direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Zwolseweg 540 Wenum Wiesel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1466-ont1

TOELICHTING

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Zwolseweg 540 Wenum Wiesel

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Camping De Parelhoeve is gelegen aan de Zwolseweg 540 in Wenum Wiesel en is in 2019 in andere handen overgegaan. De nieuwe eigenaar van de camping heeft een plan ingediend om de traditionele camping te transformeren naar een kleinschalig eigentijds verblijfsrecreatieterrein met een hoog kwaliteitsniveau.
Het nieuwe plan voorziet in 33 recreatieverblijven, bestaande uit:

  • 14 kleine recreatiechalets;
  • 15 verplaatsbare recreatieverblijven (zo geheten movables);
  • 4 recreatiewoningen.

De aanwezige bedrijfswoning wordt van het recreatiepark afgezonderd en krijgt een reguliere woonbestemming.

1.2 Ligging en begrenzing

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0001.png"

Afbeelding - ligging plangebied (Zwolseweg 540)

Het plangebied, Camping De Parelhoeve, ligt in Wenum Wiesel aan de noordelijke rand van de stad Apeldoorn en aan de oostelijke rand van de Veluwe. De camping ligt aan de Zwolseweg en heeft daarmee een directe verbinding met Apeldoorn.

De plangrens van het plangebied wordt gevormd door de perceelsgrenzen van de camping. De plangrens wordt in navolgende afbeelding met een rode contour weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0002.png"

Afbeelding - begrenzing plangebied (rode stippellijn)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Wenum Wiesel en buitengebied', zoals dat op 3 oktober 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Apeldoorn. In navolgende afbeelding is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0003.png"

Afbeelding - Uitsnede geldende verbeelding (plangebied rode stippellijn)

De gronden zijn bestemd als enkelbestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', met de functieaanduiding 'bedrijfswoning' en de gebiedsaanduiding 'cultuurhistorisch gebied'. Binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' zijn 100 kampeermiddelen toegestaan waarvan drie stacaravans.

Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie middelhoog'.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting bevat een inventarisatie van de beleidskaders, een beschrijving van de bestaande ruimtelijke situatie, de toekomstige ruimtelijke invulling, de omgevingsaspecten en de juridische opzet van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 BELEIDSKADER

2.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig.
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken.
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

Novex

Het programma NOVEX geeft regie aan het leggen van de ruimtelijke puzzel in samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen. Het zorgt voor samenhang in het ruimtelijke beleid, verbindt de 22 nationale programma's en het versnelt de uitvoering door te sturen op heldere voorwaarden en concrete uitvoeringsafpraken

Mooi Nederland

In het programma 'Mooi Nederland' staat ruimtelijke kwaliteit centraal. Het programma werkt aan een gedeeld beeld van de toekomst van ons land en regelt nieuwe concepten voor de inrichting van gebieden. In de regie op de ruimtelijke ordening staan drie perspectieven centraal:

  • landbouw en natuur;
  • netwerken voor energie en onze economie;
  • leefbare steden en regio's.

'Mooi Nederland' schetst voor elk perspectief drie nog uit te werken concepten die op gebiedsniveau toepasbaar zijn. Daarbij wordt gedacht aan het tegengaan van 'verrommeling' door grootschalige bedrijfsvestigingen, samen met andere opgaven, mooi in het landschap op te laten gaan. Of de toepassing van 'groen' tegen hittestress en wateroverlast bij binnenstedelijke verdichting. Een ander concept in 'Mooi Nederland' is de teelt van 'biobased' bouwmaterialen zoals vezelgewassen. Het versterkt het landschap, het vermindert de CO2-uitstoot en verduurzaamt de woningbouw.

De programma's Mooi Nederland en NOVEX regelen de aanscherping en versnelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het streven is de aangescherpte NOVI in 2024 vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.

Betekenis voor het bestemmingsplan

Het beoogde initiatief is niet in strijd met bovengenoemde rijksbelangen.

2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0004.png"

Afbeelding - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, ook buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

Betekenis voor het bestemmingsplan

Het omzetten van een traditionele camping naar een kleinschalig eigentijds verblijfsrecreatieterrein is in overeenstemming met de provinciale Omgevingsvisie.

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

Op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omtrent de daarbij behorende toelichting. De provinciale verordening

Provinciale staten van Gelderland hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. Laatste versie is van juni 2022. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de Omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De regels van de Omgevingsverordening Gelderland die voor dit plangebied van toepassing zijn, worden hierna kort benoemd en zo nodig per planologisch aspect besproken in hoofdstuk 4.

2.3.1 Bedrijfsmatige exploitatie

Krachtens artikel 2.5 van de Omgevingsverordening maakt een bestemmingsplan nieuwvestiging of uitbreiding met recreatiewoningen alleen mogelijk voor bedrijfsmatige exploitatie. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt onderbouwd op welke wijze de bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoningen duurzaam is verzekerd.

Toetsing
Met de eigenaar van het verblijfsrecreatieterrein is een anterieur contract gesloten waarin zeker is gesteld dat de recreatiewoningen bedrijfsmatig moeten worden geëxploiteerd en voor de verhuur in aanmerking moeten komen. In het anterieure contract is een kettingbeding opgenomen waarbij toekomstige eigenaren deze verplichting accepteren en nakomen. Daarnaast is ook de bedrijfsmatige exploitatie in de regels van het bestemmingsplan geborgd.

2.3.2 Gelders natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone

Voor zover een bestemmingplan betrekking heeft op het Gelders Natuurnetwerk wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (artikel 2.39).
Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met paragraaf 2.6.2 worden gecompenseerd buiten het Gelders Natuurnetwerk.

Toetsing

Uit navolgende afbeelding blijkt dat het GNN voor een klein deel binnen het voorliggende plangebied valt. Het betreft de bestaande groenstrook langs de Nieuwe Molenweg en een deel van de bestaande groenstrook tussen het noordelijk deelgebied en zuidelijk deelgebied van de bestaande camping.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0005.jpg"

Afbeelding - Situering plangebied binnen GNN (bron: omgevingsverordening)

De nieuwe toegangsweg naar het verblijfsrecreatieterrein ter vervanging van de bestaande, ligt voor een klein deel in de Groene ontwikkelingszone. Dit oppervlakte wordt in het plangebied ruimschoots gecompenseerd, zodat voldaan wordt aan de verordening (zie paragraaf 3.3.1).

2.3.3 Nationaal Landschap

Het plangebied ligt binnen Nationaal Landschap en artikel 2.56 bepaalt dat alleen bestemmingen mogelijk zijn die de kernkwaliteiten niet aantasten.

In afwijking hiervan zijn activiteiten die de kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:

  • er geen reële alternatieven zijn;
  • er sprake is van redenen van groot openbaar belang;
  • compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen.

De Omgevingsvisie geeft aan dat de provincie bij het omgaan met kernkwaliteiten de ontwerpende benadering wil bevorderen. Daarom vraagt de provincie aan gemeenten om bij voorgenomen activiteiten in de Nationale Landschappen deze benadering te (laten) toepassen, om te kunnen komen tot een goed oordeel over de wenselijkheid van deze activiteiten.

Toetsing

Zoals uit navolgende afbeelding blijkt ligt het recreatieve deel van het plangebied binnen het 'Nationaal Landschap (maar buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone)'

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0006.jpg" Afbeelding - Situering plangebied binnen Nationaal landschap (bron: omgevingsverordening)

Zoals in paragraaf 3.2 wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast. De transformatie van een traditionele camping naar een kleinschalig eigentijds verblijfsrecreatieterrein is niet in strijd met de verordening.

2.3.4 Betekenis voor het bestemmingsplan

De ontwikkeling van een traditionele camping naar een kleinschalig eigentijds verblijfsrecreatieterrein conflicteert niet met de provinciale verordening.

2.4 Omgevingsvisie Woest en aantrekkelijk Apeldoorn

Op 24 februari 2022 heeft de raad de Omgevingsvisie "Woest en aantrekkelijk Apeldoorn" vastgesteld onder intrekking van de Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte (vastgesteld op 30 mei 2013) .

Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden met de uitwerking van de visie in gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan (de opvolger van de bestemmingsplannen). De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities:

  • ‘stad maken’ (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad;
  • ‘Vitale dorpen en buitengebied’ (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • ‘Fysiek fundament uitbouwen’ (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed) en
  • ‘Sociaal fundament versterken’ (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).

Met de genoemde vier samenhangende opgaven wil Apeldoorn de toekomst tegemoet gaan en nóg aantrekkelijker worden. Allereerst wordt ingezet op ‘stadmaken’ en ‘vitale dorpen en buitengebied’. Door nieuwe woon- en werkmilieus toe te voegen voor het Apeldoorn van 2040. Hiervoor wordt benut de bestaande stad vooral langs het kanaal, het spoor en rond het centrum. En er wordt gebouwd op z’n Apeldoorns; met een mix van hoog en laag en natuurlijk veel groen. Alleen niet het gehele programma kan in de bestaande stad worden opgenomen. Daarom wordt ook uitgebreid zodat voldoende open ruimte in de stad overblijf. Het is ook fijn als er wat te kiezen valt, stoer en stedelijk in de stad en groen en landelijk aan de rand. Nieuwe bedrijventerreinen worden zoveel mogelijk aan de snelwegen verbonden. Inzet is om meer duurzame energie op te wekken. In de stad zelf, maar ook gebundeld en goed ingepast in het landschap er omheen. Elektrisch vervoer wordt gestimuleerd evenals het maken van overstapplekken van de auto naar openbaar vervoer en fiets.

De dorpen worden vitaal gehouden door wonen, lokale bedrijven en voorzieningen handig te combineren.

Voor de kwaliteit van het buitengebied wordt goed gezorgd en ruimte wordt geboden aan de landbouw van de toekomst. Tempo wordt gemaakt als het om de noodzakelijke energietransitie gaat door grootschalige energieopwekking te concentreren in het buitengebied.

Groei van de stad biedt tegelijk kansen om het fysieke fundament én het sociale fundament te versterken. Met fysiek wordt bedoeld de bodem, waarop de stad is gegroeid; het natuurlijk systeem van water en groen én het erfgoed in de gemeente. Daarom wordt gewerkt aan de Groene Mal - groene vingers en waterlopen - die stad en buitengebied verbindt. Veluws water is van hoge kwaliteit, dus dat wordt vastgehouden en hergebruikt. Erfgoed wordt zichtbaar gemaakt en hoogwaardige architectuur wordt gestimuleerd.

Het sociaal fundament wordt ondersteund door te bouwen aan een inclusieve stad. Apeldoorn is een hechte gemeenschap; niet alleen in de dorpen en buurtschappen maar ook in de stad. Dat moet behouden blijven. Dit sociale karakter komt verder tot bloei in wijken en dorpen met een gezonde, groene buitenruimte. Op plekken waar voorzieningen binnen handbereik zijn en waar een gevarieerd aanbod van (betaalbare) nieuwe woningen voorhanden is. Dat geheel maakt die typische gezinsstad Apeldoorn waar het comfortabel wonen is.

De grote hoofdopgaven worden gerealiseerd in een zestal gebieden: de binnenstad, de spoorzone rond het centraal station, de kanaalzone, stadsrand-zuid langs de A1, stadsrand-noord langs de Oost-Veluweweg en het kanaal en Uddel. Nieuw programma gaat samen op met versterken van de groene kwaliteiten en ondersteunt onze sociale samenhang. Zo wordt logisch voort gebouwd op de bestaande stad; op de infrastructuur, het groen en de voorzieningen. Ook de stad wordt compact gehouden en gestreefd wordt naar meervoudig ruimtegebruik. Gebieden kunnen meerdere functies vervullen, zoals wonen, natuur en duurzame energie. Naast de gebiedsontwikkelingen worden de bestaande wijken, dorpen en bedrijventerreinen gevarieerder en toekomstbestendig gemaakt. Denk aan het opknappen van openbaar gebied, het stimuleren van duurzame energie en het tegengaan van hittestress door meer groen.

Het wordt op prijs gesteld wanneer inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties willen bijdragen aan het Apeldoorn van 2040. Apeldoorn wil samen werken vanuit een transparante en uitnodigende houding. De nieuwe Omgevingswet biedt hiervoor allerlei instrumenten.

Kortom, Apeldoorn wordt woest en aantrekkelijk gemaakt! De horizon voor de Omgevingsvisie is 2040. In de komende twintig jaar staat er veel te gebeuren. Onderzocht wordt wat nodig is om een bijzondere gemeente te blijven: ‘woest aantrekkelijk’, inclusief én ondernemend. Er wordt richting gegeven in belangrijke hoofdopgaven en waar die in de gemeente tot ontwikkeling komen. Dat gebeurt op een integrale wijze, door de thema’s van de leefomgeving samen te brengen. Die thema’s zijn eerder uitgewerkt in het Koersdocument.

