direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Kanaal Zuid naast 130
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1446-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Kanaal Zuid naast 130

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het realiseren van een permanente locatie voor roeivereniging 'De Grift' in Apeldoorn. De roeivereniging is al lange tijd op zoek naar een permanente locatie. Momenteel is de roeivereniging 'tijdelijk' op de locatie gehuisvest. In het plangebied zal een clubhuis en opslagruimte worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0001.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0002.png"

Afbeeldingen: impressie nieuwbouw clubhuis en opslagruimte.

Dit bestemmingsplan voorziet in een verandering van het geldende bestemmingsplan 'Malkenschoten-Kayersmolen' om de definitieve locatie van de roeivereniging 'De Grift' juridisch en planologisch vast te leggen.

1.2 Ligging

Onderstaand de globale ligging (rode markering) van de locatie van de huidige en toekomstige locatie van de roeivereniging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0003.png"

Bron: google maps

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0004.png"

Bron: google maps

1.3 Geldend bestemmingsplan

De locatie ligt in het plangebied van het bestemmingsplan 'Malkenschoten-Kayersmolen'. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming 'Groen'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen, fiets- en voetpaden, hondenuitlaatplaatsen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en vijvers en watergangen.

Op de gronden met deze bestemming zijn de activiteiten van en de bebouwing voor de roeivereniging niet toegestaan.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit drie delen:

de toelichting; hierin worden de beweegredenen weergegeven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming en/ of bescherming aan een stuk grond, alsmede een interpretatie (en voor zover nodig uitleg) van de gebruikte bestemmingen;

de planregels; hierin worden per bestemming de regels beschreven met betrekking tot de bouw en het gebruik van de in dit plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende opstallen; en

de verbeelding; de verbeelding waarop de bestemmingen van de betreffende gronden zijn aangegeven en de daarbinnen eventueel voorkomende bijzonderheden zijn aangeduid.

De toelichting is als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 2 BELEIDSKADER

Hoofdstuk 3 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

Hoofdstuk 4 JURIDISCHE PLANOPZET

2 BELEIDSKADER

2.1 Omgevingsverordening Gelderland

Op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omtrent de daarbij behorende toelichting. De provinciale verordening

Provinciale staten van Gelderland hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Op 31 maart 2021 is Actualisatieplan 7 Omgevingsverordening door Provinciale Staten vastgesteld. Het actualisatieplan bevat beleidsmatige en juridische wijzigingen en tevens een expirimentele wijziging in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Met het Actualisatieplan 7 wordt in de Omgevingsverordening voor gemeente de verplichting / instructie geïntroduceerd om jaarlijks te monitoren of feitelijk gebruik gemaakt wordt van verleende omgevingsvergunningen voor woningbouwlocaties en bij drie jaar 'stilzitten' te overwegen om de onbenutte omgevingsvergunningen weer in te trekken. Dit om andere woningbouwplannen mogelijk te maken. De huidige druk op de woningmarkt maakt het wenselijk om een dergelijke verplichting / instructie te introduceren.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO).

De provinciale omgevingsverordening bevat geen (instructie)regels die relevant zijn voor het bestemmingsplan.

2.2 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid.. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.

2.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart, de Verordening Groene Balans en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.

2.3.1 Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0005.png"

Afbeelding 2: Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Toets

Het plangebied ligt binnen de 'Groene mal'. Op basis van het beleid voor de 'Groene mal' geldt voor de kanaalzone dat de recreatieve mogelijkheden verder worden uitgewerkt zodat het kanaal meer betekenis krijgt voor de inwoners. Deze uitwerking gaat verder dan het gebruik van het kanaal om in te vissen, langs te fietsen en te wandelen.
De activiteiten van de roeivereniging 'De Grift' vormen een versterking van het recreatieve gebruik van het kanaal.

2.3.2 Verordening Groene Balans

In maart 2018 heeft de gemeenteraad de verordening 'Groene Balans: compensatie en verevening van groene waarden' vastgesteld. Met deze verordening wordt beoogd om te borgen dat ruimtelijke ingrepen niet ten koste gaan van de aanwezige natuur of kernkwaliteiten van gebieden. Die instrumenten die hiervoor kunnen worden ingezet zijn comepensatie of verevening.
Op grond van artikel 2.1 van de verordening is sprake van compensatie in het geval van wijziging c.q. herziening van een bestemmingsplan, dan wel een omgevingsvergunning waarbij, een bestemming feitelijk aan zijn functie wordt onttrokken en dat leidt tot vermindering van de aanwezige natuur- en landschapswaarden binnen de Groene Mal, en waarbij tenminste 100 m² groen verdwijnt.

Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde bestemmingsplangebied of binnen of direct aansluitend aan dan wel ten dienste van de Groene Mal.
De oppervlakte benodigd voor de compensatie is minimaal gelijk aan het verloren areaal waarbij een toeslag geldt.

Indien fysieke compensatie niet mogelijk is, dient financiële compensatie plaats te vinden. Financiële compensatie vindt plaats op basis van het totaal benodigd compensatie-areaal (in m²) vermenigvuldigd met een normbedrag voor verwerving, realisatie en beheer van het compensatie-areaal. Het normbedrag is € 82,- per m² (binnen de bebouwde kom) en € 13,- per m² (buiten de bebouwde kom). Voornoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 2018 en worden jaarlijks geindexeerd.
Voor de compensatie wordt een overeenkomst opgesteld. Betaling van het verschuldigde bedrag moet voor vaststelling van de wijziging c.q. herziening van het bestemmingsplan en voordat op de aanvraag omgevingsvergunning wordt beslist.

In artikel 5.1 van de verordening is de 'hardheidsclausule' opgenomen. Op basis van de hardheidsclausule kunnen één of meer bepalingen buiten toepassing worden gelaten of worden afgeweken voor zover toepassing gelet op het belang van, in dit geval compensatie, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

Toets

Het nieuwe plangebied ligt in het gebied van de 'Groene mal', zie paragraaf 2.3.1. Vanwege deze ligging in de 'Groene mal' is op basis van artikel 2.1, lid 2, onder b., van de Verordening Groene Balans sprake van compensatie.
Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde bestemmingsplangebied of binnen of direct aansluitend aan, dan wel ten dienste van de 'Groene mal'.
Vanwege de beperkte oppervlakte van het plangebied en de oppervlakte van de bebouwing die daarbinnen wordt gerealiseerd, is compensatie binnen het plangebied niet mogelijk. Door de aanwezigheid van verschillende functies (industrieterrein, spoorweg, een kanaal, het terrein van een andere vereniging en de openbare weg) rondom het plangebied is fysieke compensatie in de nabijheid van het plangebied evenmin mogelijk.

Wanneer fysieke compenstatie niet kan plaatsvinden, moet financiële compensatie plaatsvinden. De hoogte van het bedrag van de compensatie wordt bepaald aan de hand van het totaal benodigde compensatie-areaal (in m²) vermenigvuldigd met een normbedrag voor verwerving, realisatie en beheer van het compensatie-areaal.

In artikel 5.1 van de verordening is de hardheidsclausule opgenomen. Toepassing van de hardheidsclausule is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De hardheidsclausule houdt in dat één of meer bepalingen van de verordening buiten toepassing kunnen worden gelaten of daarvan afwijjken voor zover toepassing gelet op het belang van de compensatie of verevening leidt tot 'onbillijkheid van overwegende aard'. Burgemeester en wethouders passen voor de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling voornoemde hardheidsclausule toe. De motivering hiervoor is hieronder weergegeven.

De roeivereniging 'De Grift' beschikt sinds 2011 over een tijdelijke huisvesting met opslagruimte op de locatie. Dit impliceert dat, in afwijking van het bestemmingsplan, al geruime tijd een deel van het plangebied voor activiteiten van de roeivereniging wordt gebruikt.

Ten tijde van vaststelling van de verordening in 2018 is in de verordening geen overgangsrecht voor reeds bestaande situaties opgenomen. Gelet op het feit dat sprake is van een al jarenlange bestaande situatie is het niet opportuun om in dit geval strikte toepassing te geven aan het bij en krachtens de verordening bepaalde. Strikte toepassing van de verordening leidt tot "onbillijkheid van overwegende aard". Hierdoor is fysieke of financiële compensatie niet aan de orde.

