direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0024-ont1

REGELS

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Landgoedlaan 26 Apeldoorn en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22w) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Het besluit waarmee dit plan wordt vastgesteld zorgt ervoor dat er een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22w) wordt opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn Om te zorgen dat dit besluit ook gelezen kan worden als een hoofdstuk in het omgevingsplan, gelden de volgende aanwijzingen.

  • 1. De 'hoofdstukken' die zijn opgenomen in dit besluit moeten worden gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn.
  • 2. In de kop van de artikelen in dit besluit moet steeds na het woord 'Artikel' (na de spatie en direct voor het artikelnummer) '22w' worden gelezen.
  • 3. In de kop van de bijlagen in dit besluit moet na het woord 'Bijlage' (na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage) '22w' worden gelezen.

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Algemene begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan."

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan gelden de volgende aanvullende begripsbepalingen:

2.1 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26 met identificatienummer NL.IMRO.0200.tam0024-ont1 van de gemeente Apeldoorn.

2.2 aan- of uitbouw

een aan een woning toegevoegd visueel ondergeschikt bouwdeel, waarin woonfuncties zijn toegestaan;

2.3 achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

2.4 AHN2-maaiveld

de maaiveldhoogte die is vastgelegd in het Actueel Hoogtebestand Nederland 2;

2.5 ander werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;

2.6 antennedrager

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;

2.7 antenne-installatie

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

2.8 bebouwing

eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnd;

2.9 bedrijfswoning

een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer van en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting;

2.10 beroepsuitoefening aan huis

een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat in een woning of bedrijfswoning (inclusief bijgebouwen) wordt uitgeoefend, waarbij de (bedrijfs)woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.11 bestaand
  • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
2.12 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.13 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen;

2.14 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.15 bruto vloeroppervlakte

de gezamenlijke vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels, horeca of andere bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnruimte en overige dienstruimten;

2.16 bijgebouw

een niet voor bewoning bestemd gebouw, dat ten dienste staat van en in bouwmassa ondergeschikt is aan de woning, waaronder in ieder geval begrepen een huishoudelijke bergruimte, garage of hobbyruimte;

2.17 bijzondere boom

een als zodanig aangeduide boom, die is vermeld op de krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening vastgestelde lijst van bijzondere bomen;

2.18 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop of verhuur, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen en diensten aan degenen die deze goederen en diensten kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.19 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;

2.20 evenementen

periodieke en/of incidentele manifestaties zoals sportmanifestaties, concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, tentoonstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten. Onder evenementen worden in ieder geval niet begrepen activiteiten die zijn gericht op verkoop uit grote partijen met een beperkt assortiment door één of enkele aanbieders;

2.21 folly

een bedoeld ter verfraaiing, als blikvanger of oriëntatiepunt, niet noodzakelijkerwijs functioneel van aard;

2.22 gebouw

Elk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.23 groepsaccommodatie

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat niet voor permanente bewoning bestemd is en dat gedurende het hele jaar gebruikt wordt voor recreatief nachtverblijf door wisselende groepen personen;

2.24 hoofdgebouw

een gebouw dat op een kavel door zijn ligging, constructie, afmetingen of functie als belangrijkste valt aan te merken;

2.25 hotel

een bedrijf, gericht op het verstrekken van logies, met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen;

2.26 kantoor

een (deel van een) gebouw dat door aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard;

2.27 kavel

de bij een bestaand of te realiseren hoofdgebouw behorende gronden, samenvallend met de eigendomsgrens of met de grens van het gehuurde;

2.28 landgoedwinkel

streekwinkel waar hoofdzakelijk verschillende lokaal geteelde of gekweekte voedselproducten worden verkocht;

2.29 nutsvoorziening

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en electriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse leidingen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;

2.30 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

2.31 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;

2.32 peil

het gemiddelde afgewerkte bouwterrein dat aansluit aan de naar de weg dan wel openbare ruimte gekeerde gevel;

