgeslagen. De meest zuidoostelijke hoek van het plangebied wordt ingericht met een dierenwijde en de bijbehorende dierenverblijven.
In het overige deel van het plangebied worden groenelementen toegevoegd. De agrarische functie wordt vervangen door een variëteit aan functies die bijdragen aan de beleving van het plangebied voor zowel de bezoekers van het hotel als bewoners uit de omgeving zoals de aanleg van groen en wandelpaden. Door de nieuwe inrichting wordt een toegankelijk gebied gecreëerd.
Op onderstaande afbeelding is het plan voor de nieuwe situatie weergegeven. Het plan is tevens opgenomen in Bijlage 1.
Nieuwe situatie stadslandgoed
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Planspecifiek
Dit initiatief voorziet in de realisatie van een landgoed en de uitbreiding van een hotel in Apeldoorn. De NOVI gaat niet in op het plangebied of op dit initiatief. Het initiatief is daarmee in lijn en niet strijdig met de NOVI.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Gelderse Omgevingsvisie
Het planvoornemen betreft een uitbreiding van de huidige bedrijfsactiviteiten, alsook een uitbreiding van het gehele terrein waarbij de hoeveelheid groen aanzienlijk toeneemt. De voormalige agrarische functie van een deel van het terrein veranderd in een gebied waar verschillende functies gecombineerd kan worden en wat bovendien autoluw is. Het initiatief sluit hiermee aan op de doelen zoals geformuleerd in de omgevingsvisie van Gelderland doordat het bijdraagt aan een versterking van de economische, recreatieve aantrekkingskracht van Apeldoorn, de doelen rondom vergroening, zowel vanwege recreatie als vanwege biodiversiteit en duurzaamheid.
Planspecifiek
In de provinciale omgevingsvisie is het plangebied aangemerkt als intrekgebied. De regels omtrent het intrekgebied zijn verder uitgewerkt in paragraaf 3.3
Op basis van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 5 mei 2024 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze Omgevingsverordening biedt juridische kaders voor de uitvoering van de ambities in de Omgevingsvisie. Hiermee is ze van groot belang bij de ruimtelijke ontwikkeling van de provincie. Daarom zijn in de Omgevingsverordening bijna alle regels opgenomen op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem.
Op grond van artikel 1.4 uit de Omgevingsverordening (maatwerkvoorschrift in afwijking van regels voor activiteiten) kunnen de Gedeputeerde Staten van Gelderland afwijken van algemene regels indien noodzakelijk voor de uitvoering van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. In enkele gevallen geldt deze regel echter niet, dan wordt ze overheerst door artikel 4.1 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkeden), artikel 7.3 (toepassingsbereik) of artikel 7.10 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden).
Provinciale staten van Gelderland hebben nog vóór het vaststellen van de Omgevingswet op 1 januari 2024 gebruik gemaakt van het artikel 4.1 van de Wet Ruimtelijke Ordening om af te wijken van bestaande regels. Dat hebben zij gedaan op 24 september 2014, toen zij een voorgaande versie van de Omgevingsverordening Gelderland vaststelden. Deze is inmiddels meermaals herzien en geactualiseerd. De Omgevingsverordening bevat drie belangrijke soorten regels, namelijk algemene regels, instructieregels, en beoordelingsregels. Algemene regels richten zich rechtstreeks op burgers en bedrijven, instructieregels richten zich tot de Gedeputeerde Staten en de besturen van gemeenten en waterschappen, en beoordelingsregels richten zich tot bevoegd gezag.
De provincie zet de verordening in als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
In het plangebied zijn de volgende regels van toepassing:
Artikel 4.15 (toepassingsbereik en oogmerk regels over grondwaterbedreigende activiteiten)
Dit artikel betreft beschermen van waterwingebieden, zoals een grondwaterbeschermingsgebied, een koude-warmte-opslagvrije zone, een boringsvrije zone, een intrekgebied, een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied of een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied.
Artikel 4.16 (specifieke zorgplicht)
Dit artikel maant degene die een grondwaterbedreigende activiteit verricht in een waterwingebied om:
Dit initiatief omvat geen grondwaterbedreigende activiteiten, waarmee het geen verdere invloed heeft in het plangebied.
Artikel 5.38 (beschermen landschap Gelderse streken: Ijsselvallei)
Dit artikel stelt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Ijsselvallei, het rekening houdt met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Het plangebied ligt in de Ijsselvallei, en ligt in dicht in de buurt van kernkwaliteiten, te weten het Apeldoorns Kanaal en het typerende mozaïeklandschap van de vallei. In het kader van deze ontwikkeling is een ontwerp opgesteld wat rekening houdt met de landschappelijke karakteristieken ter plaatse. Dit ontwerp is opgenomen in het beeldkwaliteitsplan in Bijlage 1.
Artikel 5.78 (eenmalige uitbreiding bestaand glastuinbouwbedrijf)
Dit artikel betreft het uitbreiden van een bestaande agrarische glasopstand tot maximaal vijf hectare buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Dit is mogelijk onder een aantal bedrijfsmatige omstandigheden. Het voorliggend initiatief betreft geen glastuinbouw, en daarmee is dit artikel irrelevant.
Conclusie
In conclusie, de regels in het plangebied zoals gesteld door de Provincie Gelderland hebben geen betrekking op dit plan.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan (de opvolger van de bestemmingsplannen). De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
Planspecifiek
Het initiatief sluit op verschillende manieren aan bij de gedefinieerde ambities. De huidige functie bied ruimte voor bezoekers. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor recreatie en toerisme, met bijbehorende werkgelegenheid. Daarnaast helpt het planvoornemen bij het uitbouwen van het fysiek fundament door actief de natuurwaarden te versterken door de toevoeging van veel groen. Gezien de zichtbare locatie vanaf de A50 draagt dit ook bij aan het groene en aantrekkelijke aangezicht van Apeldoorn. Voor nabijgelegen woongebieden kan het nieuwe gebied ook bijdragen aan het versterken van de sociale fundamenten door de aantrekkelijke buitenruimte.
Horeca is na de detailhandel de belangrijkste publiekverzorgende functie. Horeca bepaalt voor een groot deel het imago van onze dorpen en de (binnen)stad. Het aantal horecazaken en de kwaliteit van de horeca moet passen bij onze ambities voor de binnenstad en het toerisme. Daarnaast zorgt horeca voor werkgelegenheid. Wij vinden dat, vooral in de binnenstad, de horeca kan worden uitgebreid.
