direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Hoofdstraat - hoek Kanaalstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1379-vas1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Hoofdstraat - hoek Kanaalstraat

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Op de hoek van de Hoofdstraat en Kanaalstraat ligt al geruime een braak liggend terrein. In 2013 is de laatste bebouwing gesloopt. Het terrein wordt gebruikt voor parkeren. Het plangebied betreft een beeldbepalende plek voor Apeldoorn en in het bijzonder voor de binnenstad. Voornemen is de locatie een bij deze plek passende invulling te geven. Dit in de vorm van nieuwbouw van woningen gecombineerd met centrumvoorzieningen in de plint.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen op de hoek van de Hoofdstraat - Kanaalstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0001.png"

Ligging plangebied


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0002.png"

Plangebied in rood weergegeven


1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan Binnenstad-West. Dit plan is op 29 juni 2006 vastgesteld door de gemeenteraad. Het bestemmingsplan is partieel herzien voor de onderwerpen waardevolle bebouwing en parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0003.jpg"

Uitsnede plankaart geldende bestemmingsplan


De gronden in het plangebied hebben een bestemming 'Centrumdoeleinden 2'. De gronden met deze bestemming mogen op de begane grond gebruikt worden voor: detailhandel, horeca categorie 1, publiekgerichte dienstverlening, maatschappelijke doeleinden en kantoren. Op de verdiepingen zijn woningen toegestaan. Bebouwing mag uitsluitend opgericht worden binnen het bebouwingsvlak en op de met 'erf' aangeduide gronden, waarbij geldt dat het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage in acht genomen moet worden. De huidige toegestane bouwhoogte is 13 meter en het bebouwingspercentage van het aansluitende erf is 10%.

Omdat het huidige bestemmingsplan de beoogde nieuwbouw qua bouwvolume en bouwhoogte niet toestaat, wordt deze met het bestemmingsplan 'Hoofdstraat - hoek Kanaalstraat' wel mogelijk gemaakt.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit een plankaart en regels. De toelichting geeft een onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van het plan. Na een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2 wordt in hoofdstuk 3 het integrale ruimtelijk beleidskader onderbouwd. Hoofdstuk 4 geeft een motivering van de ruimtelijke uitvoerbaarheid. Ingegaan wordt onder andere op de relatie met relevante wetgeving op het gebied van milieu. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 gaat in op inspraak en overleg.

2 HET PLAN

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied.

2.1 Historie plangebied

Op de hoek Hoofdstraat - Kanaalstraat stond het zogenaamde PGEM-gebouw. In de jaren '90 is de begane grond van het pand verbouwd tot winkelplint. Op de verdiepingen was kantoorruimte aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0004.jpg"

PGEM gebouw, foto uit 1960

Het voormalige PGEM-gebouw is in 2012 gesloopt. Het voornemen bestond om deze locatie, gelegen in de Apeldoornse binnenstad, te herontwikkelen ten behoeve van de ontwikkeling van winkelruimte. Deze ontwikkeling is echter nog niet gerealiseerd en de locatie is tot op heden grotendeels ingericht als parkeervoorziening.

2.2 Bouwplan

Op de begane grond wordt in de plint maximaal 2.600 m2 b.v.o. aan centrumfuncties gerealiseerd (detailhandel, horeca (met terrassen), kantoren, maatschappelijke voorzieningen, sport, dienstverlening en cultuur en ontspanning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0005.jpg"

Impressie vanaf gezien vanaf de Hoofdstraat
Op de verdiepingen worden 139 woningen gerealiseerd. 60 appartementen worden gerealiseerd in de categorie middel dure huur en 79 appartementen in de vrije sector huur/koop.

De oppervlakte van het totale projectgebied bedraagt circa 6.200 m2. De bebouwing betreft één complex. De bouwhoogte verschilt. Het grootste deel van het gebouw is drie tot vijf bouwlagen hoog (19 meter). De terugliggende toren is 73 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0006.jpg"

Impressie bouwplan
In het plan zijn 155 parkeerplaatsen voorzien. Het parkeren wordt opgelost middels een ondergrondse parkeervoorziening, op de begane grond en in een tussenlaag. Op het dak van de parkeervoorziening komt een binnentuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0007.jpg"

Impressie entree vanaf Kanaalstraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0008.jpg"

Impressie binnentuin

2.3 Beeldkwaliteitsplan De Hoofdstraat

Het plangebied kent een prominente positie binnen de binnenstad van Apeldoorn, onder andere door op de looproute tussen het centrum en het station te liggen. Een dergelijke locatie vraagt om een invulling met levendige/commerciële functies op de begane grond. Door de commerciële functies op de begane grond te voorzien ontstaat op deze locatie een representatief en levendig straatbeeld.

Voor de planlocatie is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwalitieitsplan is als bijlage 11 toegevoegd in de bijlagen bij de toelichting. De vaste waarden uit het Regieplan zijn als uitgangspunt genomen voor de ontwikkeling van de locatie van het voormalige PGEM-gebouw. Op enkele punten zijn aanpassingen gedaan; zo is er geen openbaar toegankelijk binnenhof, het aantal m2 centrumvoorzieningen en het aantal parkeerplaatsen is sterk teruggebracht. Ook het maken van een ‘dubbelachtje’ heeft geen directe prioriteit meer. Wel is deze locatie nog steeds een ‘bronpunt’ te noemen en is het toevoegen van woningen nog steeds een doel. De overkoepelende ambities van een binnenstad die compact en compleet, eigen(zinnig) en groenblauw verankerd en bereikbaar is, gelden echter nog steeds. In het beeldkwaliteitsplan zijn de uitgangspunten uit het regieplan die gaan over beeldkwaliteit verder uitgewerkt. Hierbij zijn ook de doelstellingen uit devastgestelde Welstandsnota nader gespecificeerd voor dit gebied. Ook is inspiratie uit het Dik Apeldoorns Stadskookboek opgenomen.

In de onderstaande tabel is een samenvatting opgenomen van de toetsingscriteria voor beeldkwaliteit voor de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0009.jpg"

Tabel toetsingscriteria uit beeldkwaliteitsplan De Hoofdstraat

Het beeldkwaliteitsplan zal als aanvullend toetsingscriterium op de welstandsnota worden vastgesteld.

3 BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader behandeld. Aan de orde komt het meest relevant geachte integrale ruimtelijke beleid op provinciaal- en gemeentelijk nivo. Relevant sectoraal beleid en regelgeving komt aan de orde in de verdere hoofdstukken.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze nationale belangen zijn:

1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;

2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;

3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;

4. Efficiënt gebruik van de ondergrond;

5. Een robuust hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;

6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;

7. Het instandhouden van het hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van de mobiliteitssysteem te waarborgen;
8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;

9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling;

10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;

11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;

12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;

13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele plannen.


Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk werkt aan eenvoudiger regelgeving en verwacht dat medeoverheden zich ook inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving.

In de structuurvisie formuleert het kabinet zijn ambities voor 2040.

Concurrentiekracht: in 2040 behoort Nederland tot de top 10 van meest concurrerende economieën van de wereld met een kwalitatief hoogwaardig vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers door een goede ruimtelijk-economische structuur.

Bereikbaarheid: in 2040 beschikken gebruikers over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.

Leefbaarheid en veiligheid: in 2040 sluiten de woon- en werklocaties in steden en dorpen aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor tranformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut. In 2040 biedt Nederland zijn burgers een veilige en gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als in landelijk gebied. Nederland is blijvend beschermd tegen extreme weersomstandigheden, mogelijke overstromingen als gevolg van de zeespiegelstijging en er is voldoende zoetwater in droge perioden; Nederland is een bepalende speler in de internationale transitie naar duurzame mobiliteit en Nederland heeft nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Nederland kent in 2040 een robuust internationaal energienetwerk en de transitie naar duurzame energiebronnen is ver gevorderd.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de nationale belangen in de SVIR.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie ervan vraaggerichte programmering bevorderen. De Ladder beoogt een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De Ladder is als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (=Bro). Hierin is vastgelegd dat provincies en gemeenten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken (in respectievelijk een provinciale verordening of een bestemmingsplan) de Laddertoets moeten doorlopen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in artikel 1.1.1 onder i Bro als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

De toetsing aan de ladder is opgenomen in paragraaf 4.3. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Ladder.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.



Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied


De voorgenomen ontwikkeling heeft met name een relatie met de punten 1 en 3.


Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie.


Bij prioriteit 3 word beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.


Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan deze uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie. De nieuwe woningen worden aardgasloos gebouwd. Daarnaast draagt het plan bij aan voldoende groen en ruimte voor wateropslag. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaande stadsgrenzen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes’ – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

Gestreefd wordt naar een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat. De provincie streeft naar ook naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio’s en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de provinciale visie.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Op 19 december 2018 is het actualisatieplan 6 voor de Omgevingsverordening vastgesteld. Met het actualisatieplan 6 voor de Omgevingsverordening wordt onder andere geborgd dat elke regio een regionale woonagenda opstelt die door de provincie vastgesteld dient te worden en dat woningbouw slechts mogelijk is als dit past binnen de afspraken van die agenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van een regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

Het provinciaal beleid voor detailhandel is onderdeel van het verstedelijkingsbeleid, zoals aangegeven in de Omgevingsvisie. Het doel van het beleid is het behoud van een evenwichtige en toekomstbestendige detailhandelstructuur in Gelderland die bijdraagt aan de vitaliteit van steden en dorpen. De positie van centra van steden, dorpen en wijken staat centraal. Het vernieuwen en aanpassen van bestaande centra en winkelgebieden aan een afnemende vraag naar winkels en nieuwe marktontwikkelingen heeft prioriteit. Met het toevoegen van nieuw winkeloppervlak wordt zeer terughoudend omgegaan. Nieuwe ontwikkelingen zijn slechts toegestaan als ze bijdragen aan een versterking van de bestaande detailhandelstructuur en de vitaliteit van binnensteden en dorpscentra. Dit vraagt om een goede onderbouwing op basis van de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit plan maakt geen planologische toevoeging van detailhandel mogelijk.

Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de provinciale verordening.

3.2.3 Woonagenda Cleantech

In de Woonagenda Cleantech Regio van de Regio Stedendriehoek is een uitwerking van de provinciale koers “Ruimte voor goed wonen”, waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's “sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland”. Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op Wonen en zorg.

De Regio zet in op goede toevoegingen aan de woningvoorraad, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:

  • 1. Woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de
    bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
  • 2. Woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke
    doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het
    bestaande woningaanbod;
  • 3. De programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven
    aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.

Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat mede door de hoge instroomde druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.

Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.

De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de “Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2014” en het “Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024” van de Regio Stedendriehoek. Nadat de gemeenteraden hiermee hebben ingestemd kan deze regionale woonagenda worden vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten. Na de vaststelling wordt er een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Apeldoorn biedt Ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

De binnenstad maakt deel uit van het fundament van de Buitenstad. De Buitenstad wordt mede gedragen door het ruime aanbod aan stedelijke voorzieningen in het centrumgebied. Het uitbouwen ervan richt zich met name op de verbreding van het winkelaanbod en de toevoeging van (recreatieve) verblijfskwaliteit. Stedelijke voorzieningen die voor de gemeente uniek zijn, worden zoveel mogelijk in het centrum geconcentreerd. Daarbij gaat het zowel om winkelaanbod dat Apeldoorn elders niet kent, als om culturele voorzieningen, horeca en leisure. Als ze ook qua omvang bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het centrumgebied, moeten er altijd een plek in het centrum te vinden zijn, ook als de functies grootschalig zijn.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

Vanuit de ambitie comfortabele gezinsstad zet de structuurvisie in op het tevens benutten van het programma vooor de verbreding van het aanbod aan echt Apeldoornse ‘buitenstadse’ woonmilieus (huizen/complexen met tuinen) en het ontwikkelen van meer intensieve vormen van ‘buitenstads’ wonen op inbreidingslocaties. Ook wordt ingezet op verbetering van de concurrentiepositie van het centrum van Apeldoorn door het winkelaanbod te verbreden en de verblijfskwaliteit op een hoger niveau te brengen.

In het Apeldoornse centrum is sprake van een combinatie van ontwikkelingskansen en (toekomstige) opgaven. Bij de beschrijving van het fundament van de Buitenstad is al aangegeven dat versterking en profilering van het centrum zich moet richten op het toevoegen van unieke stedelijke voorzieningen. Voorzieningen die nergens anders in de Buitenstad te vinden zijn en waarmee ook de regionale concurrentiepositie van het centrum wordt verbeterd. Voor de Buitenstad als geheel is het belangrijk dat het centrum een betere positie gaat innemen binnen het Veluwse toerisme. Daarbij wordt aangehaakt bij de ontwikkeling dat winkelen (funshoppen) zich inmiddels heeft omgevormd tot een recreatieve activiteit van formaat. Om hierop aan te sluiten is het nodig dat het centrum over een gevarieerder aanbod aan winkelvoorzieningen beschikt, maar vooral ook dat de verblijfskwaliteit verbetert. Door het winkelgebied te verruimen naar een aangename winkelroute (‘winkel-acht’), door buitenruimten opnieuw in te richten en door het toevoegen van horeca, cultuur en (all weather) leisure wordt de binnenstad aantrekkelijker.
Het ruimtelijke profiel van het centrum verbetert ook door het karakter van de Buitenstad echt voelbaar te maken. Dat betekent een zorgvuldige inrichting van de buitenruimte en vooral ook het vergroenen van de binnenstad. Daarnaast wordt ingezet op het creëren van onderscheid tussen drukke en rustige plekken in het centrum en het beter benutten van cultuurhistorische elementen en gebouwen als identiteitsdragers.

Het is belangrijk het centrum overzichtelijk en compact te houden. Wat dat betreft ligt een grote opgave bij het benutten van leegstaande en/of leegkomende gebouwen voor centrumfuncties. In het uiterste geval kunnen ook sloop of vernieuwbouw bijdragen aan de gewenste vergroening van de binnenstad.

Met de ontwikkleing van de planlocatie wordt uitvoering gegeven aan de structuurvisie. De ontwikkleing ziet op de invulling van een braakliggend terrein met stedelijke voorzieningen en wonen.

3.3.2 Regieplan Binnenstad

Het Regieplan Binnenstad is als structuurvisie vastgesteld. Het geeft de koers aan voor de ontwikkelrichting van de binnenstad voor tien tot vijftien jaar. Het Regieplan geeft voorwaarden en condities waaronder ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt kunnen worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0010.jpg"

Plankaart uit het Regieplan (plangebied in roze gestippeld aangegeven)

Het Regieplan Binnenstad, de structuurvisie voor de binnenstad van Apeldoorn, beschrijft welke ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarden en condities in de binnenstad worden gestimuleerd. Er wordt ingezet op een drietal ambities, namelijk:

  • 1. De compacte en complete binnenstad;
  • 2. De bereikbare binnenstad;
  • 3. De eigen(zinnige), verankerde en groen-blauwe binnenstad.


Om deze ambities te kunnen realiseren zijn diverse vaste waarden opgesteld als spelregels waarbinnen toekomstige ontwikkelingen in de binnenstad mogelijk zijn. Op het gebied van detailhandel zet de gemeente Apeldoorn in op het maximaal toevoegen van 15.000 m2 winkelvloeroppervlakte aan het kernwinkelgebied. De PGEM-locatie, zoals voorliggend plangebied in het Regieplan wordt genoemd, grenst direct aan de zuidoostzijde van het kernwinkelgebied. Voor deze gronden zet het Regieplan in op een uitbreiding van het kernwinkelgebied om zo een compact winkelgebied te realiseren met een goed winkelcircuit. Concreet is voor het plangebied aangegeven dat ruimte is om 10.000 m2 bvo winkelprogramma te realiseren. Tegelijkertijd is het plangebied aangewezen als één van de twee nieuwe bronpunten voor de binnenstad: hier is sprake van een grote parkeergarage gekoppeld met winkeltrekkers als trekkracht richting het kernwinkelgebied. Tot slot geldt dat het plangebied is aangewezen als belangrijke ontwikkellocatie voor het realiseren van woningen en het voor Apeldoorn unieke woonmilieu van ‘wonen boven winkels’.

In het regieplan is de locatie aangewezen als her te ontwikkelen. Met dit plan wordt uitvoering gegeven aan het Regieplan.

3.3.3 Visie Binnenstad/ ontwikkelperspectief Stadspark van Apeldoorn

Het college van burgemeester en wethouders hebben in 2019 de Visie Binnenstad Apeldoorn vastgesteld. Deze visie geeft het nieuwe perspectief aan voor de binnenstad, is de lange termijn investeringsagenda en biedt een uitnodigend kader voor bestaande en nieuwe investeerders.

De Visie stelt voor de binnenstad van Apeldoorn als Stadspark te ontwikkelen. Dat is het gedroomde eindbeeld voor 2040. Een grote overkoepelende agenda die de lang gekoesterde wens van de stad om echt verbinding te maken met het Veluws landschap radicaal waar kan maken. Om de groenste binnenstad te kunnen worden stuurt Apeldoorn op de parknorm. De parknorm wordt hiermee de belangrijkste Apeldoornse indicator die de groenstedelijke opgave van de binnenstad gaat aanwakkeren. Het ontwikkelen van de “parknorm” is een project op zich. Het gaat hier niet alleen over groenareaal en integrale duurzaamheidsmaatregelen, maar het gaat ook over het juiste type programma, de stedelijke doelgroepen en de ruimtelijke kwaliteit die aansluit bij het principe van de binnenstad als Stadspark. Deze norm gaat ervan uit dat elk binnenstedelijk project een substantiële groene bijdrage levert in de vorm van:

  • Groene openbare ruimte en/of wateroppervlak
  • Integrale duurzaamheidsmaatregelen
  • Doelgroepen, programma’s en ruimtelijke kwaliteit die horen bij het Stadspark

De Visie Binnenstad Apeldoorn is verder uitgewerkt in het Ontwikkelperspectief 'Stadspark van Apeldoorn'. Dit plan is begin 2021 door de raad vastgesteld. De volgende vier waarden kenmerken het 'Stadspark van Apeldoorn'.