2.3.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Toets
In het Groenplan is één van de 4 nieuwe opgaven: het versterken van het groen-blauw netwerk in en om de stad. Voor het Apeldoorns Kanaal is van toepassing het verhogen van de recreatieve waarde in en om het water met behoud van de bomenstructuur.

2.4 Verkeer en parkeren

2.4.1 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen.
Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.
Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.
Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen.

Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

Beleidsregel Parkeren
De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast. De Beleidsregel Parkeren vervangt de notitie Actualisatie Parkeernota (2004) en de daarin opgenomen parkeernormen. Voor aanvragen om een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor het bestemmingsplan moet worden herzien en die zijn ingediend voor vaststelling van de Beleidsregel Parkeren is de Beleidsregel Parkeren niet van toepassing maar wordt getoetst aan de notitie Actualisatie Parkeernota (2004), tenzij de Beleidsregel Parkeren in het voordeel van de verzoeker uitpakt.

Toets

Uitgangspunt van de Beleidsregel Parkeren is, dat het benodige aantal parkeerplaatsen op 'eigen terrein' wordt gerealiseerd. Met 'eigen terrein' wordt in dit geval het plangebied bedoeld.

De Beleidsregel Parkeren maakt een onderscheid tussen 'sterk stedelijk gebied' en 'weinig stedelijk gebied'. Sterk stedelijk gebied bestaat uit het centrum van Apeldoorn en de rest van de bebouwde kom van Apeldoorn en Ugchelen en weinig stedelijk bestaat uit de dorpen en het buitengebied. De typering van het gebied is van belang voor het bepalen van de toe te passen parkeernorm
Het plangebied ligt in 'sterk stedelijk gebied' (rest van de bebouwde kom van Apeldoorn).

De activiteiten van de roeivereniging passen in de de activteiten die zijn gerelateerd aan een sportveld. Op basis van de 'Beleidregel Parkeren' bedraagt de parkeernorm voor een sportveld (per 10.000 m² netto terrein) 20 parkeerplaatsen, per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo).
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 945 m². De bebouwing die binnen het plangebied wordt gerealiseer heeft een brutovloeroppervlak van circa 700 m².
Het aantal parkeerplaatsen dat binnen het plangebied moet worden gerealiseerd bedraaagt: 945 : 10.000 m² = 0,0945 x 20 parkeerplaatsen = 1,89 x 7 = 13,23 parkeerplaatsen. Dit aantal moet naar boven worden afgerond. Hieruit volgt dat in totaal 14 parkeerplaatsen op 'eigen terrein' moeten worden gerealiseerd.
Vanwege de beperkte omvang van het plangebied is het niet mogelijk om het vereiste aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied te realiseren. Daarom is getoetst of de gebruik kan worden gemaakt van parkeermogelijkheiden in de openbare ruimte.

Mobiliteitsplan

Door de roeivereniging is een Mobiliteitsplan opgesteld. Dit mobiliteitsplan geeft een inzicht in de verkeersbewegingen van en naar de roeivereniging. Tevens geeft het mobiliteitsplan inzicht in het gebruik van vervoersmiddelen. Het mobiliteitsplan is gedateerd 21 juni 2021 en is opgenomen in bijlage 1 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.
In het mobiliteitsplan is in de periode van 1 juni 2021 tot en met 14 juni 2021 het aantal leden, dat per dag gebruik maakt van de faciliteiten van de roeivereniging, geïnventariseerd. Ook is geinventariseerd van welk vervoersmiddel door die leden gebruik is gemaakt. De voornoemde periode is een representatieve periode omdat in die periode sprake is van goede weersomstandigheden voor het roeien.

De roeivereniging heeft op dit moment circa 100 leden. Uit het mobiliteitsplan blijkt dat op een woensdag, vrijdag en zaterdag de meeste leden gebruik maken van de faciliteiten van de roeivereniging. Op een zaterdag bedraagt dit aantal circa 30 leden. Hiervan komt circa 65% op de fiets en circa 30% met de auto. Doordat de leden verspreid over de dag naar de roeivereniging komen zijn op een drukke dag ten hoogste circa een 6 zestal parkeerplaatsen gelijktijdig in gebruik.

Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn in de openbare ruimte 15 plaatsen en op een afstand van 100 meter van het plangebied zijn circa 40 plaatsen beschikbaar.