2.33 permanente bewoning

gebruik als woonadres als bedoeld in de Wet basisregistratie personen, waaronder wordt verstaan:

  • a. het gebruik als woning door een zelfde persoon, (deel van) een gezin of samenwoning op een wijze die ingevolge het in de Wet basisregistratie personen bepaalde leidt tot inschrijving in de basisregistratie personen van de gemeente, en/of;
  • b. het in de periode van 1 november tot 15 maart meer dan 70 maal ter plaatse nachtverblijf houden, terwijl betrokkene niet elders daadwerkelijk over een woonadres beschikt;
2.34 trekkershut

een gebouw zonder sanitaire voorzieningen, geen woonkeet en geen stacaravan of een ander bouwwerk op wielen zijnde, dat niet voor permanente bewoning bestemd is en dat gedurende het hele jaar gebruikt wordt voor verblijfsrecreatie;

2.35 verblijfsgebied

gebied bedoeld voor verblijf, waartoe in ieder geval (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, water, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en hondenuitlaatplaatsen worden gerekend;

2.36 verblijfsrecreatie

recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen, trekkershutten recreatiewoningen, groepsaccommodaties en/of stacaravans;

2.37 voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

2.38 werkingsgebied

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.39 winkel

een (deel van een) gebouw dat blijkens aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor de uitoefening van detailhandel en/of het verlenen van diensten, waaronder mede worden begrepen videotheken, kapsalons en buffetverkoop. Tot de winkel worden de voor publiek toegankelijke ruimte alsmede de bijbehorende magazijnruimte, kantoren en overige dienstruimten begrepen;

2.40 woning

een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen;

2.41 zakelijke dienstverlening

Kantoor met baliefunctie ten behoeve van publieksgerichte commerciële en/of maatschappelijke dienstverlening;

2.42 zonnecollector

een ten behoeve van de opvang van zonne-energie;

Artikel 3 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.

Artikel 4 Meet - en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in dit artikel 4.

4.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.3 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.4 het bebouwingspercentage

De in procenten uitgedrukte verhouding van de oppervlakte van de bebouwing in een bouwvlak tot de oppervlakte van dat bouwvlak, per kavel gemeten.

4.5 de vloeroppervlakte

Tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren, met dien verstande dat vloeroppervlakte waarboven minder dan 1,50 meter bouwhoogte aanwezig is hierbij buiten beschouwing wordt gelaten.

4.6 de inhoud van een bouwwerk

Boven peil tussen de buitenwerkse gevelvlakken, dakvlakken en harten van scheidsmuren.

4.7 de bodemingreep

De oppervlakte van de bodem die daadwerkelijk is afgegraven dan wel wordt afgegraven bij de uitvoering van een verleende omgevingsvergunning.

4.8 de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Artikel 5 Toepassingsbereikbepaling

5.1 Toepassingsbereik
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k ,l , of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid, tenzij onder 2 anders is bepaald.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels die zijn opgenomen in de volgende besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet (het voormalige bestemmingsplan), gaan voor op de regels in dit TAM-omgevingsplan:
    • a. Parapluherziening parkeren, van de gemeente Apeldoorn, vastgesteld op 21-03-2019 met identificatienummer NL.IMRO.0200.bp1349-vas1;
    • b. TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden, van de gemeente Apeldoorn, vastgesteld op 04-04-2024 met identificatienummer: NL.IMRO.0200.tamvb001-vas1;
    • c. Voorbereidingsbesluit Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten, van de gemeente Apeldoorn, vastgesteld op 11-05-2023 met identificatienummer: NL.IMRO.0200.vb1025-vas1.
5.2 Geometrische toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0200.tam0024- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN

Artikel 6 Bos

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Bos.

6.2 Functieomschrijving

Een als Bos aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende activiteiten:

  • a. bos, struikgewas, hakhout en afschermende groenbeplanting;
  • b. behoud, bescherming en versterking van het bos met de aldaar voorkomende landschaps- of natuurwaarden.
6.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 6.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. fiets-, voet- en ruiterpaden;
  • b. in- en uitritten;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. bouwwerken.
6.4 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte is niet hoger dan 2,50 m, met dien verstande dat van de bouwhoogtebepaling bruggen zijn uitgezonderd;
  • b. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • c. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.

