direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Stadsdeel Noord-West herstelplan
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1394-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Stadsdeel Noord-West herstelplan

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel Jachtlaan 4-6, het terrein waarop een scoutinggroep is gevestigd en de bos- en parkstroken uit het bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-West' uit 2007.

Eerste reden om het bestemmingsplan te herzien met betrekking tot de locatie Jachtlaan 4-6 is een zonder de juiste vergunning gebouwde opslagschuur ten behoeve van de scouting. Deze schuur staat buiten het aanduidingsvlak 'scouting' en ook ontbreekt het vereiste bouwvlak. Dit gebouw is alsnog vergund op 4 juni 2018. Ook bij andere bestaande gebouwen op het perceel zijn er onjuistheden geconstateerd: een gebouw (het Gaaiennest) dat buiten het bouwvlak is gerealiseerd maar waarvoor wel een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend en uitbreidingen aan bestaande gebouwen en twee amfitheaters of kampvuurkuilen die zijn gerealiseerd zonder de daarvoor benodigde vergunning aan te vragen. Ook zijn lantaarnpalen geplaatst met een hoogte die hoger is dan het bestemmingsplan toestaat. Tenslotte is door de gemeente een vergunning afwijking van het bestemmingsplan verleend voor gebouw 't Ekersnest voor het gebruik als buitenschoolse opvang. In sommige gevallen heeft de gemeente vergunning verleend waar dat niet zomaar kon (bijvoorbeeld voor 't Gaaiennest), maar ook de scouting heeft zonder vergunning gebouwen uitgebreid. De gemeente wil voor al deze zaken in deze herziening passende regelingen treffen, zodat deze weer passend zijn in het planologisch kader.

Tegelijk is ten aanzien van de in het huidig bestemmingsplan als bos- en parkstroken bestemde gronden gebleken dat de regeling voor een omgevingsvergunning voor aanleg van verhardingen, zoals paden of terrassen, niet geheel duidelijk in de voorschriften is opgenomen. Het is nooit de bedoeling geweest dat in deze bos- en parkstroken verhardingen mogen worden aangelegd zonder vergunning. Dat heeft echter geleid tot onduidelijkheden en als gevolg daarvan tot een aantal handhavingszaken. Deze onduidelijkheden zijn in de herziening hersteld.

1.2 Ligging en begrenzing

Deze herziening heeft ten eerste betrekking op het perceel Jachtlaan 4-6. Dit perceel is hieronder met de rode aanduiding en het blauwe vlak aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0001.png"

figuur: Jachtlaan 4

De bos- en parkstroken liggen in de wijken Berg en Bos, het Sprengenbos en één bos -en parkstrook in de wijk Driehuizen-noord (bij de straat Driehoek). De delen van het bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-West' waarin die stroken liggen zijn hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0003.png"

figuren: delen bestemmingsplan met de bos- en parkstroken (in blauwgroen) 

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het perceel Jachtlaan 4-6 in Apeldoorn maakt deel uit van bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-West' en heeft daarin de bestemming 'Bos - en parkstrook' met aanduidingen 'scoutingactiviteiten', gebied berg en bos en bouwvlakken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0004.png"

figuur: deel uit bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-West' met de Jachtlaan 4

Voor dit gebied is op 8 april 2019 door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen dat geldt vanaf 2 mei 2019. Dit besluit is genomen om te voorkomen dat twee lege bouwvlakken in de scoutingzone alsnog bebouwd kunnen worden.

De andere bos- en parkstroken liggen in hetzelfde bestemmingsplan en zijn daarin als 'Bos- en parkstrook' bestemd (zie vorige paragraaf).

