direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Hoenderloo Apeldoornseweg 16
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1375-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Hoenderloo Apeldoornseweg 16 

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Op het adres Apeldoornseweg 16 te Hoenderloo was tot 2015 een bakkerij annex lunchroom gevestigd, genaamd 'Bakkerij Van der Poel'. Nadat dit bedrijf in 2015 failliet was gegaan, ging het pand over in nieuwe handen en werd de exploitatie enigszins gewijzigd. In plaats van zelf brood te bakken en dat vervolgens te verkopen, verkocht men in het pand sindsdien door een ambachtelijke bakker aangeleverd brood. De grote ovens zijn in die tijd uit het pand verwijderd. Daarnaast exploiteerden de nieuwe eigenaren als voorheen een lunchroom in het pand en hielden zij de aanwezige winkel voor brood en streekproducten en het VVV-agentschap in stand.

In 2016 is een verzoek tot herziening van het bestemmingsplan ingediend om de nieuwe exploitatie planologisch te verwerken. Daarbij is het verzoek gedaan om reguliere bewoning mogelijk te maken van de op de verdieping aanwezige bedrijfswoning. Volgens het vigerende bestemmingsplan is aldaar alleen een bedrijfswoning toegestaan. De woning is in 2015, in strijd met het bestemmingsplan, verhuurd aan derden, omdat er geen behoefte meer bestaat aan bewoning door de uitbater. Wijziging kan het bestemmingsplan en de praktijk weer op een lijn brengen. Daarbij zal de bovenverdieping worden gesplitst in twee appartementen.

Het voorliggend bestemmingsplan laat de mogelijkheid tot 'daghoreca' in de vorm van lunchroom, konditorei, koffiecorner, tearoom, ijssalon en detailhandel onverlet maar laat de mogelijkheid tot het bakken van brood voor eigen winkel vervallen. De daghoreca-activititeit mag maximaal 100 m2 verkoopvloeroppervlakte innemen. In het huidige plan is dat 90 m2. De feitelijke omvang van de huidige lunchroom is 100 m2. Het nieuwe plan brengt ook wat dat betreft de planologische situatie en de feitelijke situatie weer op een lijn. Verder bevat het plan omzetting van de bovengelegen bedrijfswoning naar maximaal twee reguliere woningen/ appartementen.

1.2 Ligging en begrenzing

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel Apeldoornseweg 16 te Hoenderloo. Dit perceel is gelegen aan de rand van de kern Hoenderloo, tegenover de entree van nationaal park De Hoge Veluwe.

De planlocatie ligt in het toeristische gebied van het dorp, in de oksel van twee drukke wegen, de Apeldoornseweg (ten westen van de planlocatie) en de Krimweg (ten zuiden van de planlocatie). De omringende percelen betreffen merendeels woonhuizen. De dichtstbij gelegen woningen liggen aan de Parkweg (ten noorden van de planlocatie, op 8 meter afstand) en aan de Krimweg (op 9 meter afstand).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1375-ont1_0002.jpg"

Afbeelding 1.1 Luchtfoto van de planlocatie (oktober 2020)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het perceel Apeldoornseweg 16 is opgenomen in het bestemmingsplan "Apeldoornseweg 16 Hoenderloo (27-06-2013)" en heeft daarin de bestemming "Gemengd", waarin zowel detailhandel als bepaalde vormen van daghoreca mogelijk zijn, te weten lunchroom, konditorei, koffiecorner, tearoom en/of ijssalon. De oppervlakte van de horeca-activiteit is beperkt tot 90m2 aan verkoopvloeroppervlakte. Daarnaast is in het bestemmingsplan een terras opgenomen, waarvan op de plankaart is aangeduid waar dit zich dient te bevinden. Verder is in de gebruiksregels bepaald dat er een minimum aantal parkeerplaatsen moet worden aangelegd en instandgehouden. Op de plankaart (verbeelding) staat de locatie op het terrein waar deze zich moeten bevinden. Tot slot is in de regels vastgelegd dat op de verdieping een bedrijfswoning is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1375-ont1_0003.png"  