Een groot deel van onze identiteit is te danken aan de Veluwe, waardoor recreatie & toerisme een belangrijke economische pijler is. In de VeluweAlliante wordt samengewerkt aan het vernieuwen en versterken van de recreatieve sector.

2.4.1 Stad van bronnen en beken

Waterlopen zijn kenmerkend voor Apeldoorn. Er zijn vele beken en watermolens uit het verleden. Het Apeldoorns kanaal is een belangrijke identiteitsdrager voor Apeldoorn. Het streven is om deze waterkwaliteit te ervaren in de binnenstad, in de wijken en dorpen en in de nieuwe gebieden. Bij allerlei opgaven wordt dit meegenomen: nieuwe beekzones, afgekoppeld regenwater, biodiversiteit, recreatie en cultuurhistorie. Deze ontwikkelingskans is goed te koppelen aan de urgentie van de huidige verdroging. Als stad van bronnen en beken heef Apeldoorn daarom de ambitie koploper te worden in het circulair maken van de waterkringloop. Daarom krijgt dit een prominente plek in de gemeentelijke gebiedsontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0007.png"

Afbeelding - Groenstructuurkaart

Om deze visie te realiseren, is het nodig om keuzes en opgaven te bepalen aan de hand van thema's uit het koersdocument.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0008.png"

Afbeelding - Themakaart vitale dorpen en buitengebied

2.4.2 Recreatie

Apeldoorn is dé stad op de Veluwe. Onze toeristische infrastructuur is sterk, met landelijk bekende attracties als Apenheul en Julianatoren. Ons royale karakter ontlenen we aan Paleis het Loo, dat na de verbouwing nog meer internationale allure heeft. Door de grote variëteit aan hotels en vakantieparken bieden wij iedere bezoeker een fijne plek om te verblijven. Maar de grote aantrekkingskracht van Apeldoorn en de Veluwe is natuurlijk het prachtige natuurschoon. In lijn met de regionale VeluweAgenda 2030 streven we naar een balans tussen natuur en economie. De kwaliteit van ons natuurlijke stamkapitaal - met behoud en herstel van ecologische waarden - gaat samen met toerisme. Wanneer we recreatie en toerisme vooral kwalitatief versterken, kan dit ook een positief effect hebben op de Veluwse natuur en economie. Naast kwaliteitsversterking werken we ook aan een betere geleiding van dagrecreatie, zodat verstoring van de natuur wordt verminderd. Hiervoor heef de provincie samen met gemeenten, terreinbeheerders en inwoners een plan gemaakt:

2.4.3 Recreatiezonering Veluwe.

De regionale agenda is vertaald in het toeristische programma ‘Welkom in Apeldoorn’ en het programma ‘Vitale vakantieparken gericht op versterking van de kwaliteit van de vakantieparken. Kern van dit programma's een ondernemersgerichte aanpak (in gesprek zijn met de parken), terugdringen van strijdig niet-toeristisch gebruik, aanpak van sociaal-maatschappelijke problematiek, bestrijden van criminaliteit en onveiligheid en het meedenken over oplossingen voor (tijdelijke) huisvesting van speciale doelgroepen. Hierbij hanteren we het principe ‘1 park, 1 plan’; per park kijken we wat de beste, toekomstbestendige oplossing is. We streven naar kwaliteitsverbetering binnen de recreatieve bestemming. Soms is herbestemming de beste oplossing. Parken moeten dan wel in een cluster liggen aangeduid als ‘transformatiegebied’. Via een pilot Wonen kijken we voor enkele parken in dit gebied of een woonbestemming planologisch wenselijk en haalbaar zou kunnen zijn.

2.4.4 Economie en recreatie
  • Er is 77 ha meer bedrijventerrein beschikbaar onder andere door de realisatie van Ecofactorij II, Kieveen en Uddel II.
  • De Spoorzone is deels getransformeerd als hoog stedelijk milieu, waar onderwijs, bedrijvigheid, mobiliteit en stedelijk wonen samen komen.
  • Er zijn drie innovateve woon/werkmilieus: Cleantech hotspot Zwitsal, Stationslocatie, Hertzberger Park.
  • De gebiedsaanpak Christaan Geurtsweg is gestart.
  • Er zijn verkenningen gereed voor Jean Monetpark, Brouwersmolen en Sleutelbloemstraat.
  • Apeldoorn staat op de landelijke kaart als centrum voor safety & security.
  • We werken vanuit de Veluwe Agenda aan versterking van toeristische producten.
2.4.5 Betekenis voor het bestemmingsplan

De transformatie van het kampeerterrein naar een verblijfsrecreatieterrein betekent een kwaliteitsverbetering van het toeristisch product en draagt bij aan de versterking van de sector. In het plan wordt daarbij ook rekening gehouden met de beek ten noorden van het plangebied.

Het initiatief is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

2.5 Uitwerking economisch beleid Apeldoorn

2.5.1 Algemeen

Hoofddoelstelling vanuit de omgevingsvisie "Woest en aantrekkelijk Apeldoorn" met betrekking tot het economisch beleid in Apeldoorn is om bedrijven en bedrijvigheid te versterken door de kiemkracht van Apeldoorn te verzilveren!

De ligging van Apeldoorn tussen de economische kerngebieden de Randstad en Duitsland biedt kansen voor ondernemers. Tegelijkertijd is de vraag hoe die kansen kunnen worden verzilverd in het licht verschillende trends en ontwikkelingen. Daarom zijn drie opgaven benoemd:

  • a. Realiseren van toekomstbestendige locaties voor werk, wonen & leven
  • b. Meer talent aantrekken, binden & boeien
  • c. Apeldoornse kiemkracht verzilveren met focus op veiligheid, circulariteit en innovatie

Om een extra stimulans te geven aan de Apeldoornse kiemkracht is deze als aparte pijler benoemd. Insteek is echter dat er binnen de opgaven wordt gewerkt aan de inhoudelijke thema's uit de profilering. Denk hierbij aan veiligheidsopleidingen faciliteren binnen de opgave talent aantrekken.

2.5.2 Strategie Werklocaties Apeldoorn

De “Strategie werklocaties Apeldoorn” geeft invulling aan de eerste pijler binnen het programma “de Ondernemende Stad”.

Er zijn nieuwe werklocaties nodig, maar ook andersoortige die meegaan met de behoefte van de gebruiker en de duurzaamheidsopgave die worden voorgestaan. Met de Strategie Werklocaties Apeldoorn 2019 wordt ingespeeld op de actualiteit en wordt de ruimtelijke-economische structuur versterkt met het oog op de toekomst. Een stap voorwaarts voor een gezond vestigingsklimaat voor bedrijven en inwoners.

Drie prioriteiten:

  • a. Het creëren toekomstbestendige werklocaties
  • a. Het creëren nieuwe werkmilieus
  • b. Het creëren nieuwe werklocaties

Het buitengebied kent werklocaties in het buitengebied met één bedrijfsvestiging (solitaire locaties) of locaties waar meerdere bedrijven zijn gevestigd. Deze bedrijvigheid is in veel gevallen voortgekomen uit de landbouwsector: recreatiesector, transport/distributie, verwerking landbouwproducten, installatietechniek en automatisering. Voor de leefbaarheid in de dorpen, werkgelegenheid en economische dynamiek van het buitengebied zijn al deze werklocaties belangrijk. Deze bedrijven spelen een grote rol in de lokale werkgelegenheid en in de lokale bedrijfsketen. Het is zaak om deze bedrijven groeimogelijkheden te kunnen blijven bieden ten behoeve van de economische vitaliteit van het buitengebied.

2.5.3 Regionaal Programma Werklocaties (2020)

De meest actuele afspraken die binnen de Cleantech Regio zijn gemaakt en waarmee Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben ingestemd staan in de 'Actualisatie RPW Cleantech Regio: Toekomstbestendige afspraken voor economie: 2019-2030 (actualisatie)'. In dit RPW worden er naast kwantitatieve afspraken ook kwalitatieve afspraken gemaakt. In een eerder RPW, Regionaal Programma Werklocaties Cleantech Regio 2019-2030, zijn de kwantitatieve afspraken waaronder die van Kieveen gemaakt.

In de actualisatie van het RPW zijn diverse afspraken gemaakt. Voor het voorliggende bestemmingsplan is onder andere afspraak 5.3 relevant 'Kwalitatieve kaders voor te ontwikkelen bedrijventerreinen'. In lijn met de afspraken voor bestaande terreinen worden nieuwe bedrijventerreinen alleen ontwikkeld om in de ruimtebehoefte van bedrijven te voorzien. Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen wordt een drietal kwalitatieve kaders gehanteerd die op regionaal niveau worden afgesproken.

Kader 1: slim, intensief en duurzaam gebruik maken van bestaande terreinen

Kader 2: helder profiel voor nieuwe ontwikkelingen maakt sterk en krachtig

Kader 3: duurzaamheidseisen en organisatiegraad bij nieuwe uitbreidingslocaties

Deze afspraken zijn verder uitgewerkt en vertaald in de Duurzame Principes (2021).

2.5.4 Duurzame principes

De 'Duurzame principes: Leidende principes voor het ontwikkelen van toekomstbestendige bedrijventerreinen' is een belangrijke uitwerking van het RPW. Met dit regionaal uitgifteprotocol worden regionale (proces)afspraken gemaakt met als doel het ontwikkelen van nieuwe, toekomstbestendige bedrijventerreinen. Ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen is dé kans om concreet in te spelen op het behalen van duurzaamheidsambities. Het gaat dus feitelijk om de filosofie en principes die regionaal leidend zijn bij nieuwe gebiedsontwikkeling. Daarom wordt de term 'Duurzame principes' gehanteerd. Het gaat namelijk om een uitgiftestrategie die past binnen de regionale visie en leidende principes van de regio. Daarin staat een duurzame toekomst voorop. De duurzame principes geven duurzaam richting aan de ontwikkeling van nieuwe lokale of regionale bedrijventerreinen. Voor nieuwe ontwikkelingen waar de gemeente grondeigenaar is of de gronduitgifte coördineert wordt een publieke gronduitgiftestrategie toegepast. Het nemen van duurzaamheidsmaatregelen is daarin een kernelement.

Met de 'Duurzame principes' zijn er zes leidende principes afgesproken voor het ontwikkelen van toekomstbestendige bedrijventerreinen:

1. Organisatiegraad is een basisvoorwaarde.

2. Toekomstbestendige en duurzame infrastructuur.

3. Aantrekkelijke en klimaatbestendige openbare inrichting.

4. Duurzaamheidsmaatregelen op basis van een keuzelijst.

5. Duurzame daken zijn de geldende norm

6. Juiste bedrijf op de juiste plek.

In dit bestemmingsplan op basis van de Wro en onderliggende stukken zijn afspraak 3 en 6 verwerkt. De overige Duurzame Principes worden op een andere manier geborgd, bijvoorbeeld bij de verkoop van de kavels en privaatrechtelijke contracten.

2.6 Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, Programma vrijetijdseconomie

In de notitie Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, die in juni 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het programma voor het onderdeel vrijetijdseconomie van de structuurvisie-ambitie Toeristisch toplandschap uitgewerkt. De doelen van het programma zijn:

  • 1. De vrijetijdssector draagt bij aan de doelstelling 100.000 arbeidsplaatsen in Apeldoorn;
  • 2. Meer bezoekers in de binnenstad en dorpen;
  • 3. Hogere bestedingen gelijk aan het landelijke gemiddelde.

Om deze doelen te realiseren zet Apeldoorn in op de volgende vier opgaven:

  • 1. Toplocatie outdoor
    De ambitie is de Veluwe als meest aantrekkelijke outdoor-regio van Nederland waar bewoners en bezoekers actief kunnen ontspannen. Om deze ambitie waar te kunnen maken zijn een excellent routenetwerk en fantastische buitensportvoorzieningen een vereiste;
  • 2. Excellent verblijven
    Apeldoorn wil een verblijfsrecreatie met een onderscheidend, aantrekkelijk en duurzaam aanbod voor zowel kort als lang verblijf. Een belangrijke opgave daarbij is het bieden van voldoende ontwikkelruimte, flexibiliteit en belevingsmogelijkheden aan kansrijke bedrijven.
    Apeldoorn ondersteunt de doelstelling van Apeldoorn Congresstad om het aantal zakelijke congressen te laten stijgen.
    Apeldoorn zet in op vitale Apeldoornse top-dagattracties (Apenheul, Koningin Julianatoren, Paleis Het Loo). Binnen de kaders zoals die voor Apeldoorn-West nog in ontwikkeling zijn wordt ontwikkelruimte, goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid geboden. Tegelijk zal overlast voor omwonenden en natuur beperkt moeten worden.
    Digitale bereikbaarheid moet overal op de Veluwe gewoon goed zijn. Daarnaast is bereikbaarheid per openbaar vervoer van de Veluwe en Apeldoorn een belangrijke opgave;
  • 3. Oranje Beleven
    De kernwaarde koninklijk wil Apeldoorn benutten als het toeristisch Trademark van Apeldoorn. Paleis Het Loo is hierin de beeldbepalende partner met internationale allure. Daarnaast is het nodig dat de kernwaarde koninklijk veel meer zichtbaar en beleefbaar wordt in het toeristisch product, routes, binnenstad, horeca, evenementen, storytelling en dergelijke;
  • 4. Meer funshoppers
    Funshoppen is in Nederland na wandelen de populairste vrijetijdsactiviteit. Het is dan ook een belangrijke opgave om meer toeristen vanuit de Veluwe naar de binnenstad te trekken.

