direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Marktplein
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1389-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Marktplein

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Het centraal gelegen Marktplein is een belangrijk plein in de binnenstad van Apeldoorn. In de jaren negentig van de vorige eeuw kreeg het zijn huidige vorm, met de bouw van het huidige stadhuis. Het plein is na vele jaren van intensief gebruik inmiddels technisch gezien grotendeels 'op'. Afwatering, klinkers, meubilair en fontein zijn verouderd en aan vervanging toe. Daarnaast voldoet de inrichting van het Marktplein niet meer aan de wensen van inwoners en bezoekers ten aanzien van de beleving van de ruimte. Het wordt veelal als groot en leeg ervaren. Dit heeft ertoe geleid dat is besloten over te gaan tot een herinrichting van het plein.

Er is gekozen voor een ambitieuze en breed gedragen aanpak van het plein. In zijn huidige vorm wordt het plein wordt vooral gebruikt voor de ambulante handel (markt). Een invulling die uitnodigt voor meer activiteiten en meer beleving is gewenst. In samenspraak met bewoners, ondernemers, vastgoedeigenaren en het publiek zijn de ambities voor het plein bepaald. Deze ambities hebben geleid tot een ontwerpprijsvraag voor een nieuwe inrichting. Er zijn vier ontwerpen voorgelegd aan het Apeldoorns publiek. Door middel van een verkiezing is een ontwerp gekozen. In december 2018 is de keuze voor het winnende ontwerp bekend gemaakt. Deze keuze is gevallen op het ontwerp van ontwerpbureau West 8.

Onderstaand het door West 8 geschetste beeld van het toekomstige van het Marktplein in vogelvluchtperspectief:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0001.png"

Na een herinrichting van de straten van het kernwinkelgebied van de afgelopen jaren, een volledige interne verbouwing van het aanliggende stadhuis welke in 2019 wordt afgerond en een herinrichting van de aansluitende Marktstraat in 2019, is 2020/2021 het moment om ook het Marktplein te voorzien van de gewenste technische en ruimtelijke opwaardering. Er is nagegaan in hoeverre de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden hiervoor toereikend zijn. Het bestaande bestemmingsplan Binnenstad-West laat niet alle onderdelen toe. In eerste instantie is per onderdeel bepaald wat de meest aangewezen weg is om te voorzien in de benodigde juridisch-planologische mogelijkheid. Voor de beoogde Markthal resulteert dit in de nu voorliggende herziening van het bestemmingsplan.

De overige onderdelen van het ontwerp zullen waar nodig middels separate procedures (omgevingsvergunningen/omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan) worden geregeld. Vervolgens zal het Marktplein te zijner tijd integraal worden geregeld in het nog op te stellen plan voor de Binnenstad. Het onderhavige bestemmingsplan ziet dus uitsluitend op de realisatie van de Markthal.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt centraal in het centrum van Apeldoorn. De Markthal is geprojecteerd aan de oostzijde van het plein. Ten noorden van de Markthal bevindt zich het Huis van de Stad. De Stationsstraat is gesitueerd ten oosten van het plein. Aan de west- en zuidzijde bevinden bebouwingswanden met binnenstadsfuncties zoals winkels, horeca etcetera. Ook is aan de westzijde het monumentale Raadhuis gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0002.png"

Luchtfoto plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0003.png"

Ligging in de stad

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het Marktplein maakt in de bestaande situatie deel uit van het bestemmingsplan Binnenstad-West. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 29 juni 2006.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0004.png"

Uitsnede vigerend plan Binnenstad-West

Het plangebied is bestemd als 'Verblijfsgebied'. De markthal past niet binnen de bouwregels bij deze bestemming, omdat er niet voorzien wordt in overkappingen. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voorzien in de benodigde mogelijkheid tot realisatie van de markthal.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Een bestemmingsplan is een gemeentelijk instrument om de ruimtelijke ordening van een gebied te regelen. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd wat de bestemming van een stuk grond is. Per bestemming is in het bestemmingsplan bepaald waarvoor en hoe de gronden gebruikt mogen worden en wat er op gebouwd mag worden.

Het bestaat formeel uit twee delen: regels en verbeelding, en gaat vergezeld van een toelichting:

  • de regels; hierin wordt per bestemming een omschrijving gegeven van de toegestane functies van de gronden en de zich daarop bevindende opstallen. Per bestemming wordt ook aangeven waar wel of niet mag worden gebouwd met eventueel bijbehorende maximale bouwmaten.
  • de verbeelding; op de verbeelding worden de verschillende bestemmingen van de gronden aangegeven;
  • de toelichting; hierin worden de overwegingen gegeven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming aan een stuk grond evenals een uitleg van de gebruikte bestemmingen.
  • Wat er in de regels en op de verbeelding van een bestemmingsplan staat is voor iedereen juridisch bindend, dus voor burgers, bedrijven, instellingen en ook voor overheden.

De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • een samenvatting van het relevante beleid en de regelgeving (hoofdstuk 2);
  • een beschrijving van het plangebied als geheel (hoofdstuk 3)
  • een beschrijving van de gewenste situatie (hoofdstuk 4)
  • een beschrijving van de planologische aspecten zoals milieu, water, natuur, archeologie, en cultuurhistorie verkeer en parkeren (hoofdstuk 5);
  • een onderbouwing van de juridische planopzet met een beschrijving van de bestemmingen en aanduidingen (hoofdstuk 6);
  • inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (hoofdstuk 7).

2 BELEIDSKADER

2.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.


Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

1.         Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

2.         Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel

3.         Sterke en gezonde steden en regio's

4.         Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie.

Bij prioriteit 2 wordt aangegeven dat de ambitie voor de lange termijn is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Er wordt daarbij ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. Nieuwvestiging van toerisme vindt bij voorkeur  plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet.

Bij prioriteit 3 word beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De realisatie van de Markthal als onderdeel van de herinrichting van het marktplein past binnen de ambities van de Nationale Omgevingsvisie

2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0005.png"

ambitie energietransitie

Gestreefd wordt naar een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten.]

ambitie klimaatadaptie

Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

De realisatie van de Markthal als onderdeel van de herinrichting van het marktplein sluit aan bij de ambities van genoemde Omgevingsvisie.

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

Op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omtrent de daarbij behorende toelichting. De provinciale verordening

Provinciale staten van Gelderland hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening bevat geen relevante onderdelen voor het voorliggende bestemmingsplan. Het plangebied is aangewezen als intrekgebied, een beschermingsgebied voor grondwater, maar omdat ter plekke al een ondergrondse parkeergarage aanwezig is, is dit aspect hier niet aan de orde.

2.4 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid.. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.

De realisatie van de Markthal als onderdeel van de herinrichting van het marktplein sluit aan bij de ambities van genoemde Structuurvisie.

2.5 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groenstructuurkaart, de Verordening Groene Balans en het Groenplan.

2.5.1 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen
  • Wijkgroenstructuur
  • Boomrijke gebieden

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen. Overigens ziet de Groenstructuurkaart niet op bijzondere bomen omdat dit geen structuren zijn. De bijzondere bomen zijn beschermd in de bestemmingsplannen.

Op het marktplein is de aanwijzing als 'Boomrijke gebieden' van toepassing. Deze kwalificatie ziet op het langdurig in stand houden van het geheel van groen en rood in onderlinge samenhang, en van het groene karakter van de buurt.

De te realiseren Markthal zal niet ten koste gaan van bestaand groen. In het herinrichtingsontwerp van het marktplein als geheel is ook rekening gehouden met de beoogde verwevenheid met groen. Aan het ontwerp wordt aandacht besteed in paragraaf 4.2 Ontwerp Marktplein. 