Afbeelding 1.2. Plankaart vigerend bestemmingsplan 

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit een plankaart en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting bevat onder andere een beschrijving van de relevante beleidskaders (hoofdstuk 2), de bestaande situatie en de voorgestane ruimtelijke invulling van het plangebied (hoofdstuk 3), de uitvoerbaarheid (hoofdstuk 4) en de juridische opzet van het plan (hoofdstuk 5)

Deze planherziening laat de mogelijkheid tot 'daghoreca' in de vorm van lunchroom, konditorei, koffiecorner, tearoom, ijssalon, en detailhandel onverlet maar laat de mogelijkheid tot het bakken van brood/eigen winkel vervallen. De daghoreca is in het huidige plan gebonden aan een maximum van 90 m² verkoopvloeroppervlakte. In het nieuwe bestemmingsplan wordt dat 100 m2, wat overeenkomt met de feitelijke omvang van de huidge lunchroom.

Verder bevat het plan omzetting van de bovengelegen bedrijfswoning naar maximaal twee reguliere woningen/appartementen. De geldende bouwvoorschriften (hoogtes/percentage, ligging bebouwingsgrenzen) worden ongewijzigd overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Ook blijft de ligging en grootte van het terras hetzelfde.

2 BELEIDSKADER

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig.

In de structuurvisie is de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder beoogt zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Het bewerkstelligt de nadrukkelijke motivering en afweging van een nieuwe stedelijke ontwikkeling met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een besluitgebied en de omgeving daarvan en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte.

Ladder duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder artikel 3.1.6. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Hoewel in dit plan sprake is van detailhandel en de locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied volgt uit jurisprudentie dat hier geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling', omdat de oppervlakte van detailhandel in dit plan minder is dan 500 m2 en omdat geen sprake is van een nieuw beslag op de ruimte: het plan maakt planologisch niet meer mogelijk dan op grond van het vigerende bestemmingsplan aanwezig was of kon worden gerealiseerd.

Daarbij is er in het geval van woningbouw slechts sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' indien sprake is van 11 woningen of meer.

Daarom is een nadere uitwerking van de ladder niet nodig.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 hebben provinciale staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld.

Nieuwe woonlocaties

Volgens artikel 2.2 worden nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts in een bestemmingsplan toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. Het voorliggende plan betreft een klein initiatief, dat toevoeging van één woning mogelijk maakt door een bestaande woning te splitsen, en past binnen de afspraken van de regionale Woonagenda.

Intrekgebieden

Apeldoornseweg 16 ligt in een Intrekgebied, een waterbeschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet Milieubeheer. Volgens artikel 2.38 van de Omgevingsverordening Gelderland krijgen in een bestemmingsplan Intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Dit bestemmingsplan maakt een dergelijke bestemming niet mogelijk en is daarmee ook op dat vlak in lijn met de Omgevingsverordening.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Regionale structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030

Voor de regio Stedendriehoek zijn twee regionale, intergemeentelijke structuurvisies opgesteld, namelijk voor het bundelingsgebied en voor de voorlanden. Tot het bundelingsgebied behoort het gebied dat ligt binnen de driehoek Apeldoorn, Zutphen en Deventer, inclusief de steden zelf. Met de voorlanden wordt het overige gebied van de regio Stedendriehoek beoogd, waartoe de omliggende dorpen en agrarische gebieden behoren. Het dorp Hoenderloo is gelegen in de voorlanden. Voor ontwikkelingen in Hoenderloo is daarom de Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 van toepassing.