Bij het realiseren van deze opgaven wordt aangehaakt op de nationale strategie Vinden, Verrassen, Verbinden zoals die is verwoord in de Visie op de Nederlandse gastvrijheidseconomie 2025. Daardoor kan de ontwikkeling van de Apeldoornse vrijetijdseconomie goed ingebed worden in de nationale ontwikkeling.

Uitgangspunt is dat het aan de ondernemer zelf is om kansen te benutten, ondernemerschap en durf te tonen. Op basis van de nationale strategie wordt van de overheid een stimulerende en ondersteunende rol verwacht. Een overheid die de randvoorwaarden creëert waarbinnen ondernemers kunnen ondernemen maar ook de maatschappelijke belangen zijn geborgd. De gemeente Apeldoorn wil deze rol oppakken door in te zetten op:

  • Samenwerking;
  • Innovatie;
  • Marketing & Gastheerschap;
  • Kwaliteiten beschermen;
  • Lobby.

Betekenis voor het bestemmingsplan

De transformatie van het kampeerterrein naar een hoogwaardig verblijfsrecreatieterrein betekent een kwaliteitsverbetering van het toeristisch product en draagt bij aan de versterking van de sector. Het initiatief is in overeenstemming met de beleidsvisie.

2.7 Notitie Speelruimte verblijfsrecreatie

De notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie is in 2014 door de gemeenteraad vastgesteld naar aanleiding van het wegvallen van de Wet op de Openluchtrecreatie. Bedoeling is dat deze notitie een actueel kader biedt waarmee de gemeentelijke ambities op het gebied van kamperen en verblijfsrecreatie worden gerealiseerd. Daarom is de notitie geëvalueerd, waarbij is gebleken dat aanscherping of aanvulling van de notitie op onderdelen benodigd is. Als gevolg daarvan heeft de gemeenteraad op 14 februari 2019, onder intrekking van de notitie uit 2014, de notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie (Herziening 2018) vastgesteld.

De notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie Apeldoorn (Herziening 2018) past goed in de geldende beleidskaders Omgevingsvisie Woest en aantrekkelijk Apeldoorn, het Programma Welkom in Apeldoorn op de Veluwe.

Apeldoorn is onlosmakelijk verbonden met toerisme en recreatie. Apeldoorn werkt samen met de gemeenten op de Veluwe aan 'de Veluwe op 1', oftewel de ambitie om de meest gastvrije vakantiebestemming van Nederland te worden, waarin een hoge biodiversiteit voor flora en fauna in balans is met een unieke beleving van landschap, erfgoed, dorpen en steden. Die ambitie sluit naadloos aan op de gemeentelijke strategische opgave 'Toeristisch Toplandschap'.
De ambitie is de verblijfsrecreatiesector verder te stimuleren en daarmee een positieve bijdrage te leveren aan werkgelegenheid, kwaliteit van de leefomgeving en economische bestedingen en te zorgen voor een eigentijds en gevarieerd productaanbod. Dit vraagt een integrale aanpak waar versterken, verbreden en verbinden de ankers zijn. Versterken betekent niet meer van hetzelfde, maar vraaggericht ontwikkelen met meer variatie in het aanbod. Verbreden houdt in dat ruimte wordt geboden aan recreatieve voorzieningen buiten de traditionele kampeerterreinen en verblijfsrecreatieparken. Verbinden betekent samenwerking aangaan met andere partners (zoals attracties, binnenstad, cultuurvoorzieningen) en de inzet van nieuwe en moderne communicatiemiddelen.

Het bieden van speelruimte betekent echter niet dat alles kan en wordt toegestaan. In dit kader moeten algemene belangen als duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, economische innovatie worden geborgd. Los van economisch beleid zijn er relevante kaders en wetgeving zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. De gemeente heeft ook de taak om te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening, op grond waarvan op een integrale wijze alle ruimtelijk relevante aspecten ten opzichte van elkaar afgewogen moeten worden en keuzes moeten worden gemaakt.

Met behulp van de notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie Apeldoorn (Herziening 2018) en de hiervoor genoemde overige relevante kaders worden ontwikkelingen op het terrein van verblijfsrecreatie uiteindelijk in breed perspectief afgewogen.

De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de notitie uit 2014 zijn:

  • De mogelijkheid het aantal en soort standplaatsen op kampeerterreinen zelf te bepalen;
  • Duidelijkheid verschaffen over de mogelijkheid kampeermiddelen beperkt in te wisselen voor ruimte voor recreatiewoningen en vice versa;
  • Duidelijkheid verschaffen over de mogelijkheid bestaande solitaire recreatiewoningen te verplaatsen; nieuwvestiging is uitgesloten;
  • De notitie is geactualiseerd met nieuwe cijfers en vigerend beleid.

Vanwege de kwetsbare ligging in het landschap en in het beekdal is er in deze specifieke situatie voor gekozen om de ligging van de standplaatsen specifiek te duiden, het aantal te maximaliseren en de oppervlakte van de recreatie-objecten gedifferentieerd vast te leggen.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het initiatief zorgt niet alleen voor variatie in het aanbod, maar draagt bij aan het verbreden van het toeristisch-economisch profiel van de gemeente Apeldoorn en overeenkomstig het gemeentelijk beleid wordt permanente bewoning uitgesloten en moet het verblijfsrecreatieterrein bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

Het initiatief is in overeenstemming met de beleidsnotitie.

2.8 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart, de Verordening Groene Balans en het Groenplan. Die worden in de navolgende deel-paragrafen besproken.

2.8.1 Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0009.png"

Afbeelding - de Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

2.8.2 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

2.8.3 Verordening Groene Balans

In maart 2018 heeft de gemeenteraad de verordening 'Groene Balans: compensatie en verevening van groene waarden' vastgesteld. De verordening is met name van toepassing op een ruimtelijke ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone als vastgesteld in de Omgevingsverordening, waarbij geldt dat deze alleen is toegestaan mits tevens een bijdrage aan het landschap wordt geleverd waarbij de kernkwaliteit van het betreffende gebied (substantieel) wordt versterkt.
De gemeente verleent alleen medewerking aan zo'n ruimtelijke ontwikkeling, die leidt tot ruimtebeslag dat weliswaar vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening inpasbaar is maar ten koste gaat van de groene buitenruimte, indien:

  • er naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende landschappelijke inpassing ter plaatse plaatsvindt; én
  • er naar het oordeel van burgemeester en wethouders sprake is van een goede stedenbouwkundige c.q. landschapsarchitectonische kwaliteit van de ruimtelijke ingreep;
    én
  • een bijdrage wordt geleverd aan de (substantiële) versterking van de kernkwaliteit van het landelijke gebied. De versterking van de kernkwaliteit vindt plaats ter plekke dan wel elders binnen de Groene Ontwikkelingszone.
2.8.4 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

2.9 Meerjarenbegroting

In de meerjarenbegroting staan de belangrijkste uitgangspunten en ambities voor het economische beleid van Apeldoorn tot 2025. Voor verschillende economische sectoren zijn gedetailleerde uitvoeringsplannen gemaakt. Als ambitie kiest Apeldoorn voor verdere economische ontwikkeling. Relevante speerpunten zijn:

  • Het geven van de groei van de Apeldoornse economie ruimte op bestaande plekken en breiden fors uit.
  • Het versterken onze Veluwse natuur als de unieke toeristische toplocatie van Nederland.
  • Uitvoering geven aan de Apeldoornse aanpak van Vitale Vakantieparken

De gemeente heeft voor het thema Toeristisch Toplandschap 11 doelen gesteld waar de focus op ligt. De gemeente wil daarmee inzetten op het versterken van de Veluwse natuur als de unieke toeristische toplocatie van Nederland en het beleefbaar maken van het erfgoed zodat iedereen van al dat moois kan genieten.

Betekenis voor het bestemmingsplan

Het initiatief is van belang voor de verbetering van de kwaliteit van toerisme en recreatie. Het initiatief zorgt niet alleen voor variatie in het aanbod, maar draagt bij aan het verbreden van het toeristisch-economisch profiel van de gemeente Apeldoorn. Daarnaast wordt De Parelhoeve met deze ontwikkeling een vitaal verblijfsrecreatieterrein .

Het initiatief is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

2.10 Verkeer en parkeren

2.10.1 Verkeersvisie 2016 - 2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad
Iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap
de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie
winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid
Er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

  • 1. Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
  • 2. Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
  • 3. Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

2.10.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen.
Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.
Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.
Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen.

Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast. De Beleidsregel Parkeren vervangt de notitie Actualisatie Parkeernota (2004) en de daarin opgenomen parkeernormen. Voor aanvragen om een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor het bestemmingsplan moet worden herzien en die zijn ingediend voor vaststelling van de Beleidsregel Parkeren is de Beleidsregel Parkeren niet van toepassing maar wordt getoetst aan de notitie Actualisatie Parkeernota (2004), tenzij de Beleidsregel Parkeren in het voordeel van de verzoeker uitpakt.

2.11 Waterbeleid

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het National Waterprogramma.

2.11.1 Nationaal beleid
2.11.1.1 Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietraps strategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • 1. vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
2.11.1.2 Nationaal Water programma 2022-2027

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen.

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast.

In Nederland liggen meerdere grote opgaven voor het waterdomein. Onderstaande opgaven zijn een leidraad voor het NWP:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering.
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart;
  • de functies van de rijkswateren.

2.11.1.3 Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

2.11.1.4 Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
2.11.2 Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland: “Gaaf Gelderland” zoals vastgesteld op 15 december 2021 en de Omgevingsverordening Gelderland, actualisatieplan 7 (16 april 2021 in werking getreden).

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat centraal in de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'. Met behulp van de volgende ambities wordt er richting gegeven aan energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat:

  • 1. Energietransitie: van fossiel naar duurzaam;
  • 2. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer;
  • 3. Circulaire economie: sluiten van kringlopen;
  • 4. Biodiversiteit: werken met de natuur;
  • 5. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden;
  • 6. Vestigingsklimaat: een krachtige duurzame topregio;
  • 7. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Ten aanzien van het aspect klimaatadaptatie, wat een belangrijk dwarsverband kent met het omgaan met water in ruimtelijke plannen zegt de omgevingsvisie het volgende:

“Overtollig water moet zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. Wij werken hier vooral aan vanuit onze betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houden daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed vangen we water op en houden het voor langere tijd vast in onze beken. En: we zorgen voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor onze Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier.”

Verder is, onder andere, vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Betekenis voor het bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

2.11.3 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap Vallei en Veluwe werkt aan een waardevolle leefomgeving voor iedereen, in een constant veranderende wereld. Met het Blauw Omgevingsprogramma wordt nadrukkelijk de samenwerking met inwoners en de maatschappelijke partners van het waterschap opgezocht. Zo wordt er gezamenlijk gewerkt aan het bouwen van een duurzame en waardevolle leefomgeving.

Het waterschap streeft naar leefomgeving waarin voldoende schoon water beschikbaar is. Waar inwoners beschermd worden tegen overstromingen, vanuit de rivieren maar ook door hevige lokale neerslag. De sponswerking van de bodem wordt verbeterd en er wordt ingezet op het versterken van de natuurwaarden en vergroten van de biodiversiteit.

Het waterschap heeft specifiek beleid voor vier deelgebieden, waar onder andere de legger en de keur in zijn opgenomen. Het plangebied valt in het deelgebied 'IJsselvallei'. Voor dit gebiedt geldt dat de IJsselvallei en Oost-Veluwe een landschappelijke overgang vormen van hoog naar laag met veel landschappelijke en cultuurhistorische waarden en natuur. De kracht van het gebied ligt onder meer in het bijzondere watersysteem op de flanken van de Veluwe met sprengen en beken, het Apeldoorns Kanaal en de lager gelegen weteringen. De beschikbaarheid van voldoende Veluws (grond-)water van goede kwaliteit is een groeiend vraagstuk.

De IJsselvallei krijgt te maken met de stedelijke ontwikkeling van de Cleantech Regio. In de Cleantech Regio staan de circulaire economie, duurzaamheid en een goed vestigingsklimaat centraal. Klimaatverandering, landbouwtransitie en energietransitie hebben impact op het landschap en het watersysteem.

Betekenis voor het bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan het verhogen van de biodiversiteit en de natuurwaarden door rekening te houden met de aanwezige groenstructuren,

2.11.4 Gemeentelijk beleid
2.11.4.1 Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (GWRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GWRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GWRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GWRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Betekenis voor het bestemmingsplan

  • 1. Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
  • 2. Afkoppelen / niet aansluiten van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • 3. Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.).
  • 4. Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • 5. Grondwaterneutraal bouwen.