6.5 Maatwerkvoorschriften omvang en situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften opnemen voor de omvang en situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover dit noodzakelijk is voor:

  • a. de bescherming van het bos.
6.6 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden
6.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;
  • b. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;
  • c. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;
  • d. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;
  • e. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.
6.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 6.6.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
6.6.3 Beoordelingsregels

Werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in dit lid zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen het bos niet onevenredig wordt of kan worden aangetast.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen.

7.2 Functieomschrijving

Op een als Groen aangewezen locatie zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. groen;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. hondenuitlaatplaatsen.
  • d. extensief grondgebonden agrarisch medegebruik;
  • e. in- en uitritten.
7.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 7.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. dierenweide, ter plaatse van de locatie 'Specifieke vorm van groen - dierenweide';
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. voorzieningen voor de waterhuishouding;

7.4 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen en ballenvangers is niet hoger dan 4 m,
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet hoger dan 2,50 m, met dien verstande dat van de bouwhoogtebepaling bruggen zijn uitgezonderd;
  • c. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • d. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
7.5 Afwijken maximale hoogte speel- en klimtoestellen en ballenvangers
7.5.1 Vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mag de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen worden verhoogd naar maximaal 6 m.

7.5.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 7.5.1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd; en
  • b. dit voor de omringende woningen geen onevenredige hinder oplevert.
7.6 Maatwerkvoorschriften omvang en situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften opnemen voor de omvang en situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover dit noodzakelijk is voor:

  • a. verkeersveiligheid;
  • b. het in het plan beoogde straatbeeld;
  • c. de bescherming van het openbaar groen

Artikel 8 Horeca

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Horeca.

8.2 Functieomschrijving

Op de locaties aangewezen als Horeca zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van horeca - hotel' is toegestaan:
    • 1. een hotel met maximaal 197 kamers;
    • 2. een conferentiecentrum tot een maximum van in totaal 2.500 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo);
    • 3. een restaurant tot een maximum van in totaal 1.000 m2 bruto vloeroppervlakte;
  • b. ter plaatse van de locatie 'Specifieke vorm van horeca - extended stay' zijn verblijven toegestaan die een langer verblijf faciliteren tot maximaal 3 maanden;
  • c. een landgoedwinkel en een theeschenkerij, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'Specifieke vorm van horeca - landgoedwinkel'.
8.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 8.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. in- en uitritten;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. tuin en/of erf;
  • f. voorzieningen voor de waterhuishouding.
8.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen gebouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a. het aangevraagde gebouw is gelegen binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de goothoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - hotel' zijn max 2 hoogteaccenten toegestaan mdvd de hoogteaccenten een max oppervlakte bevat van 20% van het betreffende bouwvlak en de bouwhoogte daarvan ten hoogste 22,50 meter bedraagt;
  • e. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • f. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
8.5 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van tuinmeubilair is niet hoger dan 3 m;
  • b. de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen is niet hoger dan 4 m,
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen in voorerfgebied is niet hoger dan 1 m, en buiten het voorerfgebied niet hoger dan 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet hoger dan 2 m;
  • e. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • f. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.

8.6 Afwijken maximale hoogte speel- en klimtoestellen en ballenvangers
8.6.1 Vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mag de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen worden verhoogd naar maximaal 6 m.

8.6.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 8.6.1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd; en
  • b. dit voor de omringende woningen geen onevenredige hinder oplevert.

Artikel 9 Recreatie - Dagrecreatie

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Recreatie - Dagrecreatie.

9.2 Functieomschrijving

Een als Recreatie - Dagrecreatie aangewezen locatie mag gebruikt worden voor recreatie, niet zijnde verblijfsrecreatie.