  • Groen: De stad ademt de Veluwe, zowel visueel als in gebruik. Het centrum moet hierin mee en transformeert naar een stadspark. Het omliggende landschap en daarmee ook de waterstructuren vormen een van de vertrekpunten en aspecten hiervan worden teruggebracht. De programmering van de binnenstad sluit hierop aan en zorgt het ervoor dat het groen daadwerkelijk gebruikt wordt. Tevens worden duurzame initiatieven en ontwikkelingen zichtbaar gemaakt in de stad.
  • Ontspanning: Apeldoorn heeft de ontspannen kwaliteiten van een dorp, met de voorzieningen van een stad. Deze dorpse kwaliteit blijft behouden. Geen grote bezoekersstromen of geforceerd programma maar juist de binnenstad als een aangename verblijfsplek. De binnenstad van Apeldoorn straalt de relaxte sfeer uit waarbinnen je op een ontspannen manier beweegt en verblijft. Of dat nu wandelend, rennend, met de fiets of met het openbaar vervoer is.
  • Ontmoeting: Naast een plek om te verblijven, heeft de binnenstad een belangrijke ontmoetingsfunctie. De binnenstad wordt een gastvrije en levendige plek waar verschillende doelgroepen elkaar ontmoeten. Zowel geplande als spontane ontmoetingen worden gestimuleerd door slimme plaatsing van openbaar programma, maar ook ingrepen in de openbare ruimte die ontmoeting mogelijk maken.
  • Apeldoorns: Apeldoorn heeft veel om trots op te zijn. De historische lijnen die door de stad lopen, de monumentale panden, Het Loo, het koninklijke, het karakteristieke erfgoed, haar identiteit als gezinsstad en het sterke lokale ondernemerschap. Deze authentieke kenmerken worden zichtbaar gemaakt in de binnenstad, om niet alleen het onderscheidende vermogen van de binnenstad te vergroten, maar ook om Apeldoorners trots(er) te maken op hun stad.

De gemeente is voornemens om de binnenstad te verdichten met meer woningbouw om daarmee te voldoen aan de grote vraag naar woningen. Tegelijkertijd is er een doelstelling om het centrum te vergroenen. Hiervoor is een ontwikkelperspectief 'Stadspark Apeldoorn' opgesteld en vastgesteld. Het voorliggende ontwerp is passend in de huidige context.

In overleg met initiatiefnemers is het bouwplan in 2020 aangepast om aan te sluiten op de opgeschroefde ambities als het om de vergroening van de binnenstad gaat. Het voorgenomen bouwplan sluit aan bij de visie van Apeldoorn op de binnenstad. Er worden hoogwaardige groene gevels aan zijde Hoofdstraat en hoek Hoofdstraat/Kanaalstraat gerealiseerd. Daarnaast zullen plantenbakken op de balkons worden geplaatst. In samenspraak met de gemeente zal het omliggende (semi) openbare terrein worden ontworpen en ingericht. Hierbij zal het accent liggen op een groene inrichting. Op de platte daken van de appartementenblokken zullen groene daken worden gerealiseerd.

3.3.4 Visie op mobiliteit in het Stadspark van Apeldoorn

De gemeenteraad heeft ingestemd met een nieuw ontwikkelperspectief voor de binnenstad waarin wordt gewerkt naar de binnenstad als Stadspark. Mobiliteit vormt een belangrijk onderdeel van dit plan. In de visie op mobiliteit in het Stadspark van Apeldoorn wordt de visie geschets hoe de nieuwe bereikbaarheid van de binnenstad eruit gaat zien.

In de mobiliteitsvisie staat centraal dat mensen in de binnenstad zich vooral te voet en met de fiets verplaatsen en dat de stad ook goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. De binnenstad is ook goed bereikbaar voor auto’s, maar die parkeren wel voornamelijk aan de rand van de binnenstad in parkeergarages. Auto’s zijn te gast en krijgen in de stad zelf minder ruimte. Parkeren op maaiveld (bovengronds) wordt zoveel mogelijk verschoven naar parkeren in kwalitatief goede parkeergarages. In de parkeergarages wordt het ook mogelijk over te stappen op andere vormen van vervoer.

Er is in de toekomst geen doorgaand autoverkeer meer dat alleen door de binnenstad rijdt en geen bestemming heeft in de binnenstad. De binnenstad als stadspark behoudt belangrijke bushaltes als Marktplein en Amaliapark, en daarnaast wordt gekeken of het verleggen van enkele buslijnen mogelijk is om op een aantal plaatsen meer ruimte voor voetgangers, fietsers en groen in de straat te creëren. Concreet wordt gedacht aan bijvoorbeeld het verleggen van de lijnen die over de Hofstraat/Kanaalstraat rijden naar de Kalverstraat.

In de binnenstad rijden niet alleen elektrische bussen, maar vanaf 2025 wordt ook het logistieke verkeer (vrachtverkeer en bestelbusjes) zoveel mogelijk uitstootvrij. Qua parkeren wordt voor de binnenstad een nieuwe ‘parknorm’ uitgewerkt. Dit betekent dat we bij nieuwe ontwikkelingen met lagere parkeernormen autoluw ontwikkelen kunnen stimuleren.

In het voetgangersgebied wordt de druk door fietsers verminderd door het parkeren van de fietsen te concentreren in de stallingen. De fietsroutes naar de binnenstad worden bekeken. Het gaat dan om realisatie van nieuwe routes of het verbeteren van bestaande routes.


Door dit plan verdwijnt een parkeerveld op maaiveld. Dit is in de lijn van de nieuwe visie. Het parkeren voor de bewoners wordt opgelost in een parkeerkelder onder de ontwikkeling. Het parkeren op maaiveld verschuift naar parkeergarages.

3.3.5 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen. Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.

Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.

Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen. Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast. De Beleidsregel Parkeren vervangt de notitie Actualisatie Parkeernota (2004) en de daarin opgenomen parkeernormen. Voor aanvragen om een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor het bestemmingsplan moet worden herzien en die zijn ingediend voor vaststelling van de Beleidsregel Parkeren is de Beleidsregel Parkeren niet van toepassing maar wordt getoetst aan de notitie Actualisatie Parkeernota (2004), tenzij de Beleidsregel Parkeren in het voordeel van de verzoeker uitpakt.

De beleidsregel parkeren is ook op dit plan van (juridische) toepassing. De uitvoering van het beleid is daardoor gewaarborgd.

3.3.6 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn en werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0011.png"

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken.
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht.
  • Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
    Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.

Voor het bouwplan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, beeldkwaliteitsplan De Hoofdstraat. Dit beeldkwaliteitsplan wordt als aanvullend toetsingkader op de welstandsnota vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 11 in de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Een samenvatting van het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in paragraaf 2.3.

De uiteindelijke toets aan het welstandsbeleid vindt niet in het kader van de vorming van het bestemmingsplan plaats maar op basis van een ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. De concept-bouwplannen die aan dit bestemmingsplan mede ten grondslag liggen zijn op hoofdlijnen getoetst en akkoord bevonden.

3.3.7 Woonagenda Apeldoorn 2018-2021

De Woonagenda 2018-2021 dient meerdere doelen:

  • basis voor de prestatieafspraken met corporaties en huurdersbelangenorganisaties;
  • volkshuisvestelijk kader voor de nieuwbouwopgave;
  • ondersteuning voor de opgaven in het woon-zorgdomein en de verduurzaming;
  • onderlegger voor de op te stellen omgevingsvisie;
  • invulling van het programma Comfortabele Gezinsstad op het onderdeel wonen;
  • uitwerking van het bestuursakkoord op het onderdeel Wonen

De Apeldoornse Woonagenda 2018-2021 beschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities en acties voor de komende jaren. De agenda is feitelijk een actieprogramma, waarin de uitvoering centraal staat. De lijn van de vorige Woonagenda is voortgezet en van nieuwe accenten voorzien. Die hangen samen met de actuele trends en ontwikkelingen en het bestuursakkoord.

Tot die actuele trends en ontwikkelingen behoren onder andere:

  • werken aan een CO2-arme energievoorziening: naar 100% energieneutrale woningen;
  • demografische trends: bevolkingsgroei, vergrijzing en meer kleine huishoudens;
  • druk op de woningmarkt: sterke behoefte aan woningen, vooral koopwoningen voor starters;
  • diversiteit in woonvoorkeuren, bijvoorbeeld: woningtypen voor kleinere huishoudens, levensloopbestendige woningen, grotere woningen voor thuiswerkers en gezinnen, enz.

De visie op de toekomst van het wonen in Apeldoorn bestaat uit drie speerpunten:

  • 1. Een basis die op orde is: a) zorgen voor voldoende woningen voor iedereen, met in het bijzonder aandacht voor voldoende beschikbare en betaalbare woningen voor huishoudens met een laag inkomen (de primaire doelgroep) en b) de grote opgave om alle woningen te verduurzamen.
  • 2. Wonen en zorg: ervoor zorgen dat we onze steeds ouder wordende bevolking een plek kunnen blijven geven in onze gemeente.
  • 3. Aangevuld met de bestuurlijke ambities uit Comfortabele gezinsstad: de bouw van voldoende nieuwbouwwoningen om de trek naar de stad op te kunnen vangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0012.png"

Figuur beleidsschema woonagenda

Woningbouwprogrammering

In de regionale woonagenda zijn afspraken gemaakt over het handelingsperspectief voor de regio Stedendriehoek en daarbij voor Apeldoorn. Met de wetenschap van nu wordt daarbij uitgegaan van het toevoegen van zo'n 5.500 woningen. De ontwikkelingen worden actief gevolgd en waar nodig zullen die worden bijgesteld. Dit betekent, dat als er ruimte gevraagd wordt voor een maatschappelijk belangrijk initiatief dit zal worden ondersteund. Circa vierduizend van deze 5.500 woningen worden nu gebouwd, opgeleverd of moeten nog gebouwd worden. Een groot deel van deze woningen bestaat uit gezinswoningen in projecten zoals Zuidbroek, Groot Zonnehoeve en de TNO-locatie. Per saldo betekent nog dat er nog voor 1.500 woningen een invulling moet worden gegeven samen met de betrokken partners in de stad. Het college van burgermeester en wethouders heeft daarnaast de ambitie om naast het Centraal Beheergebouw aan de andere kant van de binnenstad eveneens een iconisch gebouw te realiseren.