In paragraaf 4.2 Waterhuishouding wordt hier nader op ingegaan.

2.12 Cultuur- en Erfgoednota 2021-2024: 'Apeldoorns Karakter!'

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed.

Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Betekenis voor het bestemmingsplan

In paragraaf 3.3.4 Cultuurhistorie wordt nader ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het gebied en de doorvertaling daarvan in het bestemmingsplan.

2.13 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. In december 2020 heeft de gemeenteraad besloten de gelding van deze nota te verlengen tot het moment dat voor het hele grondgebied van de gemeente Apeldoorn een omgevingsplan op grond van de Omgevingswet in werking is. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat er overal in de gemeente een goede omgevingskwaliteit is. Zo moet het veilig en leefbaar zijn. Sommige gebieden vindt de gemeente extra belangrijk. In deze gebieden streeft de gemeente naar een nog hogere omgevingskwaliteit. Er zijn daarbij drie soorten gebieden te onderscheiden:

  • 1. Apeldoornse identiteitsdragers: dit zijn gebieden die typisch zijn voor de gemeente Apeldoorn. Het zijn vaak al gebieden met een hoge kwaliteit en dat willen we graag zo houden. Denk hierbij aan de cultuurhistorische beschermde gebieden, de beken en sprengen en natuurgebieden en parken.
  • 2. Zichtbare locaties: dit zijn gebieden waar veel inwoners en bezoekers komen en die goed zichtbaar zijn. De kwaliteit kan op veel plekken beter. Denk hierbij aan de locaties zichtbaar langs de snelweg en langs de ring. Ook drukke voorzieningen, zoals het centrum en het theater, horen hierbij.
  • 3. Dynamische gebieden: dit zijn de gebieden waar veel ontwikkelingen worden verwacht. Kwaliteit toevoegen kan het makkelijkste op het moment dat gebieden zich ontwikkelen. Denk hierbij aan het centrum en de kanaalzone.

De exacte locaties van deze gebieden staan op de website van de gemeente Apeldoorn, bij het onderwerp 'welstandsbeleid' onder het kopje 'prominente gebieden of gebouwen'.

De nota werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0010.png"

Afbeelding - piramide welstand

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken;
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht;

Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.

Betekenis voor het bestemmingsplan
De te realiseren bouwwerken zijn (mits in overeenstemming met het bestemmingsplan) vergunningvrij en daarvoor gelden geen welstandseisen. De initiatiefnemer heeft een inrichtings- en beeldkwaliteitsplan gemaakt om de kernkwaliteiten van het gebied (beekzone, open landschap) te respecteren en te versterken.

Hoofdstuk 3 BESCHRIJVING PLANGEBIED

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied. Aan de orde komst eerst de bestaande situatie en vervolgens de nieuwe situatie.

3.1 Bestaande situatie

Camping De Parelhoeve heeft een prachtige ligging. De camping ligt ten noorden van Apeldoorn en aan de oostelijke rand van Wenum-Wiesel. De camping ligt aan de Zwolseweg die een directe verbinding met Apeldoorn geeft.

Op dit moment is de camping gesloten en is het terrein vrijwel leeg. Het terrein van (de voormalige) camping De Parelhoeve beslaat circa 3 hectare. De camping was voornamelijk bedoeld voor toercaravans. In het verleden konden er maximaal 100 kampeermiddelen op het terrein staan, verdeeld over meerdere veldjes. Op het terrein staat een toiletgebouw/schuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0011.png"

Afbeelding - vogelvlucht aanzicht op bestaande situatie (bron cyclomedia d.d 3 juni 2022)

Op de hoek van de Zwolseweg en de Nieuwe Molenweg staat de voormalige bedrijfswoning van de camping. Deze blijft in principe gehandhaafd, maar wordt omgevormd naar een burgerwoning.

De voormalige camping en de woning worden vanaf de Nieuwe Molenweg ontsloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0012.png"

Afbeelding - Aanzicht bestaande woning nr 540 vanaf de Zwolseweg (bron:cyclomedia d.d. 8 december 2021)

3.2 Nieuwe situatie

De Parelhoeve wordt een modern en luxueus verblijfsrecreatieterrein met een gevarieerd aanbod van verblijfsaccommodaties. Het park ontwikkelt zich tot een recreatieterrein waar rust en ruimte als uitgangspunt geldt. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de landschappelijke kwaliteiten zijn gewaarborgd en wordt het verkavelingsplan toegelicht.

3.2.1 Visie op het landschap

De Parelhoeve ligt in een unieke landschappelijke setting. Het om de planlocatie heen gelegen groen en tevens een deel van op het perceel gelegen groen, is onderdeel van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene ontwikkelzone (GO). Daarnaast ligt het dorp Wenum-Wiesel aangrenzend aan Kroondomein het Loo.

Het buitengebied van Apeldoorn is een recreatief aantrekkelijk gebied met diverse attracties. Rond Wenum-Wiesel zijn veel cultuurhistorische waardevolle landschappen te vinden zoals het coulissenlandschap. In het plan wordt ingezet om de bestaande kwaliteiten te behouden en te gebruiken. Zowel op het gebied van landschap, natuur en recreatie. Dit wordt in onderstaande paragraaf toegelicht.

Het plan biedt twee kansen om de landschappelijke kwaliteit te verhogen:

  • Ten eerste door het interne landschap te versterken door het terrein De Parelhoeve aan te laten sluiten op het lokale landschap en het Gelderse Natuur Netwerk (GNN) en dit te respecteren en intact te houden.
  • Ten tweede geldt dat de kwaliteit van de randen en entrees van De Parelhoeve in de huidige situatie afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten. In de nieuwe situatie worden de randen en entrees verbeterd. Dit door het toepassen van streekeigen beplanting en het ontwikkelen van groene randen - en op een grotere schaal aansluiten op de bestaande groenstructuur. De inrichting van het groen is te vinden in het groenplan in bijlage 4.
3.2.2 Ruimtelijke uitgangspunten

Voor de ontwikkeling van het vakantiepark zijn de volgende ruimtelijke uitgangspunten opgesteld die ten grondslag liggen aan de inrichting van het plangebied:

  • De Parelhoeve moet het karakter behouden van een kleinschalige verblijfsrecreatieterrein, dat zich voegt naar de landschappelijke structuren van het gebied. Het agrarische landschap in het noorden en aan de bosranden in het zuiden en zuidoosten.
  • Voortborduren op de aanwezige groenstructuren. Waar het kan wordt deze structuur versterkt met het aanplanten van nieuwe bomen.
  • Behoud van bestaande bomen in de bosranden.
  • De bosranden worden benut om kavels met kwaliteit te creëren en geen ontsluitingswegen leggen aan de bosranden.
  • De hoofd-ontsluiting aansluiten op de Nieuwe Molenweg, iets ten oosten van de bestaande ontsluiting.
  • in het noordelijk deel van het plangebied wordt parkeren bij de recreatieobjecten niet mogelijk gemaakt.
  • de bestaande bedrijfswoning wordt afgezonderd van het recreatieterrein en krijgt een reguliere woonbestemming.

Bovenstaande ruimtelijke uitgangspunten hebben geleid tot de volgende verkaveling zoals opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting.

3.2.3 Toelichting op de verkaveling

De voorgenomen transformatie van het vakantiepark omvat de realisering van 33 recreatieverblijven die bestaan uit:

  • 14 kleine recreatiechalets (met een oppervlak van max 30 m2) en
  • 15 mobiele recreatieverblijven (zo geheten movables, met een oppervlak van max 70 m2);
  • 4 recreatiewoningen (met een oppervlak van max 75 m2)

De huidige bedrijfswoning aan de Nieuwe Molenweg/Zwolseweg wordt fysiek van het park afgezonderd en krijgt in dit bestemmingsplan een reguliere woonbestemming.

De inrit voor de Parelhoeve verschuift daardoor in oostelijke richting, waardoor ook de afstand tot de Zwolseweg vergroot wordt. Ter hoogte van de oostelijke kavelgrens wordt ruimte gereserveerd voor een inrit die dient als calamiteitenroute.

3.2.3.1 Inrichting van het plangebied

De nieuwe verkaveling is onderverdeeld in drie gebieden:

  • een noordelijk deel,
  • een middenstuk en
  • een zuidelijk deel.

In onderstaande tekst wordt kort toegelicht hoe de nieuwe verkaveling eruit ziet. De uitgebreide toelichting is te vinden in het stedenbouwkundig plan, deze staat in bijlage 2. Het stedenbouwkundig plan is uitgewerkt in een verkavelingsplan. Deze dient als basis voor de verbeelding. Het verkavelingsplan is als bijlage 3 opgenomen in deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0013.png"

Afbeelding - Nieuwe verkavelingstructuur (bron: stedenbouwkundige verkaveling)

3.2.3.2 Het noordelijke deel

Op het noordelijke is het voornemen om kleine recreatiechalets (maximaal 30 m² per chalet) te plaatsen. Ze worden in hoefijzerachtige vorm geplaatst in clusters van twee tot vier units. Aan de noordrand is een strook van 10 m gereserveerd langs de beek om voldoende afstand te houden tot omliggende bebouwing.

De westrand wordt voorzien van een 15 m brede groene zone. Binnen deze 15 m worden geen wandelpaden en/of struinpaden aangebracht. In deze zone komt op 2 m afstand van de erfgrens een hekwerk te staan (zie verkavelingsplan in bijlage 3) om de grens ook fysiek te maken. Dichte beplanting met groen houdend blad in de winter moet er voor zorgen dat deze bufferzone jaarrond voor privacy zorgt.

Verder moet een wadi voor de waterafvoer van het noordelijke deel zorgen richting de beek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0014.jpg"

Afbeelding - verkaveling noordelijk deel

Aan de oostrand grenst het park aan het open landschap. Hier komt een groenvoorziening met een aantal zogenaamde ‘vensters’ om het zicht vanaf de omgeving op De Parelhoeve grotendeels weg te nemen, maar toch doorzicht op het landschap te creëren voor de gasten. Er komt een bomenrij met onderbegroeiing. Deze wordt op een aantal plekken ‘afgezet’, waardoor vensters ontstaan.

In de noordoost hoek van het plangebied blijft het gebied open, om zo een verbinding te leggen met het open landschap. Op deze manier is het open karakter van het landschap vanaf De Parelhoeve nog steeds te beleven.

3.2.3.3 Het middenstuk

In het middenstuk tussen het noordelijke en zuidelijke deel ligt een dichte bosstrook. Deze bosstrook wordt gehandhaafd. Om bij het noordelijke deel te komen, wordt het al bestaande pad gebruikt en mogelijk geüpgraded. De oostkant van het middenstuk is al onderdeel van het Gelders Natuur Netwerk.

In de toekomst wordt een deel van de westelijke kant ook bij het Gelderse Natuur Netwerkt gevoegd. Dit is nodig om de benodigde (nood)ingangen naar De Parelhoeve, die ook in het Gelders Natuur Netwerk liggen, te kunnen compenseren. In dit gedeelte worden geen verblijfsaccommodaties geplaatst (zie verder paragraaf 3.3.1).

3.2.3.4 Het zuidelijk deel

In het zuidelijke deel is het voornemen om twee soorten movables en één type recreatiewoning te plaatsen.

  • Aan de oostkant zijn recreatiewoningen voorzien die ook een extra verdieping hebben.
  • In het middengebied zijn de L-vormige movables geplaatst en aan de westkant zijn de rechthoekige movables geplaatst.

Rondom de kavels worden hagen geplaats om privacy te waarborgen. Alle verplaatsbare recreatieverblijven worden verbonden middels een rondlopende weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0015.jpg"

Afbeelding - verkaveling zuidelijk deel

Langs de kadastrale grens van de Nieuwe Molenweg wordt 15 m afstand gehouden. Dit vanwege het handhaven van het eerder benoemde Gelders Natuur Netwerk en creëren van één van de oost – west zichtlijn.

Ook langs de grens van de bestaande woningen aan de Zwolseweg wordt net als in het noordelijk deel een afstand van 15 m aangehouden. Ook hier wordt voorzien in een groenblijvend hekwerk. Binnen deze 15 m worden geen wandelpaden en/of struinpaden aangebracht.

3.2.4 Vertaling naar het bestemmingsplan

Bovenstaande uitgangspunten voor de inrichting hebben een vertaling gekregen in het bestemmingsplan waarbij als leidraad is gehanteerd de beleidsnotitie speelruimte verblijfsrecreatie uit 2018. Op basis van ruimtelijke gronden is de volgende gedetailleerde regeling opgenomen.

Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt op het recreatiepark zelf gerealiseerd. Voor de grotere recreatieverblijven wordt uitgegaan van de gemeentelijke parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per recreatieverblijf. Voor de 14 kleine recreatiechalets wordt in het kader van dit bestemmingsplan uitgegaan van een lagere parkeernorm van 1,05 parkeerplaats per eenheid. De benodigde parkeerplaatsen als gevolg van de parkeerbehoefte van de 14 noordelijke recreatieobjecten worden centraal bij de ontsluiting gerealiseerd. De overige benodigde parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk op de kavel zelf gerealiseerd (zie paragraaf 3.4.2).
Op de inrichtingstekening is een en ander gevisualiseerd.

3.3 Natuur, archeologie en cultuur

3.3.1 Natuur

Het plangebied is gelegen binnen het Nationaal Landschap maar valt behoudens een deel van de nieuwe toegangsweg, buiten de GO (Groene ontwikkelingszone).
Voor ontwikkelingen die binnen het Nationaal Landschap vallen moet de vraag beantwoord worden of de kernkwaliteiten van het landschap worden aangetast. Deze vraag kan ontkennend worden beantwoord.

Het formuleren van de ruimtelijke uitgangspunten voor de inrichting en planvorming zijn afgestemd op de ruimtelijke kenmerken van de omgeving. Daarbij is naar voren gekomen dat de toegangsweg het beste in oostelijke richting kan worden opgeschoven zoals nu in het bestemmingsplan is opgenomen. Daardoor raakt een klein deel van de toegangsweg het GNN.
Als gevolg van de transformatie (verplaatsing ontsluitingsweg en aanleg calamiteiten-ontsluiting) komt langs de Nieuwe Molenweg een beperkt deel van het GNN te vervallen (circa 203 m2). In navolgende afbeelding zijn de betreffende gronden met een arcering aangegeven. In de nieuwe plannen wordt rekening gehouden met ruimschootse compensatie in de bosstrook tussen het noordelijk deel van het park en het zuidelijk deel (zwarte contour). Het compensatiegebied heeft een oppervlakte van 544 m2. Er wordt hiermee dus ruimschoots gecompenseerd (een toename van 167%).

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de bestaande GNN en de beoogde uitbreiding geborgd door middel van een bestemming 'Groen – Landschapselement' met een nadere gebiedsaanduiding 'overige zone – groene ontwikkelingszone'. Hiermee wordt het behoud, herstel en versterking van de natuur- en landschapswaarden gewaarborgd, zie ook paragraaf 5.4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0016.png"

Afbeelding - uitsnede verkavelingsplan

Voor het maken van het inrichtingsplan heeft de ruimtelijke kwaliteit voorop gestaan en is het ontwerp afgestemd op de kenmerken van de omgeving. In het bijgevoegde groenplan (zie bijlage 4) wordt een en ander nader toegelicht.

Zowel het westelijk als het oostelijk deel van de bosstrook betreft een gevarieerde loofhout-opstand, met zowel een struiklaag als oude bomen. Er zit geen verschil in de opbouw van deze delen. Het voorgestelde nieuwe GNN-gebied heeft dus dezelfde kwaliteiten als het al aangewezen deel. Ook is het nieuw voorgestelde GNN-gebied vergelijkbaar met de te verwijderen GNN-gronden aan de Nieuwe Molenweg, met dezelfde ecologische waarden. Daarom rechtvaardigt deze relatief kleine "ingreep" het "raken" van het GNN/GO en is er geen aantasting van de kernkwaliteiten. Bovendien wordt het beekdal verder klimaat adaptief ingericht en vindt compensatie plaats binnen het plangebied waardoor er sprake is van versterking van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten.

Op het terrein worden daarnaast extra beplanting aangeplant, deels ter compensatie en deels ter versterking van de bestaande groenstructuur. In navolgende afbeeldingen is indicatief aangegeven waar de nieuwe beplanting (rode stippen) komt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0017.jpg"

Afbeelding - indicatieve beplanting noordelijk deel (rode stippen betreft toevoeging)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0018.jpg"

Afbeelding Indicatieve beplanting zuidelijk deel (rode stippen betreft toevoeging)

Het groenplan is als bijlage 4 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.

3.3.2 Water

Overeenkomstig het gemeentelijk beleid moet het hemelwater ter plekke worden vastgehouden en geïnfiltreerd in de ondergrond. Dit mag dus niet worden aangesloten op de riolering.

Nabij deze locatie bevindt zich een mechanische riolering (vacuüm riool) waar alleen vuilwater op mag worden aangesloten. De nieuwbouw en de functieverandering gaat leiden tot een toename van vuilwater. Deze mechanische riolering heeft hiervoor onvoldoende capaciteit en moet uitgebreid worden. De initiatiefnemer legt dit in overleg met de gemeente aan.

3.3.3 Archeologie

In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Archeologische Beleidskaart van de gemeente. Op basis van deze beleidskaart blijkt dat het noordelijk deel van het plangebied een 'terrein met archeologische waarden' (bruin) is. Het zuidelijk deel van het plangebied betreft een 'terrein met een (middel-) hoge verwachtingswaarde' (oranje aangeduid).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0019.png"

Afbeelding - uitsnede archeologische beleidskaart (bron: Ruimtelijke informatieviewer Apeldoorn)

Op basis van het gemeentelijk beleid geldt dat bodemingrepen dieper dan 35 cm en meer dan 100 m² op 'terreinen met archeologische waarden' vooraf gegaan dienen te worden door een archeologisch onderzoek. Voor 'terreinen met een (middel-) hoge verwachtingswaarde' geldt dit voor bodemingrepen dieper dan 35 cm en meer dan 100 m².

Bij bodemingrepen die in verschillende waarderingscategorieën liggen, geldt de laagste grenswaarde, in dit geval 'terreinen met een (middel-) hoge verwachtingswaarde'. In eerste instantie kan dit onderzoek eruit zien als een bureau- en verkennend booronderzoek. Afhankelijk van de resultaten wordt bezien of verder archeologisch onderzoek nodig is.

Toetsing

Archeologisch bureauonderzoek

Ter voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan is in oktober 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 6 Archeologisch bureauonderzoek opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.

Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt voor het plangebied dat:

  • er resten kunnen worden verwacht vanaf het Laat Paleolithicum;
  • voor de Nieuwe Tijd een lage verwachting geldt vanwege het ontbreken van bebouwing op historisch kaartmateriaal;
  • voor de Brons- en IJzertijd een hoge verwachting geldt op archeologische waarden. Deze hoge verwachting houdt verband met de vondstmelding uit 1941 van een Proto Saksische urn en een mogelijk graf midden in het plangebied. Omdat men deze zaken destijds niet nader onderzocht heeft wordt in het onderzoek de kans groot geacht dat er nog steeds intacte resten van dit graf of andere graven in de ondergrond bewaard zijn gebleven.

Voor de overige perioden vanaf het Laat Paleolithicum geldt een middelhoge archeologische verwachting. Resten uit de Nieuwe Tijd kunnen zich direct onder het maaiveld bevinden. Voor alle voorgaande perioden geldt dat archeologische resten verwacht kunnen worden in de top van de sneeuwsmeltwaterafzettingen, waarin zich vermoedelijk een podzolbodem heeft gevormd. De top van de sneeuwsmeltwaterafzettingen wordt direct onder de bouwvoor (binnen 0,5 m -mv) verwacht. Eventuele sporen zoals paalgaten of waterputten kunnen dieper reiken. Omdat het plangebied in de moderne tijd nooit intensief bebouwd is geweest kunnen eventuele archeologische resten goed bewaard zijn gebleven.

Het is nog niet duidelijk waar en hoe diep er precies gegraven zal worden. Wel is duidelijk dat er binnen 0,5 m -mv een aanzienlijke kans is op archeologische overblijfselen vanaf het Laat Paleolithicum tot aan de Nieuwe Tijd. Zeker voor de Brons- en IJzertijd geldt een grote kans op het aantreffen van crematiegraven. Deze zijn in de wijde omgeving van Apeldoorn wel meer aangetroffen maar, nog niet in de directe omgeving van het plangebied. Wel is er midden in het plangebied een melding gedaan van een Proto- Saksische urn en een mogelijk urngraf. De kans groot dat er nog steeds intacte resten van dit graf en/of andere graven in de ondergrond bewaard zijn gebleven. Eventuele crematiegraven zijn van hoge archeologische waarde.
Vanwege de verwachte ondiepe ligging hiervan wordt in het rapport geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een booronderzoek. Op deze manier kan bepaald worden in hoeverre de archeologisch relevante afzettingen nog intact zijn. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 Archeologisch booronderzoek nov 2022.

Resultaten arceologisch booronderzoek

De aanleiding tot de uitvoering van het booronderzoek, als opgenomen in Bijlage 7 Archeologisch booronderzoek nov 2022, is het plan om op dit terrein een vakantiepark te realiseren met negentien chalets en veertien ‘Tiny Houses’. De chalets worden op stelconplaten geplaatst. Naar alle waarschijnlijkheid wordt hiertoe niet of nauwelijks gegraven. De wijze van funderen van de ‘Tiny Houses’ en daarmee gepaard gaande eventuele ontgravingen is vooralsnog onbekend, maar hiervoor zal zeker niet dieper worden gegraven dan 0,30 m -mv. Mogelijk wordt er een nieuw riool aangelegd waarbij de bodemverstoring dieper reikt, maar de locatie en diepteligging hiervan is nog niet bekend.

Er zijn voldoende aanwijzingen aangetroffen dat binnen het plangebied een relevant archeologisch monument aanwezig is in de vorm van de resten van een houtwal. Aan de hand van het gebruikte historische kaartmateriaal kan worden opgemaakt dat deze houtwal mogelijk al in de 19e eeuw aanwezig is; hij lijkt te zijn georiënteerd op de dan ook aanwezige weg die dwars door het onderhavige plangebied loopt. De resten kunnen worden gedateerd vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Resten uit eerdere perioden kunnen in principe ook aangetroffen worden in de intacte C-horizont die onder de bouwvoor en verstoringen aanwezig kan zijn vanaf in een enkel geval 0,10 m -mv of 0,25 m -mv, maar in principe tussen 0,30 m -mv en 1,00 m -mv. Aangezien archeologische relevante sporen al vanaf het maaiveld aanwezig kunnen zijn, zoals de houtwal, wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Bij dit onderzoek zal aandacht moeten uitgaan naar het verkrijgen van een datering van de houtwal en dient tevens onderzocht te worden wat de structuren zijn die binnen de houtwal waargenomen zijn. Tevens kan geïnventariseerd worden of in de C-horizont vindplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied.

Selectiebesluit

De beslissing om bovenstaand advies al dan niet over te nemen (een selectiebesluit) dient door de bevoegde overheid, de gemeente Apeldoorn, te worden genomen. Tot slot dient te worden vermeld dat, ongeacht dit advies en het selectiebesluit, er op grond van de Erfgoedwet 2016 een wettelijke meldingsplicht bestaat mochten er onverhoopt toch archeologische overblijfselen worden aangetroffen.

Conclusie

Vooralsnog wordt in het bestemmingsplan voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone - archeologische waarden' opgenomen. In de planregels is vastgelegd dat voor bodemingrepen dieper dan 0,35 m onder het maaiveld, met een oppervlakte van meer dan 100 m2, de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
Daarmee is vooralsnog geborgd dat voor de verdere ontwikkeling van het plangebied nog een nader archeologisch onderzoek nodig is.

3.3.4 Cultuurhistorie

Het plangebied heeft volgens de cultuurhistorische beleidskaart aan de noordzijde een hoge attentiewaarde (rood) en aan de zuidzijde een lage attentiewaarde (geel).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0020.png"

Afbeelding - uitsnede cultuurhistorische beleidskaart (bron: Ruimtelijke informatieviewer Apeldoorn)

De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarden vanwege de historische samenhang, gaafheid en schoonheid van bebouwing, wegenpatroon, verkaveling, beek en opgaand groen. Deze waarden hebben er toe geleid dat er twee recreatie bestemmingen zijn opgenomen met elk een aparte regeling.
Een cultuurhistorisch (bureau-)onderzoek is voor de transformatie van de bestaande camping niet nodig. Met de voorliggende verkaveling worden de aanwezige waarden in standgehouden en waar mogelijk versterkt.

3.4 Infrastructuur en parkeren

3.4.1 Infrastructuur

De nieuwe ontsluiting van het verblijfsrecreatieterrein wordt ontsloten vanaf de Nieuwe Molenweg. Vandaar is de Zwolseweg direct bereikbaar. De nieuwe ontsluiting komt enkele tientallen meters ten oosten van de huidige ontsluiting te liggen. De bestaande ontsluiting komt daarmee ter beschikking voor de voormalige bedrijfswoning die wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning.

De omzetting van de camping met 100 kampeermiddelen naar verblijfsrecreatieterrein met 33 recreatieverblijven leidt niet tot een zwaardere belasting van de omliggende wegen. De capaciteit van de bestaande wegen wordt toereikend geacht.

3.4.2 Parkeren
3.4.2.1 Parkeerbehoefte

Voor het bepalen van de parkeerbalans is een verkeersadvies opgesteld. Dit verkeersadvies is als bijlage 5 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan.