Het is de ambitie van de gemeente om als hoofdstad van de Veluwe stevig in te zetten op de vrijetijdseconomie. De sector wordt steeds belangrijker voor de regionale economie. De bestedingen in de horeca en het aantal overnachtingen groeien. In deze horecavisie geeft de gemeente aan welke kansen en mogelijkheden er volgens de gemeente zijn voor de horecasector in Apeldoorn om zich verder te ontwikkelen.
Ontwikkeling van hotels
In de horecavisie geeft gemeente Apeldoorn aan dat ze het niet wenselijk vindt om nieuwe hotels aan de rand van de stad te ontwikkelingen. Het hotel in het plangebied heeft ervoor gezorgd dat Apeldoorn in de pas loopt met het Nederlandse groeipercentage van de hotelcapaciteit in de afgelopen tien jaar. Met 75 hotelkamers per 10.000 inwoners zit Apeldoorn net onder het landelijk gemiddelde.
Planspecifiek
Primair is er binnen het beleid geen ruimte om nieuwe hotelkamers toe te voegen. In het geldende bestemmingsplan zijn echter 160 kamers toegestaan. Daarmee is er nog ruimte voor 9 hotelkamers. Ook is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee meer hotelkamers toegevoegd kunnen worden. Daarbij dient wel aan de volgende voorwaarden voldaan te worden:
De voorwaarden worden uitgewerkt in paragraaf 2.2, Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 4. Tevens is de behoefte aan de nieuwe hotelkamers onderzocht. Dit behoefteonderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt dat er nog een behoefte is aan hotelkamers. De 21 toe te voegen hotelkamers passen binnen deze behoefte.
De extended stay appartementen zijn niet als hotelfunctie aan te merken aangezien zij een andere doelgroep vertegenwoordigen. De behoefte wordt in bovengenoemd onderzoek ook aangetoond.
Conclusie
Alhoewel het beleid primair geen ruimte biedt voor uitbreiding van het hotel, blijkt uit onderzoek dat er wel degelijk nog een behoefte bestaat aan hotelkamers. Aan de voorwaarden in het bestaande bestemmingsplan wordt voldaan. Daarmee is er ruimte voor de extra hotelkamers.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Kaart Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
Planspecifiek
Het plangebied is binnen de groene mal aangewezen als 'groot groengebied'. In de oude situatie is het plangebied grotendeels groen met een agrarisch landschap. In de toekomstige situatie veranderd dit naar een bebost groen gebied, afgewisseld met open gebieden.
Type landschappelijke elementen op te nemen in landgoed Barnewinkel. De groene wig wordt doorgezet over het landgoed en loopt en sluit aan op boslandschap.
In de notitie Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, die in juni 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het programma voor het onderdeel vrijetijdseconomie van de structuurvisie-ambitie Toeristisch toplandschap uitgewerkt. De doelen van het programma zijn:
Om deze doelen te realiseren zet Apeldoorn in op de volgende vier opgaven:
De ambitie is de Veluwe als meest aantrekkelijke outdoor-regio van Nederland waar bewoners en bezoekers actief kunnen ontspannen. Om deze ambitie waar te kunnen maken zijn een excellent routenetwerk en fantastische buitensportvoorzieningen een vereiste;
Apeldoorn wil verblijfsrecreatie met een onderscheidend, aantrekkelijk en duurzaam aanbod voor zowel kort als lang verblijf. Een belangrijke opgave daarbij is het bieden van voldoende ontwikkelruimte, flexibiliteit en belevingsmogelijkheden aan kansrijke bedrijven. Apeldoorn ondersteunt de doelstelling van Apeldoorn Congresstad om het aantal zakelijke congressen te laten stijgen. Apeldoorn zet in op vitale Apeldoornse top-dagattracties (Apenheul, Koningin Julianatoren, Paleis Het Loo). Binnen de kaders zoals die voor Apeldoorn-West nog in ontwikkeling zijn wordt ontwikkelruimte, goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid geboden. Tegelijk zal overlast voor omwonenden en natuur beperkt moeten worden. Digitale bereikbaarheid moet overal op de Veluwe gewoon goed zijn. Daarnaast is bereikbaarheid per openbaar vervoer van de Veluwe en Apeldoorn een belangrijke opgave;
De kernwaarde koninklijk wil Apeldoorn benutten als het toeristisch Trademark van Apeldoorn. Paleis Het Loo is hierin de beeldbepalende partner met internationale allure. Daarnaast is het nodig dat de kernwaarde koninklijk veel meer zichtbaar en beleefbaar wordt in het toeristisch product, routes, binnenstad, horeca, evenementen, storytelling, etcetera;
Funshoppen is in Nederland na wandelen de populairste vrijetijdsactiviteit. Het is dan ook een belangrijke opgave om meer toeristen vanuit de Veluwe naar de binnenstad te trekken. Bij het realiseren van deze opgaven wordt aangehaakt op de nationale strategie Vinden, Verrassen, Verbinden zoals die is verwoord in de Visie op de Nederlandse gastvrijheidseconomie 2025. Daardoor kan de ontwikkeling van de Apeldoornse vrijetijdseconomie goed ingebed worden in de nationale ontwikkeling. Uitgangspunt is dat het aan de ondernemer zelf is om kansen te benutten, ondernemerschap en durf te tonen. Op basis van de nationale strategie wordt van de overheid een stimulerende en ondersteunende rol verwacht. Een overheid die de randvoorwaarden creëert waarbinnen ondernemers kunnen ondernemen, maar ook de maatschappelijke belangen zijn geborgd. De gemeente Apeldoorn wil deze rol oppakken door in te zetten op:
Planspecifiek
Dit initiatief voorziet in de realisatie van een stadslandgoed aan de oostzijde van Apeldoorn waarbij een groepsaccommodatie wordt gerealiseerd. Het betreft een outdoorlocatie waar de focus is gericht op het 'actief ontspannen'. De initiatiefnemer wil ter plaatse van de locatie een hoogwaardig verblijf realiseren.
Alhoewel het gebied niet in de nabijheid van de koninklijke locaties in Apeldoorn ligt, wordt de allure van dit gebied wel nagestreefd. De groepsaccommodatie wordt immers in een landgoed gerealiseerd, wat aansluit bij de koninklijke allures van de stad.
Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de opgaven die de gemeente in de beleidsnotitie uiteen heeft gezet.
Conclusie
Het initiatief is in lijn met het programma vrijetijdseconomie. Er wordt bijgedragen aan de opgaven in de gemeente.
Op grond van artikel 4.1 van de Omgevingswet moet de gemeente, als ze een nieuw omgevingsplan opstelt, meten wat de gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving. Artikel 4.3 vat vervolgens alle activiteiten die daaronder vallen samen. Hieronder vallen onder meer bouwactiviteiten en landinrichtingsactiviteiten, die beiden een belangrijk deel zijn van de geplande ingreep in het plangebied. Als gevolg hiervan kan maatwerk worden toegepast door de gemeente zoals omschreven in artikel 4.6 van de omgevingswet.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.
Onderzoeksresultaten bodem
In het kader van dit initiatief is een vooronderzoek bodem uitgevoerd (rapportage d.d. 22-11-2022), opgesteld door Econsultancy en opgenomen in Bijlage 3 zijn de resultaten van het bodemonderzoek weergegeven. Op basis van het vooronderzoek kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch mogelijk enige belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven aanleiding voor verder bodemonderzoek in het plangebied. In dit kader is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek is opgenomen in Bijlage 4 en Bijlage 5. Uit deze onderzoeken blijkt dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor dit initiatief.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de door de VNG opgestelde handreiking Activiteiten en milieuzonering. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de nieuwe handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de nieuwe handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit. Onderdeel daarvan is de bekende Lijst van activiteiten uit de uitgave van 2009. Deze lijst wordt echter nadrukkelijk géén onderdeel van de regels.
In de nieuwe handreiking blijven de basisprincipes van functiescheiding (waar nodig) en inwaartse zonering in stand. Hiervoor wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten. De nieuwe handreiking gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels.
Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.
Onderzoeksresultaten milieuzonering
Ter inventarisatie van de relevante activiteiten in en rondom het plangebied is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd door Econsultancy (dd. 26-10-2022). Het rapport is tevens opgenomen in Bijlage 6. Hieronder worden de belangrijkste resultaten besproken. Het plangebied wordt aangemerkt als een gemengd gebied. Voor een detailhandel en hotel geldt milieucategorie 1 met een bijhorende richtafstand van 0 meter. Derhalve kan in beginsel worden voldaan aan de richtafstand tot deze inrichtingen. Gezien de ligging van deze functies op verder dan 10 meter afstand (rustige woonwijk) van woongebieden buiten het plangebied, zullen zich ook hier geen belemmeringen voordoen.
Ook het sportveld vormt geen bijzondere belemmering. Verder onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Toetsing richtafstand sportveld
Conclusie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling aan de Landgoedlaan 26 te Apeldoorn is middels een quickscan onderzocht of in de nabijheid van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden en of het plan de omgeving nadelig beïnvloed. Voor een woning ten westen van het te realiseren sportveld gelegen woning niet kan worden voldaan aan de richtafstand. Geluid is maatgevend voor de richtafstand. Om deze reden is nader akoestisch onderzoek noodzakelijk naar het sportveld op het moment dat de definitieve invulling en daarmee ook het gebruik van het plangebied bekend is.
In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl).
Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid. Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels:
Artikel 3.6 van de Omgevingswet (verplichte programma's gemeente) stelt dat het college van burgemeester en wethouders van een gemeente in de gemeentelijke omgevingsvisie een actieplan vast dient te leggen betreffende de omgang met verschillende geluidsbronnen. Daaronder vallen onder andere verkeerswegen, spoorwegen, en andere activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving.
Wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt naast een rijksweg, namelijk de A50. Met deze weg moet rekening gehouden worden bij het opstellen van het omgevingsplan. Dit moet gedaan worden middels de resultaten van akoestisch onderzoek, zoals beschreven in het omgevingsplan van de Gemeente Apeldoorn. Op het moment van schrijven stelt de Gemeente Apeldoorn nog geen maximumwaarden aan de maximaal toegestane geluidsniveau's als gevolg van nabijgelegen wegen.
Planspecifiek en conclusie
Dit initiatief voorziet niet in de realisatie van gevoelige functies in het kader van de Omgevingswet. Nader onderzoek in het kader van wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. De situatie rondom industrielawaai en lawaai van inrichtingen is uitgewerkt in paragraaf 4.1.3.
De artikelen 5.50 en 5.51 Bkl bevatten instructieregels voor specifieke situaties: het aanleggen of wijzigen van een wegtunnelbuis, het aanleggen van snelwegen en autowegen, het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen en milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM10, moeten in een omgevingsplan specifieke omgevingswaarden in acht genomen. Ook zijn gemeentes benoemd die worden aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit. Voor deze gemeenten gelden aanvullende omgevingswaarden. De gemeente Maasdriel behoort niet tot een aandachtsgebied luchtkwaliteit.
Het is in ieder geval niet toegestaan om bepaalde activiteiten toe te laten (standaardgevallen NIBM) die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder bedoeld in art. 5.54 Bkl. NIBM staat voor: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit
Het plan beoogt een verscheidenheid aan ontwikkelingen, waaronder een uitbreiding van het huidige hotel, toevoeging van extended stay-accomodatie, groepsverblijven, een landgoedwinkel, bedrijfswoning en de toevoeging van een groot groen gebied ter recreatie. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Om aan te sluiten bij het Besluit NIBM wordt er een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool (Bijlage 7). Met de rekentool wordt het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolg van de ontwikkeling op het landgoed inzichtelijk gemaakt. De verkeersgeneratie is aangeleverd door de opdrachtgever en gebaseerd op het aantal extra voertuigbewegingen van en naar de (nieuwe) hotelkamers, long stay appartementen, recreatieverblijven en landgoedwinkel. Het initiatief voorziet in 272 verkeersbewegingen per etmaal extra ten opzichte van de huidige situatie. Twee bewegingen hiervan betreffen vrachtwagenbewegingen, Om deze reden is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 0,74%.
Uitsnede ingevulde NIBM tool
Bovenstaand figuur geeft de invoergegevens en bijbehorend resultaat weer. Op basis van de ingevulde gegevens blijkt dat de bijdrage van de extra verkeersbewegingen die voortkomen uit het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouwlocatie onderzocht. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens een overschrijding berekend.
Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen (zie Bijlage 7). Hiervoor zijn de dichtstbijzijnde rekenpunten uit de NSL-monitoringstool met de hoogste waardes geraadpleegd. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.
Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden voorzien voor de doorgang van het initiatief met betrekking tot de luchtkwaliteit. Op basis van berekeningen met de NIBM-rekentool is bepaald dat bij een verkeersgeneratie van 272 verkeersbewegingen per etmaal en een aandeel vrachtverkeer van 0,74% de ontwikkeling op het landgoed niet in betekenende mate bij zal dragen aan de achteruitgang van de luchtkwaliteit. De concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn tevens ruim beneden de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe worden in het beleid voor externe veiligheid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en per transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud van de buisleidingen.
Nota Milieuveiligheid Apeldoorn
Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid, die in december 2011 is vastgesteld, is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
Onderzoeksresultaten
Voor het planvoornemen is geïnventariseerd wat de externe risicofactoren zijn en de mogelijke gevolgen voor het plan die hiermee samenhangen. Het volledige rapport hiervan is te lezen in Bijlage 8. De volgende figuur geeft een overzicht van het plangebied in relatie tot de risicobronnen in en nabij het plangebied.
Uitsnede risicokaart, plangebied aangegeven in blauw
Inrichtingen
Op circa 670 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt VDL Weweler B.V. (3) Vanwege de aanwezigheid van hardingszouten valt de inrichting onder het BRZO. Ten tijde van de afgifte van de vergunning is aangetoond dat er geen toxische stoffen buiten de inrichtingsgrens vrijkomen. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Gezien de afstand van de inrichting tot het plangebied gelden er geen belemmeringen.
Op circa 570 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt Grolleman Coldstore B.V. (4). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege een NH3 koelinstallatie. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10- 6/jaar en geen invloedsgebied aanwezig. Er gelden geen belemmeringen voor het plangebied.
Op circa 830 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt Ameco B.V. (5). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege een NH3 koelinstallatie. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar en geen invloedsgebied aanwezig. Er gelden geen belemmeringen voor het plangebied.
Op circa 850 meter ten oosten van de grens van het plangebied ligt Breustedt Chemie (6). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de opslag van chloorbleekloog. Er is geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar en geen invloedsgebied aanwezig. Er gelden geen belemmeringen voor het plangebied.
Andere risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied en zijn niet relevant.
Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Het plangebied ligt binnen 200 meter van de rijksweg A50 (2) en bevindt zich daarmee binnen het invloedsgebied van alle stofcategorieën. Het traject ter hoogte van het plangebied heeft tevens een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter aan weerszijden van de weg. Hieronder wordt ingegaan op het groepsrisico.
Het groepsrisico bedraagt 0,054 x oriëntatiewaarde in de bestaande situatie en neemt in de toekomstige situatie toe tot 0,066 x oriëntatiewaarde. Er gelden verder geen belemmeringen met betrekking tot de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6/jaar en het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het aantal verwachte slachtoffers bedraagt 189 personen in de bestaande en de toekomstige situatie. Omdat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde kan volgens artikel 8 lid 2a van het Bevt en het gemeentelijk beleid worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Dwars door het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding (1). De leiding heeft een diameter van 12,76 inch en een werkdruk van 40 bar. De inventarisatieafstand van de leiding bedraagt 140 meter. Een groot deel van het plangebied ligt binnen de inventarisatieafstand van deze leiding. Op grond hiervan is een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk.
Als gevolg van de realisatie van het plan schuift het traject van de maatgevende kilometer 10 meter richting het zuiden naar het voorgenomen plan. Ter plaatse van deze kilometer is sprake van een lagere bevolkingsdichtheid ten opzichte van de wijk 'Osseveld-Woudhuis' ten noorden van de N345. Er is sprake van een afname van het aantal slachtoffers. Het maximaal aantal slachtoffers in de huidige situatie bedraagt 161 personen en 132 personen in de toekomstige situatie. Het groepsrisico bedraagt 0,033 x de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en neem toe tot 0,037 x de oriëntatiewaarde in de toekomstige situatie. Op grond van artikel 12 lid 3 onder b van het Bevb en het gemeentelijk beleid kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In volgende paragrafen wordt een verantwoording van het groepsrisico gegeven en wordt er ingegaan op de mogelijkheden tot bereikbaarheid en bestrijding van de calamiteit en de zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied.
Beperkte verantwoording groepsrisico
In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. Op basis van artikel 12 lid 2 van het Bevb en op basis van artikel 9 van het Bevt dient de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Hier wordt verder op ingegaan in Hoofdstuk 6.
Zelfredzaamheid
Een groot deel van het plangebied ligt in de letaliteitszones van de leiding. Een deel van het plangebied ligt binnen de 100%-letaliteitszone (zie onderstaande afbeelding).
Letaliteitszones
Het maatgevende scenario met betrekking tot hogedruk aardgastransportleidingen is een fakkelbrand. Buisleidingincidenten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden.
Bij de inrichting van het plangebied kan aandacht worden besteed aan externe veiligheid door de functies met de hoogste personendichtheid die langs de leiding liggen zoveel mogelijk aan de westkant van het gebied te situeren. Het betreft het nieuw te bouwen hotel. De zelfredzaamheid van personen binnen het pand wordtbevorderd door (achter)uitgangen en achterpaden van de bron af te richten. Binnen het plangebied zijn meerdere routes (bijvoorbeeld via de fietspaden en jogging trails) om in geval van een calamiteit het gebied te ontvluchten.
Maatgevende scenario's op de A50 zijn calamiteiten met een BLEVE en/of toxische gaswolken. Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt. Bij een koude en warme BLEVE dienen overlevenden het pand of het gebied te ontvluchten in verband met secundaire branden. Door een ongeval met een tankwagen op de rijksweg A50 kunnen giftige gassen vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. De ventilatieopeningen moeten van de risicobron af worden gericht. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken.
Omdat met de realisatie van het plan het groepsrisico in de toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde wordt voorgesteld om geen aanvullende bouwkundige maatregelen te treffen. De zelfredzaamheid van personen binnen een pand wordt bevorderd door (achter)uitgangen en achterpaden van de bron af te richten.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Omdat de kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleiding, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen handelen. Aanwezigen binnen het plangebied moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en moeten worden gewezen op de mogelijke scenario's en hoe hierop te handelen.