Hiervoor is het voorstel gemaakt met als belangrijkste pijlers:

  • vijfhonderd woningen voor de sociale voorraad;
  • reserveren van circa 250 woningen voor een nieuwe ontwikkeling van een iconisch gebouw;
  • vijfhonderd woningen voor gebiedsontwikkeling (focus op Comfortabele gezinsstad en gezinswoningen);
  • 250 woningen voor bijzondere initiatieven in niches (CPO, bijzondere projecten met levensloopbestendigheid, tiny houses en bijzondere transformaties in wijken).


Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2028 (beleidsregel)

De gemeente Apeldoorn wil de juiste woningen op de juiste plek bouwen. Daarom is ervoor gekozen een prioritering aan te geven. Doel hiervan is om kansrijke initiatieven te bevorderen en te komen tot versnelling van de woningbouw. In de Structuurvisie, de Woonagenda en in de Regionale Woonagenda zijn kaders vastgesteld die de basis vormen voor het "Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2028". Het afwegingskader is als beleidsregel vastgesteld in 2019.


Door het prioriteren van (en richting geven aan) de woningbouw kan er adaptief en flexibel worden ingespeeld op de woningbehoefte. Ook wordt er duidelijkheid geboden en richting gegeven aan initiatiefnemers over hoe de gemeente de programmatische ruimte voor initiatieven wil invullen. Voor circa 4.000 (waaronder die van woonlocatie De Wingerd) van de 5.500 woningen is die programmatische ruimte al ingevuld. Dit betreft woningen die reeds zijn opgeleverd, in aanbouw zijn, waarvoor een bestemminsplan is vastgesteld, wordt opgesteld of een anterieure overeenkomst is afgesloten. Bovengenoemd kader gaat over de resterende programmatische ruimte voor circa 1.500 woningen.


In 2018 heeft de gemeente Apeldoorn voor een aantal woningbouwprojecten, waaronder de invulling van het plangebied, uitbreiding van het aantal woningcontingenten aan de provincie Gelderland gevraagd. Per brief van 6 maart 2018 heeft de gemeente Gelderland ingestemd met dit verzoek en meedewerking verleend aan het ophogen van de kwantitaieve opgave van de regio Stedendriehoek met 882 woningen.

Met dit bestemmingsplan worden 139 woningen gerealiseerd. Het bouwplan voldoet aan de woonagenda en het afwegingskader woningbouw.

3.3.8 Detailhandelsvisie 2014-2019

Op 16 januari 2014 heeft de gemeenteraad de Detailhandelsvisie 2014-2019 vastgesteld. De Detailhandelsvisie beschrijft de gemeentelijke visie op en ambities voor de lokale winkelstructuur. In de visie zijn de vijf hefbomen benoemd waar beweging noodzakelijk is en die bepalend zijn in het bereiken van het gewenste toekomstbeeld voor de detailhandel: de ontwikkeling van een robuuste, dynamische en complete winkelstructuur in Apeldoorn. Per hefboom zijn in de visie de gemeentelijke ambities beschreven en de aanpak om tot realisatie van die ambities te komen:

  • 1. Uitnodigende Binnenstad
    De toekomstige binnenstad is compact en compleet, goed bereikbaar en heeft een plezierig en aantrekkelijk verblijfsklimaat. Een bezoek aan Apeldoorn is een ‘dagattractie’. De binnenstad is een regionale trekpleister met winkels, horeca, cultuur, bezienswaardigheden en evenementen. Deze ambitie wordt gerealiseerd door aanpak van de aanloopstraten, actief de leegstand te bestrijden, bracheverbreding te faciliteren en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.
  • 2. Vitale fijnmazige winkelstructuur
    De gemeentelijke ambitie is om de fijnmazige winkelstructuur in de stad en het voorzieningenniveau in de dorpen te behouden en waar nodig te versterken. Deze ambitie wordt gerealiseerd door ruimte te bieden aan partijen die bestaande wijk- en buurtcentra aanpakken en/of saneren, aan marktinitiatieven die de kwaliteit van de fijnmazige winkelstructuur verbeteren en aan marktinitiatieven die de kwaliteit van het voorzieningenniveau in de dorpen verbeteren.
  • 3. Grootschalige en perifere detailhandel
    Apeldoorn wil vestigingsmogelijkheden bieden voor perifere en grootschalige detailhandel. De ambitie is locaties te realiseren met een duidelijk kernprofiel: locaties die herkenbaar zijn voor de consument en een gevarieerd aanbod hebben. Deze ambitie wordt gerealiseerd door te kiezen voor:
    • a. handhaving van de bestaande kaders van winkelbranchering op de locaties De Voorwaarts (grootschalige detailhandel), Het Rietveld (perifere detailhandel in de woonbranche) en de Europaweg (perifere detailhandel);
    • b. verkennen van de mogelijkheden zodra zich nieuwe initiatieven aandienen op de locaties Het Rietveld, Europaweg en de Kanaalzone die van de kaders voor branchering afwijken;
    • c. uitwerken van een integrale toekomstvisie voor Het Rietveld met betrokken partners;
    • d. handhaving van bestaande winkels in de Kanaalzone en daar vast te houden aan de bestaande branchering voor perifere detailhandel;
    • e. verruiming van de mogelijkheden voor het voeren van aanvullend assortiment bij tuincentra en kwekerijen.
  • 4. Vestigingsmogelijkheden voor internetwinkels
    De gemeentelijke ambitie is om internetwinkels te faciliteren. Deze ambitie wordt gerealiseerd door:
    • a. internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheden mogelijk te maken in woonwijken en op bedrijventerreinen;
    • b. afhaalpunten mogelijk te maken op bedrijventerreinen, winkelcentra of andere consumentaantrekkende locaties;
    • c. internetwinkels met fysieke bezoekmogelijkheden mogelijk te maken in bestaande winkelcentra;
    • d. het via maatwerk afwegen van vestiging van logistieke centra voor internetwinkels met fysieke bezoekmogelijkheden;
    • e. het maken van een verkenning naar economische kansen voor internetbedrijven voor Apeldoorn.
  • 5. Maatwerk
    Een visie over de gewenste detailhandelstructuur biedt richting, maar laat ook vragen onbeantwoord. Er zullen initiatieven komen die niet één op één passen in het voorgestane beeld. De deur gaat dan niet dicht maar het gemeentebestuur gaat in gesprek en kijkt met de initiatiefnemer naar mogelijkheden. Wel ruimte, geen willekeur. In de nota is aandacht voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan dit maatwerk.

Met dit bestemmingsplan worden op de begane grond centrumfuncties, o.a. detailhandel, toegestaan. Ten opzichte van het bestaande bestemmingsplan wordt geen m2 detailhandel toegevoegd. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de detailhandelsvisie.

3.3.9 Horecavisie

De gemeente Apeldoorn wil de binnenstad van Apeldoorn versterken als toeristischrecreatief centrum op de Veluwe. Voor het verwezenlijken van deze ambitie is het onder andere nodig dat de horecasector inspeelt op de wensen van de inwoners van Apeldoorn, alsmede de (potentiële) gasten. In de horecavisie geeft de gemeente aan dat het aantal horecazaken en de kwaliteit van de horeca moet passen bij de ambities die de gemeente heeft voor de binnenstad en toerisme. De gemeente wil daarbij het horeca-aanbod in de binnenstad uitbreiden. De horecavisie heeft mede tot doel te voorkomen dat de marktruimte voor horeca op minder gewenste plekken wordt ingevuld.

De gemeente Apeldoorn ziet diverse mogelijkheden om in de overgangszone tussen het kernwinkel- en stationsgebied nieuwe horeca toe te voegen, zodat er een aantrekkelijke en prettige verbinding tussen beide gebieden ontstaat. Daarnaast wordt de ‘Van Berlo-locatie’, voorliggend plangebied, als kansrijke locatie genoemd voor horeca. In de horecavisie wordt vermeld dat op die locatie ruimte is ruimte voor winkels, daghoreca en appartementen. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de horecavisie.

3.3.10 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0013.png"

Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Dit bestemmingsplan staat de uitvoering van de opgaven uit het beleid Groene Mal niet in de weg.

3.3.11 Beperking realisatieduur woningbouw privaatrecht

In juni 2014 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' vastgesteld. In het gemeentelijke woningbouwprogramma is nog maar beperkt ruimte voor nieuwe woningbouwinitiatieven, terwijl een deel van de beschikbare ruimte in het woningbouwprogramma is ingevuld met plannen waarvoor al meer dan een paar jaar een vastgesteld bestemmingsplan aanwezig is maar die niet tot uitvoering komen. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen en om alleen nog ruimte te bieden aan initiatieven die ook echt worden uitgevoerd, geldt op grond van de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' nu een realisatietermijn voor nieuwe woningbouwinitiatieven die in principe drie jaar bedraagt. Die termijn gaat lopen vanaf het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.


Ter uitvoering van de beleidsnotitie wordt in ieder bestemmingsplan dat de bouw van nieuwe woningen mogelijk maakt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee kunnen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen door de bouwmogelijkheden voor nieuwe woningen te verwijderen als na de termijn de betreffende woningen niet zijn gerealiseerd en ook nog niet in aanbouw zijn. De programmatische ruimte die daardoor vrij komt, kan vervolgens worden aangewend voor een andere woningbouwontwikkeling. Voordat een bestemmingsplan voor een woningbouwontwikkeling in procedure wordt gebracht, wordt deze termijn ook privaatrechtelijk overeengekomen tussen initiatiefnemer en gemeente.


In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de functie wonen te verwijderen uit de doeleindenomschrijving, indien het project niet tot realisatie komt.

4 UITVOERBAARHEID

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportages d.d. 8 januari 2019 en 9 november 2017, opgesteld door De Klinker Milieu en opgenomen in bijlagen 12 en 13 van de bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van de bodemonderzoeken weergegeven.