In het advies is aangegeven dat de parkeerbehoefte binnen de gemeente Apeldoorn in eerste instantie wordt bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen vastgelegd in 'Beleidsregel parkeren Apeldoorn, d.d. maart 2019'. Voor de locatie wordt aangehaakt bij de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en de ligging 'buitengebied'.

Tabel - Normatieve parkeerbehoefte op basis van gemeentelijk beleid

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0021.png"

De totale normatieve parkeerbehoefte bedraagt afgerond 70 parkeerplaatsen. In de meest recente verkavelingsvoorstel zijn er 68 parkeerplaatsen ingetekend. Daarvan zijn er 38 parkeerplaatsen op 'eigen erf' ingetekend bij de recreatieverblijven (2 pp/woning) en 30 op de centrale parkeerplaats. Deze centrale parkeerplaatsen zijn onder andere bedoeld voor de gebruikers van de tiny houses.

Hoewel de beoogde ontwikkeling dus voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen is de toepassing van de gemeentelijke parkeernorm voor een recreatiewoningen erg ruim voor recreatieverblijven zoals tiny houses. Daarom wordt voorgesteld af te wijken van de parkeernormen en een lagere norm te hanteren voor de tiny houses. De parkeerplaatsen die daarmee uit het verkavelingsplan kunnen worden geschrapt, kunnen worden ingezet voor een betere ruimtelijke kwaliteit op het terrein.

3.4.2.2 Afwijkingsmogelijkheid

Volgens paragraaf 3.9 van de 'Beleidsregel parkeren Apeldoorn, d.d. maart 2019' is het afwijken de parkeernorm mogelijk. Hierbij stelt de gemeente het volgende:

'Indien het voldoen aan de beleidsregel (en de parkeerregeling in het bestemmingsplan) op overwegende bezwaren stuit, kan worden besloten om hiervan af te wijken met een omgevingsvergunning als naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan. Dit ziet met name op het afwijken van de opgenomen parkeernorm. Wel dient deze bevoegdheid terughoudend te worden toegepast, omdat anders het beleidsdoel, het voorkomen van parkeerdruk, onvoldoende wordt bereikt en zal het besluit tot afwijken goed gemotiveerd moeten worden.'

Daarnaast is het vaste jurisprudentie dat er onderbouwd van (CROW-)normen mag worden afgeweken.

3.4.2.3 Redenatie

Volgens de gemeentelijke beleidsregel parkeren kan onderbouwd worden afgeweken van de parkeernormen. Voorgesteld wordt om af te wijken van de gemeentelijke parkeernormen omdat de norm voor een recreatiewoning (2,1 parkeerplaats per bungalow) te ruim is voor de kleine recreatiechalets. Daarnaast is er de wil om af te wijken ten gunste van een betere ruimtelijke kwaliteit.

De parkeernorm voor recreatiebungalow zoals opgenomen in het gemeentelijk beleid, zijn gebaseerd op CROW-kencijfers. In CROW-publicatie 272 is onderbouwd dat dit kencijfer uitgaat van recreatiewoningen met gemiddeld 5,5 slaapplaatsen. Kleine recreatiechalets hebben veelal 2 (soms 4) slaapplaatsen. Doordat de kleine recreatiechalets eenvoudiger en minder bedden hebben wordt voorgesteld om uit te gaan van 50% van de parkeernorm die de gemeente hanteert voor recreatiewoningen. Dit betekent dat er wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,05 per kleine recreatiechalet.

Het toepassen van deze lagere parkeernorm zal beter aansluiten bij een meer realistische parkeerbehoefte. Door toepassen van de lagere parkeernorm daalt de ruimtebehoefte voor parkeerplaatsen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit beter kan worden gewaarborgd.

Tabel - Normatieve parkeerbehoefte na afwijken

Functie   Aantal   Kengetal   Parkeerbehoefte  
Bungalowpark   19   2,1 per recreatiebungalow   39,9 pp  
Kleine recreatiechalet   14   1,05 per recreatiechalet   14,7 pp  
Totaal   33     54,6 pp  

Op basis van de aangepaste parkeernormen wordt een parkeerbehoefte berekend van 55 parkeerplaatsen. Uitgaande van de 38 parkeerplaatsen op 'eigen erf' bij de recreatiewoningen is een centrale parkeervoorziening nodig van 17 parkeerplaatsen ten behoeve van de kleine recreatiechalets en de 0,1 parkeerplaats per recreatiewoning. Uitgaande van een zekere overmaat zou kunnen worden uitgegaan van 17 á 20 centrale parkeerplaatsen. Op de inrichtingstekening is een en ander gevisualiseerd.

3.4.2.4 Vertaling naar de planregels

Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate kan worden voorzien in de parkeerbehoefte. De gemeentelijke parkeernormen zijn in de planregels van het voorliggende bestemmingsplan vastgelegd in Bijlage 1 Parkeernormen als bijlagen behorende bij de regels.

De afwijkende parkeernorm voor de tiny houses is via Bijlage 1 Parkeernormen vastgelegd.

Hoofdstuk 4 UITVOERBAARHEID

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportage d.d. 6 september 2022, opgesteld door Vlam Bodem Advies en opgenomen in bijlage 8 van de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van het verkennend bodemonderzoek weergegeven.

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op basis van de onderzoeksresultaten de hypothese onverdacht dient te worden aangenomen:

  • In de bovengrond (mengmonster MM4) is een sterk verhoogd gehalte (> interventiewaarde) aan nikkel aangetoond. Na uitsplitsen van het mengmonster is in geen van de individuele grondmonsters een verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond. Het verhoogde gehalte aan nikkel is hiermee niet bevestigd. Daarnaast is een licht verhoogd gehalte met PCB aangetoond.
  • In de overige bovengrond mengmonsters is alleen in MM5 een zeer licht gehalte aan PAK boven de achtergrondwaarde aangetoond.
  • In de overige mengmonsters van zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond.
  • In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond.

Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de boven- en ondergrond indicatief aan bodemkwaliteitsklasse altijd toepasbaar.

In het rapport wordt aangegeven dat onderzoek naar PFAS in de bodem niet is meegenomen. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 m kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 m en een geadviseerde afstand van 100 m tot 50 m. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieu-
categorie  
richtafstand tot
omgevingstype
rustige woonwijk  
richtafstand tot
omgevingstype
gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd.
Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Toetsing milieuzonering

In onderstaande tabel staan de uitgangspunten van het QuickScan onderzoek voor milieuzonering:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0022.png"

Inwaartse zonering

Zoals uit voorgaande afbeelding blijkt liggen binnen het onderzoeksgebied (50 à 100 m rond het plangebied) de volgende bedrijven en instellingen. In navolgende tabel wordt voor deze bedrijven de bijbehorende milieuzone weergegeven en de afstand tot het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0023.jpg"

Afbeelding - aanwezige bedrijven rondom plangebied:

1; Zwolseweg 431;

2. Zwolseweg 538;

3. Elburgerweg 1.

Tabel - Overzicht aanwezige bedrijven met bijbehorende milieuzone

Adres   Bedrijf   milieu-
cat.  
milieuzone   categorie cf bestemming   zone   afstand tot plangebied   Belemmering  
Zwolseweg 431   Autobedrijf   2   30 m (-1 stap*) = 10 m   bedrijf
categorie 1 & 2  
30 m (-1 stap*) = 10 m   15 m   nee  
Zwolseweg 538   Autobedrijf   2   30 m (-1 stap*) = 10 m   bedrijf
categorie 1 & 2  
30 m (-1 stap*) = 10 m   8 m   ja  
Elburgerweg 1   Restaurant   1   10 m   horeca
categorie 1  
10 m   35 m   neen  

(* gecorrigeerd naar omgevingstype gemengd gebied)

Uit voorgaande tabel blijkt dat er voor de bedrijven aan de Zwolseweg 431 en Elburgerweg 1 geen sprake is van een belemmering. In beide gevallen ligt het plangebied buiten de milieuzone van de betreffende bedrijven.

In het geval van Zwolseweg 538 blijkt dat het plangebied voor een klein gedeelte binnen de milieuzone van het bedrijf. Met deze milieuzone wordt met het toekennen van de nieuwe bestemmingen echter rekening gehouden:

  • in het geval van de voormalige bedrijfswoning is feitelijk sprake van een bestaande woning. Op de verbeelding is voor de woning een woonbestemming met bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw gerealiseerd mag worden. De afstand van de bestemming 'Wonen' is circa 40 m en ligt daarmee buiten de milieuzone van het betreffende bedrijf.
  • Het nieuwe recreatiebedrijf wordt op de verbeelding voorzien van een nieuwe recreatieve bestemmingen (zie paragraaf 5.3). De meest nabijgelegen bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie II' is op de verbeelding aangegeven op een afstand van circa 20 m en ligt daarmee buiten de milieuzone van het betreffende bedrijf.

Uitwaartse zonering

De geldende bestemming is verblijfsrecreatie. De afstandszonering voor deze bestemming staat in onderstaande tabel.

Tabel - uitwaartse milieuzonering

Milieucategorie   SBII code   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar  
3.1   553   Kampeer-
terrein  
nvt (bestemmings-
plan maakt geen horeca mogelijk)  
0   50
-1 stap*
30  
30  

* gecorrigeerd naar omgevingstype gemengd gebied

Voor de beoogde activiteit binnen het plangebied geldt op basis van de aspecten 'geluid' en 'gevaar' een milieuzone van 30 m. Uitgaande van de gronden die in het kader van het voorliggende bestemmingsplan tot recreatiebedrijf zijn bestemd is in navolgende afbeelding een milieuzone van 30 m uitgezet. Binnen de milieuzone van het recreatiebedrijf bevinden zich diverse (gevoelige) woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0024.jpg"

Afbeelding - uitwaartse zonering recreatiebedrijf (blauwe lijn is de 30 m contour)

Onderzoeksresultaten en onderbouwing

Deelaspect gevaar

Voor het aspect 'gevaar' geldt een richtafstand van 30 m. Deze afstand wordt bij kampeerterreinen en vakantiecentra vooral bepaald door de mogelijke opslag van propaan in tanks. Voor de opslag van propaan zijn afstandsregels opgenomen in het Activiteitenbesluit van de Wet milieubeheer. Indien hieraan kan worden voldaan dan kan gemotiveerd worden afgeweken ten aanzien van het aspect gevaar.
Vanwege de nieuwe eisen ten aanzien van duurzaamheid worden de nieuwe recreatieverblijven gasloos gerealiseerd. Koken en de verwarming gaat elektrisch plaatsvinden eventueel in combinatie met warmtepompen. De recreatieverblijven worden voorzien van zonnepanelen. Door het ontbreken van propaan in tanks kan worden afgeweken van de richtafstand van 30 m vanwege gevaar.

Geluid

Voor het aspect 'geluid' geldt in gemengd gebied eveneens een richtafstand van 30 m. Uit voorgaande afbeelding blijkt dat hier niet aan wordt voldaan. Voor met name de bestaande woningen aan de noordzijde van het plangebied geldt dat er sprake is van een planologisch bestaande situatie, waarbij verblijfsrecreatie al is toegestaan en daarmee geen verandering is voor die woningen. Geluid vanwege verblijfsrecreatie kan afkomstig zijn van verkeer op het terrein, stemgeluid etc. Dit is gerelateerd aan met name het aantal kampeerplekken of eenheden. In de huidige situatie zijn 100 toegestaan; dit worden er niet meer dan 33. Daarbij ook nog rekening houdend met het feit dat er op het terrein geen mogelijkheid wordt geboden aan voorzieningen als een zwembad of een centrale horeca- en winkelvoorziening, kan worden aangenomen dat het plan geen (negatieve) akoestische effecten heeft voor de bestaande omliggende woningen en er sprake is van een blijvend aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de bestaande bedrijfswoning die wordt bestemd tot burgerwoning ontstaat er een nieuwe situatie. Deze woning ligt binnen de richtafstand voor geluid. Het plan is mogelijk wanneer aan de richtwaarde voor geluid kan worden voldaan; 50 dB(A) in gemengd gebied. Omdat de geluidbronnen binnen een dergelijke recreatieve voorziening beperkt zijn, wordt verondersteld dat aan deze richtwaarde wordt voldaan.
Een aandachtspunt is het parkeerterrein dat wordt aangelegd ten noordoosten van de voormalige bedrijfswoning. De afstand tot de bestaande woning tot de parkeerplaatsen bedraagt circa 15 m. Vanwege de geringe omvang zal dit niet leiden tot een overschrijding van de richtwaarde voor het equivalente geluid van 50 dB(A). Het maximale geluidniveau op 15 m kan circa 65 dB(A) bedragen en voldoet daarmee aan de algemene grenswaarde van 65 dB(A) in de avondperiode. Het parkeerterrein zal in de nachtperiode niet of nauwelijks worden gebruikt.
Ondanks dat wordt verwacht dat er aan de richt-/grenswaarden voor geluid wordt gedaan, wordt met het aspect geluid wordt rekening gehouden door langs de grens van het parkeerterrein (aan de zijde van de voormalige burgerwoning) een geluidscherm/schutting te plaatsen met een hoogte van ten minste 2 m (bijvoorbeeld Greenwall o.i.d.). Daarmee wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd.