2.5.2 Verordening Groene Balans

In maart 2018 heeft de gemeenteraad de verordening 'Groene Balans: compensatie en verevening van groene waarden' vastgesteld. De verordening is met name van toepassing op een ruimtelijke ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone als vastgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland.

Het plangebied valt hier niet binnen.

2.5.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Zoals hierboven aangegeven in paragraaf 2.5.1, is er ter plaatse van de te realiseren Markthal geen groen aanwezig. In het herinrichtingsontwerp van het marktplein als geheel wordt wel voorzien in groen.

2.6 Detailhandelsvisie 2014-2019

Op 16 januari 2014 heeft de gemeenteraad de Detailhandelsvisie 2014-2019 vastgesteld. De Detailhandelsvisie beschrijft de gemeentelijke visie op en ambities voor de lokale winkelstructuur. In de visie zijn de vijf hefbomen benoemd waar beweging noodzakelijk is en die bepalend zijn in het bereiken van het gewenste toekomstbeeld voor de detailhandel: de ontwikkeling van een robuuste, dynamische en complete winkelstructuur in Apeldoorn. Het gaat hierbij om:

  • 1. Uitnodigende Binnenstad
    De toekomstige binnenstad is compact en compleet, goed bereikbaar en heeft een plezierig en aantrekkelijk verblijfsklimaat. Een bezoek aan Apeldoorn is een ‘dagattractie’. De binnenstad is een regionale trekpleister met winkels, horeca, cultuur, bezienswaardigheden en evenementen. Deze ambitie wordt gerealiseerd door aanpak van de aanloopstraten, actief de leegstand te bestrijden, bracheverbreding te faciliteren en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.
  • 2. Vitale en fijnmazige winkelstructuur
    De fijnmazige winkelstructuur is uitgangspunt van beleid. In de visie wordt ruimte geboden voor dynamiek en staat het gemeentebestuur open voor nieuwe initiatieven die de vitaliteit versterken.
  • 3. Grootschalige en perifere detailhandel
    Locaties voor grootschalige en perifere detailhandel zijn een wezenlijk onderdeel van de Apeldoornse winkelstructuur, met ieder een eigen signatuur. In de visie wordt gekozen voor het verder ontwikkelen van deze locaties met ieder een duidelijk kernprofiel.
  • 4. Internetwinkels
    Internetwinkels willen zich vestigen op bedrijventerreinen en woonwijken. De nota beschrijft de kaders voor internetbedrijven met als uitgangspunt dat de gemeente deze bedrijven graag wil huisvesten.
  • 5. Maatwerk
    Een visie over de gewenste detailhandelstructuur in Apeldoorn biedt richting, maar laat ook vragen onbeantwoord. Er zullen initiatieven komen die niet één op één passen in het voorgestane beeld. De deur gaat dan niet dicht maar het gemeentebestuur gaat in gesprek en kijkt met de initiatiefnemer naar mogelijkheden. Wel ruimte, geen willekeur. In de nota is aandacht voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan dit maatwerk.

De realisatie van de markthal is een onderdeel van de geplande herinrichting van het marktplein. Als zodanig draagt dit met name bij aan de ambitie van een uitnodigende Binnenstad.

2.7 Verkeersvisie 2016 - 2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). Deze Verkeersvisie is een uitwerking van de gemeentelijke Structuurvisie 2030 Buitenstad voor het onderdeel mobiliteit. De gemeentelijke Structuurvisie 2030 Buitenstad noemt vier ambities voor de gemeente Apeldoorn:

    • 1. Comfortabele gezinsstad
    • 2. Toeristisch toplandschap
    • 3. Veelzijdige economie
    • 4. Lokale duurzaamheid


Deze ambities zijn in de Verkeersvisie 2016-2030 uitgewerkt voor het onderdeel mobiliteit. Voor het plangebied is de ambitie Comfortabele gezinsstad van belang. Apeldoorn heeft de ambitie om voor gezinnen een aantrekkelijke stad te zijn. Het aantal inwoners zal de komende jaren groeien en het aantal ouderen zal toenemen. Voor mobiliteit betekent een comfortabele gezinsstad dat iedereen (van 8 tot 88 jaar) zich veilig kan verplaatsen en er sprake is van een bereikbare, leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel vanwege het duurzame karakter, gezondheidsredenen en de relatief korte afstanden. Ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen

In de Verkeersvisie zijn de ambities uit de structuurvisie vertaald in de volgende kernopgaven:

  • Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets;
  • transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer;
  • beter en veilig gebruik van de infrastructuur.

Drie aspecten lopen als een rode draad door de uitvoering van deze kernopgaven:

  • maatregelen zijn duurzaam;
  • maatregelen zijn innovatief;
  • maatregelen worden waar nodig op het specifieke gebied afgestemd (gebiedsgerichte uitwerking).

De verkeersvisie gaat voornamelijk over de hoofdinfrastructuur voor fiets, bus en auto en dus niet over kleine straatjes zoals in het plangebied wordt gerealiseerd. Voor het plangebied is met name een veilige duurzame inrichting van de openbare ruimte van belang. Hierbij hoort een goede bereikbaarheid naar de omliggende straten en een veilige woonomgeving. Bij de nieuwe situatie van het marktplein is met deze aspecten rekening gehouden.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de gemeentelijke Parkeernota (oktober 2004). De gemeente stelt geen maximum aan het aantal parkeerplaatsen bij woningen, de parkeernorm geeft aan wat in ieder geval aangelegd moet worden. De parkeernota zal op korte termijn worden geactualiseerd. Dit heeft geen consequenties voor de parkeernorm van de woningen in de omgeving van het plangebied.

Er wordt gezocht naar mogelijkheden voor de stalliung van fietsen in de directe omgeving van het Marktplain. Daarmee zal een bijdrage worden geleverd aan Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad.

2.8 Waterbeleid

2.8.1 Nationaal beleid
2.8.1.1 Nationaal Waterplan 2016-2020

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten. In het plan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics).
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties.
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

2.8.1.2 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

In paragraaf 5.2PM van deze toelichting is bedoelde beschrijving, de 'watertoets, opgenomen.

2.8.2 Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben. In de onderhavige situatie wordt gebouwd op reeds verhard terrein op een bestaande parkeergarage. Een effect op (grond) water of waterafhankelijke natuur is daarom niet aan de orde.

2.8.3 Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing. De regels van de keur vormen geen belemmering voor de nu voorgestane ontwikkelingen. Ook voldoen deze aan het waterbeheerprogramma. Dit is uitgewerkt in de watertoets bij deze toelichting, opgenomen in paragraaf 5.2.

2.8.4 Gemeentelijk beleid
2.8.4.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid. De watertoets is beschreven in paragraaf 5.2 bij deze toelichting.

2.8.4.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met onderstaande uitgangspunten:

  • Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.)
  • Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • Grondwaterneutraal bouwen.

Het nu voorliggende plan past binnen deze uitgangspunten.

2.9 Nota Apeldoorns Karakter!

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart. Deze worden beschreven in de paragrafen 5.5 respectievelijk 5.6 .

2.10 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. In december 2020 is deze nota door de gemeenteraad van Apeldoorn verlengd tot het moment dat het omgevingsplan voor het hele grondgebied van de gemeente Apeldoorn vigerend is. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn en werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0006.png"

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken.
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht.
  • Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
    Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.

Het voorliggende plan is beoordeeld op zijn ruimtelijke kwaliteit. In het kader van de omgevingsvergunning komt de formele welstandstoets aan de orde.