9.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 9.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. sportvoorzieningen voor veldsporten gerelateerd aan verblijfsrecreatie.
9.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen gebouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen en bijgebouwen tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a. het aangevraagde gebouw is gelegen binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de goothoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • d. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • e. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
9.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen in voorerfgebied is niet hoger dan 1 m, en buiten het voorerfgebied niet hoger dan 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet hoger dan 6 m;
  • c. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • d. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
9.6 Afwijken maximale hoogte speel- en klimtoestellen en ballenvangers

9.6.1 Vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mag de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen worden verhoogd naar maximaal 6 m.

9.6.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 9.6.2 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd; en
  • b. dit voor de omringende woningen geen onevenredige hinder oplevert.

Artikel 10 Recreatie - Verblijfsrecreatie

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Recreatie - Verblijfsrecreatie.

10.2 Functieomschrijving

Een als Recreatie - Verblijfsrecreatie aangewezen locatie mag gebruikt worden voor groepsaccommodatie en bijbehorende ontvangstruimte.

10.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 10.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. nutsvoorzieningen.
10.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen gebouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen en bijgebouwen tevens de volgende beoordelingsregels:

  • a. het aangevraagde gebouw is gelegen binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de goothoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de op de kaart met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • d. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • e. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
10.5 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van tuinmeubilair is niet hoger dan 3 m;
  • b. de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen is niet hoger dan 4 m;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen in voorerfgebied is niet hoger dan 1 m, en buiten het voorerfgebied niet hoger dan 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet hoger dan 2 m;
  • e. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • f. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.

Artikel 11 Verkeer - Verblijfsgebied

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer - Verblijfsgebied.

11.2 Functieomschrijving

Een als Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende activiteiten:

  • a. verblijfsgebied;
  • b. wegen;
  • c. in- en uitritten.
11.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 11.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. verkeersvoorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. voorzieningen voor de waterhuishouding.
11.4 Algemene bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen is niet hoger dan 4 m,
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is niet hoger dan 1 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet hoger dan 2,50 m, met dien verstande dat van de bouwhoogtebepaling bruggen zijn uitgezonderd;
  • d. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 21;
  • e. er wordt voldaan aan de regels voor werkingsgebieden zoals opgenomen in Hoofdstuk 3.
11.5 Afwijken maximale hoogte speel- en klimtoestellen en ballenvangers
11.5.1 Vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mag de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen worden verhoogd naar maximaal 6 m.

11.5.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 11.5.1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd; en
  • b. dit voor de omringende woningen geen onevenredige hinder oplevert.

Artikel 12 Leiding - Gas

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Leiding - Gas.

12.2 Functieomschrijving en voorrangsbepaling

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die, naast de andere daar voorkomende functies, mede zijn aangewezen als Leiding - Gas' voor een ondergrondse gastransportleiding, waarbij de regels in dit artikel voorrang hebben op de regels van de daar voorkomende functie(s).

12.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen

Op de gronden als bedoeld in lid 12.1 mogen, in afwijking van de andere aldaar voorkomende functies, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leiding worden gebouwd. De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overeenkomstig andere aldaar voorkomende functies, wordt alleen verleend indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies bij de leidingbeheerder is ingewonnen.

12.4 Omgevingsvergunning werken geen gebouwen zijnde en werkzaamheden
12.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in dit artikel opgesomde werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. diepwortelende beplantingen of bomen te planten of te rooien;
  • b. heiwerkzaamheden uit te voeren of op een andere manier voorwerpen in te graven of in te drijven;
  • c. gronden te egaliseren, op te hogen of af te graven;
  • d. oppervlakteverhardingen aan te brengen;
  • e. goederen permanent op te slaan;
  • f. sloten, vijvers en andere wateren aan te leggen, te vergraven, te verruimen of te dempen.
12.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen in artikel 12.4.1 geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  • d. zijnde werkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
12.4.3 Beoordelingsregels

De onder artikel 12.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover:

  • a. geen schade ontstaat aan de gasleiding en/of het doelmatig functioneren van die leiding niet in gevaar wordt gebracht;
  • b. de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht;
  • c. vooraf schriftelijk advies van de leidingbeheerder is ingewonnen omtrent de vraag of door de ingreep de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht, alsmede omtrent eventueel aan de vergunning te verbinden voorwaarden.