In de Regionale structuurvisie de Voorlanden is een stuk specifiek beleid geschreven voor de dorpen en buurtschappen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen dynamische kernen, levendige dorpen en landelijke ensembles. Hoenderloo is hierbij aangemerkt als levendig dorp. De inzet van het beleid ten aanzien van levendige dorpen betreft de volgende punten:

  • Zoveel mogelijk stabiliseren van het verzorgingsniveau
  • Binden van de eigen bevolking (sociaal en economisch)
  • Handhaven van kleinschalig lokaal ondernemerschap
  • Ruimte voor kleinschalige recreatieve elementen
  • Economisch hergebruik van leegkomende bedrijfspanden
  • Ontwikkeling van levensloopbestendige woningvoorraad
  • Verbetering van de regionale bereikbaarheid
  • Faciliteren van lokale initiatieven voor strategische toevoegingen aan de woningvoorraad
  • Stimuleren van verknopingen in nieuwe zorgnetwerken.

De ontwikkeling aan de Apeldoornseweg 16 past binnen dit beleid voor levendige dorpen: het bevordert kleinschalig lokaal ondernemerschap en voorkomt eventuele leegstand van (bedrijfs)panden. Daarbij draagt dit plan, zij het bescheiden, bij aan de ontwikkeling van de woningvoorraad.

2.3.2 Regionale Woonagenda Cleantech Regio

Op 11 september 2018 hebben de acht gemeenten van de Cleantech Regio de Woonagenda 2018-2021 vastgesteld. De gezamenlijke ambities voor de Woonagenda richten zich op drie thema's: een sterke diversiteit aan woonmilieus, het verduurzamen in combinatie met klimaatbestendigheid en wonen en zorg.

De Agenda benoemt de volgende speerpunten:

  • Inzetten op het verbeteren van de aantrekkelijkheid door complementariteit, elkaar in positie te brengen en de ruimte te geven zich te profileren;
  • Ruimte voor de groei van de steden en inspelen op de toenemende vraag op de arbeidsmarkt naar onder meer technisch personeel en ICT-geschoolden;
  • Waken voor te veel 'verstening' om sociaaleconomisch en kwalitatief evenwichtig te blijven groeien in vitaliteit en inclusiviteit van alle inwoners;
  • Ruimte voor toekomstbestendige ontwikkeling van dynamische kernen, volgens de regionale principes voor kwalitatieve programmering;
  • Werken aan leefbare kleine kernen, waarbij ruimte is voor kleinschalige initiatieven vanuit de kernen zelf voor vernieuwende woonvormen;
  • Bij planontwikkeling in het buitengebied staan de kwaliteit van het landschap, de cultuurhistorie, de dorpse schaal en duurzaamheid centraal;
  • Er wordt gedacht aan een regionaal netwerk van landgoederen, om zowel het karakter van het landschap (cultuurhistorie) als het toeristisch profiel te versterken.

In de Woonagenda Cleantech Regio 2018-2021 is vastgelegd dat de woningvoorraad in de gemeente Apeldoorn in de periode 2018 tot 2027 mag groeien met 5.500 woningen.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Afwegingskader woningbouw 2018 t/m 2028

De gemeente Apeldoorn wil de juiste woningen op de juiste plek bouwen. Daarom is ervoor gekozen een prioritering aan te geven. Doel hiervan is om kansrijke initiatieven te bevorderen en te komen tot versnelling van de woningbouw. In de Structuurvisie, de Woonagenda en in de Regionale Woonagenda zijn kaders vastgesteld die de basis vormen voor het "Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2028". Het afwegingskader is als beleidsregel vastgesteld in 2019.

Het voorliggende bestemmingsplan betreft een kleinschalig initiatief, dat slechts één woning mogelijk maakt. Voor dergelijke initiatieven stelt de gemeente jaarlijks ruimte beschikbaar, waaraan wordt getoetst. Verder worden de kleinschalige initiatieven kwalitatief afgewogen, waarbij doorslaggevend is of een initiatief kwalitatief ter plaatse past en of er reëel vooruitzicht is op realisatie: wordt de woning/worden de woningen binnen 3 jaar gerealiseerd? In de programmering is ruimte voor het onderhavige plan. Verder zal in de hoofdstukken 3 en 4 worden onderbouwd dat het initiatief ter plaatse past. Daarmee wordt voldaan aan het Afwegingskader.

