direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Landgoed Het Esse Lieren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1488-vas2

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Landgoed Het Esse Lieren

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

De eigenaar van het perceel Kanaal Zuid 378 in Lieren heeft het voornemen ter plaatse van het genoemde perceel een landgoed te realiseren. De bebouwing op het landgoed krijgt een functie als ontmoetingslandgoed. De ontmoetingen zijn primair gericht op vergaderen, trainingen en cursussen, waarbij overnachtingen t.b.v. cursussen tot de mogelijkheden behoren. Centraal staan daarom gebouwen.

In ruil voor de ontwikkeling van dit landgoed wordt een bouwmogelijkheid voor een woning ten zuiden van dit perceel verwijderd. In het plangebied was een agrarisch bedrijf gevestigd. Alle bebouwing van dit voormalige agrarische bedrijf wordt verwijderd.

De voorgenomen realisatie van het landgoed is niet geregeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Stuwwalrand Parkzone zuid'. Om deze reden is het noodzakelijk het bestemmingsplan ter plaatse te herzien.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied betreft het perceel Kanaal Zuid 378 in Lieren. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Apeldoorn tussen de kernen Lieren, Klarenbeek en Loenen in. De rijksweg A50 ligt op ongeveer 1 kilometer afstand van het plangebied.

Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0001.png"

Ligging plangebied Kanaal Zuid 378 in gemeente Apeldoorn

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0002.png"

Begrenzing initiatief Kanaal Zuid 378 Lieren

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Stuwwalrand Parkzone zuid', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 april 2001. Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch met Landschapswaarden'. In deze bestemming is het toegestaan een agrarisch bedrijf uit te oefenen en is er ruimte voor het versterken van landschappelijke waarden ter plaatse. Op het perceel is een klein agrarisch bedrijf toegestaan. Bij een dergelijk bedrijf mag maximaal 2.500 m2 aan bebouwing gerealiseerd worden.

Ter plaatse van het meest zuidelijk gelegen perceeltje geldt het bestemmingsplan 'Albaplas en omgeving Lieren'. Ter plaatse van dit perceeltje geldt de enkelbestemming 'Natuur' met daarop een bouwvlak.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan ter plaatse weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone zuid. Plangebied rood omlijnd

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

In Hoofdstuk 2 wordt het beleidskader beschreven. In Hoofdstuk 3 worden de bestaande en nieuwe situatie beschreven, en in Hoofdstuk 4 worden de planologische aspecten beschreven. De juridische planopzet wordt in Hoofdstuk 5 uitgelegd en Hoofdstuk 6 beschrijft de inspraak en het vooroverleg.

Hoofdstuk 2 BELEIDSKADER

2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie.

Bij prioriteit 2 wordt aangegeven dat de ambitie voor de lange termijn is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Er wordt daarbij ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. Nieuwvestiging van toerisme vindt bij voorkeur plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet.

Bij prioriteit 3 word beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

Bij prioriteit 4 wordt ingegaan op het belang van natuurlijke systemen en het landschap. In sommige regio's staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil. Als we het waterpeil omhoog brengen, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd willen we de kwaliteiten van het landschap graag behouden om te kunnen recreëren en ook vanwege ons cultureel erfgoed.

Conclusie
Dit initiatief voorziet in de realisatie van een landgoed in het buitengebied van Apeldoorn. De Novi gaat niet in op het plangebied of op dit initiatief. Het initiatief is daarmee in lijn en niet strijdig met de Novi.

2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0004.png"

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

Conclusie
Dit bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader voor de realisatie van een landgoed op de Veluwe. Deze ontwikkeling past binnen de provinciale belangen in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. Op 15 december 2021 is het Actualisatieplan 8 Omgevingsverordening vastgesteld.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

Ontwikkeling in Nationaal landschap
Het plangebied is aangemerkt als Nationaal landschap buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuw Hollandse Waterlinie. Hiervoor is artikel 2.56 van toepassing uit de Omgevingsverordening. In dit artikel is opgenomen dat bestemmingsplannen ter plaatse van het aangemerkte gebied enkel ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van de nationale landschappen ter plaatse niet aantasten

Voor het plangebied is een inrichtingsplan opgesteld, zie Bijlage 1. De inrichting van het terrein wordt conform dit plan gerealiseerd. Hiermee wordt geborgd dat de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Veluwe niet worden aangetast. De uitvoering van het ontwerp- en beheerplan in het bestemmingsplan geborgd.