In de omgeving van het plangebied is een voldoende aantal parkeerplaatsen die voorziet in de parkeerbehoefte van de leden van de roeivereniging maar ook voor de overige recreatieve functies in de omgeving van het plangebied.

2.5 Waterbeleid

2.5.1 Nationaal beleid
2.5.1.1 Nationaal Waterplan 2016-2020

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten.

In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven;
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics);
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting;
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties;
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

 

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

2.5.1.2 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

2.5.2 Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

2.5.3 Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen, zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie, zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen;
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water;
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit;
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden;
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren.

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

2.5.4 Gemeentelijk beleid
2.5.4.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.

2.5.4.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan:

  • 1. Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen;
  • 2. Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etcetera);
  • 3. Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones;
  • 4. Grondwaterneutraal bouwen.

2.6 Nota Apeldoorns Karakter!

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

3 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

3.1 Milieuaspecten

3.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

3.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Dit bestemmingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Hierdoor moet de kwaliteit van de bodem inzichtelijk zijn. Ter plaatse van deze nieuwe ontwikkelingen is bodemonderzoek uitgevoerd. De bodem is op bais van de uitgevoerde onderzoeken geschikt voor de toekomstige bestemming.

Onderzoeksresultaten bodem
Door Tauw is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit verkennend onderzoek is gedateerd 7 juli 2020, heeft kenmerk: 1275886 en is opgenomen in bijlage 2 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.
Verder is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit aanvullend bodemonderzoek is ook uitgevoerd door Tauw, is gedateerd 10 juni 2021, heeft kenmerk 1281660 en is opgenomen in bijlage 3 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Grond

Ter plaatse van de roeivereniging zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten cadmium, kwik, molybdeen, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. Op deze locatie zijn in de ondergrond licht verhoogd gehalten koper, kwik, molybdeen, zink, PAK en PCB gemeten. Daarnaast is er een licht tot sterk verhoogd gehalten aan lood gemeten. Tijdens het nadere bodemonderzoek is de sterke verontreiniging met lood in de ondergrond (1,0 tot 1,5 meter beneden maaiveld) afgeperkt. Resultaat hiervan is dat in 1 afperkende boringen een matig en in 2 boringen een licht verhoogd gehalte lood is gemeten. In de overige boringen is lood niet verhoogd gemeten.

Op de locatie is ook een puinpad tot 30 cm beneden maaiveld aanwezig. Onder dit pad is de bodem geroerd. In de grond onder het puinpad zijn geen verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen gemeten.

Grondwater

In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentratie barium en zink gemeten.

Asbest

Ter plaatse van de roeivereniging en het puinpad zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tijdens de analyse is zowel in het puinpad als in de grond ter plaatse van de roeivereniging een zeer licht verhoogd gehalte asbest gemeten.

3.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Een (clubhuis van een) roeivereniging is geen milieugevoelige bestemming. Vestiging van de roeivereniging in het plangebied levert qua milieuzonering geen milieukundige belemmering(en) op voor de bedrijven op het naastgelegen industrieterrein.

De roeivereniging moet worden gekwalificeerd als een inrichting in de zin van het Activiteitenbesluit. In het kader van milieuzonering is een roeivereniging vergelijkbaar met een sportschool en een kantine.
De locatie ligt in 'gemengd gebied', omdat sprake is van een drukke weg en een naastgelegen gezoneerd industrieterrein. Hierdoor geldt een richtafstand van 10 meter gemeten vanaf de perceelsgrens van de inrichting tot een gevoelig gebied.

Op het naastgelegen bedrijventerrein zijn uitsluitend bedrijfswoningen toegestaan wanneer aan de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' de aanduiding 'bedrijfswoning' of 'woonwagenstandplaats' is toegekend. Op de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' die evenwijdig ligt aan en grenst aan het plangebied, is geen van de voornoemde aanduidingen op de plankaart opgenomen.
De dichtsbijzijnde (bedrijfs)woning bevindt zich op een afstand van tenminste 160 meter van het plangebied.

De activiteiten van de roeivereniging in het plangebied zullen qua mileuzonering geen milieukundige belemmering vormen voor de milieugevoelige bestemmingen rondom het plangebied.