2.11 Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, Programma vrijetijdseconomie

In de notitie Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, die in juni 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het programma voor het onderdeel vrijetijdseconomie van de structuurvisie-ambitie Toeristisch toplandschap uitgewerkt. De doelen van het programma zijn:

  • 1. De vrijetijdssector draagt bij aan de doelstelling 100.000 arbeidsplaatsen in Apeldoorn.
  • 2. Meer bezoekers in de binnenstad en dorpen.
  • 3. Hogere bestedingen gelijk aan het landelijke gemiddelde

Om deze doelen te realiseren zet Apeldoorn in op de volgende vier opgaven:

  • 1. Toplocatie outdoor
    De ambitie is de Veluwe als meest aantrekkelijke outdoor-regio van Nederland waar bewoners en bezoekers actief kunnen ontspannen. Om deze ambitie waar te kunnen maken zijn een excellent routenetwerk en fantastische buitensportvoorzieningen een vereiste.
  • 2. Excellent verblijven
    Apeldoorn wil een verblijfsrecreatie met een onderscheidend, aantrekkelijk en duurzaam aanbod voor zowel kort als lang verblijf. Een belangrijke opgave daarbij is het bieden van voldoende ontwikkelruimte, flexibiliteit en belevingsmogelijkheden aan kansrijke bedrijven.
    Apeldoorn ondersteunt de doelstelling van Apeldoorn Congresstad om het aantal zakelijke congressen te laten stijgen.
    Apeldoorn zet in op vitale Apeldoornse top-dagattracties (Apenheul, Koningin Julianatoren, Paleis Het Loo). Binnen de kaders zoals die voor Apeldoorn-West nog in ontwikkeling zijn wordt ontwikkelruimte, goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid geboden. Tegelijk zal overlast voor omwonenden en natuur beperkt moeten worden.
    Digitale bereikbaarheid moet overal op de Veluwe gewoon goed zijn. Daarnaast is bereikbaarheid per openbaar vervoer van de Veluwe en Apeldoorn een belangrijke opgave.
  • 3. Oranje Beleven
    De kernwaarde koninklijk wil Apeldoorn benutten als het toeristisch Trademark van Apeldoorn. Paleis Het Loo is hierin de beeldbepalende partner met internationale allure. Daarnaast is het nodig dat de kernwaarde koninklijk veel meer zichtbaar en beleefbaar wordt in het toeristisch product, routes, binnenstad, horeca, evenementen, storytelling, et cetera.
  • 4. Meer funshoppers
    Funshoppen is in Nederland na wandelen de populairste vrijetijdsactiviteit. Het is dan ook een belangrijke opgave om meer toeristen vanuit de Veluwe naar de binnenstad te trekken.

Bij het realiseren van deze opgaven wordt aangehaakt op de nationale strategie Vinden, Verrassen, Verbinden zoals die is verwoord in de Visie op de Nederlandse gastvrijheidseconomie 2025. Daardoor kan de ontwikkeling van de Apeldoornse vrijetijdseconomie goed ingebed worden in de nationale ontwikkeling.

Uitgangspunt is dat het aan de ondernemer zelf is om kansen te benutten, ondernemerschap en durf te tonen. Op basis van de nationale strategie wordt van de overheid een stimulerende en ondersteunende rol verwacht. Een overheid die de randvoorwaarden creëert waarbinnen ondernemers kunnen ondernemen maar ook de maatschappelijke belangen zijn geborgd. De gemeente Apeldoorn wil deze rol oppakken door in te zetten op:

  • Samenwerking
  • Innovatie
  • Marketing & Gastheerschap
  • Kwaliteiten beschermen
  • Lobby

De herinrichting van het marktplein, met als onderdeel daarvan de realisatie van de nu voorliggende Markthal, draagt bij aan de ambities van de notitie Welkom in Apeldoorn op de Veluwe.

2.12 Evenementenbeleid

Het gemeentelijke beleid voor evenementen is vastgelegd in de Nota evenementenbeleid de levendige stad en in de Nota Geluid en Evenementen 2016.

2.12.1 Nota 'De levendige stad, evenementenbeleid Apeldoorn'

De gemeenteraad heeft op 19 november 2015 de beleidsnota 'De levendige stad, evenementenbeleid Apeldoorn' vastgesteld. Kernpunten hieruit zijn:

  • Evenementen moeten bijdragen aan de strategische Structuurvisie-ambities Comfortabele gezinsstad, Toeristisch toplandschap, Veelzijdige economie en Lokale duurzaamheid.
  • Evenementen die aansluiten bij de thema's van de citymarketingstrategie in relatie tot de strategische ambities krijgen de status Citymarketing Evenement, deze evenementen krijgen ondersteuning vanuit de Citymarketing.
  • Apeldoorn zet zich in om top(sport)evementen naar de stad te halen.
  • Voor een betere afstemming komt er een strategische meerjarenplanning voor evenementen en wordt de Jaarkalender Evenementen gebruikt als sturingsinstrument.
  • De krachten worden gebundeld door één organisatie voor evenementen, VVV en citymarketing.
  • Evenementen worden gemonitord en er komen locatieprofielen voor de locaties waar geregeld evenementen worden gehouden.
2.12.2 Nota Geluid bij Evenementen

In 2016 is, als uitvloeisel van het nieuwe evenementenbeleid, gestart met het opstellen van de beleidsnota Geluid bij Evenementen, die de Notitie Geluid en Evenementen uit 2008 zal vervangen. In dit bestemmingsplan is de regeling voor evenementen en de uitvoerbaarheidstoets op dit aspect gebaseerd op het nieuwe beleid.

In de nota wordt ingegaan op de volgende aspecten van geluidsevenementen:

  • gebied:
    • 1. buitenlocaties in binnenstad
    • 2. buitenlocaties in stedelijk gebied Apeldoorn buiten de binnenstad en in de dorpen
    • 3. buitenlocaties in buitengebied en aan de randen van de stad en de dorpen
    • 4. binnenlocaties in binnenstad
    • 5. binnenlocaties in stedelijk gebied Apeldoorn buiten de binnenstad en in de dorpen
    • 6. binnenlocaties in buitengebied en aan de randen van de stad en de dorpen
  • type geluidsevenement:
    • 1. categorie I evenementen: evenementen waarbij op kleinschalige wijze versterkt (muziek)geluid wordt geproduceerd, maar waarbij dit duidelijk een ondergeschikte vorm van vermaak is.
    • 2. categorie II-geluidevenementen: evenementen waarbij versterkt (muziek)geluid prominent aanwezig is en/of vermaak door middel van het produceren van versterkt (muziek) geluid een van de hoofddoelen is.
  • frequentie van de evenementen, met een maximum aantal evenementen en een maximum aantal dagen per evenement
  • eindtijden voor geluid, met een differentiatie naar vrijdag + zaterdag respectievelijk zondag t/m donderdag
  • geluidsnormen per type geluidsevenement in:
    • 1. dB(C): geluidsnorm voor laagfrequent geluid (ver doorklinkende bastonen waardoor muziek voor de bezoeker niet alleen hoorbaar maar ook voelbaar is, het deel van het muziekgeluid dat over het algemeen zorgt voor de meeste overlast bij omwonenden omdat dat geluid verder draagt en gemakkelijker door muren en ramen dringt)
    • 2. dB(A): geluidsnorm voor 'gewoon' geluid

 

Voor de locaties waar incidenteel een of meer evenementen worden gehouden geeft de Nota standaardvoorwaarden voor geluidevenementen. Voor locaties die regelmatig worden gebruikt voor evenementen worden locatieprofielen vastgesteld. De locatieprofielen geven aan wat de ambities zijn voor een bepaalde locatie, welk type evenementen goed past op die plaats, waar de parkeermogelijkheden zijn, welke straten moeten worden geïnformeerd bij een naderend evenement en welke regeling er in het geldende bestemmingsplan voor evenementen is opgenomen. Daarnaast geeft het de organisatoren instructies over wat er van hen wordt verwacht. In ieder locatieprofiel worden voor de hiervoor genoemde aspecten van geluidsevenementen voorwaarden vastgelegd.