Van belang is nog het hiervoor geldende bestemmingsplan 'De Nieuwe Enk' (vastgesteld 12-10-1978, onherroepelijk 25-01-1980). In dit plan mogen ten behoeve van de padvinderij op het hele perceel Jachtlaan 4-6 gebouwen tot maximaal 400 m² worden opgericht. Gebruik ten behoeve de padvinderij was toegestaan op het hele terrein.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het beleidskader weergegeven. Vervolgens beschrijft hoofdstuk 3 de historie van het gebied en de bestaande structuren. Hoofdstuk 4 gaat in op wat met deze herziening wordt aangepast in de verbeelding en regels. In hoofdstuk 5 zijn de planologische aspecten of gevolgen van de herziening qua milieu, natuur en archeologie opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft de planologisch-juridische opzet van de herziening, zoals een toelichting op de regels en hoe deze zijn geborgd. Tenslotte bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid: hoe is de omgeving meegenomen in deze herziening en hoe zit het financieel?

2 BELEIDSKADER

2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk werkt aan eenvoudiger regelgeving en verwacht dat medeoverheden zich ook inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. In de structuurvisie formuleert het kabinet zijn ambities voor 2040.

Een voor dit bestemmingsplan relevante ambitie gaat over leefbaarheid en veiligheid: in 2040 sluiten de woon- en werklocaties in steden en dorpen aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor tranformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut. In 2040 biedt Nederland zijn burgers een veilige en gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als in landelijk gebied. Nederland heeft nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt.

2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0005.png"

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland het Actualisatieplan 6 tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De verordening bevat regels over ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem. De verordening ziet erop toe dat het beleid uit de Omgevingsvisie Gelderland operationeel wordt. Deze 6e wijziging is veelal beleidsneutraal en gericht op het verduidelijken van regels, het schrappen van overbodige teksten en zoveel mogelijk aanpassen in lijn met de komende Omgevingswet. Een aantal beleidswijzigingen zijn doorgevoerd over de onderwerpen: wonen, werklocaties, windenergie, natuur(compensatie), natuurbegraven, natuur brandgang, Natura2000, grondwater en luchthavens.

Intrekgebied (artikel 2.6.3.1)

In een bestemmingsplan krijgen Intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Intrekgebieden zijn beschermingsgebieden aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet Milieubeheer.

Toetsing

Dit bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die de winning van fossiele brandstof mogelijk maken en is in overeenstemming met de verordening.

2.4 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.

Ondanks de schaalvergroting en toenemende mobiliteit van de afgelopen decennia kent Apeldoorn nog steeds een zeer fijnmazige voorzieningenstructuur, zowel in de kern Apeldoorn als in de dorpen. Deze nabijheid van voorzieningen vormt een van de belangrijke kwaliteiten van de Buitenstad. Waar zich ook maar enigszins kansen aandienen, zullen wij inzetten op behoud en versterking ervan.

2.5 Groenbeleid

2.5.1 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. Deze kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit. Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen
  • Wijkgroenstructuur
  • Boomrijke gebieden

Het perceel Jachtlaan 4-6 en de bos- en parkstroken zijn aangemerkt als wijkgroenstructuur. Dit is openbaar wijkbepalend groen, draagt bij aan de identiteit van de stad en biedt bescherming en mogelijkheden aan flora en fauna. Deze structuur wil de gemeente duurzaam in stand houden. De bos- en parkstroken zijn ook nog als boomrijke buurt aangemerkt. daardoor is het een geheel van groen in onderlinge samenhang, sterkt verwevenheid tussen groen en bebouwing, zowel privé als openbaar. Het langdurig instandhouden van de samenhang en het groene karakter van de buurt staat voorop.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0006.png"

figuur: deel van de groenstructuurplankaart met daarop in lichtgroen de wijkgroenstructuur.

Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

2.5.2 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

2.6 Verkeer en parkeren

2.6.1 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de Parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen.
Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.
Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.
Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen.

Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast. Voor dit gebied is in 2019 al een paraplubestemmingsplan opgesteld.

2.7 Waterbeleid

2.7.1 Nationaal beleid
2.7.1.1 Nationaal Waterplan 2016-2020

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten. In het plan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics).
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties.
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

2.7.1.2 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

2.7.2 Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

2.7.3 Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

2.7.4 Gemeentelijk beleid
2.7.4.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.

2.7.4.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

  • Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.)
  • Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • Grondwaterneutraal bouwen

2.8 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn en werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0007.png"

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken.
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht.
  • Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
    Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.