In het geval van een calamiteit op de A50 is het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar via de Barnewinkel. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen of secundaire brandhaarden blussen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om:
Conclusie
In het kader van externe veiligheid bevinden zich enkele risicofactoren in en om het plangebied. De risico's zijn verantwoord door middel van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Nader onderzoek of maatregelen zijn niet noodzakelijk in het kader van dit bestemmingsplan.
Begin 2023 is een herijking op het voorzorgsbeleid voor magneetvelden bij bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland uitgekomen. Dit voorzorgbeleid adviseert om zo veel als mogleijk te voorkomen dat er nieuwe gevoelige bestemmingen met als risicogroep kinderen (woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches) in de magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen komen. De Gemeente Apeldoorn heeft dit beleid overgenomen. In deze herijking wordt geadviseerd om de afstandsmaatregelen uit het voorgaande voorzorgbeleid te blijven handhaven voor bovengrondse hoogspanningslijnen. De risicogroep wordt verbreed van kinderen naar kinderen én volwassenen. Gevolg hiervan is dat onder gevoelige bestemmingen nu ook overige woonvormen vallen waar mensen langdurig verblijven (zoals verpleeghuizen en instellingen voor mensen met een beperking). De afstandsmaatregelen dienen volgens het herijkte voorzorgbeleid niet overgenomen te worden naar andere netcomponenten met een magneetveld (zoals ondergrondse hoogspanningskabels of transformatorhuisjes). Nieuw in de herijking zijn bronmaatregelen. Dit zijn maatregelen die netbeheerders van het elektriciteitsnet nemen om magneetvelden te verkleinen.
Het doel van het voorzorgbeleid is om de inwoners van Apeldoorn zo veel als mogelijk en proportioneel tegen langdurige blootstelling aan magneetvelden te beschermen, terwijl ruimtelijke projecten hiervan zo weinig mogelijk belemmering ondervinden. Het herijkte voorzorgbeleid hanteert verder de volgende uitgangspunten:
Onderzoeksresultaten
In het plangebied bevind zich een bovengrondse hoogspanningslijn met een indicatieve zone (0,4 microTesla)(bron: Netkaart RIVM). In de directe nabijheid van de hoogspanningslijn worden geen gevoelige bestingen mogelijk gemaakt zoals in het herijkte voorzorgbeleid is opgenomen (woningen, kinderdagverblijven e.d.). Zodoende is de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding geen belemmering voor het planvoornemen. Wel dient rekening te worden gehouden met de beheerszone. Deze zone van de betreffende lijn is twee keer 22,5 m. Binnen deze zone mogen in principe geen gebouwen worden opgericht. Ter bescherming is op deze zone de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding gelegd.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen binnen de specifieke zone mogelijk. De hoogspannigsverbinding vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Algemeen
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in de Omgevingswet. Artikel 16.43 van de Omgevingswet meldt dat 'Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde bestluiten aangewezen:
Voor het merendeel van de activiteiten van bijlage V van het Omgevingsbesluit gelden drempelwaarden. Wanneer het omgevingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een plan m.e.r.-plicht. Wanneer het omgevingsplan een activiteit mogelijk maakt die buiten deze drempelwaarden valt, geldt een project- m.e.r.-plicht.
Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij. In beide gevallen gelden de volgende verplichtingen:
Onderzoeksresultaten
De resultaten van de project-mer-beoordeling zijn opgenomen in Bijlage 9. Uit de notitie blijkt dat er geen grote negatieve milieugevolgen zijn als gevolg van dit initiatief.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Op basis van de Waterwet (welke per 1 januari 2024 is opgegaan in de Omgevingswet) stelt het kabinet voor een periode van vijf jaar haar beleid op het gebied van waterhuishouding vast. Het meest recente programma is opgesteld in 2022 en zal in werking zijn tot 2027. Net als het voorgaande programma (2016-2021) blikt dit programma vooruit naar 2050. De hoofdambities van het Rijk die met dit programma gehaald moeten worden zijn:
Daarnaast richt het Nationaal Waterplan zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft bovendien maatregelen weer die in de actieve periode van het plan genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.Een robuust watersysteem vormt een goede basis voor welzijn, welvaart, en veiligheid binnen het kust- en rivierengebied.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Eén van de ambities uit de omgevingsvisie is klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer op de lange termijn. Ten aanzien van dit aspect, wat een belangrijk dwarsverband kent met het omgaan met water in ruimtelijke plannen zegt de omgevingsvisie het volgende: “Overtollig water moet zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. Wij werken hier vooral aan vanuit onze betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houden daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed vangen we water op en houden het voor langere tijd vast in onze beken. En: we zorgen voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor onze Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier.”
Verder is, onder andere, vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.
Uitgangspunt omgevingsplan
Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.
In 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) vastgesteld als waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027. Het programma heeft ambities op het gebied van het scheppen van een waardevolle leefomgeving, klimaatverandering het hoofd bieden, het faciliteren van de energietransitie, het realiseren van een criculaire economie en het bevorderen van biodiversiteit.
Het BOP streeft daarnaast doelen na, welke zijn gecategoriseerd in vijf onderwerpen, namelijk:
Uitgangspunt bestemmingsplan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode. Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Uitgangspunten bestemmingsplan
Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied en heeft een grootte van ongeveer 20 hectare.
Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.
In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken. Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein. Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard waren, dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.
Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden. Bij het bepalen van de manier waarop het regenwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater.
De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.
In dit plangebied wordt het regenwater zo veel mogelijk afgevoerd, vastgehouden en geïnfiltreerd.
Door geen gebruik te maken van loodhoudende materialen wordt voorkomen dat het te infiltreren
regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.
De locatie laat verhard oppervlak verdwijnen maar ontwikkelt vervolgens 3800 m2. In principe moet men dan tenminste 60 mm kunnen bergen in afstemming met het openbaar terrein, maar gezien de locatie is afvoeren naar openbaar terrein niet aan de orde. Men heeft hier de mogelijkheden om alles op eigen terrein te verwerken.
Voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein moet wel een uitwerking komen (in de aan te vragen Omgevingsvergunning) Ontwikkelaar moet kunnen aantonen dat neerslag ter plekke wordt verwerkt en geen overlast kan geven naar de omgeving.