Het nu voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in een juridisch-planologisch kader voor evenementen. Het nu voorliggende bestemmingsplan is fragmentarisch van opzet en ziet uitsluitend op de realisatie van de Markthal. Het kader voor evenementen zal betrokken worden bij het op te stellen plan voor de binnenstad, waarin het beleid voor het marktplein als geheel zal worden opgenomen Tot die tijd zal per evenement, in het kader van een separate vergunning, worden bezien of dit in juridisch-planologische zin wenselijk is.

3 BESTAANDE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

In het verleden werden de Apeldoornse markten, variërend van een groentemarkt, veemarkt, paardenmarkt, graanmarkt, botermarkt en varkensmarkt, op het Raadhuisplein gehouden. Omstreeks 1870 werd de nieuwe markt achter het Raadhuis (het huidige Marktplein) gerealiseerd. Dit gebeurde toen de gemeente het stuk grond tussen de Deventerstraat en het Raadhuis van de toenmalige burgemeester Tutein Nolthenius kocht, met als doel om de markt (en het dorp) uit te breiden. Deze markt groeide uit tot één van de grootste markten in Nederland. In de 20e eeuw vond er op de markt verschillende handel plaats, waaronder in vee, boter, eieren, pluimvee en auto's. Tegenwoordig vindt hier op verschillende dagen een warenmarkt plaats.

De zuidzijde van het plein bestaat uit een rij historische gebouwen (Marktplein 24 t/m 38) met positieve cultuurhistorisch waarden, dat een verhaal verteld over de stad en het ontstaan van deze plek. Op de hoek met de Stationsstraat is het, cultuurhistorisch minder interessante, kantoorgebouw van de Rabobank verschenen. Aan de andere kant van de Stationsstraat staat het oude kantongerecht, dat een gemeentelijke monumentenstatus heeft.

Het voormalige politiebureau aan de Deventerstraat, aangemerkt als gemeentelijk monument, vormde destijds de noordzijde van het Markplein. In de jaren '80 en '90 vonden er verschillende veranderingen aan deze noordzijde plaats, onder andere de bouw van een ondergrondse parkeergarage en de sloop van een flat aan de Deventerstraat. Door de bouw van het nieuwe stadhuis (Markplein 1) in 1990, is de noordelijke wand van het Marktplein verschoven en heeft het plein haar huidige afbakening gekregen. Het stadhuis is door zijn vorm, functie en betekenis voor de stad waardevol. De functie van het gebouw rechtvaardigt de dominante positie op het plein. Een positie die voorheen werd ingenomen door het monumentale Raadhuis aan de westzijde van het plein.

Aan de westelijke zijde omarmt het nieuwe stadhuis het oude postkantoor (gemeentelijk monument). Tegenover het oude postkantoor bestaat tevens de hele gevelrij uit historische panden. Deze panden aan Marktplein 9 t/m 17 en Deventerstraat 16 zijn van hoge cultuurhistorische waarden en zijn in het bestemmingsplan aangemerkt als karakteristieke bebouwing. Met name nr. 17 heeft bijzondere raampartijen.

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Ligging in de stad

De Hoofdstraat als belangrijkste winkelstraat van Apeldoorn en de daaraan parallel lopende Stationsstraat vormen belangrijke in noordzuid richting lopende structuren in het centrum. Het Marktplein is opgesloten en verbonden tussen deze structuren; direct verbonden aan de Stationsstraat en via twee doorgangen met het Raadhuisplein verbonden met de Hoofdstraat.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0007.png"

Het Marktplein is circa 60 x 160 meter groot en is het grootste en belangrijkste plein in het centrum van Apeldoorn.

Karakteristiek

De rechthoekige ruimte wordt aan vier zijden begrenst door bebouwing: Het stadhuis aan de noordzijde, Een samengestelde wand met verschillende functies aan de oost- en zuidzijde en het Raadhuis aan de westzijde. Het verschil in maat en schaal van de vier gevelwanden rondom het plein is groot. Zo vormt het Stadhuis dat één van de lange zijdes van het plein begrenst een monumentale wand van circa 130 meter lang en 6 bouwlagen hoog. Door de opzet, massa en architectonische expressie bepaald dit gebouw in grote mate het plein. Alle andere bebouwingswanden zijn hieraan ondergeschikt. De tegenoverliggende zuidelijke wand is samengesteld uit bebouwing uit verschillende periodes en kent een diversiteit aan massa's (van 2 lagen met kap tot 4 lagen plat), functies (wonen, detailhandel, horeca) en architectuur (traditioneel tot modern). Dat geldt ook voor de oostelijke bebouwingswand die hier bestaat uit het monumentale Oude Kantongerecht-gebouw in twee lagen met schildkap (nu een restaurant) en een naastgelegen modern kantoorgebouw in vijf lagen. Qua maat en schaal sluit het oude raadhuis op de andere kop van het plein aan bij het Oude Kantongerecht. Beiden zijn monumentale gebouwen uit eenzelfde periode met een klassieke architectuur.

De halfvrijstaande stadhuistoren markeert de noordoosthoek van het plein. Door de positie vormt het tevens een visueel accent in de as van de Stationsstraat en kondigt daarmee het hart van de stad van verre aan. Feitelijk vormt deze toren het contrapunt van het oude Raadhuis als accent aan het zuidwesten van het plein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0008.png"

Ontsluiting / aanhaking op omgeving

Het plein wordt aan alle zijden door middel van straten met de omgeving verbonden. Aan de oostzijde de Stationsstraat die langs de kop van het plein loopt. Aan de westzijde de Marktstraat en twee verbindingsstraten naar het Raadhuisplein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0009.png"

Inrichting

Het plein is geheel verhard met klinkerbestrating. Tegenover het oude Raadhuis is een bladvormige verbijzondering gemaakt in hardsteen waarin fonteinen zijn opgenomen. Op het plein staan verder twee kleine entreegebouwtjes van de onder het plein liggende parkeergarage. Deze zijn in eenzelfde architectuur uitgevoerd als het stadhuis. Door het nagenoeg geheel ontbreken van groen komt het plein 'stenig' en 'hard' over. Dit wordt slechts verzacht door een bomenrij aan de zuidkant van het plein.

3.3 Verkeer en vervoer

Het plangebied ligt in het centrum van Apeldoorn en maakt deel uit van het voetgangersdomein. Het voetgangersdomein is bedoeld voor voetgangers en op venstertijden zijn fietsen en bevoorradend verkeer toegestaan. Daarnaast is er een ontheffingsregeling voor toegankelijkheid van het voetgangersdomein buiten deze venstertijden voor gemotoriseerd verkeer.

Aan de oostzijde van het Marktplein ligt de Stationsstraat. De Stationsstraat maakt deel uit van de Apeldoornse hoofdfietsstructuur (fietsdoorstroomas). Ook is de Stationsstraat onderdeel van zowel de regionale- als de stedelijke hoofdroute voor het openbaar vervoer. Ter hoogte van het Marktplein is een belangrijke en drukke bushalte.

In de Stationsstraat geldt voor het gemotoriseerd verkeer (behalve bus, taxi en bevoorradend verkeer) éénrichtingsverkeer in noordelijke richting. Ook is er sprake van een busbaan en een vrijliggende fietsverbinding.

Onder het marktplein bevindt zich een parkeergarage. Deze is toegankelijk vanaf de Deventerstraat, De Deventerstraat maakt onderdeel uit van de Apeldoornse hoofdwegenstructuur (centrumring).