Artikel 13 Leiding - Hoogspanningsverbinding

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.

13.2 Functieomschrijving en voorrangsbepaling

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die, naast de andere daar voorkomende functies, mede zijn aangewezen als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding, waarbij de regels in dit artikel voorrang hebben op de regels van de daar voorkomende functie(s).

13.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen

Op de gronden als bedoeld in lid 13.1 mogen, in afwijking van de andere aldaar voorkomende functies, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de hoogspanningsverbinding worden gebouwd. De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overeenkomstig andere aldaar voorkomende functies, wordt alleen verleend indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betreffende leiding en ter zake vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.

Artikel 14 Leiding - Riool

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Leiding - Riool'.

14.2 Functieomschrijving en voorrangsbepaling

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die, naast de andere daar voorkomende functies, mede zijn aangewezen als 'Leiding - Riool' voor een ondergrondse riooltransportleiding, waarbij de regels in dit artikel voorrang hebben op de regels van de daar voorkomende functie(s). .

14.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen

Op de gronden als bedoeld in lid 14.1 mogen, in afwijking van de andere aldaar voorkomende functies, uitsluitend bouwwerken ten dienste van de riooltransportleiding worden gebouwd. De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overeenkomstig andere aldaar voorkomende functies, wordt alleen verleend indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betreffende leiding en ter zake vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.

14.4 Omgevingsvergunning werken geen gebouwen zijnde en werkzaamheden
14.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in dit artikel opgesomde werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. diepwortelende beplantingen of bomen te planten;
  • b. heiwerkzaamheden uit te voeren of op een andere manier voorwerpen in te graven of in te drijven;
  • c. grondwerkzaamheden uit te voeren;
  • d. oppervlakteverhardingen aan te brengen.
14.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen in artikel 14.4.1 geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
14.4.3 Beoordelingsregels

Werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in 14.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien:

  • a. geen schade ontstaat aan de riooltransportleiding en/of het doelmatig functioneren van die leiding niet in gevaar wordt gebracht;
  • b. de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht;
  • c. hierover vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan.

Artikel 18 Overige zone - a-watergang

18.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'overige zone - a- watergang'

18.2 Functieomschrijving en voorrangsbepaling

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het instandhouden van de a-watergang, waarbij de regels in dit artikel voorrang hebben op de regels van de daar voorkomende functie(s).

18.3 Specifieke gebruiksregel

Het is verboden de gronden ter plaatse van de locatie 'overige zone - a-watergang' te gebruiken voor teelten die mest en bestrijdingsmiddelen gebruiken, met dien verstande dat bestaand gebruik mag worden voortgezet op een wijze die leidt tot het belemmeren van de tijdelijke berging van water. Overtreding van deze bepaling is een strafbaar feit.

18.4 Algemene bouwregels

Op de gronden als bedoeld in lid 18.1 mogen, in afwijking van de andere aldaar voorkomende functies, uitsluitend bouwwerken ten dienste van het beheer van de a-watergang worden opgericht. Zie tevens de algemene Keur van het Waterschap.

18.5 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 18.4 bepaalde ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de daar voorkomende bestemming(en), indien vooraf advies van de waterbeheerder is ingewonnen omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning het waterhuishoudkundig belang niet onevenredig wordt aangetast alsmede omtrent eventueel aan de vergunning te verbinden voorwaarden.

18.6 Maatwerkvoorschriften afmetingen en situering van bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de locatie 'A- watergang' maatwerkvoorschriften stellen omtrent de situering en afmetingen van bouwwerken in verband met het waarborgen van de waterbergende functie van gronden. Op het stellen van maatwerkvoorschriften zijn de in Artikel 23 opgenomen procedureregels van toepassing.