De locatie van Kanaal Zuid 378 ligt binnen het Nationaal Landschap Veluwe en valt onder deelgebied 'M - Wiggen Oost Veluwe'


De kernkwaliteiten van dit deelgebied betreffen:

  • Beleefbaar deel van de gradiënt van Veluwe naar IJssel
  • Fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van weide en akkerland, uitlopers van bossen van de Veluwe, bosschages
  • Diversiteit aan bebouwingsvormen: dorpen langs de straatweg, buurtschappen, linten en verspreid
  • De flank wordt doorsneden door talrijke west-oost stromende sprengen en beken
  • Openheid van gave essen en veen- en broekontginningen
  • Rijk cultuurhistorisch erfgoed, zoals de sprengen, watermolens, waardevolle open essen, landgoederen


De ontwikkeling van het landgoed versterkt met name de tweede kernkwaliteit. De invulling van het landgoed zet het agrarisch grondgebruik om in een prachtig kleinschalig landgoed, waarbij de kamerstructuur van het landschap wordt versterkt. Langs de bestaande wegen en over bestaande kavelstructuren worden de lanen hersteld en worden houtwallen toegevoegd met inheemse soorten. De grote agrarische kavel wordt daarmee opgedeeld in grotere en kleinere ruimtelijke kamers.


Door de kernkwaliteit diversiteit aan bebouwingsvormen past de bijzondere opzet van de bebouwing op het landgoed prima bij deze kernkwaliteit.

Voor het overige gelden ter plaatse van het plangebied regels met betrekking tot de vestiging van agrarische bedrijven en glastuinbouw bedrijven. Aangezien dit initiatief niet voorziet in een dergelijke ontwikkeling zijn de regels hiervoor niet van toepassing op dit initiatief.

Conclusie
Dit initiatief draagt bij aan de versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland

2.4 Omgevingsvisie Apeldoorn

De Omgevingsvisie Apeldoorn, vastgesteld in februari 2022, geeft de visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente weer voor de langere termijn.Met vier samenhangende opgaven wil Apeldoorn de toekomst tegemoet gaan en nóg aantrekkelijker worden.

Allereerst gaan we ‘stadmaken’ en ‘vitale dorpen en buitengebied’ realiseren. Door nieuwe woon- en werkmilieus toe te voegen voor het Apeldoorn van 2040. Hiervoor benutten we de bestaande stad vooral langs het kanaal en rond het centrum.

We willen meer duurzame energie opwekken. In de stad zelf, maar ook gebundeld en goed ingepast in het landschap er omheen. We stimuleren elektrisch vervoer en maken overstapplekken van de auto naar openbaar vervoer en fiets. De dorpen houden we vitaal door wonen, lokale bedrijven en voorzieningen handig te combineren.

Groei van de stad biedt tegelijk kansen om het fysieke fundament én het sociale fundament te versterken. Met fysiek bedoelen we de bodem, waarop de stad is gegroeid; ons natuurlijk systeem van water en groen én ons erfgoed. Daarom werken we aan de Groene Mal - groene vingers en waterlopen - die stad en buitengebied verbindt. Ons sociaal fundament ondersteunen we door te bouwen aan een inclusieve stad. We zijn een hechte gemeenschap; niet alleen in de dorpen en buurtschappen maar ook in de stad. Dat willen we graag zo houden. Dit sociale karakter komt verder tot bloei in wijken en dorpen met een gezonde, groene buitenruimte.

De grote hoofdopgaven realiseren we in een zestal gebieden: de binnenstad, de spoorzone rond het centraal station, de kanaalzone, stadsrand-zuid langs de A1, stadsrand-noord langs de Oost-Veluweweg en het kanaal en Uddel. Nieuw programma gaat samen op met versterken van onze groene kwaliteiten en ondersteunen van onze sociale samenhang. Zo bouwen we logisch voort op de bestaande stad; op de infrastructuur, het groen en de voorzieningen.