3 BESTAANDE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

In de 18e eeuw vonden vanuit het toenmalige dorp Apeldoorn de eerste ontginningen plaats in het gebied dat later de naam 'Nieuwe Enk' kreeg. Op een kaart uit 1832 is te zien dat er nog niet werd gewoond in het gebied maar dat er vanwege paleis Het Loo (start bouw rond 1750) drie lanen zijn aangelegd: de Loolaan, de Koning Lodewijklaan en de Jachtlaan. Deze lanen vormen nog steeds de structuur van het gebied. Tussen deze lanen lagen heidevelden of landbouwgronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0008.png"

Figuur gebied rond 1832 met de drie lanen, in paars de heidevelden en in groen het groen en landbouw.

In 1887 kocht J.C. Wils een groot deel van het gebied (ten westen van de Jachtlaan). Op de heide plantte hij bos waarvan hij het hout verkocht. Na zijn overlijden heeft de gemeente rond 1918 het gebied gekocht om te voorkomen dat het gebied privé zou worden. In 1920 kwam er in 1920 een stedenbouwkundig plan, ontworpen door K.C. van Es. Hij wilde een tuinstad creëren, waar in harmonie met de natuur zou kunnen worden gewoond. Hij ontwierp daarom grote kavels met ruime woningen langs slingerende lanen. Richting het zuiden werd de verkaveling en dichtheid steeds groter. Dit zorgde ervoor dat elke straat een eigen karakter kreeg en de bewoners hadden veel privacy temidden van de natuur. Dit ontwerp werd verwerkt in het uitbreidingsplan Texeira de Mattos (vernoemd naar de toenmalig wethouder). Op verschillende plekken werden grote kavels gereserveerd voor publieke natuurterreinen in de vorm van wandelbossen. Ook zijn kleine percelen op beeldbepalende plekken aangewezen die niet bebouwd mochten worden. Om het boskarakter van het gebied te behouden zijn meerdere bosstroken en boomgroepen aangelegd die de groengebieden onderling verbonden. In 1938 werd besloten dat alleen het noordoostelijk deel (ten noorden van de J.C. Wilslaan) volgens het oorspronkelijk plan zou worden aangelegd.

Het deelgebied Sprengenbos (ten westen van de Jachtlaan) bleef lang een heideveld, totdat in de 19e eeuw landbouw steeds verder oprukte. Begin van de 20e eeuw werd het gebied steeds meer verkaveld, werden straten aangelegd en nam de dichtheid toe. Toen werden ook de eerste grote villa's langs de lanen gebouwd. Het gebied werd steeds meer bebouwd en na de Tweede Wereldoorlog was het geheel bebouwd. Ook hier heeft groen een prominente plek in in de wijk, zij het dat vergeleken met Berg en bos de dichtheid hoger was en de kavels smaller en dieper. De samenhang tussen bebouwing, straten met grasstroken en bomenrijen is een belangrijke kwaliteit in deze wijk.

3.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt ten noordwesten van het centrum van Apeldoorn en omvat de wijken Berg en Bos en Sprengenbos. Deze worden van elkaar gescheiden door de in noord-zuidrichting gelegen Jachtlaan. Ook de Soerenseweg (oost-westrichting) is een belangrijke ontsluitingsweg die het gebied als hoofdas doorsnijdt. Langs de voornaamste wegen begon de verstedelijking rond 1900 met voornamelijk ruime villa's. Later is ook de omgeving eromheen bebouwd. Karakteristiek en onderdeel van de structuur is het groene karakter met de groene bermstroken en boomrijke groene gebieden die verspreid over de wijken zijn gelegen.