3.4 Kabels en leidingen

Ter voorbereiding van de uitwerking van het technisch ontwerp wordt een aantal proefsleuven gegraven (binnen de werkgrens). Dit is ter verificatie van de kabels en leidingen die op de KLIC melding staan en om te kijken hoeveel weesleidingen er aanwezig zijn. Voor de uitvoering van de werkzaamheden zijn de bestaande kabels en leidingen ter hoogte van de bushalte een aandachtspunt. Dit vanwege de geplande bomen (3 stuks) met de benodigde boombunkers op de locatie van de nieuwe bushalte. In overleg met de NUTS wordt bepaalt of de bestaande kabels en leidingen verlegd moeten worden.

Verder ligt er op het dak van de parkeergarage een bestaand drainagesysteem dat moet blijven functioneren.

4 PLANBESCHRIJVING

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied weer. Daarbij wordt de Markthal in de bredere context van de herinrichting van het marktplein geplaatst. Daartoe wordt allereerst beschreven welke uitgangspunten zijn gehanteerd ten aanzien van de herinrichting van het marktplein en meer specifiek de te realiseren Markthal.

4.1 Nota van uitgangspunten

In het najaar van 2017 is gestart met het opstellen van de Nota van uitgangspunten voor de het op te stellen schetsontwerp voor de herinrichting van het marktplein. Deze nota is opgesteld als basis voor de leidraad van de ontwerpprijsvraag voor de herinrichting, waaraan een viertal bureaus heeft deelgenomen. De randvoorwaarden voor de Nota van uitgangsgpunten zijn opgehaald bij een brede groep, middels een oproep aan het brede publiek in het regionale dagblad, en middels een aantal bijeenkomsten bij gebruikers en direct aanwonenden van het plein. De Nota van uitgangspunten is vastgesteld door de gemeenteraad.

In de nota zijn ten aanzien van de herinrichting ambities en functionele randvoorwaarden geformuleerd. Hieronder worden deze samengevat weergegeven:

Ambities

Voor het nieuw in te richten marktplein is in de nota van uitgangspunten de volgende ambitie geformuleerd:

'Het Marktplein is een aangename en levendige verblijfsruimte die op alle momenten van de dag en door de seizoenen heen mensen uitnodigt om het plein te betreden en er te verblijven. Het is een plein waar de Apeldoorner trots op is en waar de stad graag en vaak haar gasten ontvangt in een ambiance die mensen ervaren als 'typisch Apeldoorn'. Soms heel druk, soms heel rustig maar altijd uitnodigend, behaaglijk en met een menselijke maat'.

  • Dit vindt zijn vertaling in een drietal opgaves:
  • 1. Het plein biedt elke dag en over de seizoenen heen een aangenaam en levendig verblijfsklimaat.
  • 2. Het plein stimuleert interactie met de omgeving;
  • 3. Het plein draagt de Apeldoornse identiteit uit.

Functionele randvoorwaarden

Er is onderscheid gemaakt in functies waaraan het plein ruimte moet bieden, in functies die een raakvlak hebben met het plein en in aanvullende aandachtspunten die bij de uitwerking moeten worden betrokken:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0010.png"

Functies die op het plein moeten plaatsvinden:

  • Warenmarkt
  • Kermissen en evenementen
  • Sport, spel en verblijven
  • Terrassen (met name vanuit de zuidelijke pleinwand)
  • Fietsroute en fietsenstalling

Functies die een raakvlak hebben met het plein:

  • Parkeergarage
  • Fietsenstalling
  • Stadhuis
  • Raadhuis
  • Zuidelijke pleinwand
  • Stationsstraat
  • Markstraat - Marktplein (straatdeel)

Aandachtspunten:

  • Klimatologische uitgangssituatie
  • Afkoppeling regenwater Marktplein
  • Een Apeldoorns icoon
  • Bestaande bomen
  • Bewoners rond het plein

De randvoorwaarden ten aanzien van bovenstaande onderdelen zijn uitgewerkt in de nota van uitgangspunten en bij het uitzetten van de ontwerpopdracht meegegeven. De ondergrondse fietsenstalling is daarbij in de latere besluitvorming vervallen. Gezocht wordt naar voor bovengrondse mogelijkheden in de directe nabijheid van het marktplein.

4.2 Ontwerp Marktplein

In 2018 is een ontwerpprijsvraag 'Het plein van de Stad' uitgeschreven onder vier bureaus voor een nieuwe inrichting van het Marktplein. De bevolking van Apeldoorn kon stemmen op één van de ontwerpen en hierbij is het voorstel van West 8 als winnaar uit de bus gekomen. Door het ontwerp van West 8 krijgt het plein nieuw elan, een stevige verduurzaming, geleding, groen en intimiteit.

In het ontwerp van West 8 liggen aan de zuidkant van het plein terrassen en onder de bestaande platanen staan houten banken die uitzicht op het plein bieden. Voor voetgangers en fietsers worden overzichtelijke routes gecreëerd. Ook komt er aan de zuidkant van het plein een bank waar bijvoorbeeld passagiers op de bus kunnen wachten.

Er is in het ontwerp ook meer ruimte voor groen op het plein. Dit geeft het plein een aantrekkelijker aanblik en een betere verblijfskwaliteit. Dit past naadloos bij de ambitie om de binnenstad nog aantrekkelijker te maken en de groene 'Veluwse identiteit' nóg zichtbaarder te maken, onder het motto "Stadspark van Aeldoorn'. Op de as van het raadhuis is een interactieve fontein bedacht, waar kinderen kunnen spelen en die een 'twinkeling' aan het plein moet geven. Aan de noordwestzijde van het Marktplein, nabij de fontein, staat een grote boombank met een groene beplanting en drie eiken. Ook aan de oostkant van het plein, naast de markthal, komt een rij nieuwe bomen. 

Dé eyecatcher in het plan is een ruime markthal in de oosthoek van het plein. Deze geeft het plein meer intimiteit en betrekt het gebied meer bij de binnenstad. Daarbij nodigt het uit tot meer activiteit gedurende het hele jaar. De locatie, de vorm en de materialisering zijn zorgvuldig gekozen. De belangrijkste kenmerken van deze Apeldoornse markthal zijn:

  • Introduceert een menselijke maat voor het plein;
  • Creëert een levendiger plein door:

Programma mogelijkheden te vergroten, i.r.t. het Huis van de Stad, als agora, voor verschillende evenementen;

Gebruik doorheen het hele jaar te vergoten, biedt in alle seizoenen een droge, beschutte plek;

Verblijfskwaliteit te vergroten (door beschutting en uitbreiding diversiteit plekken);

  • Maakt een duurzamer, klimaatadaptiever marktplein door:

Retentie of infiltratie van (niet door markt vervuild) regenwater;

Voorkomen van hitte stress, de overkapping is van nature schaduwrijk;

Mogelijk maken van opwekken duurzame elektriciteit;

Een materialisering in hout;

  • Vormt op vanzelfsprekende wijze de noodzakelijke overkapping van de entree van een fietsenstalling wanneer hier eventueel voor gekozen wordt;
  • Heeft een houten constructie die, geplaatst onder een ruim overkragend dak, onderhoudsarm is.
  • Draagt sterk bij aan het karakter van Apeldoorn en versterkt de mentale link met haar ligging aan de Veluwe;
  • Versterkt de binnenstad door het plein ruimtelijk duidelijker en programmatisch steviger met het kern winkelgebied te verbinden.

4.3 Verkeersontsluiting en parkeren

De verkeersontsluiting van het marktplein zal niet wezenlijk worden aangepast. Verder heeft het plan geen impact op de parkeerbehoefte. Het is van belang dat de omliggende straten goed bereikbaar en veilig begaanbaar zijn. Hierboven, in de beschrijving van het ontwerp, is aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan.