Planspecifiek en conclusie
Dit initiatief voorziet in de realisatie van een landgoed in het buitengebied van Apeldoorn. De omgevingsvisie doet geen specifieke uitspraken over dit initiatief of het plangebied. Het initiatief draagt bij aan de versterking van landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse. In dat kader is het initiatief in lijn met de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3 BESTAANDE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE

3.1 Bestaande situatie

Ter plaatse van het plangebied Kanaal Zuid 378 is op het moment een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. Bij dit voormalige bedrijf is op het moment een gebouw aanwezig welke gebruikt wordt als woning. Deze ligt in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. Op het perceel is een aantal paarden aanwezig. Deze paarden lopen in de weilanden naast de gebouwen. De paarden verblijven in een schuur naast de woning. De overige gronden op het perceel hebben op het moment ook een agrarische functie.

Het plangebied wordt aan de zuid- en de oostzijde omsloten door de wegen Kanaal Zuid en de Albaweg. Langs deze wegen zijn bomenrijen aanwezig waardoor het plangebied wordt afgekaderd. Aan de zuidzijde van het plangebied aan de overzijde van de Albaweg is de Albaplas aanwezig. De noord- en westzijde worden omsloten door de Strooiselweg. Op de meest noordelijk gelegen hoek is een burgerwoning aanwezig. Deze woning maakt geen deel uit van de voorgenomen ontwikkeling.

Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele beelden van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0005.png"

Woning Kanaal Zuid 378

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0006.png"

Plangebied gezien vanaf oostzijde

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0007.png"

Plangebied gezien vanaf noordzijde

3.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande bebouwing op het perceel Kanaal Zuid 378 te saneren en de gronden in te richten als landgoed. De bebouwing op het landgoed krijgt een functie als ontmoetingslandgoed. De ontmoetingen zijn primair gericht op vergaderen, trainingen en cursussen, waarbij overnachtingen t.b.v. cursussen tot de mogelijkheden behoren. De activiteiten op het perceel vinden met name plaats in en om de nieuwe bebouwing op het perceel. Op het landgoed wordt een bedrijfswoning gerealiseerd.

Daarnaast wordt het perceel voor een deel ingericht voor het (tijdelijk) stallen en rijden van paarden. Deze activiteiten met paarden vinden enkel plaats in het kader van de ontmoetingen, trainingen en cursussen op het landgoed. Er vinden geen zelfstandige manege activiteiten plaats op het perceel.

Bij de nieuwe bebouwing wordt een paardenstal gerealiseerd. Hierbij wordt een buitenrijbak gerealiseerd. Het noordelijke deel van het perceel wordt tevens ingericht als looppad voor paarden.

Bij het landgoed worden 50 parkeerplaatsen gerealiseerd. 27 hiervan zijn noodzakelijk op basis van het beleid. De parkeerbehoefte is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.

Ten westen van het landgoed wordt een burgerwoning gerealiseerd. Deze woning wordt gerealiseerd op basis van het functieveranderingsbeleid.

Het initiatief is op een goede landschappelijke manier ingepast die rekening houdt met de landschappelijke waarden en kernkwaliteiten.

Op onderstaande afbeelding is een plattegrond van de toekomstige situatie weergegeven. De inrichting van het perceel is nader uitgewerkt in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0008.png"

Toekomstige inrichting landgoed

Hoofdstuk 4 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Afweging
Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie. Binnen het plangebied wordt nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt waar mensen langer dan twee uur per dag verblijven. Deze bebouwing wordt gerealiseerd op plaatsen waar gevoelige bebouwing in de eerste instantie nog niet mogelijk was. Om deze reden is het noodzakelijke een onderzoek uit te voeren naar de bodemkwaliteit ter plaatse.

Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied het grondwater licht verontreinigd is. Deze verontreinigingen zijn te wijten aan verhoogde achtergrondconcentraties. Nader onderzoek naar de bodemkwaliteit kan in dit geval achterwege blijven.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit initiatief.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Afweging
Het plangebied is aan te merken als een rustig buitengebied waar geen sprake is van functiemenging. Een landgoed betreft geen gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. De ondergeschikte activiteiten op het landgoed zijn te splitsen in de volgende onderdelen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0009.png"

Voor de ondergeschikte activiteiten geldt een maximale milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m tot gevoelige functies. De dichtstbijzijnde gevoelige functies zijn de woningen gelegen aan de Strooiselweg, Albaweg en Kanaal Zuid. Aan de richtafstand van 50 m wordt voldaan. De dichtstbijzijnde woning ligt op circa 70 meter afstand van het initiatief. De woningen ondervinden geen hinder van het landgoed.

Op het landgoed wordt een bedrijfswoning gerealiseerd. Deze woning is vrijgesteld van de effecten van het eigen bedrijf. De te realiseren burgerwoning ligt op voldoende afstand (circa 80 meter) van de functies in categorie 3.1 en op 30 meter van de categorie 1 functies. In de omgeving zijn geen inrichtingen met een milieuzonering aanwezig. De woningen ondervinden geen belemmering van en zijn niet belemmerend voor milieuzoneringen.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

Afweging
Een landgoed betreft geen geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. De bedrijfswoning en burgerwoning zijn echter wel een gevoelige functie in het kader van geluidhinder. Onderzoek naar wegverkeerslawaai is om deze reden noodzakelijk. In Bijlage 3 is het akoestisch onderzoek opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de (bedrijfs-) woningen niet wordt overschreden. Maatregelen in het kader van geluid zijn niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor dit initiatief.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel
Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Afweging
Het initiatief betreft de realisatie van een landgoed. De realisatie van dit initiatief voorziet in een verkeersgeneratie ter plaatse wat mogelijk leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. In dit kader is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van dit initiatief op de luchtkwaliteit. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de realisatie van het initiatief geen significant (niet in betekenende mate) effect heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek kan achterwege blijven.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn
In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Afweging
Het initiatief voorziet in de realisatie van een landgoed waarin onder andere de volgende gevoelige functies worden gerealiseerd: recreatieverblijven, een ontmoetingsruimte en twee woningen. Dit initiatief dient afgewogen te worden in het kader van de externe veiligheid. Het is een nieuw kwetsbaar object (conform artikel 1, lid 1 sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen).

De volgende figuur geeft een overzicht van het plangebied in relatie tot de risicobronnen in en nabij het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0010.png"

Uitsnede risicokaart. Plangebied paars omlijnd

Op de risicokaart is te zien dat in de nabijheid van het plangebied zich verschillende inrichtingen van gevaarlijke stoffen bevinden. Het gaat hier om een aantal campings en om een gasflessendepot. Daarnaast ligt de A50 in de buurt van het plangebied, welke als transportroute is aangemerkt. De risicocontouren van deze inrichtingen reiken niet tot in het plangebied.

In de nabijheid van de verblijfsrecreatie bevindt zich de A50 waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Hiervoor is een veiligheidszone van 11 meter vastgesteld. Het landgoed bevindt zich niet binnen deze zone. Ook ligt het landgoed buiten het invloedsgebied van de A50, dit is een zone van 880 meter. Binnen dit invloedsgebied worden echter beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Om deze reden hoeft geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld.

Nader onderzoek en een motivering van het groepsrisico kan om deze reden achterwege blijven.

De weg Kanaal Zuid is ook aangemerkt als mobiele risicobron. De weg is echter niet voorzien van veiligheidscontouren. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Algemeen
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Dit bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader voor de realisatie van een landgoed. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De totale oppervlakte van het landgoed betreft echter geen oppervlakte van 100 hectare of meer en blijft daarmee ver onder de drempelwaarde. In onderhavig plan kan aldus worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

Afweging en conclusie
Zoals beschreven in de voorafgaande alinea's kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het is daarom niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.2 Waterhuishouding

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.


Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

4.2.1 Nationale regelgeving en beleid


Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan 2016-2021

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. De deltabeslissingen zoals verankerd in het vorige nationale waterplan (2009-2015) zijn opgenomen in dit NWP2 voor de komende periode.


Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.


Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • 1.
    1. vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • 2.
    2. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • 1.
    1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • 2.
    2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
4.2.2 Provinciale regelgeving en beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland.


Eén van de ambities uit de omgevingsvisie is klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Ten aanzien van dit aspect, wat een belangrijk dwarsverband kent met het omgaan met water in ruimtelijke plannen zegt de omgevingsvisie het volgende:


"Overtollig water moet zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. Wij werken hier vooral aan vanuit onze betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houden daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed vangen we water op en houden het voor langere tijd vast in onze beken. En: we zorgen voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor onze Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier."


Verder is, onder andere, vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.


Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

4.2.3 Waterschapsbeleid

In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1.
    1. Waardevolle leefomgeving
    2. Klimaatverandering
    3. Energietransitie
    4. Circulaire economie
    5. Biodiversiteit


Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.


Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

4.2.4 Gemeentelijk beleid


Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.


Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.


Uitgangspunten bestemmingsplan

  • 1. Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
  • 2. Afkoppelen / niet aansluiten van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • 3. Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.)
  • 4. Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • 5. Grondwaterneutraal bouwen.
4.2.5 Watertoets

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.

4.2.6 Afweging

Op 31 augustust 2021 is de digitale watertoets voor dit plan ingevuld via www.dewatertoets.nl. Deze watertoets is als bijlage opgenomen bij dit plan in Bijlage 5.

Het plangebied raakt enkele beschermingszones en is van dusdanige omvang dat niet volstaan kan worden met een korte procedure. De normale waterprocedure is van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan het waterschap. Het waterschap heeft niet op het ontwerpbestemmingsplan gereageerd.

4.3 Natuurwaarden

4.3.1 Wettelijk kader en beleid
4.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

4.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming
Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming
De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortenbescherming
De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden
Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Flora en fauna
In het kader van dit initiatief is een quickscan naar de aanwezigheid van ecologische waarden uitgevoerd. Deze quickscan is te vinden in Bijlage 6.

Uit het onderzoek blijkt dat voorafgaand aan de sloop van de woning nader onderzoek nodig is naar nest- en verblijfplaatsen van huismus, vleermuizen en steenmarter. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd als sloop van de woning aan de orde is, bijvoorbeeld in het kader van de aanvraag van een sloopvergunning.

Verder is bij uitvoering van het plan nader onderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marters en hazelworm op het erf. Aan de hand van dit onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd.

Vrijwel zeker blijft de bomenrij langs de Albaweg behouden. Indien hier echter bomen worden gekapt, is in het kader van de kap nader onderzoek nodig naar verblijfplaatsen of een vliegroute van vleermuizen in de bomen.

Gebiedsbescherming
Het initiatief wordt in de nabijheid van een stikstofgevoelig Natura-2000 gebied gerealiseerd: de Veluwe. In dit kader is een stikstofberekening met het programma Aerius uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 7. Uit de berekening blijkt dat het initiatief niet voorziet in een stikstofdepositie groter dan 0,00 in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Maatregelen zijn in dit kader niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect natuur vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan.

4.4 Duurzame verstedelijking

4.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Het initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hiervoor is een aparte notitie opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 8. Uit de notitie blijkt dat het initiatief in lijn is met de ladder voor duurzame verstedelijking. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.5 Archeologie

4.5.1 Beleid
4.5.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

4.5.1.2 Gemeentelijk beleid

De gemeenteraad heeft op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Ter plaatse gelden middelhoge archeologische verwachtingswaarden. Dit houdt in dat er bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 een onderzoeksverplichting geldt. Dit initiatief voorziet in een ontwikkeling groter dan 500 m2. Om deze reden is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

4.5.2 Onderzoeksresultaten

Econsultancy b.v. heeft archeologisch onderzoek naar het plangebied verricht, dat is vastgelegd in 'Archeologisch onderzoek Kanaal Zuid 378 te Lieren'. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 9.

Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief mogelijk voorziet in de verstoring van archeologische waarden. Om deze reden is vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt aangeleverd bij de bouwvergunningaanvraag.