3.3 Groenstructuur

De groenstructuur omvat de lanenstructuren, aaneengesloten bosgebieden, grasbermen en bos-en parkstroken. De groenstructuur kenmerkt zich met name door de aanwezige hoogopgaande bomen die ver boven de huizen uitsteken en daardoor goed zichtbaar zijn in het gebied. Ook de groenstructuren bestaande uit bomen die elkaar raken (bladerdak) zijn veel aanwezig. Aan dit ruime bos- en parkachtige karakter wordt, vanuit stedenbouwkundig, cultuurhistorisch en ecologisch oogpunt, een belangrijke waarde toegekend waarbij de
volgende kenmerken beschermingswaardig zijn:

  • verschillende oude bospaden en lanen worden begeleid door karakteristieke
    bosstroken;
  • op verschillende plekken in Berg en Bos en het Sprengenbos zijn aaneengesloten bosachtige gebieden behouden gebleven op particuliere binnenterreinen;
  • de oorspronkelijk geplande wandelbossen in het noordelijk deel van Berg en Bos (de
    Vijfspronglaan, Ahornlaan en Lijsterbeslaan.

Om deze groenstructuur te behouden zijn de bos- en parkstroken en te behouden groenstroken voorzien van bestemmingen als groen en 'bos- en parkstrook'. Die laatste bestemming ligt ook op delen van particuliere (achter)tuinen. Het bestemmingsplan voorkomt zodoende dat hier vergunningsvrij gebouwd kan worden.

3.4 Scouting

De scoutinggroep Willem III / Lady Baden-Powel is gevestigd aan de Jachtlaan 4-6 en maakt daarmee onderdeel uit van de wijk Berg en Bos. De scouting zit hier sinds 1918 en gebruikt sindsdien het terrein voor haar activiteiten. In de unieke bosrijke omgeving biedt de scouting leuke en uitdagende activiteiten in de vorm van diverse spellen aan aan haar leden uit Apeldoorn en omgeving.

4 WAT WORDT IN DEZE HERZIENING GEWIJZIGD?

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel Jachtlaan 4-6 en de bos- en parkstroken in Berg en Bos, het Sprengenbos en een bos -en parkstrook in de wijk Driehuizen-noord (bij de straat Driehoek).

Handhaving van het boskarakter is van belang. Mensen die hier wonen en in dit geval ook de scouting die hier activiteiten verricht, doen dat mede omdat de bosrijke omgeving aantrekkelijk is. Bij de eerste aanleg is die kwaliteit deels gegarandeerd door aanleg van grasbermen met bomen en het behoud van bospercelen. Deze kwaliteiten worden al ruim 100 jaar in stand gehouden door met respect de wijk te vernieuwen. Bewoners en gebruikers dragen hieraan bij. Bebouwing moet bijvoorbeeld voldoende omgeven blijven door groen. Dit maakt het verschil tussen bebouwing met hier en daar groen en een bosbuurt met af en toe bebouwing. Bomen langs wegen en in de tuinen/ op particuliere percelen bepalen het bosbeeld. Om de bospercelen of bomen duurzaam in stand te houden moet je onder de kroon niet verharden, verdichten, graven of bouwen.

De scouting is een voor Apeldoorn belangrijke maatschappelijke voorziening, waar Apeldoorners hun vrije tijd kunnen besteden. Apeldoorn kent ondanks de schaalvergroting en toenemende mobiliteit van de afgelopen decennia nog steeds een zeer fijnmazige voorzieningenstructuur. De nabijheid van voorzieningen vormt een van de belangrijke kwaliteiten van de Buitenstad. Waar zich ook maar enigszins kansen aandienen, zal de gemeente inzetten op behoud en versterking ervan. Voor de scouting betekent dit dat de gemeente wil dat de scouting haar huidige activiteiten kan blijven verrichten, maar wel met respect en behoud van de huidige groenstructuur en kwaliteiten én rekening houdend met de omwonenden. De bestaande bebouwing in deze groenstructuur is toegestaan, maar verdere uitbreiding of nieuwbouw is niet mogelijk. Daarom is de huidige bebouwing en het gebruik in dit bestemmingsplan vastgelegd. Dit betekent dat de bestaande gebouwen, waaronder de vergunde opslagschuur uit 2018, het vergunde gebouw 't Gaaiennest, dat met vergunning is gebouwd buiten een bouwvlak middels op maat gemaakte bouwvlakken worden vastgelegd. Ook de in het verleden gerealiseerde kleinschalige uitbreidingen aan bestaande gebouwen worden in het plan opgenomen. In ruil voor de vergunde opslagschuur worden twee bestaande bouwvlakken die nu onbebouwd zijn geschrapt.