4.4 Duurzaam bouwen

Alle bestratingsmaterialen worden uitgevoerd met straatbakstenen, deze producten gaan meer dan 100 jaar mee. Straatbakstenen bestaan volledig uit natuurproducten zonder kunstmatige toevoegingen.

De markthal wordt grotendeels gebouwd van eikenhout. De daken worden dusdanig ontworpen dat de plaatsing van zonnepanelen mogelijk is.

Het marktplein en de markthal worden afgekoppeld. Het hemelwater dat op het dakoppervlak en op de verharding valt wordt via een aantal voorzuiveringsputten geïnfiltreerd in de bodem.

De nieuwe openbare verlichting wordt uitgevoerd met LED lichtbronnen.

5 UITVOERBAARHEID

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

5.1.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Beoordeling aspect bodem

Er is geen sprake van een evidente functiewijziging. Daarnaast is onder het marktplein al een parkeergarage aanwezig. Mensen zullen daar niet langdurig verblijven. Hierdoor is het aspect bodem niet relevant voor een verdere beoordeling.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Afhankelijk van het omgevingstype enerzijds, en de aard van toegestane activiteiten anderzijds, worden daarin richtafstanden geadviseerd ten opzichte van milieugevoelige functies.

Naast de geadviseerde milieuzonering op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Beoordeling aspect milieuzonering

Het aspect milieuzonering is met name aan de orde als er sprake is van een ander gebruik van de gronden. In het voorliggende geval blijft het gebruik van het marktplein ongewijzigd, het wordt alleen overkapt.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Daarbij dient te worden nagegaan of de geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen past binnen de aangegeven kaders, voor zover het bestemmingsplan hierop ziet. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen.

Beoordeling aspect wegverkeerslawaai

Het voorliggende bestemmingsplan laat geen geluidgevoelige bestemmingen toe. De wet geluidhinder is niet relevant voor het voorliggende bestemmingsplan. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is er geen aanleiding om dit aspect nader te onderzoeken.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Beoordeling aspect luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt de realisatie van een markthal. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Hierdoor is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe worden in het beleid voor externe veiligheid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en per transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud van de buisleidingen.

Nota Milieuveiligheid Apeldoorn

Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid, die in december 2011 is vastgesteld, is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Beoordeling aspect externe veiligheid

De markthal wordt niet gezien als een (beperkt) kwestbaar object. Ook zijn er geen risicobronnen in de nabijheid gelegen. Nader onderzoek naar dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

5.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Beoordeling aspect elektromagnetsische velden

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Onderzoek naar dit aspect is dan ook niet aan de orde.

5.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) is. De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het ook verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij. In beide gevallen gelden de volgende verplichtingen:

  • de initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie opstellen (deze verplichting geldt niet wanneer de gemeente initiatiefnemer is);
  • het bevoegd gezag moet een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit moet zijn genomen voordat het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd;
  • de initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

Beoordeling aspect Milieueffectrapportage

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De effecten op milieu en natuur zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Op basis van de resultaten, beschreven in hoofdstuk 5 kan worden uitgesloten dat het plan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en de natuur. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook is het niet noodzakelijk een passende beoordeling en vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Algemeen

Het bestemmingsplan Marktplein ligt binnen het stedelijk gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

5.2.2 Grondwater

De voorgenomen ontwikkelingen (bouw markthal) zijn voorzien op een bestaande ondergrondse parkeergarage. Voor het droog houden van de parkeergarage wordt grondwater opgepompt en in de huidige situatie via een persleiding afgevoerd naar een gescheiden regenwaterafvoer in de Regentesselaan. Voor de toekomstige situatie blijft de bemaling bestaan maar wordt het opgepompte grondwater aan de westzijde van het plein gezuiverd en vervolgens wordt de marktstroom hiermee van water voorzien. De grondwatersituatie rondom het plein is af te leiden uit grondwaterstanden in de omgeving en de gemodelleerde verwachte gemiddelde voorjaarsgrondwaterstanden uit de isohypsen kaart van de provincie Gelderland. In de omgeving van het marktplein wordt op afstand van 100 en 150 meter de grondwaterstand gemeten. Uit gegevens van deze twee peilbuizen blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied tussen NAP+ 13,90 m en NAP+ 13,20 m ligt. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1389-ont1_0011.png"

Situatie grondwater rondom plan markthal. Gemodelleerde gemiddelde voorjaars grondwaterstand (GVG) en twee grondwatermetingen in de omgeving van het marktplein.

5.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In de directe omgeving van het plan is geen oppervlaktewater aanwezig. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

5.2.4 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In de Bouwverordening is bepaald dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij het bepalen van de manier waarop het regenwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater. Deze beslisboom geeft de volgende voorkeursvolgorde voor het afvoeren van regenwater:

  • 1. gebruik van regenwater (in grijswatercircuit of door vegetatiedak);
  • 2. infiltratie in de bodem;
  • 3. afvoer naar oppervlaktewater;
  • 4. afvoer via rioolstelsel.

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

In dit plangebied wordt het regenwater gescheiden van het vuilwater ingezameld. Afhankelijk van de mogelijkheden in de ondergrond naast het marktplein/ de parkeergarage wordt het regenwater ter plekke geïnfiltreerd. Het dakwater (wordt gebruikt om de bestaande platanen te voorzien van bioretentie) zal van een goede kwaliteit zijn Door vuilafvangvoorzieningen wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.

5.2.5 Afvoer van afvalwater

Op het marktplein komt een gotenstelsel om het regenwater en het vuilwater dat vrijkomt bij het schoonmaken van het plein op te vangen. Dit afvalwater dient gescheiden aangeboden te worden van regenwaterafvoer en dient rechtstreekst op het gemengd rioolstelsel te worden aangesloten, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. Hiervoor wordt het First-Flushprincipe toegepast. Bij extreme regenval is niet uit te sluiten dat er regenwater stroomt onder de hal. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze regen- en vuilwaterafvoer.

5.2.6 Watertoets

Het plan omvat minder dan 1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

5.3 Natuurwaarden

5.3.1 Wettelijk kader en beleid
5.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

5.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.

5.3.2 Onderzoeksresultaten

Soortenbescherming

In het kader van het plan om aan het Marktplein te Apeldoorn een markthal te realiseren, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de rapportage Verkennend onderzoek (Quickscan) flora en fauna Wet natuurbescherming Markthal Apeldoorn, d.d. 22 april 2021 door GRAS Advies bv.. Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan deze toelichting (Bijlage 1 Natuurwaardenonderzoek - ecologie).

De bevindingen zijn als volgt.

  • Vleermuizen

In het rapport wordt verwezen naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen in de gebouwen grenzend aan het projectgebied. Om negatieve effecten te voorkomen dient dient de verlichting gedurende de nachtperiode zo veel mogelijk beperkt te worden. Dit geldt in de eerste plaats voor aantallen lampen en gebruiksduur. Ook de intensiteit en verstrooiing van de verlichting dient zoveel mogelijk beperkt te worden door het correct plaatsen en afstemmen van de armaturen (zo laag mogelijk, niet naar boven gericht en enkel die plek verlichten waar het nodig is).

  • Zoogdieren en vogels

Op de planlocatie worden echter enkel de huismuis en de bruine rat verwacht waarvoor geldt dat de soorten onbeschermd zijn. Daarnaast kan ook steenmarter foeragerend voorkomen. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen plaatsvinden. Broedgevallen kunnen ook buiten de aangegeven periode voorkomen en moeten dan ook beschermd worden. Indien nesten in gebruik zijn, moeten de werkzaamheden uitgesteld worden totdat het nest vrijwillig en definitief verlaten is.