3.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van het 'Kanaal Zuid', de spoorlijn 'Dieren - Apeldoorn' de geluidzone van het bedrijventerreinen 'Malkenschoten - Kayersmolen'. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen aangelegd. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Het bedrijventerrein 'Malkenschoten-Kayersmolen' is een gedeeltelijk geluidgezoneerd industrieterrein.
De geluidzone (het aandachtsgebied) ligt rond het bedrijventerrein. Buiten de geluidzone mag de geluidbelasting van alle bedrijven tezamen niet meer dan 50 dB(A) bedragen. In de zone gelden grenswaarden voor de geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen (maximale ontheffingswaarde 55 dB(A)). Op het bedrijventerrein zelf wordt er vanuit gegaan dat er in principe geen burgerwoningen aanwezig zijn. De aanwezige bedrijfswoningen worden in het kader van de Wet milieubeheer niet beschermd tegen geluidoverlast. De geluidzone en zonegrens zijn (deels) onderdeel van het bestemmingsplan.
In het kader van het zonebeheer worden aanvragen om milieuvergunning en meldingen getoetst op inpasbaarheid binnen de geluidzone. In de huidige situatie wordt rekening gehouden met alle aanwezige bedrijven dus ook de 'kleine lawaaimakers'. Het hele bedrijventerrein is namelijk aangewezen geluidgezoneerd bedrijventerrein.


Onderzoeksresultaten geluidzone industrielawaai

Een roeivereniging is geen geluidgevoelige bestemming. Voor de Wet geluidhinder is er daarom geen reden voor nader onderzoek.

Er zijn geen geluidgevoelige bestemmingen aanwezig in de directe omgeving. De geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking op de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemmingen zal zeer beperkt zijn en zeker lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde.

3.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of;
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of;
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of;
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Onderzoeksresultaten

Met behulp van de NIBM-tool van Infomil is het effect van het verkeer naar de roeivereniging op de luchtkwaliteit berekend. De concentratiebijdragen zijn lager dan 1,2 µg/m3 en liggen onder de NIBM-grens.

3.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour);
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR-contour zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten externe veiligheid

Bevi

Permanente vestiging van de roeivereniging dient afgewogen te worden in het kader van de externe veiligheid. Het is een beperkt kwetsbaar object (conform artikel 1, lid 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen).

Op het naast het plangebied gelegen bedrijventerrein 'Malkenschoten-Kayersmolen' zijn op de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' risicovolle inrichtingen uitgesloten. De definitie van risicovolle inrichting is opgenomen in artikel 1.48 van het bestemmingsplan 'Malkenschoten-Kayersmolen'. Het bestemmingsplan merkt een risicovolle inrichting aan als: een inrichting waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico dan wel een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in genoemd Besluit.

In de nabijheid van het plangebied voor de roeivereniging zijn geen bedrijven toegestaan of bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt hierdoor geen belemmering.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Op een afstand van iets meer dan 200 meter van het plangebied ligt de Kayersdijk. Over deze weg kunnen gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

Op 30 maart heeft de gemeente Apeldoorn advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) over dit initiatief, gezien de bijzondere ligging van de locatie tussen de Kayersdijk en het kanaal. Op 14 Mei heeft de VNOG geadviseerd. Dit advies heeft kenmerk: RB/ROI050/JG/CG/ARVDEGRIFT en is opgenomen in bijlage 4 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Hierin adviseert de VNOG om een 2e ontvluchtingsweg aan te (laten) brengen of daar geschikt voor te maken.

Het plangebied is echter van meerdere zijden bereikbaar. Daarnaast bevindt het plangebied zich in een omgeving met een 'open structuur'. Vanwege die 'open structuur' zijn er voldoende vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen in het geval van een eventuele calamiteit.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

3.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

3.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) is. De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij. In beide gevallen gelden de volgende verplichtingen:

  • de initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie opstellen (deze verplichting geldt niet wanneer de gemeente initiatiefnemer is);
  • het bevoegd gezag moet een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit moet zijn genomen voordat het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd;
  • de initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De effecten op milieu en natuur zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op basis van de resultaten, beschreven in de paragrafen 3.1 en 3.3, kan worden guitgesloten dat het plan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en de natuur. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook is het niet noodzakelijk een passende beoordeling en vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