Het Besluit Bouwwerken in de Leefomgeving (BBL) stelt in artikel 4.205 daarnaast dat huishoudelijk afvalwater afgevoerd moet worden middels een installatie met voldoende capaciteit, die bovendien lucht- en waterdicht is en een uitmoding en capaciteit heeft die voldoet aan NEN 3215.
Voor de afvoer van regenwater stelt het BBL in artikel 4.206 dat een dak een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater moet hebben met een capaciteit volgens NEN 3215. Dat wil zeggen dat de voorziening de verwachte belasting door regenwater aan kan. Ook moet de voorziening lucht- en waterdicht zijn.
De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.
De watertoets van het plangebied geeft aan dat het verhard oppervlak over het gehele plangebied met 3700 vierkante meter af zal nemen na het realiseren van alle plannen. Hierom is er geen compensatie nodig op het gebied van verharding van het bodemoppervlak. De volledige watertoets is in te zien in Bijlage 10.
De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.
De Omgevingswet en natuurbescherming
De Omgevingswet omvat ook regels over natuurbescherming, welke voorheen deel uitmaakten van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.6 (zorgplicht voor een ieder) van de Omgevingswet omvat een zorgplicht voor een ieder, wat inhoudt dat een ieder verplicht is voldoende zorg te dragen voor de fysieke leefomgeving.
Sterk gerelateerd aan dit artikel is artikel 1.7a (verbod activiteit met aanzienlijke nadelige gevolgen). Dit artikel verbiedt het verrichten van activiteiten die aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving, maar verbied ook het nalaten van een activiteit als deze een nadelig effect zou kunnen voorkomen.
Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.4 van de Omgevingswet (omgevingsplan) in hun eigen omgevingsplan opnemen hoe zij zorg dragen voor de bescherming van gebieden, soorten, en houtopstanden binnen de Europese en Nationale kaders.
Gebiedsbescherming
Binnen Natura 2000-gebieden is uitzonderlijke regelgeving van toepassing, omdat dit beschermde gebieden zijn op Europees niveau. In de Omgevingswet stelt artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet), lid 1e, dat een er een omgevingsvergunning nodig is om activiteiten uit te voeren in een Natura 2000-gebied.
Niet alle activiteiten in een Natura 2000-gebied eisen deze vergunning. Artikel 11.16 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) stelt dat 'Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:
Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:
Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:
Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.
Artikel 4.3 van de Omgevingswet stelt dat er regels te worden gesteld via een algemene maatregel van bestuur als een activiteit gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals bouw- en sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten.Artikel 4.20 meldt daarnaast dat er in ieder geval regels gesteld moeten worden ter uitvoering van de habitatrichtlijn, vogelrichtlijn en Europese houtregelgeving. Deze regels dienen kwetsbare soorten en houtopstanden te beschermen.
Soorten- en houtopstandbescherming
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
De Omgevingswet en het NatuurNetwerk Nederland (NNN)
Artikel 2.31 van de Omgevingswet stelt dat het Rijk verplicht is om regels te stellen met betrekking tot het NNN op een zodanige wijze dat deze regels in lijn zijn met de internationale verplichtingen van het Rijk. Het is bevoegd gezag dan ook verplicht om in omgevingsverordeningen specieke de gebieden aan te wijzen die bij het NNN horen. Daarnaast mag bevoegd gezag gebieden die niet onder Natura 2000 of het NNN vallen, gebieden aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen.
Voor het planvoornemen is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 11. Hieronder worden de resultaten besproken.
Broedvogels - algemeen
De beplanting rondom de bebouwing en het platte dak van het hotel zijn geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Door te werken buiten het broedseizoen en de vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen, wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Wanneer nesten niet in gebruik zijn, mogen ze wel worden weggenomen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Wanneer er gewerkt dient te worden binnen het broedseizoen, is een ecologische inspectie benodigd om eventuele broedgevallen in kaart te brengen.
Broedvogels - jaarrond beschermd
De zuidelijke berging is mogelijk geschikt voor gierzwaluwen en huismussen om te nestelen. Het betreft een matig geschikte situatie, die met een aanvullend veldbezoek en een endoscoop verder geïnspecteerd moet worden. Wanneer er geen nestmateriaal wordt aangetroffen, zijn er geen aanvullende maatregelen benodigd. Wanneer er wel nestmateriaal wordt aangetroffen, is aanvullend onderzoek in de broedperiode van deze soorten benodigd.
Vleermuizen
De bebouwing (hotel en zuidelijke berging) is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen om in te verblijven. Aanvullend onderzoek is benodigd om de functie van de bebouwing ten aanzien van deze soorten te onderzoeken. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Zoogdieren - steenmarter en kleine marterachtigen
Verscheidene delen van de onderzoekslocatie zijn geschikt voor marterachtigen. In het verleden heeft een steenmarter een verblijfplaats in de loods gehad. Door het plaatsen van cameravallen en een marterbox, kan de functie van de onderzoekslocatie ten opzichte van deze soortgroep worden onderzocht. Vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Aantasting van dergelijke elementen is daarom ontheffingsplichtig.
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
De onderzoekslocatie is geschikt voor verscheidene algemene soorten als de egel, haas en gewone pad. Voor deze soorten geldt de zorgplicht: al het redelijkerwijs mogelijke moet worden gedaan om doden en verwonden te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van lage, dichte vegetatie en tuinafval dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september tot en met november. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
Stikstofdepositie
Voor het project is een stikstofberekening met het programma AERIUS uitgevoerd. De berekening is opgenomen in Bijlage 12. De berekening is vervolgens geactualiseerd en verder uitgewerkt in een addendum. Dit document is opgenomen in Bijlage 13.
Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk resultaat zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof
In het kader van soortenbescherming is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk, dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De definitieve onderzoeksrapportages worden bij vaststelling van dit plan ingevoegd. Met betrekking tot gebiedsbescherming heeft dit project geen negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling dient sinds de invoer van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (bkl) te geschieden naar de ladder voor duurzame verstedelijking. Artikel 5.129g van dit besluit stelt dat bij nieuwe stedelijke ontwikkeling er zorgvuldig omgegaan moet worden met ruimte. Dit wordt gedaan middel de ladder voor duurzame verstedelijking. Er kan gesproken worden van verstedelijking als er een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is gepland staat.