4.6 Cultuurhistorie

4.6.1 Wettelijk kader en beleid
4.6.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

4.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

4.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

4.6.2 Onderzoeksresultaten

In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De landschappelijke cultuurhistorische waarden worden als gevolg van de ontwikkeling niet aangetast. Hier is tevens rekening mee te houden in het ontwerp- en beheerplan zoals opgenomen in Bijlage 1.

4.7 Verkeer en parkeren

4.7.1 Verkeer

In deze paragraaf wordt de verkeersgeneratie van het initiatief beschreven.

Dit initiatief betreft de realisatie van een landgoed in de vorm van een ontmoetingslandgoed, mede gericht op paardenliefhebbers. Daarbij wordt een woning gerealiseerd.

De verkeersgeneratie waarmee rekening is gehouden is gebaseerd op kentallen uit CROW publicatie 381: Toekomstbestendig parkeren. De volgende kentallen zijn gebruikt:

  • Ten behoeve van de woningen, vrijstaande woning: 9 verkeersbewegingen per woning.

Ten behoeve van de bijeenkomstruimte zijn geen kentallen opgenomen in de CROW publicatie. Om deze reden is er vanuit gegaan dat de noodzakelijke parkeerplaatsen ten behoeve van de bijeenkomstruimte per dag allemaal 1 keer bezet zijn. Totaal zijn er 27 parkeerplaatsen noodzakelijk bij het initiatief. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 27 auto's en daarmee in 54 verkeersbewegingen.

Bovenstaande leidt tot de volgende aantallen verkeersbewegingen:

  • Bijeenkomstruimte: 54 verkeersbewegingen
  • Woningen: 18 verkeersbewegingen;

Totaal zijn dit 72 verkeersbewegingen per etmaal. De motorvoertuigen komen naar het plangebied toe via de Albaweg, en vertrekken weer via de Strooiselweg aangezien de Albaweg een éénrichtingsweg is. De wegen kunnen op dagelijkse basis 1.000 verkeersbewegingen op een goede manier verwerken. Op basis van gegevens van de omgevingsdienst zijn er maximaal 250 verkeersbewegingen per dag op de bovengenoemde wegen. In de nabijheid van het plangebied is een golfbaan aanwezig. Worst case voorziet de golfbaan in 390 extra verkeersbewegingen. Totaal zijn er worst case in de huidige situatie 640 verkeersbewegingen. Met de ontwikkeling van het landgoed wordt totaal voorzien in 712 verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Daarmee is er nog ruimte over tot de 1.000 verkeersbewegingen capaciteit die de omliggende hebben. De omliggende wegen kunnen de extra verkeersbewegingen goed verwerken.

Het effect van de verkeersbewegingen op het geluid en het woon- en leefklimaat is uitgewerkt in paragraaf 4.1.4. In de toekomstige situatie blijft er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.7.2 Parkeren

Om parkeeroverlast te voorkomen is de ontwikkeling onderzocht op het aspect parkeren. In het gemeentelijke parkeerbeleid zijn echter geen parkeernormen opgenomen over de aantallen parkeerplaatsen bij landgoederen of groepsaccommodaties. Bij dit initiatief is de parkeerbehoefte gebaseerd op de bijeenkomstruimte, aangezien dit de hoofdfunctie op landgoed is. Voor de bijeenkomstruimte moet rekening gehouden worden met 11 parkeerplaatsen per 100 m2 oppervlak. Hierbij is uitgegaan van de CROW kentallen voor evenemtentenhallen/ congresgebouwen, aangezien er geen specifieke kentallen zijn voor landgoederen. In dit kader moeten er 27 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Totaal worden er op het landgoed 50 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Daarmee wordt ruim voldaan aan de parkeerbehoefte.

Bij de woningen dienen 3 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd te worden op basis van de CROW normen voor vrijstaande woningen. Deze parkeerplaatsen worden op het eigen terrein bij de woningen gerealiseerd.

4.8 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De realisatie van de aanleg van de begraafplaats vindt plaats in opdracht van de gemeente. Het opstellen van het bestemmingsplan, wordt bekostigd door de gemeente. De initiatiefnemer neemt de kosten van het onderzoek voor rekening en de kosten voor de realisatie. Daarnaast worden de gemeentelijke kosten verhaald door middel van een anterieure overeenkomst.