4.1.4 Geluid (Wet geluidhinder)

De Wet geluidhinder (Wgh is van toepassing op een drietal geluidbronsoorten: wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (gezoneerde industrieterreinen). Toetsing aan de Wgh is aan de orde bij de aanleg of wijziging van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen enerzijds en anderzijds de realisatie van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein.

Toetsing

Het plangebied ligt uitsluitend binnen de wettelijke zone van de Zwolseweg (wegverkeerslawaai). De Wet geluidhinder maakt geen onderscheid tussen bedrijfswoningen en reguliere woningen. De wijziging van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de Wgh.

Voor de nieuw te realiseren verblijfsobjecten geldt dat deze niet geluidgevoelig zijn in de zin van de Wet geluidhinder. Een toetsing aan de Wgh is niet aan de orde; de Wgh is geen belemmering voor het plan.

Voor wat betreft de beoordeling in het kader van goede ruimtelijke ordening geldt dat er nu al sprake is van een bestemming voor verblijfsrecreatie. Dit wijzigt niet en aangenomen mag worden dat de locatie vanuit akoestisch oogpunt geschikt is voor deze bestemming/functie.

Tot slot geldt dat ten opzichte van het huidige recreatieve gebruik in de nieuwe situatie het verkeer naar de locatie niet significant toeneem (van 100 kampeermiddelen in het seizoen naar 33 recreatieobjecten het gehele jaar). Dat betekent dat het akoestisch effect van (eventueel) extra verkeer nihil is. In het algemeen is pas sprake van een significant als de verkeersgeneratie met meer dan 40% toeneemt op de openbare ontsluitingsweg (Zwolseweg, intensiteit ordegrootte 10.000 mvt/etmaal).

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of;
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of;
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of;
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt de transformatie van een camping naar een verblijfsrecreatieterrein. Het betreffende plan valt onder de situaties die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate" bijdragen Hierdoor is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour);
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten 

In het kader van Bevi worden kampeer- en andere recreatieterreinen aangemerkt als kwetsbaar object als deze bestemd zijn voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. Dit houdt in dat de 33 recreatieverblijven worden aangemerkt als kwetsbaar object:

  • Stationaire risicobronnen
    Binnen of nabij de planlocatie zijn geen (geprojecteerde) stationaire risicobronnen aanwezig die een belemmering kunnen opleveren voor de ontwikkeling van het initiatief.
  • Mobiele risicobronnen
    Binnen of nabij de planlocatie zijn geen (geprojecteerde) mobiele risicobronnen aanwezig die een belemmering kunnen opleveren voor de ontwikkeling van het initiatief.
  • Groepsrisico
    Gezien het aantal recreatieobjecten wordt de VNOG in kennis gesteld van het initiatief in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Beoordeling van het groepsrisico is wettelijk niet noodzakelijk.
  • Bevi
    In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de transformatie van de camping.
  • Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
    De planlocatie ligt aan de Zwolseweg. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Zwolseweg is dermate beperkt dat hier geen significante externe veiligheid risico's zijn, zo blijkt uit de milieunota externe veiligheid gemeente Apeldoorn. Het vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.
  • Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
    In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.
4.1.7 Elektromagnetische velden

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.1.1 tot en met 4.1.7. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

De Parelhoeve Wenum Wiesel buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 2,5 hectare groot. Het plangebied grenst aan een Keurzone en valt niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven

4.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Gemeente Apeldoorn heeft geen gegevens van het grondwaterpeil in de omgeving. Doordat het terrein redelijk sterk wisselt in hoogte zal het grondwaterpeil ten opzichte van maaiveld variëren. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

4.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Direct ten noorden grenzend aan het plan stroomt de Meibeek, een B-watergang op de legger van het waterschap. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.
In en om het plangebied komt in de aangrenzende Meibeek waterafhankelijke natuur voor: deze sprengenbeek is beoordeelt als SED-water: water met een specifiek ecologische doelstelling. Deze kennen enige menselijke beïnvloeding, maar hebben een ecologische waarde of kunnen die door een relatief geringe inspanning krijgen. De meest natuurlijke situatie ligt voor deze wateren echter niet in het verschiet. De provincie wil vooral de natuurwaarden herstellen en beschermen. Omdat er geen aanpassingen in de beekzone plaatsvinden heeft het plan derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

4.2.4 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt enkel een vuilwater rioolstelsel. Regenwater dient in de direct omgeving vastgehouden te worden en te infiltreren.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard waren, dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

Dit project is gelegen in het buitengebied waarbij al het regenwater van verhardingen terplekke geborgen en geïnfiltreerd moet worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0025.png"

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1466-ont1_0026.png"

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

4.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft onvoldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

4.2.6 Watertoets

Ten aanzien van het plangebied wordt het volgende geconstateerd:

  • Het plan omvat minder dan 1.500 m² extra verhard oppervlak.
  • Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging.
  • Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding etc. cetera.
  • Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater.

Daarom is dit plan, in het kader van de watertoets, aangemerkt als een 'postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe'. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

4.3 Natuurwaarden

4.3.1 Wettelijk kader en beleid
4.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats.
Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

4.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en;
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of;
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten:
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen;
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn:
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen;
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten:
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen. Uit de aangeleverde informatie blijkt niet dat er bomen moeten worden gekapt voor het plan. Voor de locatie geldt overigens een kapvergunningsplicht bij de gemeente.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'NatuurNetwerk Nederland (NNN)' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.

4.3.2 Onderzoeksresultaten
4.3.2.1 Quickscan Flora en Fauna

In de rapportage d.d. 29-08-2022, opgesteld door 'Inventarium flora en fauna' in bijlage 9 van de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van de QuickScan weergegeven.

In de QuickScan wordt geconcludeerd dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming niet wordt overtreden.

Ten aanzien van de gebiedsbescherming wordt het volgende geconcludeerd:

  • Natura 2000
    Mogelijk heeft de ontwikkeling gevolgen voor Natura 2000 als gevolg van stikstofdepositie. Onder het kopje 'Stikstofberekening' wordt daar verder op ingegaan. Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000 gebieden worden verder geen verstoring of andere negatieve effecten verwacht. Het gebruik van het plangebied zal hersteld worden ten opzichte van het oorspronkelijke gebruik. Er wordt in de QuickScan zelfs minder verstoring verwacht vanwege het feit dat er minder eenheden worden gesitueerd dan voorheen.
    Een beperkt deel van het groen rondom de camping maakt onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Hier blijft de ontwikkeling buiten en binnen de provincie Gelderland hoeft geen rekening te worden gehouden met externe werking. Nader onderzoek naar effecten (anders dan stikstof) is niet noodzakelijk.
  • Natuur Netwerk Nederland
    Aangezien de camping buiten het NNN van Gelderland of de Groene ontwikkelingszone is gelegen en het NNN in Gelderland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde. Volgens de routekaart NNN is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is.
  • Stikstofberekening
    Er dient een Aeriusberekening te worden uitgevoerd voor de nieuwe gebruiksfase, zie paragraaf 4.3.2.2.

Ten aanzien van de soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd:

  • Flora:
    Er zijn geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Geen overtreding Wet natuurbescherming.
  • Vleermuizen:
    Een nader onderzoek naar gebouw- en boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. Er dient wel rekening gehouden te worden met verlichting in de beoogde situatie. In het ontwerp van het terrein zou vleermuisvriendelijke verlichting toegepast moeten worden. Geen overtreding Wet natuurbescherming.
  • Zoogdieren:
    In de QuickScan wordt aangegeven dat er zich in het plangebied wel diverse zoogdieren kunnen bevinden. Daarbij is specifiek gekeken naar boommarters en de das. Voor Marters zijn geen sporen of verblijfplaatsen aangetroffen. Uit bureauonderzoek is gebleken dat in de nabijheid van het plangebied sprake is van het leefgebied van de das. De ingrepen zijn echter zodanig dat het leefgebied voldoende intact blijft. Voor de dassen geldt dat er ruim voldoende biotoop (alternatieve) overblijft voor het foerageren. Geen overtreding Wet natuurbescherming.
  • Vogels:
    Ten aanzien van vogels geldt zorgvuldig handelen. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. Geen overtreding Wet natuurbescherming.
  • Overige soorten: 
    De ingreep heeft geen invloed op het habitat van de soorten die in plangebied voor zouden kunnen komen. Geen overtreding Wet natuurbescherming.

Er worden in de QuickScan aanbevelingen gedaan ten aanzien van de uitvoering werkzaamheden.

Tot slot wordt ten aanzien van de houtopstanden geconstateerd dat er geen bomen worden gekapt, zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden binnen de Wet natuurbescherming.

4.3.2.2 Stikstofdepositie

In de notitie d.d. 13-12-2022 opgesteld door 'Rho Adviseurs voor Leefruimte' in bijlage Stikstofberekening Parelhoeve van de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase weergegeven. De aanlegfase is, gelet op de op de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), in het kader van het voorliggende bestemmingsplan buiten beschouwing gelaten.

Uit de notitie blijkt dat voor het bepalen van de depositie belangrijk is dat de nieuwe bebouwing gasloos zal zijn en daardoor geen gebouwemissies kent. De verkeersbewegingen als gevolg van de recreatieverblijven zal wel voor de uitstoot van stikstofoxiden zorgen. Op basis van kencijfers is de verkeersgeneratie bepaald en de routeverdeling over de omliggende wegen.

Uit de Aerius-berekeningsresultaten blijkt dat voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. De AERIUS-berekening is als pdf-bijlage bij de notitie (bijlage 10) toegevoegd. De uitkomst van de AERIUS-berekening dient 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle aangetoond kan worden dat dit aspect onderzocht is.

4.4 Duurzame verstedelijking

4.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.
De bestaande camping is goed ontsloten via de Zwolseweg en de transformatie van de bestaande camping is een aan het buitengebied gelieerde functie.

Gelet op de omvang van het plan kan een zogenaamde laddertoets formeel gezien achterwege blijven. Dit laat evenwel onverlet dat uit hoofde van een goede ruimtelijke ordening onderzoek is gedaan om de markt en de behoefte waarin het plan beoogd te voorzien, goed in beeld te brengen.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door ZKA FrY Consultants aan de hand van een analyse van het document 'Notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie Apeldoorn', Trends en ontwikkelingen en een verkenning van het marktperspectief, een toekomstscenario geschetst. De rapportage is als bijlage 11 in de Bijlagen bij de toelichting opgenomen.

In de rapportage wordt allereerst ingegaan op de verblijfsrecreatie in Nederland. Geconcludeerd wordt dat de sector hard getroffen is door de coronapandemie, maar veerkrachtig is. Het is volgens de rapportage nog onduidelijk of de omzet van de logiessector in 2021 alweer op het niveau van 2019 is, maar (grootschalig) herstel, behalve voor de hotelsector, wordt wel verwacht. De groeiprognoses laten eenzelfde beeld zien, al wordt verwacht dat uiteindelijk herstel van de economie pas in 2022/2023 aan de orde is. Reizen zal veranderen, dus de focus zal meer moeten liggen op de binnenlandse toerist en toeristen uit onze buurlanden.

Ten aanzien van recreatiewoningen wordt in het rapport aangegeven dat de markt voor verkoop krap is. Dit is gunstig voor verkopers omdat er meer vraag dan aanbod is. Uiteindelijk stijgt de prijs hierdoor. Zolang de rente nog laag blijft zullen beleggers volgens het onderzoek eerder op zoek gaan naar een belegging als bijvoorbeeld een vakantiehuis in plaats van hun geld op de bank te zetten. Ook de populariteit van ''vakantie in eigen land', die door de corona-crisis weer aangewakkerd is, speelt mee in de vraagstijging naar recreatiewoningen. Daarnaast is het, mede door de stikstofproblematiek, lastig om snel veel nieuw aanbod op de markt te brengen.
Het is daarom de verwachting dat de markt de komende jaren nog krap blijft en dat de trend dat er minder verkocht wordt in het middensegment en meer in het hoge segment doorzet. Qua type woningen is er vooral vraag naar woningen in het luxere segment. Denk hierbij aan woningen met bijvoorbeeld wellness-faciliteiten. Dit komt omdat steeds meer investeerders ook zelf vakantie vieren in de woningen en dan een bepaalde mate van luxe willen genieten.

In de rapportage wordt aan de hand van een drietal concepten de ontwikkelingsmogelijkheden van het terrein in beeld gebracht: Het gaat daarbij om:

  • 1. een kleinschalig recreatiepark waar de focus ligt op ontspanning en onthaasting;
  • 2. een creatieve buitenplaats;
  • 3. duurzame natuurbeleving.

In de notitie worden de concepten verder uitgewerkt.