  • Houtopstanden

Onderzocht is of de Wnb van toepassing is op het projectgebied. Nu er geen bomen worden gekapt is het niet nodig om uit te zoeken of de APV hier van toepassing is. Ook is geen sprake van 'bijzondere bomen' waarvoor aanvullende eisen gelden. Wel dient tijdens de

werkzaamheden rekening gehouden te worden met de bestaande bomen aan de zuidzijde van het plangebied. Er mogen geen werkzaamheden (inclusief opslag van materiaal) plaatsvinden binnen de kroonprojectie van de boom. Dit dient in de voorwaarden van de vergunning te worden

opgenomen.

Geconcludeerd kan worden dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk zal zijn. Wel zullen daartoe gelet op bovenstaande bevindingen de volgende voorwaarden in de omgevinsgsvergunning worden opgenomen:

  • Vanwege aanwezigheid van vleermuizen dient de verlichting in de nachtperiode zo veel mogelijk beperkt te worden. Dit geldt in de eerste plaats voor aantallen lampen en gebruiksduur. Ook de intensiteit en verstrooiing van de verlichting dient zo veel mogelijk beperkt te worden door het correct plaatsen en afstemmen van de armaturen (zo laag mogelijk, niet naar boven gericht en enkel die plek verlichten waar het nodig is).
  • De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien nesten in gebruik zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot het nest vrijwillig en definitief verlaten is.
  • Er dient voorkomen te worden dat de bomen aan het Marktplein schade ondervinden van de werkzaamheden. Er mogen geen werkzaamheden plaatsvinden (inclusief opslag van materiaal) binnen de kroonprojectie van de bomen.

Gebiedsbescherming

In het kader van het plan om aan het Marktplein te Apeldoorn een markthal te realiseren, is een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn weergegeven in de rapportage AERIUS berekening Markthal Apeldoorn, d.d. 21 april 2021 door GRAS Advies bv (zie Bijlage 2 Natuurwaardenonderzoek - stikstofdeposities bij deze toelichting). Onderzocht is of al dan niet sprake kan zijn van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Hiertoe is een berekening van verandering in stikstofemissie en -depositie verricht.

Met berekeningen met behulp van de AERIUS Calculator is de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Vervolgens is getoetst of er sprake is van een significant negatief effect op de beschermde natuurwaarden als gevolg van de aanleg. Het toekomstig gebruik is niet berekend, omdat er wijziging van het gebruik niet aan de orde is.

Uit de berekeningen blijkt, dat de aanleg niet resulteert in depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr. in Natura 2000-gebieden.

Geconcludeerd is dat de voorgenomen ontwikkeling geen depositiewaarden genereert hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en/of het toekomstig gebruik. Er is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie derhalve geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd.

5.4 Duurzame verstedelijking

5.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

5.4.2 Beoordeling asepct duurzame verstedelijking

In het voorliggende geval kan worden gesteld dat geen spraken is van een stedelijke voorziening als bedoeld in het Bro. Dit gelet op de omvang en aard van de ontwikkeling, en het gegeven dat het gebruik als zodanig niet wezenlijk wordt gewijzigd of verruimd. De markthal wordt gerealiseerd ter optimalisering van het bestaande gebruik.

Hoewel de ladder voor duurzame verstedelijking strikt genomen niet hoeft te worden toegepast, wordt ter motivatie van de behoefte nog het volgende opgemerkt. Een herinrichting van het gehele marktplein is noodzakelijk, gelet op de verouderde en slechte technische staat van afwatering, klinkers, meubilair en fontein. Ook voldoet de inrichting van het Marktplein niet meer aan de wensen van inwoners en bezoekers ten aanzien van de beleving van de ruimte. Het wordt veelal als groot en leeg ervaren. Zowel de verouderde technische staat, als ook het gegeven dat de ruimte niet (meer) als prettig wordt ervaren, maken een aanpak van het marktplein noodzakelijk. Een herinrichting van het plein is dan ook noodzakelijk, waarbij zowel technisch als qua beleving een eigentijds en aantrekkelijk geheel wordt nagestreefd. De markthal moet dan ook niet worden gezien als een op zichzelf staande ontwikkeling, maar als onderdeel van de noodzakelijke herinrichting van het gehele plein. De markthal levert daarbij als iconisch element een belangrijke bijdrage aan de optimalisatie van de beleving en het gebruik van het plein.

Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling voldoende kan worden gemotiveerd.

5.5 Archeologie

5.5.1 Beleid
5.5.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

5.5.1.2 Gemeentelijk beleid

De Archeologische beleidskaart is in 2015 vastgesteld. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

5.5.2 Beoordeling aspect archeologie

In de Archeologische beleidskaart 2015 is dit deel van de binnenstad aangewezen als terrein met archeologische waarden (Categorie 3). Echter in het voorliggende geval is geen sprake van een ingreep in de bodem. De markthal wordt op de ondergrondse parkeergarage gerealiseerd. Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat uit archeologisch bureauonderzoek, uitgevoerd in 2018 in het kader van het project Herinrichting Binnenstad Fase 3 (Ten Broeke, 2018: Archeologisch Bureauonderzoek. Diverse straten te Apeldoorn, gemeente Apeldoorn. Econsultancy rapport 5337.001, zie bijlage 3 bij deze toelichting), naar voren is gekomen dat het bodemprofiel ter plaatse van de ondergrondse parkeergarage dermate diep verstoord is, dat hier geen archeologische waarden meer worden verwacht. Voor onderhavig bestemmingsplan kan de archeologische gebiedscategorie 3 (terrein met archeologische waarden) dan ook bijgesteld worden naar Categorie 6 (Zone met geen archeologische verwachting).

5.6 Cultuurhistorie

5.6.1 Wettelijk kader en beleid
5.6.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

5.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied (markthal) relevant, geen regels over cultuurhistorie.

5.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Bij de gemeentelijke Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter!, die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld, hoort een cultuurhistorische beleidskaart. Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Verder heeft de gemeenteraad in 2012 de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

5.6.2 Onderzoeksresultaten
5.6.2.1 Cultuurhistorische analyse

Het Marktpleinis in de cultuurhistorische beleidskaart aangewezen met een hoge attentiewaarde. In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Cultuuristorische analyses en Monumenten

Voor het plangebied zijn de volgende cultuurhistorische analyses relevant.

  • Cultuurhistorische en stedenbouwkundige waardering van de bebouwing in de binnenstad van Apeldoorn, 2010
  • Cultuurhistorische en ruimtelijke analyse Binnenstad Apeldoorn, 2009
  • Cultuurhistorische analyse Binnenstad-West, 2004

In de omgeving van het plangebied zijn de volgende gemeentelijke monumenten aanwezig:

Kantongerecht: Stationsstraat 168 / Grifstraat 3

Oude raadshuis: Raadhuisplein 8

Oude postkantoor: Deventerstraat 18

Oude politiebureau: Deventerstraat 17-19-21

In de omgeving van het plangebied zijn de volgende karakteristieke panden aanwezig:

Stationsstraat 162

Marktplein 9

Marktplein 11

Marktplein 13

Marktplein 15

Marktplein 17

Deventerstraat 16

Het nu voorliggende plan wordt uitgevoerd met respect voor de omliggende cultuurhistorsche waarden. Er is sprake van een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing waarbij integratie plaatsvindt van 'oud' en 'nieuw' zonder aantasting van de bestaande historische structuren en waarden.

6 JURIDISCHE PLANOPZET

6.1 Inleiding

In hoofdstuk 4 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 5 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die e invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 6.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 6.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 6.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

6.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Marktplein is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen. Het bestemmingsplan beperkt zich tot de markthal en het deel van de daaronder gesitueerde parkeergarage. Het bestemmingsplan is dusdanig ingetekend, dat qua situering en maatvoering enige flexibiliteit bestaat. Dit om te voorkomen dat de uiteindelijke uitvoering op voorhand te strak wordt ingekaderd.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. Waar nodig is maatwerk toegepast.