De economische haalbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd.

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planologische aspecten en hoofdstuk 3 geeft de gemeentelijke visie op het gebied weer. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Landgoed Het Esse Lieren biedt het juridisch-planologisch kader voor de realisatie van een landgoed. Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.3 Bestemmingen

De bestemming zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De gronden in dit bestemmingsplan zijn bestemd als volgt.

'Agrarisch'
Ten eerste kent een deel van de gronden van dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch'. Gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. De begrippen bij de regels lichten toe wat daaronder wordt gerekend:

"Een agrarisch bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruik wordt gemaakt van open grond, waaronder begrepen grondgebonden veehouderij."

Ook mogen de gronden worden gebruikt voor paardrijden. Ter plaatse voor de daarvoor opgenomen aanduidingen mogen de benodigde voorzieningen worden angelegd. Daarmee wordt voorzien in een deel van de gewenste ontwikkeling om ter plaatse paarden te houden en te rijden. Voor deze functie kunnen ook bouwwerken worden opgericht. De bouwregels bevatten hiervoor echter wel regels. Voor het overige is slechts weinig bebouwing toegestaan. Zo zijn gebouwen in deze bestemming niet toegestaan.

'Gemengd - Landgoed'
De tweede bestemming voorziet ook in het mogelijk maken van de geplande ontwikkeling van het gebied tot een ontmoetingslandgoed. De ontmoetingen zijn primair gericht op vergaderen, trainingen en cursussen, waarbij overnachtingen ten behoeve van cursussen tot de mogelijkheden behoren. Voor die functie geldt echter wel dat het deel horeca en het deel verblijfsrecreatie alleen zijn toegestaan als ondersteunende functies aan het recreatieve medegebruik. Verblijfsrecreatie die dus geen verband houdt met het recreatieve medegebruik (voornamelijk het paardrijden), en dus als zodanig zelfstandig opereert, is niet toegestaan. Om dit juridisch goed te borgen zijn in de bestemming en in de begrippen regels opgenomen over wat onder verblijfsrecreatie wordt gerekend en wanneer sprake is van een ondersteunende functie.

'Natuur'
Behalve bestemmingen ter plaatse van het landgoed, bevat het plangebied ook een perceel aan de zuidzijde van de Albaweg. Op die locatie wordt voorzien in de realisatie van natuur. Daarmee gaat ook gepaard dat een gebouw dat aanwezig is moet worden gesloopt. Meer hierover in subparagraaf 5.4.1 (Algemene regels). Voor het overige sluit de bestemming aan bij de systematiek van de gemeente Apeldoorn.

'Wonen'
Tot slot kent het bestemmingsplan ook de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming is opgenomen voor de reguliere woning aan de westelijke zijde van het plangebied. Behalve wonen is het ter plaatse ook toegestaan om een beroep aan huis en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten te ontplooien. Zoals ook bij de voorgaande bestemmingen sluit het toelaten van deze functies aan bij de systematiek elders in de gemeente Apeldoorn.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 8 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Sublid 8.1.1, sub h, bevat onder andere een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 9 staan de algemene gebruiksregels. In het artikel wordt beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. Zo is het gebruik van gronden strijdig indien de door de gemeente geformuleerde parkeernormen niet worden gevolgd. Ook bevat het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing.

Lid 9.1.1, sub h, bepaalt dat het gebruik van de gronden in dit plangebied niet is toegestaan indien men een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen op gronden met de bestemming 'Gemengd - Landgoed' dan wel 'Wonen' verkrijgt zonder dat uitvoering wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing zoals verwoord in het landschapsplan dat is opgenomen als Bijlage 2 (Inrichtingsplan Landgoed Het Esse). Indien 24 maanden na het onherroepelijk worden van de aangevraagde omgevingsvergunning geen uitvoering is gegeven aan dat landschapsplan, dan mogen de gronden in dit plangebied niet worden gebruikt.