Het gebruik ten behoeve van de buitenschoolse opvang wordt in deze herziening ook geregeld. Dit is in 2011 vergund en in 2019 via een nieuwe vergunning uitgebreid van twee naar maximaal 5 dagen in de week. Dit is geen intensivering van de bestaande planologische mogelijkheden, omdat die niet volledig worden benut door de scouting. De scouting is er alleen op vrijdagavond en zaterdagen, terwijl de scouting volgens het bestemmingsplan er dagelijks scoutingactiviteiten zou mogen uitoefenen. Bovendien zijn de activitieteiten van de buitenschoolse opvang qua aard en impact op de omgeving gelijkwaardig.

Verder worden de plekken van de twee bestaande amfitheaters of kampvuurkuilen en de hoogte van bestaande lichtmasten en vlaggenmasten vastgelegd. De amfitheaters waren eerst alleen een zitkuil, maar deze zijn in de loop der jaren verhard. Daar was een vergunning voor nodig, maar die is nooit gevraagd. Gelet op de beperkte impact op de omgeving, het langdurige gebruik ervan en de belangrijke functie ervan voor de scouting is dit in dit plan opgenomen. De lantaarnpalen zijn bedoeld om het terrein te verlichten en daarmee zichtbaarheid en veiligheid te creëren. Voor de scouting is het gebruikelijk om bij het begin van de activiteiten de vlag te hijsen. Het bezitten van vlaggenmasten is daarom van evident belang. Gelet hierop is het in dit plan toegestaan om lantaarnpalen en vlaggenmasten te realiseren van maximaal 4 m hoog.

Alle bebouwing is uitsluitend toegestaan in de scoutingzone, zoals die is weergegeven op de verbeelding. Gelet op het huidig gebruik dat al meer dan 100 jaar plaatsvindt en conform het bestemmingsplan uit 1980 wordt de zone 'scouting' gelegd over het hele perceel Jachtlaan 4-6 met uitzondering van een zone van 10 m vanaf de perceelsgrens met woonpercelen (aan de zuid- en oostkant). Aan de noord- en westkant liggen geen woonpercelen maar openbaar gebied (fietspaden, groen of wegen). Daar ligt de zone tot op de perceelsgrens. Dit gebruik valt onder het overgangsrecht en dat het in redelijkheid aanvaardbaar is deze situatie nu definitief en goed vast te leggen in verband met rechtszekerheid richting de scouting en omwonenden.

Ten aanzien van de in het huidig bestemmingsplan als 'bos- en parkstrook' bestemde gronden is gebleken dat een belangrijke regel over het niet bij recht mogen aanleggen van verhardingen, zoals wegen of terrassen, bij het vaststellen van het bestemmingsplan in 2009 per abuis niet in de voorschriften is opgenomen. Het is nooit de bedoeling geweest dat in deze bos- en parkstroken verhardingen mochten komen. Dat heeft geleid tot onduidelijkheden en een aantal handhavingszaken. Deze onduidelijkheden worden in de herziening hersteld.

5 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan Stadsdeel Noord-West herstelplan is een bestemmingsplan waarin de planologische mogelijkheden voor het terrein van de scouting op de Jachtlaan 4-6 in overeenstemming worden gebracht met de huidige situatie. De nieuwbouw van een opslagschuur, een vergund gebouw buiten de scoutingzone, de uitbreidingen van diverse gebouwen, de licht- en vlaggenmasten worden in dit plan geregeld. Ook de algemene regeling ten aanzien van bos- en parkstroken is aangepast.