Op basis van de voor- en nadelen van de verschillende concepten is voor de transformatie aangesloten op het concept 'kleinschalig recreatiepark, met de focus op ontspanning en onthaasting':

  • Het concept speelt slim in op de toenemende vraag naar meer ontspanning (in allerlei vormen). De hectiek van de huidige samenleving maakt dat wellness gerelateerde vakanties/bezoeken steeds populairder worden.
  • Voorgaande, in combinatie met vergrijzing, koopkracht en toenemende mobiliteit van 65+ers, maakt het concept relevant.
  • Het concept speelt in op toenemende wens naar luxe op vakantie
  • Een 'wellness-vakantie' is een ideale ‘short-break’ vakantie. Dit past goed bij de huidige vakantieduur op de Veluwe (gemiddeld 2 tot 4 dagen).
  • Uitsluitend permanent aanwezige recreatieverblijven (deels in de vorm van zogenaamde movables die binnen 24 uur kunnen worden verwijderd) en veel gedigitaliseerd maakt dit concept relatief gemakkelijk te exploiteren.
  • Veiligheid en veel privacy: toekomstbestendig ten tijde van social distancing
  • Door de exclusieve uitstraling en invulling is dit concept al onderscheidend in Nederland. Dit komt ook door de kleinschalige opzet, en goede landschappelijke inpassing.

Een en ander is in het stedenbouwkundig plan verder uitgewerkt (zie bijlage 2 bij deze toelichting).

4.5 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Het is niet noodzakelijk om bij dit bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Het is bovendien niet nodig om een fasering en nadere eisen aan het plan te stellen anders dan opgenomen in de overeenkomst en dit bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan maakt de transformatie van een traditionele camping naar een kleinschalig eigentijds verblijfsrecreatieterrein mogelijk. Zowel Apeldoorn als de provincie Gelderland stellen de eis van bedrijfsmatige exploitatie dat wil zeggen dat de recreatieobjecten beschikbaar komen voor de huur. De eis van bedrijfsmatige exploitatie is vastgelegd in de planregels en de anterieure overeenkomst.

De nieuwe eigenaar van de camping draagt zelf zorg voor de exploitatie en het beheer van het verblijfsrecreatieterrein, waarbij de verhuur geschiedt met inschakeling van een professionele, landelijk opererende verhuurorganisatie en de bedrijfsmatige exploitatie ook verder privaatrechtelijk wordt geborgd in de vorm van algemene voorwaarden en het parkreglement.

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is de bestaande en de nieuwe situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de omgevingsaspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling:

  • In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven.
  • Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de verbeelding beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden.
  • In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Zwolseweg 540 Wenum Wiesel is een ontwikkelingsplan, waarin de transformatie van een camping naar een vakantiepark uitgangspunt zijn voor de wijze van bestemmen.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

5.3.1 Groen - Landschapselement

De bestaande bosstroken rondom het verblijfsrecreatieterrein en tussen het noordelijk en zuidelijk deel van het terrein hebben de bestemming Groen - Landschapselement gekregen. Dit geldt ook voor de beoogde groenstrook tussen het verblijfsrecreatieterrein en de bestaande woningen langs de Zwolseweg. De gronden zijn bestemd voor aanleg, versterking en instandhouding van groenvoorzieningen, ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting en landschapselementen en voorzieningen voor waterhuishouding.

Op de gronden zijn bouwwerken , geen gebouwen zijnde, toegestaan tot een hoogte van 2 m. Ter plaatse van de bestaande woningen langs de Zwolseweg wordt op verzoek van de omwonenden een hek gerealiseerd met een hoogte van ten minste 2 m. Deze wordt op de verbeelding aangeduid.

Binnen de bestemming Groen - Landschapselement zijn de nieuwe ontsluitingsweg van het verblijfsrecreatieterrein en de bijbehorende calamiteitenroute aangeduid.

GNN/GO
Door middel van de gebiedsaanduiding "overige zone - natuur en landschap' wordt de GNN/GO aangeduid. In de planregels zijn de bijbehorende beschermende maatregelen verwoord (zie verder paragraaf 5.4.2).

Beken en sprengen
Hetzelfde geldt ook voor de beschermingszone die hoort bij de beek die ten noorden van het plangebied loopt. Op de verbeelding is daarvoor de gebiedsaanduiding 'overige zone - beken en sprengen' opgenomen (zie verder paragraaf 5.4.2) .

5.3.2 Recreatie - Verblijfsrecreatie

Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1

De bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1 is gegeven aan de gronden noordelijk van het plangebied. Vanwege de landschappelijke structuur en openheid is aantal recreatieobjecten gemaximeerd. De recreatieobjecten mogen een oppervlakte van maximaal 30 m² hebben met een bouwhoogte van 4 m. Ze hebben geen fundering en zijn in principe verplaatsbaar.

Om te bewerkstelligen dat het middenterrein vrij van bebouwing blijft en vrij zicht mogelijk blijft op het open landschap is op de verbeelding een bouwvlak aangegeven in een U-vorm. De recreatieverblijven dienen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2
De bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2 is gegeven aan de gronden in het zuidelijk deel van het plangebied. Hier is het aantal recreatieverblijven eveneens gemaximeerd. Er zijn binnen het ruime bouwvlak 19 recreatieverblijven toegestaan gestaan met een oppervlakte van 70 m2 en een bouwhoogte van 3,5 m. Deze recreatieverblijven zijn in principe ook verplaatsbaar.
Van deze 19 recreatieverblijven mogen maximaal 4 worden uitgevoerd als een recreatiewoning. De locatie staat op de verbeelding als specifiek aangeduid aan de oostzijde van het bestemmingsvlak. De oppervlakte van de recreatiewoningen bedraagt maximaal 75 m2, met een goothoogte en bouwhoogte van respectievelijk maximaal 3,5 m en 6,5 m.

Ten behoeve van het beheer is op het terrein 1 gebouw toegestaan met een maximum oppervlakte van 20 m2 en een bouwhoogte van 3,5 m.

Recreatiewoningen/stacaravans en trekkershutten
Het in Apeldoorn gebruikelijke onderscheid tussen recreatiewoningen/stacaravans en trekkershutten is in dit plan achterwege gelaten en er is aansluiting gezocht bij de landelijke definitie uit het Besluit omgevingsrecht (Bor). De reden hiervoor is dat het relevante planologische onderscheid in omvang, specifieke locatie en aantal van de recreatieobjecten in de regels is vastgelegd. Indien de recreatieobjecten voldoen aan de planologische regeling, dan kunnen deze vergunningvrij worden gerealiseerd.

5.3.3 Wonen

De voormalige beheerderswoning (bedrijfswoning) in het plangebied heeft de bestemming Wonen. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw mag worden gerealiseerd. Door de situering van het bouwvlak mag de woning niet dichter naar de Zwolseweg worden gerealiseerd. In de richting van de Nieuwe Molenweg is de bouwgrens aangehouden uit het geldende bestemmingsplan. Ten opzichte van het verblijfsrecreatieterrein is een afstand van 10 m aangehouden.

In de planregels wordt de omvang van het hoofdgebouw nader gemaximeerd.

Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van (bedrijfs)woningen en bijgebouwen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Binnen de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein en die bestemmingen die ook bedrijfsactiviteiten mogelijk maken is het uitoefenen van een bedrijf op het hele perceel toegelaten. Het is dan het overbodig om nog iets te regelen over bedrijfsuitoefening aan huis. Voor alle duidelijkheid is in die bestemmingen vastgelegd dat het uitoefenen van een beroep aan huis is toegestaan.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen:

In artikel 8 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden.

  • Lid 8.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.
  • Lid 8.2 bevat de afdekbepaling waarin wordt verplicht dat gebouwen, met uitzondering van recreatieverblijven, van een kapen voorzien worden.
  • Lid 8.3 bevat de woningsplitsregeling, waarmee onder voorwaarde een bestaande woning kan worden gesplitst in ten hoogste twee wooneenheden.

In artikel 9 staan de algemene gebruiksregels.

  • In de leden 9.1.1 en 9.2.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming.
  • In de leden 9.1.2 en 9.2.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.
  • In lid 9.3 Gebruiksregel parkeren staan de gemeentelijke parkeernormen genoemd waaraan de plannen voor het voorliggende plangebied getoetst worden. Normaal wordt daarbij uitgegaan van de 'Beleidsregel Parkeren' zoals vastgesteld op 21 maart 2019, die als bijlage Beleidsregel parkeren is opgenomen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger. Zoals aangegeven in 3.4.2 wordt voor de kleine recreatieverblijven (tiny houses) binnen de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1 uitgegaan van een lagere parkeernorm.

In artikel 15 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 16 ten slotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Bepalingen over waarden, milieuzones en andere zones

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen. IN het voorliggende bestemmingsplan gaat het om:

overige zone - archeologische waarden

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen. In het plangebied zijn de volgende waarden van toepassing.

Gebieden die zijn aangemerkt als Terrein met archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – archeologische waarden' gekregen. Hierbij geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (vastgestelde archeologische waarden) respectievelijk 100 m2 (archeologische waarden) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 Wijze van meten over de wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

overige zone - beken en sprengen

De gebiedsaanduiding overige zone - beken en sprengen is gegeven aan het tracé van de naast de beek. De gronden zijn, naast de daar voorkomende andere bestemmingen, mede bestemd voor het beheer, herstel en onderhoud van de landschappelijk en ecologisch waardevolle beken en sprengen.

De gebiedsaanduiding beoogt ook de beekoevers te beschermen. Daarom is het bestemmingsvlak beduidend breder dan de beek zelf. Op de gronden met deze gebiedsaanduiding mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van het beheer van de beken of sprengen worden gebouwd.

overige zone - natuur en landschap

De gronden die door de provincie zijn aangemerkt als GNN/GO (zie paragraaf 2.3) hebben op de verbeelding, in aanvulling op de bestemming Groen - Landschapselement, de gebiedsaanduiding 'overige zone - natuur en landschap' gekregen.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

In artikel 17 zijn voor de hierboven genoemde gebiedsaanduidingen de regels en beoordelingscriteria samengevoegd voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 INSPRAAK EN OVERLEG

6.1 Inspraak

6.1.1 Informatie-avond

Op 1 juni 2022 heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst gehouden waarvoor de omwonenden waren uitgenodigd. Het verslag van de informatiebijeenkomst is als bijlage 12 in de toelichting opgenomen.

Tijdens de avond zijn met name twee aandachtspunten naar voren gekomen waar in de verder uitwerking van de plannen rekening gehouden diende te worden:

  • 1. Het noordelijk deel van het plangebied is in de periode 2015-2016 'open gemaakt' door het verwijderen van een haag. Deze afschermende groenvoorziening, ondanks toezegging door de oude eigenaar, is daarna niet meer teruggekomen. Door omwonenden wordt gevraagd om in de voorliggende plannen de betreffende groenvoorziening te herstellen zodat er geen zicht is op de beoogde tiny houses.
  • 2. Gevraagd wordt om met de recreatieverblijven voldoende afstand aan te houden ten opzichte van de bestaande woningen. Door het snoeien van het aanwezige groen ontstaat het idee dat de nieuwe recreatieverblijven op korte afstand van de woningen komen te staan. Men is erg beducht voor jaarrond geluidsoverlast vanwege de aanwezige gasten. Daarmee samenhangend wordt gevreesd voor verlies van privacy. Dat speelt nog meer in de winter als het blad van de bomen is verdwenen. Tot slot maakt men zich zorgen over de veiligheid. Gevraagd wordt om in het landschappelijk ontwerp meer aandacht te besteden aan (permanent) afschermend groen om de privacy te vergroten.

Ad 1. Groenvoorziening
Naar aanleiding van de aandachtspunten is het stedenbouwkundig voorstel aangepast. Ter hoogte van het noordelijk deelgebied is in de verkaveling een groenvoorziening opgenomen waarmee er geen direct zicht meer is op de tiny houses.

Ad 2. Aanhouden voldoende afstand
De afstand tussen de recreatieverblijven en de bestaande woningen is verruimd naar 15 m. Tussen het verblijfsrecreatieterrein en de bestaande woningen wordt voorzien in een groenvoorziening. Binnen de groenstrook worden geen wandelpaden aangelegd. Ter aanvulling wordt voorzien in een groenbijvend hekwerk aan de kant van De Parelhoeve. Dit hekwerk komt op een dusdanige afstand van de erfgrens te staan dat onderhoud, middels toegang met een poort door het hekwerk, mogelijk blijft.

De aanpassingen zijn verwerkt in het stedenbouwkundig plan zoals weergegeven in paragraaf 3.2 en vertaald in de planregels en de verbeelding.

6.1.2 Inspraak en overleg

Het bestemmingsplan is besproken met de provincie en geeft wel/geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

6.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan <...>. De reacties van deze instanties zijn hieronder samengevat en van antwoord voorzien. De reactie van het Waterschap en de beantwoording zijn opgenomen in paragraaf 4.2Waterhuishouding.

6.3 Totstandkoming plan

P.M.