3.2 Waterhuishouding

3.2.1 Algemeen

Kanaal Zuid naast 130 ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 0,095 hectare groot. Het plangebied bevindt zich wel binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

3.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die door de provincie Gelderland in de Omgevingsvisie is vastgelegd. Er zijn in en om het plangebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het plangebied tussen NAP+ 12,5 m en NAP+ 13,0 m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

3.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Het plangebied ligt naast het Apeldoorns Kanaal. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat hemelwater lokaal wordt opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd naar de ondergrond heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

3.2.4 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij een maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1446-ont1_0006.png"

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

Het plangebied betreft een herontwikkeling in bestaand gebied. In dit plangebied dient er minimaal 20 mm regenwater te worden geborgen.

3.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

3.2.6 Watertoets

Het plan omvat minder dan 10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt wel in een Keurzone maar niet in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

3.3 Natuurwaarden

3.3.1 Wettelijk kader en beleid
3.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

3.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en;
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of;
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Programma Aanpak Stikstof

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) diende als basis voor het geven van toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten. Het is een systeem dat aan de ene kant ruimte biedt aan activiteiten die stikstof veroorzaken en aan de andere kant maatregelen bevat om de nadelige gevolgden van stikstof op natuurgebieden te verminderen. Het PAS loopt daarbij vooruit op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden en geeft daarbij 'vooraf' toestemming aan nieuwe activiteiten. Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat het PAS niet (meer) als basis voor toestemming voor nieuwe activiteiten mag worden gebruikt.
Gevolg van de uitspraak is dat iedere toename van stikstof in beginsel vergunningplichtig is ingevolge de Wet natuurbescherming.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten:
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen;
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn:
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen;
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten:
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen;

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

3.3.2 Onderzoeksresultaten
3.3.2.1 Gebiedsbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient beoordeeld te worden of het plan significant negatieve effecten kan hebben op Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied 'Veluwe'.

Als hoofdregel geldt dat voor een activiteit die kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van habitats of significante verstoring van soorten van een Natura-2000-gebied, een vergunning nodig is op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een vergunning of toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig:

  • a. voor een project waarvoor naar nationaal recht toestemming is verleend
  • b. wanneer sprake is van een andere handeling die ongewijzigd wordt voortgezet,
  • c. een natuurvergunning is verleend en de nieuwe activiteiten kunnen conform de vergunning kunnen worden uitgevoerd.

Op 1 juli 2021 is de Wnb gewijzigd. Aan de Wnb is artikel 2.9a toegevoegd. Als gevolg hiervan worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden, die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb.
Dit impliceert dat geen vergunning ingevolge de Wnb (meer) nodig is voor het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen (bouw-/aanlegfase).

Voor het bepalen van de stikstofdepositie is door Econsultancy een rapport opgesteld. Dit rapport is gedateerd 1 juli 2021 en heeft kenmerk: 12543.002 en is opgenomen in bijlage 5 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. In dit rapport zijn de gehanteerde uitgangspunten van de uitgevoerde aeriusberekeningen beschreven.

Vanwege de wijziging van de Wet natuurbescherming op 1 juli 2021 is alleen een aeriusberekening gemaakt voor de gebruiksfase. Deze aeriusberekening is opgenomen in bijlage 6 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Uit de berekening voor de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op het Natura-2000 gebied 'Veluwe' 0,00 mol/ha/jr. bedraagt.
In de gebruiksfase is geen sprake van nadelige effecten door stikstofdepositie op het Natura-2000 gebied 'Veluwe'. Er is geen onheffing op basis van de Wet natuurbescherming vereist.

3.3.2.2 Soortenbescherming

Door Econsultancy is een quickscan Wet natuurbescherming (soortenbescherming) voor het plangebied uitgevoerd. Deze quickscan is gedateerd 5 juni 2020, heeft kenmerk 1254.001 en is opgenomen in bijlage 7 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Conclusie van de quickscan is dat voor algemene broedvogels, die mogelijk binnen de onderzoeklocatie broeden, wordt geadviseerd om snoei- en kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien toch binnen het broedseizoen werkzaamheden plaatsvinden, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een deskundige.