18.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag verleende omgevingsvergunning:

  • a. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;
  • b. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;
  • c. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;
  • d. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen.
18.7.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 18.7.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
18.7.3 Beoordelingsregels

Werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in dit lid zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de beek of spreng niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de beek of spreng niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 19 Overige zone - bijzondere boom

19.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'overige zone - bijzondere boom'.

19.2 Functieomschrijving en voorrangsbepaling

Ter plaatse van locatie 'overige zone - bijzondere boom' de zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van bijzondere bomen, waarbij de regels in dit artikel voorrang hebben op de regels van de daar voorkomende functie(s).

19.3 Algemene bouwregels

Ter plaatse van de locatie dient de afstand van tot het hart van de als zodanig aangewezen boom tenminste 10 meter te bedragen.

19.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het in lid bepaalde ten behoeve van het verkleinen van de genoemde afstand tot ten minste 5 meter uit het hart van de boom, mits dit geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom.

19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag verleende omgevingsvergunning binnen een afstand van 5 meter uit het hart van een 'overige zone - bijzondere boom':

  • a. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;
  • b. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;
  • c. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;
  • d. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;
  • e. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.
19.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 19.5.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  • c. als bedoeld in 19.5.1 sublid onder e, voor zover de Algemene Plaatselijke Verordening daarop van toepassing is.
19.5.3 Beoordelingsregels

Werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in dit lid zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de bijzondere boom niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die boom niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 20 Parkeervoorzieningen

20.1 Gebruiksregel

Als gebruik in strijd met de functie geldt het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren' zoals vastgesteld op 21 maart 2019, die is opgenomen in Bijlage 3 van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

20.2 Aanvullende beoordelingsregel voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • a. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 geldt voor het bouwen en/of uitbreiden van gebouwen tevens de beoordelingsregel dat bij de aanvraag wordt aangetoond dat in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren' zoals vastgesteld op 21 maart 2019, die is opgenomen in Bijlage 3 van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.
  • b. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a dienen na de realisering in stand te worden gehouden.
20.3 Omgevingsvergunning gebruik

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20.1 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren' van de gemeente Apeldoorn , die is opgenomen in Bijlage 3 van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

Artikel 21 Algemene bouwregels

21.1 Algemene regels

Voor bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van de functie;
  • b. daar waar volgens deze regels bebouwing is toegestaan, mag tevens ondergronds worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend zijn toegestaan ruimten die een functionele eenheid vormen met de ter plaatse toegestane functies, zoals (huishoudelijke) bergruimten, parkeerruimten en fietsenstallingen, alsmede fiets- en voetgangerstunnels.
  • c. ter plaatse van de op de weg c.q. de openbare ruimte georiënteerde gevel, is overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen toegestaan, waaronder in ieder geval begrepen een erker, luifel, balkon of bouwwerk ten behoeve van de hoofdingang, waarvan de diepte niet meer dan 1,20 meter en de bouwhoogte niet meer dan 3,50 meter bedraagt;
  • d. Daar waar in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen mogen bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, zowel binnen als buiten het bouwvlak, worden opgericht, met dien verstande dat indien het gebouwen betreft de inhoud niet meer dan 60 m3 en de goothoogte niet meer dan 4 meter bedraagt, en indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde betreft, de oppervlakte niet meer dan 10 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter bedraagt.
21.2 Afdekking van gebouwen
21.2.1 Afdekbepaling

Gebouwen waarvoor een aangegeven waarde voor maximum goothoogte en maximum bouwhoogte geldt, worden vanaf de aangegeven goothoogte afgedekt met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet meer bedraagt dan 60 graden, met dien verstande dat:

  • a. tussen de toegestane (denkbeeldige) dakvlakken met een helling van 60 graden en de voorgeschreven maximum goothoogte ook platte afdekkingen, dakvlakken met een helling van meer dan 60 graden en rechtopgaande gevelconstructies zijn toegestaan;
  • b. geringe overschrijding van de (denkbeeldige) 60 gradenlijn door gedeelten van ondergeschikte bouwdelen, waaronder in ieder geval begrepen schoorstenen en ondergeschikte dakkapellen, is toegestaan;
  • c. goten, druiplijnen, boeiborden en daarmee gelijk te stellen constructiedelen die boven de aangegeven goothoogte liggen, maar die zijn gelegen binnen de (denkbeeldige) dakvlakken als bedoeld onder a, zijn toegestaan.
21.2.2 Aanwezige afwijkende afdekking

Voor zover een (deel van een) gebouw op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoet aan de onder 21.2.1 voorgeschreven afdekking geldt de dan aanwezige afdekking, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel.