5.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Toetsing

Ten aanzien van deze herziening is het aspect bodem niet relevant. De gebouwen van de scouting die nu in het herstelplan op een juiste wijze worden opgenomen zijn al vergund en dus indien nodig getoetst aan de wet- en regelgeving ten aanzien van de bodemgesteldheid. Verder wijzigt het gebruik van het perceel Jachtlaan 4-6, zoals als dat al ruim 100 jaar plaatsvindt, niet. De herziening ten aanzien van de bos- en stroken heeft geen directe gevolgen voor de bodem.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Het deel van het plangebied Jachtlaan 4-6 is aangemerkt als omgevingstype 'gemengd gebied' voor vanwege de ligging langs de hoofdinfrastructuur de Amersfoortseweg en de Jachtlaan. In dit gebied kan daarom van een kleinere richtafstand worden uitgegaan dan in de gebieden die zijn gekwalificeerd als rustige woonwijk. De scouting is beschouwd als buurt- en clubhuizen en/ of, mede gelet op het nevengebruik als buitenschoolse opvang, als kinderopvang. Daarvoor geldt een afstand van 10 m.

milieucategorie   SBI-code   omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
2   94991
88912  
buurt- en clubhuizen
Kinderopvang  
0   0   10   0  

figuur: milieucategorie indeling

De scouting op de Jachtlaan 4-6 heeft gelet hierop in het bestemmingsplan een zone gekregen waar ze haar activiteiten mag uitoefenen. Deze zone ligt op 10 m, geluid is namelijk het bepalende aspect, van de perceelsgrenzen van omliggende woningen aan de zuid- en oostzijde van het perceel. Dan is voldaan aan de eisen qua milieuzonering. Voor zover het perceel grenst aan openbaar gebied (noord- en westzijde) ligt de zone tot op de perceelsgrens. Dit gebruik voor scoutingactiviteiten vindt al 100 jaar op deze wijze plaatsvindt.

De bestaande gebouwen van de scouting liggen op twee na op meer dan 10 m van de aangrenzende woningen. Aangezien hier sprake is van een bestaande situatie van vele jaren geleden, is deze situatie aanvaardbaar in afwijking van de richtafstand van 10 m. Het gebruik voor buitenschoolse opvang is beperkt tot een zone aan de oostkant van het perceel Jachtlaan 4-6. Dit valt ruim buiten de 10 m -zone.

Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is de milieuzonering niet relevant. Dit regelt namelijk slechts dat verharding niet meer is toegestaan.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van enige wegen. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen aangelegd. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is de geluidhinder niet relevant.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Toetsing

Ten aanzien van deze herziening is het aspect luchtkwaliteit niet relevant. De gebouwen van de scouting die nu in het herstelplan op een juiste wijze worden opgenomen zijn al vergund en dus indien nodig getoetst aan de wet- en regelgeving ten aanzien van de luchtkwaliteit. Verder wijzigt het gebruik van het perceel Jachtlaan 4-6, zoals als dat al ruim 100 jaar plaatsvindt, niet.

Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is de luchtkwaliteit niet relevant.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR-contour zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Toetsing

Bevi

In de nabijheid van het perceel Jachtlaan 4-6 bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de nabijheid van het perceel Jachtlaan 4-6 bevindt zich de mobiele risicobron de N344, een provinciale weg die een doorgaande route is voor transport van gevaarlijke stoffen. In de tabel zijn de relevante externe veiligheidsaspecten van de N344 getoetst aan de afstand tot het plangebied.

Risicobron   PR-contour   PAG   Invloed gebied   bebouwingsvrije zone   afstand tot plangebied  
N344   niet aanwezig   nee   nee   n.v.t.   ca. 105 m  

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N 344 is dermate beperkt dat er geen significante externe veiligheidsrisico's zijn rond deze weg, zo blijkt uit de milieunota externe veiligheid van de gemeente Apeldoorn. Vanuit externe veiligheid heeft de N344 dus geen invloed.

Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is de externe veiligheid niet relevant.

5.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het perceel Jachtlaan 4-6 bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is dit aspect niet relevant.

5.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) is. De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij. In beide gevallen gelden de volgende verplichtingen:

  • de initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie opstellen (deze verplichting geldt niet wanneer de gemeente initiatiefnemer is);
  • het bevoegd gezag moet een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit moet zijn genomen voordat het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd;
  • de initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De effecten op milieu en natuur zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op basis van de resultatenan worden uitgesloten dat het plan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en de natuur. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook is het niet noodzakelijk een passende beoordeling en vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Algemeen

Dit herstelplan betreft een overwegend beheergericht bestemmingsplan. Jachtlaan 4 ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 1 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

5.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die door de provincie Gelderland in de Omgevingsvisie is vastgelegd. Uit gegevens van peilbuizen in de omgeving blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied tussen NAP+ 18,00 m en NAP+ 18,50 m ligt. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

5.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Er bevindt zich geen oppervlaktewater rondom of in het plangebied. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

5.2.4 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij een maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

In dit plangebied wordt het regenwater terplaatse geïnfiltreerd in de bodem.

5.2.5 Afvoer van afvalwater

Nieuwe gebouwen (geen extra maar ter vervanging van) moeten worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor eventuele extra vuilwaterafvoer van nieuwbouw.

5.2.6 Watertoets

Het plan omvat minder dan 10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

5.3 Natuurwaarden

5.3.1 Wettelijk kader en beleid
5.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

5.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen. De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast. Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.

5.3.2 Onderzoeksresultaten

Het gebied is niet als Natura-2000 of GNN aangewezen. Wel zijn dat de bos- en parkstroken, waaronder het perceel Jachtlaan 4-6, van belang voor het duurzaam in stand houden van de groene wijk. Het groen in de wijk is het fundament, bepalend op wijkniveau, draagt bij aan de identiteit van de wijk en biedt bescherming en migratiemogelijkheden voor diverse flora en fauna. Deze herziening biedt een passende regeling voor de locatie van de scouting Jachtlaan 4-6, maar wel binnen de grenzen van het behoud van de groenstructuur. Door de uitruil van de onbebouwde bouwvlakken voor de al gebouwde gebouwen op de locatie Jachtlaan 4-6 blijft de structuur in stand.

5.4 Duurzame verstedelijking

5.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

5.4.2 Onderzoeksresultaten

Van een stedelijke ontwikkeling is geen sprake, omdat de uitbreiding die met dit plan wordt gelegaliseerd minder is dan 500 m². Dan is van een stedelijke ontwikkeling geen sprake. Dit betekent dat de motivering op basis van de ladder niet noodzakelijk is. Verdere verruiming van bouwmogelijkheden dan wat in dit plan is mogelijk gemaakt, is niet toegestaan.

5.5 Archeologie

5.5.1 Beleid
5.5.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

5.5.1.2 Gemeentelijk beleid

Als vervolg op de heeft de gemeenteraad op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

  • Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

  • Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

  • Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

  • Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

  • Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

  • Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

5.5.2 Onderzoeksresultaten

Uit de Archeologische beleidskaart blijkt dat het perceel Jachtlaan 4-6 aangewezen is als zone met een (middel)hoge archeologische verwachting. Dit houdt in dat indien dit bestemmingsplan bodemingrepen mogelijk maken die dieper dan 35 cm meer dan 500m² bedragen, dit vooraf dient te worden gegaan door een archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1394-ont1_0009.png"

figuur: deel van de Archeologische beleidskaart met daarop het perceel Jachtlaan 4

Dit plan maakt geen bodemingrepen van meer dan 500m² mogelijk. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Ten aanzien van de herziening van de regels met betrekking tot de andere bos- en parkstroken is dit aspect niet relevant.