Voor overige beschermde soorten (o.a. vleermuizen) geldt dat geen sprake is van een geschikte habitat. Evenmin zijn sporen hiervan aangetroffen. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht. Die zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zoveel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden getroffen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Houtopstanden

Voor realisering van het clubgebouw wordt een aantal bomen gekapt. Hiervoor geldt een vergunningplicht. Parallel aan het kanaal is een aantal bijzondere bomen aanwezig. Op de plankaart is hiervoor de aanduiding 'bijzondere bomen' opgenomen. Binnen een zone van 10 meter, gemeten vanuit het hart van de boom, mag niet worden gebouwd. Middels een vergunning mag die afstand tot 5 meter worden verkleind, mits dit geen negatief effect heeft op de bijzondere boom.
Bij de uitvoering van de (bouw)werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de bijzondere bomen.

3.4 Duurzame verstedelijking

3.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

3.4.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 945 m². De bestemming wijzigt van 'Groen' naar Sport. In het plangebied wordt bebouwing met een oppervlakte van circa 700 m² gerealiseerd. Op basis van voornoemde feiten is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing.

De roeivereniging 'De Grift' is in 2007 opgericht. In Apeldoorn is geen andere roeivereniging aanwezig.

De roeivereniging is al geruime tijd op zoek naar een permanente locatie. Verschillende potentiële locaties zijn de revue gepasserd, maar waren vanwege de ligging, de omgeving van de locatie of om financiële redenen niet haalbaar.

De roeivereniging is sinds 2011 op de huidige locatie gehuisvest. Er wordt gebruik gemaakt van een deel van het terrein van de buurman, de BMX-vereniging. De boten worden in zeecontainers opgeslagen. Er is geen clubhuis aanwezig.

De roeivereniging heeft 100 leden. Dit ledenaantal is stabiel. De verwachting is dat bij een permanente huisvesting het ledenaantal tot 200 kan toenemen.

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het permanent maken van de vestiging van de roeivereniging op de huidige locatie en biedt tevens de mogelijkheid tot het bouwen van een clubhuis en opslagruimte voor de boten.
De locatie is geschikt voor huisvesting van de roeivereniging omdat de locatie in de directe nabijheid van het kanaal ligt. Vanaf de locatie kunnen roeiers met hun boot, zonder (gevaarlijke) wegen te moeten oversteken, het kanaal bereiken. Op de locatie is voor de roeiers al een steiger in het water aanwezig. Vanaf de locatie kan tot aan Dieren worden geroeid.

Op basis van de hiervoor aangegeven argumenten kan worden geconcludeerd dat de behoefte aan een permanente vestiging van de roeivereniging op de locatie een kwalitatieve behoefte is en geen kwantitatieve behoefte.

Bestaand stedelijk gebied
Het nieuwe plangebied ligt in de bebouwde kom van Apeldoorn, nabij een industrieterrein en reeds aanwezige sportvoorzieningen: circuit voor model auto's en BMX-parcours. De stedelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

3.5 Archeologie

3.5.1 Beleid
3.5.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied geen regels over cultuurhistorie.

3.5.1.2 Gemeentelijk beleid

Als vervolg op de Nota Apeldoorns Karakter! heeft de gemeenteraad op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

3.5.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied ligt op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) in een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde. In dergelijke gebieden dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd wanneer bodemingrepen dieper dan 35 cm. -mv plaatsvinden over een oppervlakte groter dan 2.500 m² van de bodem verstoord gaat worden.

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 945 m². Hierdoor is er in het kader van de huidige ontwikkeling geen verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.

Wel blijven de planregels behorende bij de gebiedsaanduiding 'overige zone - lage archeologische verwachtingswaarde' van kracht. Mocht bij toekomstige ontwikkelingen sprake zijn van bodemingrepen over een oppervlakte groter dan 2.500 m², die deels binnen de contouren van het plangebied plaatsvinden, dan dient in het kader van deze ingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

3.6 Cultuurhistorie

3.6.1 Wettelijk kader en beleid
3.6.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

3.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland" stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

3.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Bij de gemeentelijke Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter!, die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld, hoort een cultuurhistorische beleidskaart. Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

3.6.2 Onderzoeksresultaten
3.6.2.1 Cultuurhistorische analyse

stoa heeft cultuurhistorisch onderzoek naar het plangebied verricht, dat is vastgelegd in de cultuurhistorische analyse 'Kanaalzone Apeldoorn'. Deze rapportage, gedateerd 14 juni 2004, is opgenomen in bijlage 8 van de Bijlagen bij de toelichting.