Op de locatie Hoofdstraat 38 is sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond. De locatie Hoofdstraat 46-48 (voormalige benzine tank en -pomp) is sprake van een ernstige bodemverontreiniging met vluchtige aromaten in de grond en minerale olie en vluchtige aromaten in het grondwater aanwezig. Op de locatie van de voormalige kelders van de Hoofdstraat 40-48 bevat de bodem zwak tot matig puinhoudend en is de bodem maximaal licht verontreinigd met metalen, PAK (10 uit VROM) en PCB. De grond is maximaal licht verontreinigd met metalen en PCB. Het grondwater van het overige terrein Hoofdstraat 40-48 is licht verontreinigd met molybdeen.

Het actualiserend bodemonderzoek uit 2017 bevestigd het bovenstaande.

Vanwege de bodemverontreiniging ter hoogte van de voormalige benzine tank en -pomp is de grond niet geschikt voor de beoogde functie en zal geschikt gemaakt moeten worden. Hiervoor zal een nader onderzoek uitgevoerd moeten worden en moet een saneringsplan opgesteld worden. Beiden moeten door het bevoegde gezag de provincie Gelderland goedgekeurd worden. Op basis van de beschikbare bodemonderzoeken is voldoende inzicht in de bodemkwaliteit om te kunnen ramen wat de kosten zijn om de locatie geschikt te maken voor woningbouw. Op basis van deze geraamde kosten staat vast dat de sanering financieel uitvoerbaar is.

Conclusie

Vanuit milieuhygiënische oogpunt zijn er naar verwachting geen belemmeringen woningen te ontwikkelen op de planlocatie. De bodemkwaliteit is geschikt of kan ter plaatse van de verontreinigingen geschikt worden gemaakt om aan de kwaliteitseisen voor de te realiseren (woon)functies te voldoen.

4.1.3 Milieuzonering

Inleiding

Voor functiemenggebieden geldt een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan:

  • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;
  • horecaconcentratiegebieden;
  • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen;
  • (delen van) woongebieden met kleinschalige cq. ambachtelijke bedrijvigheid.


Het kan daarbij gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten is wenselijk omdat de activiteiten in dergelijke functiemengings- gebieden qua schaal sterk kunnen verschillen van de activiteiten op een bedrijventerrein.


Categorie-indeling functiemenging 

In de lijst voor functiemenging is gekozen voor een andere categorieaanduiding dan in de algemene lijst van de VNG-uitgave Bedrijven- en Milieuzonering. De activiteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C. De betekenis voor de toelaatbaarheid is als volgt:

Categorie A 

Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

Categorie B 

Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

Categorie C

De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.


Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden:

  • 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;
  • 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  • 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig;
  • 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.


De Staat-van-bedrijfsactiviteiten bij functiemenging is afgeleid van de richtafstandenlijst uit bijlage 1 in de VNG-uitgave Bedrijven- en Milieuzonering. Naast de randvoorwaarden 1 tot en met 4 zijn bij de selectie van activiteiten de volgende criteria gehanteerd:

  • Voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1.
  • Voor categorie B gaat het om activiteiten:

- in categorie 1 voor het aspect gevaar;

- in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur;

- in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid;

- met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen).

  • Voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, echter met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen).


Flexibiliteit

De lijst zoals opgenomen in dit plan, is bedoeld om in te spelen op actuele ontwikkelingen. Toch is het tijdgebonden. Het komt in de praktijk dan ook voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de lijst wordt verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat burgemeester en wethouders een dergelijk bedrijf via een afwijkingsprocedure een categorie lager kunnen indelen (van C naar B). Om de afwijking te kunnen verlenen moet worden aangetoond dat het bedrijf (of anderssoortige voorziening) naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie. Deze beoordeling dient zich te richten op maatgevende milieuaspecten zoals geluid, stof, geur en verkeer.


Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven, kantoren of voorzieningen zich aandienen, waarvan de activiteiten niet zijn genoemd in de lijst. Wanneer deze bedrijven, kantoren of voorzieningen wat betreft milieubelasting gelijk kunnen worden gesteld met wat volgens de bestemmingsregeling is toegelaten en (uiteraard) passen binnen de doeleindenomschrijving kan de vestiging van deze bedrijven, kantoren of voorzieningen eveneens via een afwijkingsprocedure mogelijk worden gemaakt.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

In de memo Bedrijven en milieuzonering project Hoofdstraat Apeldoorn d.d. 22 november 2019 en bijgevoegd in bijlage 10 van de bijlagen bij de toelichting is geconcludeerd dat wordt voldaan de algemene richtlijnen uit de VNG brochure voor functiemenging. Deze conclusie is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • De planlocatie bevindt zich in het centrum van Apeldoorn en kan daarom worden aangemerkt als gemengd gebied en een gebied met functiemenging. Op grond van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering gelden hierdoor geen richtafstanden, maar categorieën.
  • De functies in de plint, milieucategorie A, worden gescheiden van de daarboven gelegen woningen door de juiste bouwkundige vormgeving (een verdiepingsvloer die geluid voldoende dempt);
  • De expeditie (het laden en lossen) zal plaatsvinden op een overdekte locatie vanaf de Kanaalstraat.


Deze voorwaarden zullen worden geborgd in de planregels. Verder is ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder door stemgeluid van bezoekers van de functies in de plint door het gebruik van de buitenruimtes (als terras) geborgd met een regel dat het gebruik van een terras ten behoeve van de functie horeca tussen 23:00 uur en 7:00 uur niet is toegestaan.


In de nabijheid van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig die de voorgenomen ontwikkeling kunnenbelemmeren dan wel dat de voorgenomen ontwikkeling de bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmeren.

Conclusie

In dit bestemmingsplan wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en worden de milieubelastende activiteiten niet onaanvaardbaar in hun functioneren belemmerd.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen en een spoorlijn. Derhalve worden deze bronnen nader beschouwd. Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook inzicht te worden gegeven in de akoestische indirecte gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventuele verkeersaantrekkende werking.

Wegverkeerslawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Apeldoorn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.

Spoorweglawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande spoorwegen

Op grond van de Wgh hebben spoorlijnen van rechtswege een geluidzone. Het traject Deventer- Apeldoorn-Amersfoort heeft een geluidzone van 200 meter. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen zo'n geluidzone moeten terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde woningen (en andere geluidsgevoelige bestemmingen) de grenswaarden uit het Besluit geluidhinder spoorwegen in acht genomen worden. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 68 dB (Lden) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

In de rapportage Akoestisch onderzoek (spoor) weglawaai d.d. 19 mei 2020, opgenomen in bijlage 13 van de bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van de omliggende wegen en van de spoorweg Amersfoort-Apeldoorn-Deventer berekend.

Het plangebied is niet binnen een geluidzonezone van een weg gelegen. Het snelheidsregime van de omliggende wegen is 30 km/uur. Formeel gelden er geen normen met betrekking tot wegverkeerslawaai. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de planlocatie wel onderzocht.

Uit de berekeningen blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als gevolgvan de Hoofdstraat en Stationsstraat niet wordt overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de Kanaalstraat/Hofstraat er een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting plaatsvindt voor het noordelijk gedeelte van het bouwplan. Dit wordt veroorzaakt door de huidige busverbindingen. Recentelijk is er een nieuwe busconcessie gesloten waarbij de verwachting geldt dat er meer elektrische bussen gaan rijden. Het stadsverkeer zal elektrisch worden, het streekvervoer niet. De inschatting is dat circa 75% van de busbewegingen over de Kanaalstraat bestaat uit stadsvervoer en dus elektrisch zal worden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden.

Maatregelen om deze geluidsbelasting te reduceren bieden onvoldoende soelaas en/of zijn vanuit verkeerskundig, financieel en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk. De buitenruimten van de appartementen aan de zijde Kaanaalstraat/Hoofdstraat zijn allen gelegen aan de geluidluwe binnenzijde. Ook voor deze appartementen geldt dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

De hoogste geluidbelasting van de betreffende weg is 59 dB. De binnenwaarde mag maximaal 33 dB bedragen. De gevelreductie van de appartementen dient hier minimaal 26 dB (59 dB - 33 dB) te bedragen. Hiervoor zijn geen dusdanige voorzieningen noodzakelijk dat het plan niet uitvoerbaar is.

Het plan ligt binnen de 200 meter zone van de spoorweg Amersfoort-Deventer. De geluidbelating als gevolg van de spoorlijn bedraagt maximaal 50 dB. Dit is lager dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Conclusie
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe en bestaande geluidgevoelige bestemmingen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.


Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.


Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt de realisatie van 139 woningen en 2.600 m2 aan centrumvoorzieningen. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Uit de quickscan luchtkwaliteit d.d. 22 mei 2020 (opgenomen in bijlage 13 van de bijlagen bij de toelichting), is het effect van het plan op de luchtkwaliteit af te leiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0014.jpg"

Toetsing NIBM-tool

Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het plan voldoet aan de NIBM-grens van 1,2 µg/m. Daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is er verder geen nader onderzoek nodig. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wm niet noodzakelijk, aangezien het plan NIBM is.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe worden in het beleid voor externe veiligheid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en per transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud van de buisleidingen.

Nota Milieuveiligheid Apeldoorn

Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid, die in december 2011 is vastgesteld, is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten 

Bevi

In de nabijheid van de planlocatie bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor het plan. Nieuwvestiging van risicobedrijven is in dit plan niet toegestaan.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de nabijheid van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn-Deventer. Doordat het plangebied zich op meer dan 200 m van de risicobron bevindt, kan conform artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze is opgenomen in bijlage 3 van de bijlagen bij de toelichting.