In artikel 15 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 16 ten slotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 INSPRAAK EN OVERLEG

Het bestemmingsplan heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn drie zienswijzen op het plan ingediend. De zienswijzen, de reacties daarop en de wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen zijn opgenomen in Bijlage 10.

Daarnaast is het plan voorgelegd aan de provincie. Door middel van een overleg heeft deze afstemming plaatsgevonden. De provincie acht het plan niet in strijd met de uitgangspunten voor het nationaal landschap.

Totstandkoming plan

De initiatiefneemster van Landgoed 'Het Esse' is al enige jaren bezig met de planvorming. In het onderstaande wordt het proces beschreven hoe uiteindelijk tot het voorliggende plan is gekomen. Dit is beschreven aan de hand van de voorgaande plannen.

Plan 1

Het allereerste plan voor het landgoed was veel breder dan alleen op de locatie van het huidige plan. Mede vanwege de ligging van een deel van het plan in natuur(bestemming) is het bovenstaande plan als niet kansrijk beschouwd.

Op onderstaande afbeelding is het eerste plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0011.png"

Plan 1 Kanaal Zuid 378

Plan 2

De afkeuring van het eerste plan heeft geleid tot het tweede plan. In het tweede plan werd alleen in een ontwikkeling aan de noordzijde van de Albaweg voorzien, en vonden er geen ontwikkelingen in natuurgebieden plaats. Bij dit plan werd gebruik gemaakt van het volledige weiland. Ook dit plan werd als niet kansrijk gezien. Vanwege de ligging in Nationaal Landschap werd de volledige invulling van het weiland als ongewenst gezien. Van versterking van de kernkwaliteiten ter plaatse was met dit plan geen sprake. Om deze reden is dan ook geadviseerd om tot een clustering van het plan te komen om zo het weiland open te houden.

Op onderstaande afbeelding is het tweede plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0012.png"

Plan 2 Kanaal Zuid 378

Plan 3

Naar aanleiding van het advies voor plan 2 is in plan 3 de bebouwing grotendeels geclusterd aan de noordzijde van het weiland, de Strooiselweg, en de zuidzijde van het weiland, de Albaweg. In de groene binnenruimte staan her en der wat recreatieverblijven geprojecteerd. Dit plan werd als kansrijk beschouwd en op basis hiervan is ook een anterieur contract gesloten. Een belangrijk vereiste uit het anterieur contract is dat een informatiebijeenkomst met de buurt georganiseerd wordt. Bij een dergelijke bijeenkomst presenteert een initiatiefnemer het plan aan omwonenden. Op 22 oktober 2019 heeft deze informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Op enkele positieve reacties na, waren de reacties vanuit de buurt toch overwegend negatief over het plan. Om meer draagvlak voor het plan te creëren is op basis van de input van die avond en op basis van nadere overleggen met de buurt gekeken hoe het plan tegemoet kon komen aan de bezwaren. Eén van de belangrijkste punten van de buurt was om de ontwikkeling zoveel mogelijk in de oksel van het weiland te realiseren, ter plaatse van de voormalige boerderij op het perceel Kanaal Zuid 378 te Lieren.

Op onderstaande afbeelding is het derde plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0013.png"

Plan 3 Kanaal Zuid 378

Plan 4

Het vierde plan heeft gehoor gegeven aan de wens om de bebouwing zoveel mogelijk te centreren richting de zuidoostelijke oksel van het plangebied. Vanwege de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse is het plan niet helemaal in de oksel van het plangebied getekend, maar juist iets daarvoor.

Op onderstaande afbeelding is het vierde plan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0014.png"

Plan 4 Kanaal Zuid 378

Plan 5

In het definitieve inrichtingsplan is de bebouwing nog verder verplaatst naar de oksel van het plangebied met als doel invulling te geven aan de wens van de omwonenden de gebouwen zoveel mogelijk in de oksel te plaatsen. Deze versie van het inrichtingsplan houdt rekening met alle belangen die spelen in de buurt. Ook houdt het plan zoveel mogelijk rekening met de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse.

Op onderstaande afbeelding is het vijfde plan weergegeven. Het plan is tevens opgenomen in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1488-vas2_0015.png"