Wat er aan stedelijke ontwikkeling mogelijk is hangt af van de vraag of het te ontwikkelen gebied al deel is van het bestaand stedelijk gebied. Het bkl gebruikt dezelfde definitie voor 'bestaand stedelijk gebied' als het Besluit Ruimtelijke Ordening (bro) dat haar vooraf ging. Deze definitie luidt:
'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Het plangebied ligt in een bestaand stedelijk gebied, en stedenbouwkundige initiatieven dienen dan ook getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast geldt de ontwikkeling van een hotel als stedelijke ontwikkeling. Het toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking stimuleert een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructureel besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.
Dit initiatief betreft de realisatie van een landgoed. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. De behoefte aan het initiatief is in dit kader onderzocht. Hiervoor is een aparte notitie opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 9.
Uit de notitie blijkt dat er een behoefte is aan dit initiatief. De realisatie van het geheel is daarmee in lijn is met de ladder voor duurzame verstedelijking.
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. De Omgevingsverordening Gelderland bevat geen regels over cultuurhistorie.
De Archeologische Beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2015) kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:
Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.
Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.
Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.
Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
Econsultancy heeft archeologisch onderzoek naar het plangebied verricht. Deze rapportage, gedateerd 29-12-2022, is opgenomen in Bijlage 14 van de Bijlagen bij de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen archeologische waarden verwacht worden. Nader onderzoek in het kader van archeologie is niet noodzakelijk.
Subsubparagraaf 5.1.5.5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving stelt dat er in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met het belang van het ehoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Het Rijk heeft aanvullend op de NOVI een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie. De Omgevingsverordening Gelderland bevat geen regels over cultuurhistorie.
Bij de nota genoemd in de Cultuur- en Erfgoednota 2021-2024 hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2020). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:
In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.
Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.
In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De landschappelijke cultuurhistorische waarden worden als gevolg van de ontwikkeling niet aangetast. Hier is tevens rekening mee te houden in het ontwerp zoals opgenomen in Bijlage 1.
Het plangebied wordt in de huidige situatie grotendeels ontsloten door de Landgoedlaan die via de Zutphensestraat het verkeer richting Apeldoorn en verder ontsluit. In de toekomstige situatie wordt de toename van verkeersbewegingen eveneens via deze route ontsloten.
Het zuidelijk deel van het plangebied wordt geheel autoluw, de bezoekers zullen via de Landgoedlaan bij het huidige parkeerterrein uitkomen en te voet het terrein verder betreden. Het bedrijf aan de zuidkant van het plangebied wordt nog wel ontsloten via de Woudhuizenmarkt. Verder wordt het hele gebied een groen gebied ingericht met jogging- en wandelpaden.
Ter inventarisatie van de toename aan verkeersbewegingen en bijbehorende benodigde parkeerplaatsen is een verkeersberekening uitgevoerd (zie Bijlage 15). Hieruit blijkt dat de verkeersbewegingen toenemen met gemiddeld 193 bewegingen. De Zutphensestraat is een weg berekend op een relatief grote verkeersstroom. De Zutphensestraat kan de extra verkeersbewegingen voldoende opvangen.
In het kader van dit initiatief is het benodigde aantal parkeerplaatsen in de toekomstige situatie berekend. De berekening is tevens opgenomen in Bijlage 15. In de nieuwe situatie zijn 76 extra parkeerplaatsen nodig om aan de vraag te voldoen. Op het bestaande parkeerterrein bij het hotel is ruimte voor zo'n 500 parkeerplaatsen. De benodigde parkeerplaatsen kunnen gerealiseerd worden op het bestaande parkeerterrein. Gezien het zuidelijk deel van het plangebied autoluw blijft is het opvangen van de parkeerbehoefte op het bestaande parkeerterrein een logische locatie.
Ter plaatse van het plangebied bevinden zich de volgende kabels en leidingen:
bar, een wanddikte van 7,1 mm en een diepteligging van circa 1,5 meter;
de oostkant van de lijn; (de zones worden in paragraaf 5.1.7 Elektromagnetische veldennader verklaard)
Onderstaande afbeelding toont de verschillende verbindingen: de hogedrukaardgastransportleiding is rood, de hoogspanningslijn is blauw en de rioolleiding is weergegeven door de paarse lijn.
Uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving
De relevante kabels en leidingen zijn in voorgaande paragrafen beschreven.
In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 6 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. Het vorige hoofdstuk legt de invulling langs de regelgeving en beschrijft welke onderzoeken er nodig zijn alvorens te beginnen met het wijzigen van de bebouwing van het plangebied.. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit TAM-IMRO wijziging omgevingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte functies. Hier worden zowel de regels als de weergave van de functies op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.
TAM-IMRO wijziging van het omgevingsplan hoofdstuk 22a Stadslandgoed Landgoedlaan is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van toedelen van functies.
De functies zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De functies worden hierna besproken.
Op de gronden met de functie Bos zijn bos, struikgewas, hakhout en afschermende groenbeplanting toegestaan. Daarnaast zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, de bescherming en de versterking van het bos met de bijbehorende landschaps- en natuurwaarden. Verder zijn paden, in- en uitritten en nutsvoorzieningen toegestaan.
Op gronden met de functie 'Horeca' zijn onder andere toegestaan: een hotel, conferentiecentrum, restaurant, extended stay verblijven, een landgoedwinkel en een groepsaccomodatie. Daarnaast mogen in het plangebied gronden gebruikt worden voor nutsvoorzieningen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, tuin en/of erf en voorzieningen voor de waterhuishouding.
Het structurele en structurerende openbare groen in het plangebied is onder de functie Groen gebracht. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen, nuts- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze functie zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten. De bouwhoogte van speel- en klimtoestellen mag bij recht niet meer dan 4 meter bedragen. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor speel- en klimtoestellen tot een hoogte van 6 meter.
Op de gronden met de functie Recreatie – Dagrecreatie zijn nutsvoorzieningen en dagrecreatieve voorzieningen inclusief bouwwerken toegestaan.
Op de gronden met de functie Recreatie - Dagrecreatie zijn nutsvoorzieningen, groepsaccomodaties en een boshut toegestaan.
De functie Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen in de woongebieden. Terrassen ten behoeve van nabijgelegen horecavestigingen hebben een verblijfsfunctie en vallen daarmee onder deze functie. Ook het niet-structurerende groen is in deze functie ondergebracht.