6.3 Bestemmingen

Het voorliggende plan kent maar één bestemming. Deze is vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemming worden hierna besproken.


Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied wordt gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Waaronder ook het marktplein. De bestemmingsomschrijving omvat een scala aan gebruiksmogelijkheden, toegepsitst op de functie. Markten en standplaatsen voor ambulante handel zijn expliciet toegestaan. Voor de parkeergarage geldt, dat in de bouwregels wordt geregeld, dat deze uitsluitend ondergronds zijn toegestaan. De ondergrondse bouwdiepte mag 8 m bedragen. Hiermee wordt aangesloten bij de vigerende regeling.

Voor wat betreft het bouwen van de markthal geldt, dat deze moet worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven gebied. De markthal mag kleiner zijn dan dit gebied, maar uiteraard niet groter. Er is een maximale goothoogte van 9 m en een maximale bouwhoogte van 17 m toegestaan.

Het gebruik van de markthal moet passen binnen hetgeen in de bestemmingsomschrijving is benoemd. In de bestemmingsomschrijving wordt niet voorzien in evenementen en voor evenementen is geen nadere regeling opgenomen. Kleine evenementen zoals buurtfeesten, straatbarbecues en dergelijke zijn zo kleinschalig en komen in zo lage frequentie voor dat deze in de jurisprudentie worden geacht onder de gebruiksmogelijkheden van de geldende bestemming voor de openbare ruimte te vallen. Deze zijn daarom zonder planologische regeling mogelijk. Voor grote en middelgrote evenementen verwacht de jurisprudentie een specifieke ruimtelijke afweging. Deze kan in het bestemmingsplan reeds worden gemaakt. Wordt deze niet al in het bestemmingsplan gemaakt, dan kan in een aparte juridisch-planologische procedure gericht op bet afwijken van een bestemmingsplan deze ruimtelijke afweging worden gemaakt. Dit betekent dat voor (middel)grote evenementen een separate vergunning (voor het afwijken van het bestemmmingsplan) nodig zal zijn. Pas na de evaluatie van het huidige evenementenbeleid zal, in een nog op te stellen bestemmingsplan, worden voorzien in een geïntegreerde regeling hiervoor.

Overigens is, ongeacht de juridisch-planologische regeling, op elk evenement de regeling voor evenementenvergunningen van de APV van toepassing, onder andere in verband met de veiligheid en openbare orde.

6.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

6.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Het bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen voor de parkeergarage is toegestaan. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering.

In artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. Beschreven is welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. Het daadwerkelijke strijdig gebruik is strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

Artikel 9 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten regels die in het voorliggende verband geen nadere bespreking behoeven.

6.4.2 Parkeren

Door een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn op 29 november 2014 de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. De stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening waren in Apeldoorn overwegend nog van belang vanwege de koppeling met de parkeernormen. Door het vervallen van deze bepalingen moet, daar waar het aanwezig zijn van voldoende ruimte voor het parkeren van auto's in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig is, in het bestemmingsplan een regeling voor het parkeren worden opgenomen.

In dit bestemmingsplan is in de Algemene gebruiksregels een Gebruiksregel parkeren opgenomen. Hierin is bepaald dat gebruik van gronden en bouwwerken zonder dat op de eigen kavel of in het openbaar gebied voldoende ruimte voor het parkeren van auto's aanwezig is, geldt als gebruik in strijd met de bestemming. Verder is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, uitbreiden en/of het wijzigen van het gebruik alleen wordt verleend als wordt aangetoond dat er op de eigen kavel of in het openbaar gebied voldoende ruimte voor het parkeren van auto's aanwezig is. In de Algemene afwijkingsregels is vervolgens de bevoegdheid opgenomen om van deze parkeerbepalingen af te wijken wanneer het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of als op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

De uitleg bij de uitoefening van deze bevoegdheden wordt, zoals op grond van artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro mogelijk is, afhankelijk gesteld van de beleidsregel over de toepassing van die bevoegdheid. Het gaat dan om de beleidsregel die op het moment van uitoefening van die bevoegdheid geldig is.

Als uitwerking van deze algemene parkeerregel wordt een beleidsregel opgesteld die uitleg geeft over de toepassing hiervan. Deze beleidsregel zal de op 24 juni 2004 vastgestelde notitie 'Actualisatie Parkeernota' vervangen. Tot dat moment zal de geldende parkeernota, die als bijlage aan de regels van het bestemmingsplan wordt toegevoegd, deze rol vervullen. Ter verduidelijking hiervan wordt opgemerkt dat, conform de vaste beleidslijn hierin, eventuele historische parkeertekorten worden betrokken bij de toetsing of er voldoende parkeerruimte is. Het gestelde over parkeren in de op 9 juli 2009 vastgestelde Verkeersvisie 2010-2020 (paragraaf 4.4) betreft een nadere uitleg van de notitie 'Actualisatie Parkeernota' en vormt dan ook onderdeel van de toetsing.

6.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

7 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Communicatie

Voortraject

Het idee dat het Marktplein 'elke' Apeldoorner aangaat is leidend geweest bij de totstandkoming van de plannen over de herinrichting van het plein. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met bewoners, ondernemers (waaronder de ambulante handel) en vastgoedeigenaren.De resultaten van dat traject hebben geleid tot een plan van uitgangspunten. Aan de hand hiervan is een ontwerpprijsvraag geformuleerd om te komen tot een nieuw heringericht marktplein.

Aan een viertal ontwerpbureaus is gevraagd om een ontwerp te maken voor een nieuw in te richten Marktplein. Middels verkiezingen heeft het gehele Apeldoorns publiek, waaronder ook kinderen en ondernemers, zijn voorkeur kenbaar mogen maken. Daartoe is onder andere een verkiezingswebsite opengesteld. Ook is breed gecomminiceerd via social media, de lokale media, flyers en posters, bijeenkomsten, excursies etcetera.

Van 7 tot en met 17 december 2018 heeft elke Apeldoorn kunnen stemmen op één van de vier schetsontwerpen voor het her in te richten Plein van de Stad. Daaropvolgend is op 20 december 2018 de - bindende - verkiezingsuitslag bekendgemaakt. Ook in de vervolgstappen vindt er overleg plaats met de stakeholders waaronder (georganiseerde) markthandelaren, ondernemers en bewoners. Daarnaast worden deze partijen en overige geïnteresseerden in de verdere aanloop naar de concrete werkzaamheden onder meer op de hoogte gehouden via een nieuwsbrief.

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan ligt met ingang van PM ter inzage voor een periode van zes weken. Tijdens deze periode kan een ieder zijn of haar zienswijze op het plan bij de gemeenteraad kenbaar maken. De omwonenden, wijkraad en gemeenteraad worden per brief geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

7.2 Economische uitvoerbaarheid

7.2.1 Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht in het kader van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan.

De gemeente kan hiervan afzien indien:

  • Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, en
  • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en
  • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is, of
  • één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is, te weten:
  • 1. het totaal der wettelijk te verhalen exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000,00, of
  • 2. er geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn, of
  • 3. de verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen betreffen.

7.2.2 Beoordeling aspect financieel-economische uitvoerbaarheid

De gemeenteraad heeft de benodigde bedragen beschikbaar gesteld voor de herinrichting van het Marktplein. De kosten voor de markthal zijn daarbij inbegrepen. De economische uitvoerbaarheid is derhalve gedekt in de (openbare) begroting en is hiermee verzekerd.

Overigens is een exploitatieplan niet aan de orde, aangezien de gemeente Apeldoorn de gronden in eigendom heeft en er dus geen sprake is van kostenverhaal.