Vanwege de relatief grote afstand tot de risicobron en de zeer beperkte omvang van het vervoer van stofcategorie A over de spoorlijn is het groepsrisico reeds zeer laag. Daarnaast is de personendichtheid in en rondom het plangebied in de huidige situatie reeds hoog als gevolg van hoge bezoekersaantallen in het centrum. De toename van de personendichtheid als gevolg van onderhavig plan zal daarom niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

Advies VNOG 

De quick scan externe veiligheid is voor advies voorgelegd aan de VNOG. De opmerkingen van de VNOG zijn als volgt:

  • Pas op de quick scan aan naar wat daadwerkelijk vervoerd wordt over het spoor.
  • Motiveer beter waarom kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Naar aanleiding van het advies van de VNOG is de quick scan aangepast.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van

nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT). In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het plangebied worden 139 woningen gerealiseerd en 2.600 m2 centrumvoorzieningen. Voorliggend plan valt in categorie D11.2 “Stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan overschrijdt niet de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0015.jpg"

Categorie D11.2 (Besluit m.e.r.) met getalsmatige grenzen.

De drempelwaarden wordt in de voorliggende situatie niet overschreden. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Er is wel sprake van een vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De volledige notitie is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. In deze toelichting wordt de conclusie vermeld.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:

1. de kenmerken van het project;

2. de plaats van het project; en

3. de kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Bij besluit van 29 oktober 2020 is de beschikking Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling genomen.

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming  

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het gebied 'Veluwe', is gelegen op een afstand van meer dan 2 kilometer van het plangebied. Het plangebied is gelegen temidden van verstedelijking, in het centrum van Apeldoorn.

Om in beeld te brengen of sprake is mogelijk negatieve effecten als gevolg van stik-stofemissie is een Aerius-berekening uitgevoerd. Separaat is ook een stikstofberekening voor de aanlegfase uitgevoerd. Uit de onderzoeken blijkt dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.


Conclusie

Zoals beschreven in de voorafgaande alinea's kan worden uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.1.8 Bezonning

Op basis van de stedenbouwkundige opzet is onderzoek gedaan naar de bezonningssituatie binnen en in de omgeving van het plangebied (zie bijlage 7 van de bijlagen bij de toelichting).

Hierbij wordt opgemerkt dat er geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen zijn waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Ten einde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling.

De gemeente Apeldoorn sluit aan bij de richtlijn, een aan de TNO ontleend criterium, dat de nieuwbouw zodanig moet zijn gesitueerd dat de zon op de eerste dag van de lente dan wel de eerste dag van de herfst tussen 10.00 uur en 18.00 uur tenminste twee bezonningsuren per dag op één gevel van een woning moet kunnen bereiken. Bij de beoordeling van de schaduweffecten van de geplande nieuwbouw is de situatie weergegeven in de lente & herfst, zomer en winter. Uit de studie komt naar voren dat omliggende woon- en bedrijfspanden minimaal 120 miniuten zonlicht krijgen, gedurende de lente, zomer en herfst.

Onderzoeksresultaten

Uit de zonstudie blijkt dat voor omliggende woon- en of bedrijfspanden geen onevenredige overlast wordt voorzien. Zo geldt dat woonruimtes van omliggende woningen altijd 2 of meer zonuren zullen hebben gedurende de lente, zomer en herfst. De schaduw zal zich, wanneer de zon laag staat in de namiddag en avonduren, met name manifesteren op het parkeerterrein binnen het bouwblok. De rankheid van de te ontwikkelen toren zorgt er daarnaast voor dat geen enkel omliggend gebouw onevenredig benadeeld wordt in het kader van schaduwwerking.

Conclusie

Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bouwplan.

4.1.9 Windhinder

Rondom hoge gebouwen kan windhinder optreden. Er kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam maken. Op grond van onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder zal optreden en zo ja, welke maatregelen kunnen worden getroffen om windhinder te voorkomen of te beperken. Ter voorkoming van windhinder kunnen maatregelen worden getroffen in de openbare ruimte of aan het gebouw zelf.

Middels voorliggend bestemmingsplan wordt bebouwing mogelijk gemaakt met een maximale bouwhoogte van 19 meter en een hoogteaccent van 73 meter.

Onderzoeksresultaten

Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een windonderzoek uitgevoerd (bijlage 6 van de bijlagen bij de toelchting), waarbij is onderzocht in hoeverre in het plangebied windhinder is te verwachten. Bij de beoordeling van windhinder is onderscheid gemaakt tussen de functiecategorieën 'loopgebied' en 'slentergebied'. 

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0016.jpg"

Kwaliteitsklasse windklimaat op 1.75m hoogte nieuwbouw situatie

Uit de resultaten van het windklimaatonderzoek kan worden geconcludeerd dat de nieuwbouw geen overmatige windhinder op hoofdhoogte zal veroorzaken tijdens de activiteiten 'doorlopen' en 'slenteren'. Voor de activiteit 'langdurig zitten' wordt er in een klein gebied in het midden van de Kanaalstraat een slecht windklimaat verwacht. Nergens in het onderzoeksgebied bleek een overschrijding van het criterium tot windgevaar.

Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen bouwplan niet tot overmatige windhinder zal leiden.

4.1.10 Duurzaamheid

Bij het planvormingstraject van bouwplannen in de gemeente Apeldoorn speelt duurzaamheid een rol. Hieronder staat weergegeven op welke duurzaamheid een plek heeft gekregen.

Energie

Het project wordt gasloos uitgevoerd. Daarnaast zal de opwekking van warmte centraal in het gebouw geregeld worden, dus geen individuele warmteopwekking. Een centrale opwekking heeft het voordeel dat goed en makkelijker kan worden ingespeeld op toekomstige en vernieuwende mogelijkheden op dit gebied. Ook zal het aspect koeling in de totale afweging worden meegenomen.


Duurzame mobiliteit

Er wordt gedurende 2 jaar gemeenschappelijke mobiliteit in het gebouw aangeboden. Hiertoe worden 6 elektrische deelauto's ter beschikking gesteld. Door de ontwikkelaar zal hiertoe een contract worden afgesloten met een gespecialiseerd bedrijf in duurzame mobiliteitsoplossingen. De parkeervoorziening zal worden voorbereid om naast deze elektrische auto's ook eenvoudig extra oplaadpunten te kunnen realiseren.


Groen

  • op het dak van de parkeergarage wordt een gezamenlijke binnentuin met veel ruimte voor groen voor de bewoners gerealiseerd;
  • op de platte daken van de appartementblokken zullen groene daken worden gerealiseerd;
  • er worden hoogwaardige groene gevels aan zijde Hoofdstraat en hoek Hoofdstraat/Kanaalstraat gerealiseerd;
  • plantenbakken zullen op de balkons worden geplaatst;
  • in samenspraak met de gemeente zal het omliggende (semi) openbare terrein worden ontworpen en ingericht. Hierbij zal het accent liggen op een groene inrichting.

4.2 Verkeer

Verkeersgeneratie

In de huidige situatie betreft het plangebied een parkeerterrein voor bezoekers van het centrum van Apeldoorn (het staat bekend als ‘P1 Parking Apeldoorn Centrum Kanaalstraat’). Hiermee heeft het plan momenteel een sterke verkeersaantrekkende werking. Het parkeerterrein heeft 120 parkeerplaatsen. Ervan uitgaande dat op een dag elke parkeerplaats 5 keer wordt gebruikt, leidt dit tot een theoretische verkeersintensiteit van 1.200 verkeersbewegingen per etmaal.

In de toekomstige situatie wordt op deze locatie woningbouw en centrumvoorzieningen gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor woningen en centrumvoorzieningen wordt op basis van de CROW (Publicatie 381: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) berekend aan de hand van het aantal woningen en m2 bvo centrumvoorzieningen.

De ontwikkeling voorziet in maximaal 139 woningen. In de planvorming wordt uitgegaan van 61 middeldure huur en 78 middeldure/vrije sector appartementen.

Voor de appartementen in het middeldure huursegment bedraagt de verkeersgeneratie op basis van de in het toetsingskader genoemde uitgangspunten 1,8 - 2,6 mvt/etmaal per woning. De verkeersgeneratie bedraagt voor deze woningen 110 - 159 mvt/etmaal weekdag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0017.jpg"

Tabel verkeersgeneratie

Verder wordt er 2.600 m2 aan centrumvoorzieningen mogelijk gemaakt. (De bovenstaande tabel gaat nog uit van 3.000 m2 (de tabel komt uit de vorm vrije mer notitie). De verkeersgeneratie bedraagt op basis van de in het toetsingskader genoemde uitgangspunten 22,4 - 29,1 mvt/etmaal per m2. De verkeersgeneratie bedraagt voor 3.000 m2 centrumvoorzieningen 672 - 873 mvt/etmaal weekdag.


De totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling met woningbouw en centrumvoorzieningen komt uit op 1.071 - 1.383 mvt/etmaal weekdag. Het omrekenen naar een maatgevende werkdag (drukste dag) geschiedt op basis van een omrekenfactor van 1,12. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een maatgevende werkdag van 1.200 - 1.549 mvt/etmaal. Worst case is de verkeerstoename 349.


Gezien de opzet van het plan en de bestaande wegenstructuur, zal het verkeer naar de parkeergarage vanuit de PWA-laan, Kalverstraat en Hoofdstraat aanrijden. De bevoorrading vindt plaats via de Kanaalstraat.

De bestaande intensiteiten op deze straten zijn vrij beperkt. Gezien de capaciteit van de omliggende wegen is op voorhand te stellen dat het omliggende wegennetwerk geen problemen zal ondervinden door het onderhavige plan.