De gronden met de functie Leiding – Gas zijn mede aangewezen voor een ondergrondse gastransportleiding. Op de gronden met deze functiemogen uitsluitend gebouwen ten dienste van de leiding worden gebouwd. Andere gebouwen zijn, mits passend binnen de andere functies, uitsluitend toegestaan door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels. Afwijken is alleen mogelijk wanneer vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. Er is een omgevingsvergunningvereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhedenen opgenomen waarbij aan de aanleg van diepwortelende beplanting, grondwerken, het aanbrengen van verhardingen en heiwerkzaamheden, beperkingen worden gesteld.
De bovengrondse hoogspanningsleiding die in het plangebied voorkomt, is van de functie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' voorzien. Op gronden met deze functie mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd. Andere gebouwen zijn, mits passend binnen de andere functies, uitsluitend toegestaan door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels. Afwijken is alleen mogelijk wanneer vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden geldt een omgevingsvergunningvereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is per functie een bebouwingsschema opgenomen. In de bebouwingsschema's staan de maatvoeringsaspecten die voor die specifieke functie gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart.
Waar dit omgevingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit omgevingsplan.
In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle functies. In artikel 14 zijn bouwregels opgenomen die voor alle functies gelden. Lid 14.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.
In dit omgevingsplan is in de Algemene gebruiksregels van artikel xx een gebruiksregel over parkeren opgenomen. Hierin is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen bij het gebruiken van gebouwen en gronden en bij nieuwe ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Wat hieronder wordt verstaan wordt uitgelegd in de Beleidsregel Parkeren, zoals vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is als bijlage bij het omgevingsplan gevoegd.
In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere functies voorkomen. Door middel van gebiedsaanwijzingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.
Bijzondere bomen
De bepalingen over bijzondere bomen zijn opgenomen voor de bomen die door het bevoegd gezag als bijzondere boom zijn aangewezen. Bijzondere bomen vinden hun voornaamste bescherming in de Algemene Plaatselijke Verordening, waarin is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning bomen te kappen en dat er geen vergunning tot het kappen van bijzondere bomen wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Dit geheel biedt reeds een aanzienlijke bescherming van de bijzondere bomen. In het omgevingsplan is een aanvullende regeling opgenomen. De bijzondere bomen zijn met een (locatie)aanwijzing op de plankaart aangegeven. In de regels is bepaald dat, daar waar de aanwijzing 'bijzondere boom' voorkomt, de afstand van bebouwing tot het hart van de boom ten minste 10 meter dient te bedragen; onder voorwaarden kan het bevoegd gezag afwijken van de bouwregels voor het verkleinen van deze afstand tot 5 meter. Ter verdere bescherming van de bomen is een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van 5 meter uit het hart van de als monumentale boom aangeduide boom slechts toegestaan indien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend.
Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het
omgevingsplan.
Het voorontwerp is nog niet toegezonden. De provincie heeft aangegeven dat bij een provinciaal voorafgaan een tervisielegging ontwerp moet worden toegezonden. Bij dit plan spelen geen provinciale belangen. Er worden wat dit betreft geen belemmeringen verwacht.
Dit omgevingsplan voorziet in de realisatiemogelijkheid van een stadslandgoed bij een hotel in Apeldoorn.
Het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan, wordt bekostigd door de gemeente. De initiatiefnemer neemt de kosten van het onderzoek voor rekening en de kosten voor de realisatie. Daarnaast worden de gemeentelijke kosten verhaald door middel van een anterieure overeenkomst.
De economische haalbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd.
In het kader van dit initiatief heeft een participatie avond plaatsgevonden. Het verslag hiervan is opgenomen in Bijlage 16. Uit het verslag blijkt dat de omwonenden enkele vragen hebben gesteld bij het plan. Uit de avond zijn geen expliciete bezwaren tegen het plan naar voren gekomen. Ook bleek dat een aantal omwonenden het plan beschouwen als een goed plan.
Het omgevingsplan wordt gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. In deze periode heeft eenieder de gelegenheid een zienswijze in te dienen.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Omgevingswet). Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving.
De gemeente kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan bereiken door:
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren.
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld.
In paragraaf 7.1 wordt gemotiveerd dat gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin komt de afweging van alle betrokken belangen tot uitdrukking. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6).
De wijziging van het Omgevingsplan Apeldoorn waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl en is er geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0 e van het Bkl.
De planwijziging is in lijn met het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving. De ontwikkeling is, in paragraaf 3.4, getoetst aan de volgende beleidsstukken:
In deze beleidsstukken zijn geen belemmeringen tegengekomen voor deze ontwikkeling, waardoor het voldoet aan de betreffende beleidsstukken.
Bij het toedelen van functies aan locaties is rekening gehouden met de instructieregels, dit staat uitgewerkt in . Hieronder staan de instructieregels waar rekening mee gehouden zijn:
Waarborgen van de veiligheid
Planspecfiek
Er liggen enige risicovolle installaties in het plangebied, maar deze risico's zijn verantwoord door middel van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiermee ligt de ontwikkeling in lijn met de instructieregels en vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Beschermen van de waterbelangen
Planspecifiek
Voor de ontwikkeling is de digitale watertoets ingevuld, zie Hieruit is het advies gekomen dat de ontwikkelingen in het plangebied geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale waterhuishouding. De waterhuishouding vormt hiermee geen verdere belemmering voor het initiatief.
Beschermen van de gezondheid en van het milieu
Planspecifiek
Op basis van de onderzoeksresultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek kan worden gesteld dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Daardoor voldoet deze ontwikkeling aan deze instructieregels.
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Planspecifiek
Het initiatief betreft de realisatie van een landgoed. Deze ontwikkeling is vrij ingrijpend, maar het behoefte-onderzoek in Bijlage 2 toont aan dat deze ontwikkeling wenselijk is. Hiermee voldoet het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het Omgevingsplan Apeldoorn is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. De handhaafbaarheid van een omgevingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.
Vertaling naar omgevingsplanregeling
Het strikt handhaven van vergunningen, regels en procedures geeft duidelijkheid en maakt de samenleving veiliger. Het gedogen moet worden tegengegaan. Overbodige regels en onduidelijke regelgeving zijn daarom getracht zoveel mogelijk achterwege te laten. De regels zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.