Artikel 22 Afwijking van algemene bouwregels

22.1 Vergunningplicht - diverse bouwwerken

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, rioolgemalen, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden, niet voor bewoning bestemde gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde van openbaar nut, wordt verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. het bouwwerk kan in redelijkheid niet worden ondergebracht in nabij gelegen bebouwing;
  • b. indien het gebouwen betreft, is de inhoud maximaal 60m³ en de goothoogte maximaal 3 meter, van deze maximale inhoud zijn uitgezonderd riool-overstortkelders en rioolgemalen;
  • c. in het bouwwerken geen gebouwen betreft, is de oppervlakte maximaal 10 m² en de bouwhoogte maximaal 4 meter, van deze maximale bouwhoogte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken en ontluchtingspijpen en van deze maximale oppervlakte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken;
  • d. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • e. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.2 Vergunningplicht - afdekbepaling

Een omgevingsvergunning ten behoeve van het afwijken van de regels gesteld in artikel 21.2 wordt verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de afwijking doet geen onevenredige afbreuk aan de stedenbouwkundige en/of landschappelijke kwaliteit zoals door het aangeven van een goothoogte en/of bouwhoogte is beoogd.
22.3 Vergunningplicht - antenne-installaties

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het afwijken van de bouwhoogte van antenne-installaties, wordt ook verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de bouwhoogte is maximaal 40 meter;
  • b. de aangevraagde bouwhoogte noodzakelijk is in verband met het beoogde gebruik.
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd, wordt niet onevenredig aangetast;
  • d. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.4 Vergunningplicht - uitmeting terrein

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het afwijken van de functiegrenzen, bouwgrenzen, locatiegrenzen en overige locaties in het horizontale vlak, wordt ook verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

  • a. afwijking is noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.5 Vergunningplicht - doelmatig gebruik

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het afwijken van bouwgrenzen, locatiegrenzen en overige locaties, wordt ook verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. afwijken is noodzakelijk uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en bebouwing;
  • b. de afwijking bedraagt maximaal 10 meter ten opzichte van hetgeen is aangegeven in het plan;
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • d. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.6 Vergunningplicht - 10%

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het afwijken van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, locatiegrenzen, bouwhoogte van bouwwerken, oppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, dieptes, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met overschrijding van de bouwgrens, wordt ook verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de afwijkingen bedragen maximaal 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.7 Vergunningplicht - jeugd-ontmoetingsplaatsen

Een omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 ten behoeve van het plaatsen van jeugd-ontmoetingsplekken waarbij de oppervlakte maximaal 20m² en de bouwhoogte maximaal 4 meter is wordt ook verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast; en
  • b. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.

Hoofdstuk 4 ALGEMENE PROCEDUREREGELS

Artikel 23 Maatwerkvoorschriften

Een beslissing omtrent het stellen van maatwerkvoorschriften zoals opgenomen in 18.6 wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het voornemen tot het stellen van nadere eisen en in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen tegen die voorgenomen nadere eisen bij burgemeester en wethouders in te dienen.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 24 Overgangsrecht

24.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bedoelde sub lid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Sub lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
24.2 Overgangsrecht overige activiteiten
  • a. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22w':
    • 1. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
    • 2. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • b. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22w' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • c. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22w' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
  • d. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van dit 'TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22w' krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1 en 3 t/m 5 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.

Artikel 25 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'Hoofdstuk 22w TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Landgoedlaan 26'