Met de vaststelling van het ontwikkelperspectief 'Stadspark van Apeldoorn' en mobiliteitsvisie binnenstad, wordt beoogd de binnenstad autoluw te maken. Hiervoor worden verschillende maatregelen genomen. Éen van deze maatregelen is, dat doorgaand verkeer via de centrumring wordt geleid en niet langer - via de Kalverstraat - door het centrum.

Parkeren

Het te realiseren programma voor de locatie van het voormalige PGEM-gebouw, bestaand uit woonprogramma (appartementen) en een winkel/horeca programma. Hieronder is het programma weergegeven en uitgesplitst naar de verschillende gebruikers (bewoners/werknemers) en bezoekers van de woningen en winkels.

Programma   Parkeernorm   Parkeerbehoefte    
118 appartementen   1.25 pp/won (>75m2)   147,5 pp   bewoners: 118 pp
bezoekers: 29,5 pp  
21 appartementen   1.0 pp/won (45-75m2)   21 pp   bewoners: 15,75 pp
bezoekers: 5,25 pp  
2.600 m2 centrumvoorzieningen   3.5 pp/100m2 bvo   91 pp   werknemers: 14 pp
bezoekers: 77 pp  
Totaal     259,5 pp    

Tabel: parkeervraag

Dubbelgebruik

De verschillende doelgroepen hebben op verschillende momenten in de week de maximale parkeervraag. Als de parkeerplaatsen door de verschillende doelgroepen worden gebruikt, daalt de maximale parkeervraag. Door voor verschillende doelgroepen op verschillende momenten in de week met aanwezigheidspercentages te rekenen (bron: CROW) kan het maatgevende moment worden bepaald wanneer de gezamenlijke parkeervraag het grootst is.

Programma   parkeernorm   parkeerbehoefte
(maatgevend moment zaterdagmiddag (60% voor bewoners/bezoekers)  
 
21appartementen
118 appartementen
 
1,0 pp/won (45-75m2)
1.25 pp/won (>75m2)  
13 pp
89 pp  
bewoners: 80 pp
bezoekers: 21 pp  
2.600 m2 centrumvoorzieningen   3.5 pp/100m2 bvo   91 pp   werknemers: 14 pp
bezoekers: 77 pp  
totaal     193 pp    

tabel: parkeervraag met dubbelgebruik

De parkeervraag voor de beoogde ontwikkeling bedraagt 193 parkeerplaatsen. De parkeergarage in de ontwikkeling heeft een omvang van 155 parkeerplaatsen. De parkeervraag voor deze locatie kan niet geheel op eigen terrein worden voorzien. Er is gekozen voor de volgende oplossing: de vaste parkeerders (bewoners en werknemers) kunnen in een gebouwde parkeervoorziening parkeren op de locatie (capaciteit 155 pp). Op de planlocatie wordt gebruik gemaakt van deelauto's. In totaal komen er 6 deelauto's. Door de inzet van 6 deelauto's daalt de parkeerbehoefte met 24 parkeerplaatsen.

Afkoop parkeerplaatsen

De planlocatie heeft een tekort van 15 parkeerplaatsen (197pp - 24pp - 155pp = 15pp). Het tekort aan parkeerplaatsen, is afgekocht. Met de betaling van de afkoopsom neemt de gemeente de parkeerbehoefte over. Door te voorzien in parkeergelegenheid in parkeergarage Haven Centrum.

Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

 

4.3 Duurzame verstedelijking

4.3.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Voor de planlocatie is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 16 toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting.

Centrumfuncties

Gelet op het feit dat het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Apeldoorn de komende jaren zal blijven toenemen, neemt de kwantitatieve behoefte en het draagvlak aan commerciële functies toe. Ook de positieve ontwikkelingen in bijvoorbeeld de horecasector en ten aanzien van beleving in het algemeen dragen in positieve zin bij aan de vergroting van het draagvlak voor commerciële functies in centrumgebieden toe. Tegelijkertijd is er juridisch-planologisch gezien met het beoogde bestemmingsplan niet tot nauwelijks sprake van een verruiming van de kwantitatieve mogelijkheden voor commerciële functies en wordt het plangebied in diverse beleidsstukken reeds aangeven als ontwikkellocatie voor centrumvoorzieningen in combinatie met appartementen. In het Regieplan voor de Apeldoornse binnenstad wordt zelfs gesproken over de realisatie van 10.000 m2 aan winkelruimte. Met de beoogde 3.000 m2 aan commerciële functies (meer dan enkel winkelruimte) wordt ruimschoots binnen deze kwantitatieve beleidsdoelstelling gebleven. Ook neemt de bestaande kantorenvoorraad in het centrum van Apeldoorn steeds verder af. Dit tezamen maakt dat gesteld wordt dat de ontwikkeling van de commerciële plint voorziet in de kwantitatieve behoefte van het marktgebied.
Daarnaast geldt dat de gemeente Apeldoorn inzet op een compact, aantrekkelijk en levendig kernwinkelgebied. Het plangebied bevindt zich aan de zuidoostzijde van het kernwinkelgebied en is als het ware een ‘poort’ richting dit kernwinkelgebied. Tegelijkertijd bevindt het plangebied zich op zeer nabije afstand van het station van Apeldoorn. Al met al is het plangebied een scharnierpunt te noemen tussen het station en het kernwinkelgebied van Apeldoorn: bezoekers vanaf het station richting het centrum zullen ter hoogte van het plangebied het kernwinkelgebied betreden. De huidige status van het plangebied als braakliggend terrein met een focus op parkeren draagt niet bij op het aanmoedigen van het betreden van het kernwinkelgebied en voorziet eveneens niet in de gewenste verblijfskwaliteit van het gebied. Met de beoogde ontwikkeling van het wooncomplex met commerciële plint wordt dit doorbroken. Er ontstaat een aantrekkelijke commerciële plint met een gevarieerd en breed profiel, waarbij met de mogelijkheden voor terrassen een prettig en levendig verblijfskwaliteit gecreëerd. Tegelijkertijd wordt de herkenbaarheid als startpunt van het kernwinkelgebied vanuit de looproute vanaf het station geaccentueerd. Tegelijkertijd wordt met de ontwikkeling aangesloten bij de beleidsambities van de gemeente Apeldoorn voor deze locatie. Zo wordt het plangebied als kansrijke locatie genoemd voor winkels, daghoreca en appartementen in de horecavisie van de gemeente. Ook wordt een bijdrage geleverd om het voor Apeldoorn unieke woonmilieu van ‘wonen boven winkels’ te realiseren. Daarnaast wordt met dit plan een antwoord geboden op de vraag van kleine kantoorgebruikers die momenteel geen geschikt kwalitatief aanbod kunnen vinden in Apeldoorn. Daarmee wordt gesteld dat de commerciële plint voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied.

Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

Woonfunctie

Voorliggend bestemmingsplan maakt een stedelijke ontwikkeling mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de realisatie van woningen ligt de drempel waarbij wordt gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling echter op 12 woningen. Het vigerende bestemmingsplan maakt al centrumvoorzieningen en woningen op de verdiepingen mogelijk. Gezien de aard van het plan (commerciele ruimten met daarboven woningen) en de omvang (realisatie van 139 woningen) is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Op basis van paragraaf 2.11 "Afwegingskader woningbouw 2018 t/m 2027" kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan voldoende bijdraagt aan de ontwikkelingskoers van gemeente Apeldoorn. Bovendien is de planlocatie in "Regieplan Binnenstad Apeldoorn" als één van de vier nieuwe woningbouwlocaties in de Apeldoornse binnenstad. Het plan sluit dus kwalitatief aan op de vraag in de stad.

Conclusie

In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4 Waterhuishouding

4.4.1 Waterbeleid

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021. Deze is vanaf 17 december 2015 van kracht. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen hebben in dit plan een plek gekregen, net zoals enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie.

Daarnaast hebben Rijk, provincies, gemeente, waterschappen, en drinkwaterbedrijven afgesproken om gezamenlijk maatregelen te nemen voor een doelmatiger waterbeheer; het Bestuursakkoord Water (d.d. april 2011). De inzet ligt bij mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van watersysteem en waterketen. De kwaliteit moet omhoog tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 is water in 3 nationale belangen terug te vinden. Daarbij gaat het om de bescherming van de grondwaterkwaliteit en –kwantiteit, de bescherming en verbetering van de waterkwaliteit, een goede zoetwatervoorziening en voldoende ruimte voor waterveiligheid. Nieuw is de aandacht voor klimaatbestendige (her)ontwikkelingen, waarin water een belangrijk aspect is.

In de Waterwet (22 december 2009) zijn ondermeer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor het vasthouden en afvoeren van regenwater en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht.


Provinciaal beleid  

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Waterschaps beleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren


De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.


Gemeentelijk beleid

Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn
Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.


Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.


Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 - 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.


Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Resumé

Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat:

  • Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.
  • Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
  • Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.).
  • Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • Grondwaterneutraal bouwen.
4.4.2 Algemeen

De 'Van Berlo' locatie, gelegen op de hoek Hoofdstraat/ Kanaalstraat. Het plan voorziet in een begane grond met ca. 2.600 m2 centrumvoorzieningen en op de verdiepingen 139 woningen. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 0,6 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

4.4.3 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die in het streekplan is vastgelegd. Uit gegevens van peilbuizen in de omgeving blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied schommelt tussen de 2 meter en 3 meter onder maaiveld. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

4.4.4 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Direct ten noorden van het plan gebied aan de overzijde van de Kanaalstraat stroomt de opgeleidebeek/ spreng De Grift. Circa 300 meter ten noordoosten van de locatie is het Apeldoornskanaal gelegen. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

4.4.5 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij een maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.
Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

Het voorgenomen bouwplan betreft een herontwikkeling van een bestaand verhard gebied. Daarvoor geldt de eis dat de infiltratievoorziening een berging van minimaal 20 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak dient te hebben. Bij extreme situaties (neerslaggebeurtenis T=100) moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0018.jpg"

Waterberging

Uit bovenstaande figuur blijkt dat 6.100 m² van het plangebied verhard oppervlak wordt. 5.325 m2 van het totaal kan worden toegeschreven aan daken en 775 m2 aan terreinverhardingen. Het hemelwater, afkomstig van daken en terreinverharding wordt zoveel mogelijk getransporteerd richting de groene daken, binnentuin en ondergrondse infiltratievoorzieningen. Zie ook de bijgevoegde notitie waterhuishouding (bijlage 4).

Uit de notitie waterhuishouding blijkt dat binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig is 20mm neerslag te bergen.

4.4.6 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

4.4.7 Watertoets

Het plan omvat minder dan 1.500 m² extra verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.


Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

4.5 Natuurwaarden

4.5.1 Wettelijk kader en beleid
4.5.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

4.5.2 Onderzoeksresultaten

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in de kern van Apeldoorn (provincie Gelderland). De omgeving kenmerkt zich door de ligging direct ten oosten van de Veluwe. Het plangebied ligt in het centrum van Apeldoorn en bestaat uit een betaald parkeerterrein met circa 120 parkeerplaatsen. Het terrein is grotendeels verhard en er is vrijwel geen groen aanwezig.

Het plangebied ligt op circa 2,9 kilometer ten oosten van Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer dan 10 kilometer van het plangebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de Natura 2000 betreft Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebied. Navolgende afbeelding geeft een overzicht van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0019.jpg"

Kaart ligging plangebied ten opzichte van N2000-gebieden

Uit de uitgevoerde AERIUS berekening volgt dat, zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase, op geen van de N2000-gebieden een grotere toename in stikstofdepositie dan 0,00 mol/ha/j te verwachten is. Negatieve effecten door de verzurende en vermestende werking van deze deposities op deze leefgebieden en habitattypen zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Zie bijlage 5 voor de uitgevoerde voortoets, inclusief AERIUS berekeningen.

Soortenbescherming

Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit onbebouwd terrein, in gebruik als parkeerplaats. Op het adres Kanaalstraat 4 staat een laag gebouw met aan de straatzijde een nutsvoorziening en erachter een loketfunctie voor parkeren. Dit gebouw is niet geschikt voor gebouw bewonende beschermde soorten.

Het plangebied kent geen gebiedsbescherming en geen beschermde soorten en dus zijn er vanuit ecologie en natuurwetgeving geen bezwaren tegen het voorgenomen plan.

Conclusie

Voor het onderhavige plan kan op voorhand een negatief effect op Natura 2000- instandhoudingsdoelen worden uitgesloten. Het plangebied maakt geen deel uit van het leefgebied van soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd.

4.6 Archeologie

4.6.1 Beleid
4.6.1.1 Provinciaal beleid

In de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

De 'Omgevingsverordening Gelderland' bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

4.6.1.2 Gemeentelijk beleid

Als vervolg op de 'Nota I-cultuur' heeft de gemeenteraad op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

4.6.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied is gelegen in een zone die is aangeduid met een lage archeologische verwachting. Voor het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 15).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1379-vas1_0020.jpg"

Uitsnede beleidskaart

Binnen het plangebied zijn reeds grootschalige en diepgaande recente bodemingrepen plaatsgevonden, waardoor het natuurlijk bodemprofiel grotendeels is vergraven/ aangetast, tot in de oorspronkelijke C-horizont. Daarbij is ook het archeologisch niveau (het niveau waarin archeologische resten kunnen worden verwacht en/of sporen zichtbaar kunnen worden aangetroffen) binnen het plangebied verstoord.

Doordat binnen het gehele plangebied diepgaande recente verstoringen zijn uitgevoerd kan deze verwachting voor alle archeologische perioden bijgesteld worden naar geen verwachting, waardoor de geplande bodemverstorende ingrepen niet zullen resulteren in verstoringen van archeologische waarden.
De geplande bodemverstorende ingrepen zullen niet resulteren in verstoringen van archeologische waarden, aangezien deze in situ niet meer worden verwacht. Aanvullend onderzoek is niet nodig. De gemeente Apeldoorn onderschrijft dit advies. Bij besluit van 12 februari 2019 is het plangebied vrijgegeven voor wat betreft archeologie.

Conclusie

Het aspect archeologie is voldoende onderzocht.

4.7 Cultuurhistorie

4.7.1 Wettelijk kader en beleid
4.7.1.1 Gemeentelijk beleid

Op de cultuurhistorische beleidskaart die hoort bij de gemeentelijke Nota I-cultuur staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

4.7.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied valt niet een gebied met een attentiewaarde.

4.8 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Met de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst en planschadeverhaalsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project voor rekening en risico van de ontwikkelaar. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de ontwikkelaar aan de gemeente vergoed.


Het bestemmingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.


5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. Paragraaf 5.2 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.3 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.


Centrum

Binnen de bestemming Centrum wordt voorzien in een mengvorm van verschillende functies. De gronden in de plint zijn bestemd voor detailhandel, horeca, bedrijven, maatschappelijk, dienstverlening, cultuur & ontspanning, sportvoorzieningen en kantoor/ zakelijke dienstverlening. Voor een aantal functies is uitsluitend categorie A toegestaan van de functiemengingslijst. In de regels is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om functies toe te staan die niet genoemd staan in de lijst of een categorie hoger zijn. Er kan alleen afgeweken worden als de functie naar aard en omvang gelijk te stellen is met een toegestane functie. Zie ook paragraaf 4.1.3 van de toelichting.

Op de verdiepingen is wonen toegestaan. Er mogen maximaal 139 woningen gerealiseerd worden. Binnen de woonfunctie is beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis toegestaan, mits deze ondergeschikt is aan de woonfunctie.


Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen in de woongebieden. Terrassen ten behoeve van nabijgelegen horecavestigingen hebben een verblijfsfunctie en vallen daarmee onder deze bestemming.

Bouwregels

De bebouwing aan de Hoofdstraat is 12 meter hoog. Deze hoogte sluit aan bij de bestaande bebouwing aan de Hoofdstraat. Op de hoek Hoofdstraat/Kanaalstraat wordt een hoekaccent gerealiseerd van 18 meter. De bebouwing aan de Kanaalstraat is 15 meter. De toren is terugliggend en wordt maximaal 72 meter.

De gebouwen mogen uitsluitend binnen het hiertoe opgenomen bestemmingsvlak worden gebouwd. De bouwhoogte staat op de verbeelding aangegeven. Beneden peil mag een ondergrondse parkeergarage gebouwd worden.


Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

5.3 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.3.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen in het hele plangebied (zowel binnen als buiten het bouwvlak) is toegestaan, mits de ondergrondse ruimten een functionele eenheid vormen met en dienstbaar zijn aan de woon-, horeca- en detailhandelfuncties volgens de bestemming. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In lid 7.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 7.3 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 11 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 12 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.3.2 Bepalingen over waarden, milieuzones en andere zones

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Het plangebied is aangemerkt als categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting.

5.3.3 Wijzigingsbevoegdheid beperking realisatieduur woningbouw

Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied realisatietermijn woningbouw' toegekend. Hiermee wordt voorzien in een wijzigingsbevoegdheid.

Conform het beleid dat in paragraaf 3.3.11 is beschreven, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen om de bouwmogelijkheden voor de nieuwe woningen te verwijderen als die na een periode van 3 jaar niet gebouwd zijn en ook niet in aanbouw zijn. De periode begint na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Concreet houdt de bevoegdheid in dat de bestemming wonen uit de doeleinden omschrijving wordt verwijderd. Voorwaarde voor het toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid is, naast het verstreken zijn van de termijn van drie jaar, ook dat eventueel verleende omgevingsvergunningen voor het oprichten van woningen zijn ingetrokken.

5.3.4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

 

6 INSPRAAK EN OVERLEG

6.1 Totstandkoming plan

In juni 2019 is er een inloopavond georganiseerd. Bewoners, bedrijven en andere belangstellenden konden zich op die avond laten informeren over het plan en vragen stellen aan de aanwezige medewerkers van de gemeente en de initiatiefnemer.

Het bouwplan is in de loop van 2020 aangepast. De hoofdopzet van het bouwplan is niet ingrijpend gewijzigd. De aanpassing bestaat onder andere uit het toevoegen van 19 woningen zodat er in totaal 139 woningen worden gerealiseerd. Andere aanpassing is dat er in overleg met de initiatiefnemers meer groen komt aan de gevel, op het dak en op de balkons om hiermee aan te sluiten op de opgeschroefde ambities als het om de vergroening van de binnenstad gaat. Ook is met de initiatiefnemers afgesproken om het gebruik van elektrische deelauto's maximaal te faciliteren. De initiatiefnemer heeft zijn aangepaste plan rond de zomer 2020 aan verschillende raadsfracties toegelicht.

In verband met Covid-19 is er voor gekozen omwonenden per brief te informeren over het ontwerpbestemmingsplan. Voor het stellen van vragen is een online informatiebijeenkomst ingepland op 16 februari. Er is ook een website gemaakt met daarop de planinformatie.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 4 februari 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Op het plan zijn zeven zienswijzen ingekomen. Zie voor de zienswijzen en de reactie daarop de nota zienswijzen, bijlage 1.