5.6 Cultuurhistorie

5.6.1 Wettelijk kader en beleid
5.6.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

5.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

5.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Op de cultuurhistorische beleidskaart die hoort bij de gemeentelijke , staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

5.6.2 Onderzoeksresultaten
5.6.2.1 Cultuurhistorische analyse

De wijk Berg en Bos is geen beschermd stads- of dorpsgezicht, maar is wel een wijk met hoge cultuurhistorische waarden. Het is een karakteristieke villawijk, gelegen in het bos, die zich kenmerkt door het groene bosachtige karakter. De grote kavels in het groen vormen de overgang van de stad naar de Veluwe. De cultuurhistorische waarden zijn gelegen in het samenspel van bebouwing, groen (bos), verkaveling, wegenpatroon en inrichting van de openbare ruimte. Het bestemmingsplan beschermt deze waarden, waar mogelijk. Deze herziening tast de cultuurhistorische waarden niet aan, gezien de beperkte bouwmogelijkheden die worden geboden en het verwijderen van bestaande onbebouwde bouwvlakken.

Aan de bos- en parkstroken wijzigt niets, behalve dat verhardingen niet zonder vergunning meer toegestaan zijn. Dit draagt bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden.

5.6.2.2 Monumenten

Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Erfgoedwet dan wel de Monumentenverordening als monument zijn aangewezen. In het plangebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten.

6 JURIDISCHE PLANOPZET

6.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische regeling. In paragraaf 6.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 6.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de verbeelding beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 6.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

6.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Stadsdeel Noord-West herstelplan is een gedeeltelijke herziening van een geldend bestemmingsplan. De bestaande en/ of vergunde situatie en het geldende recht zijn uitgangspunt voor de wijze van bestemmen. Daarmee wordt bedoeld dat de bestaande situatie is vastgelegd en is voorzien van een actuele regeling.

Er is een vrij gedetailleerde bestemmingssystematiek toegepast. Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

6.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

Bos- en parkstroken

De bestemming 'Bos- en parkstrook', waaronder perceel de Jachtlaan 4-6 in Apeldoorn is ingesteld om in de wijken Berg en Bos en het Sprengenbos de sfeer van groen en de wijk in het bos te handhaven. De bos- en parkstroken staan regelmatig onder druk door nieuwe initiatieven van inwoners en gebruikers voor de bouw van tuinhuisjes, overkappingen of de aanleg van een terras. Daarom worden de bos en parkstroken beschermd tegen bouwen en aanleggen van verharding. Bebouwing is hier niet toegestaan en verharding is zonder vergunning ook verboden. Aan de vergunning zijn strikte voorwaarden verbonden. Daar geldt het 'nee, tenzij'-principe. Alleen als de natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad, is aanleg van verhardingen mogelijk.
Aanduiding 'scouting'

Het perceel Jachtlaan 4-6 is aan de zijde waar deze grenst aan woonpercelen (zuid- en westzijde) tot 10 m van de perceelsgrenzen aangeduid met de aanduiding 'scoutingactiviteiten'. Waar geen woonpercelen liggen (noord- en oostkant), ligt de zone tot op de perceelsgrens. Daardoor mag dit gebied voor scoutingactiviteiten worden gebruikt. Alleen daar waar ook een bouwvlak is opgenomen, zijn gebouwen mogelijk. Ook zijn maximaal twee amfitheaters toegestaan. Die mogen alleen de bestaande afmetingen hebben, dus uitbreiding is niet toegestaan. Gebouwen mogen alleen in een bouwvlak. Deze zijn strak om de bestaande bebouwing gelegd. Nieuwe uitbreidingen zijn niet toegestaan. Binnen de zone zijn ook vlaggen- en lichtmasten en een toegangspoort mogelijk. Bij de scouting worden bij begin van de activiteiten altijd vlaggen gehesen. Die zijn dus onlosmakelijk aan de scouting verbonden.

6.4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 3 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

7 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Inspraak en overleg

pm

7.2 Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan is slechts een herstelplan van een al bestaand bestemmingsplan. Er is geen sprake van een bouwplan waarvoor een exploitatieplan verplicht is. Kostenverhaal is niet aan de orde. Daarmee is de