De cultuurhistorische waarden worden vooral gevormd door de Spoorlijn Apeldoorn-Dieren en het Apeldoorns Kanaal.

Spoorlijn Apeldoorn-Dieren
De oude spoorlijn Apeldoorn-Dieren begon in 1887 als de Koning Willem III-lijn. De spoorlijn is nu het traject van de Veluwse Stoomtrein Maatschappij.

Apeldoorns Kanaal
Het Apeldoorns Kanaal is aangelegd in twee fases en vormde, na de voltooiing in 1866, een zeer belangrijke nieuwe infrastructurele lijn in de noord-zuidverbindingen in dit deel van de provincie Gelderland. Apeldoorn dankte er aan het einde van de 19de eeuw een belangrijk deel van haar economische bloei aan. Binnen het bestemmingsplan Malkenschoten - Kayersmolen ligt een deel van het traject van het Apeldoorns kanaal, dat tussen 1858 en 1966 gegraven werd. Het gehele kanaal, dat zich uitstrekt over zes gemeenten, heeft een hoge cultuurhistorische waarde.

3.6.2.2 Toets

Het tracé van de spoorlijn Apeldoorn-Dieren en het Apeldoorns Kanaal liggen niet in het plangebied, maar liggen wel in de directe nabijheid van het plangebied.

Het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van het gebied.

4 JURIDISCHE PLANOPZET

4.1 Inleiding

Hoofdstuk 3 bevat een toelichting op de planologische aspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 4.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 4.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 4.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

4.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Kanaal Zuid naast 130 is een plan, waarin de permanente vestiging van een roeivereniging mogelijk wordt gemaakt. In het bestemmingsplan is aangesloten bij de voorschriften uit het geldende bestemmingsplan 'Malkenschoten - Kayersmolen'.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

4.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

Sport

Op de gronden met de bestemming Sport, met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van sport - roeivereniging' zijn uitsluitend een roeivereniging en de daarbij behorende bebouwing toegestaan. De bestemming is voorzien van een tweetal bouwvlakken. Gebouwen moeten binnen die bouwvlakken worden gebouwd. De hoogte van gebouwen mag maximaal 8 meter bedragen.


Bebouwingsschema

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is een bebouwingsschema opgenomen. In het bebouwingsschema's staan de maatvoeringen die voor die bestemming gelden. Vaak wordt verwezen naar maatvoeringen op de plankaart.

Archeologie

Met betrekking tot bescherming van de archeologische waarde van de gronden is de aanduiding overige zone - lage archeologische verwachtingswaarde opgenomen.

Bijzondere bomen

Op de plankaart is een tweetal zones met de aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' opgenomen. Deze zones zijn opgenomen voor het behoud en ter bescherming van aanwezige waardevolle bomen in het plangebied. Binnen een zone van 10 meter rondom deze bijzondere bomen mag niet gebouwd worden. Middels een omgevingsvergunning kan deze afstand worden verkleind tot 5 meter mits dit geen negatief effect heeft op de boom.


Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.

4.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

4.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 5.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie.

Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk.Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

in artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. In lid 6.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 6.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 12 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 13 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

4.4.2 Parkeren

In dit bestemmingsplan is in de Algemene gebruiksregels van artikel 6 in lid 6.3 een gebruiksregel over parkeren opgenomen. Hierin is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen bij het gebruiken van gebouwen en gronden en bij nieuwe ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Wat hieronder wordt verstaan wordt uitgelegd in de Beleidsregel Parkeren, zoals vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
In de Algemene afwijkingsregels van artikel 10 is in lid 10.2 de bevoegdheid opgenomen om van de gebruiksregel parkeren af te wijken wanneer het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

4.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

5 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het project wordt gefinancierd door drie partijen: de provincie, de gemeente en de roeivereniging zelf. Met de roeivereniging is een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin de verdeling van de kosten tussen partijen is opgenomen. Tevens is een regeling voor vergoeding van planschade in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen. Er wordt geen exploitatieplan vastgesteld.