2.4.2 Horecavisie 2019-2023

In maart 2019 heeft de gemeente de Horecavisie 2019-2023 vastgesteld. De kern van de visie is de ambitie om Apeldoorn te versterken als toeristisch-recreatief centrum van de Veluwe. Horeca is na de detailhandel de belangrijkste publiekverzorgende functie. Horeca bepaalt voor een groot deel het imago van de Apeldoornse (binnenstad) en de dorpen. De visie stelt dat de horeca kan worden uitgebreid, vooral in de binnenstad. Daarbij is er behoefte aan vernieuwing en verrijking van het horeca-aanbod. De gemeente wil dat nieuwe initiatieven zich vooral concentreren in de binnenstad. Voor wat betreft het hotelaanbod, zowel in de (binnen)stad als daarbuiten, is het uitgangspunt dat zal meer kwaliteit zorgen voor een grotere aantrekkingskracht en een betere kamerbezetting.

Kansen voor horeca in de dorpen

In de dorpen (Beekbergen, Hoenderloo, Loenen, Uddel) is een relatief groot horeca-aanbod. Dat heeft te maken met hun toeristisch-recreatieve functie. De gemeente Apeldoorn ziet kansen bij kwaliteitsverbetering en mogelijkheden tot beperkte uitbreiding van het horeca-aanbod, in de sfeer van daghoreca en restaurants. Toerisme op de Veluwe neemt toe, wat kans biedt voor bedrijvigheid in de dorpen. Daarnaast ziet de gemeente mogelijkheden voor kleinschalige horeca langs toeristische fiets- en wandelroutes.

Het plan voor Apeldoornseweg 16 past, als voorbeeld van kleinschalige daghoreca langs de toeristische fiets- en wandelroutes van Hoenderloo, goed in het beleid.

2.4.3 Detailhandelsvisie 2014-2019

Op 16 januari 2014 heeft de gemeenteraad de Detailhandelsvisie 2014-2019 vastgesteld. De Detailhandelsvisie beschrijft de gemeentelijke visie op en ambities voor de lokale winkelstructuur. In de visie zijn de vijf hefbomen benoemd waar beweging noodzakelijk is en die bepalend zijn in het bereiken van het gewenste toekomstbeeld voor de detailhandel: de ontwikkeling van een robuuste, dynamische en complete winkelstructuur in Apeldoorn. Het gaat hierbij om:

  • 1. Uitnodigende Binnenstad
  • 2. Vitale en fijnmazige winkelstructuur
  • 3. Grootschalige en perifere detailhandel
  • 4. Internetwinkels
  • 5. Maatwerk

Detailhandel in de dorpen van de gemeente Apeldoorn

Veel van de Apeldoornse dorpen beschikken over een redelijk compleet voorzieningenaanbod. De inkomsten vanuit het toerisme zorgen voor extra draagkracht in de dorpen. Mede als gevolg hiervan is de omvang van het winkelaanbod in de dorpen, tegen landelijke trends in, stabiel en van hoog niveau.

De gemeente ambieert het behouden en waar nodig versterken van het voorzieningenniveau in de dorpen. De aanwezigheid is belangrijk voor de leefbaarheid en de toeristische aantrekkelijkheid. Bestedingen van toeristen en recreanten vergroten het verdienmodel in de dorpen, maar vragen ook ruimte voor nieuwe concepten. Het behouden van deze kwaliteit vraagt om creativiteit en het maken van slimme combinaties (winkelen in combinatie met, horeca, zorg, onderwijsvoorzieningen, maatschappelijke functies, etcetera) en daarmee een uitnodigende houding.

Het voorliggende initiatief zorgt er voor dat het gehele ensemble - daghoreca, kleine winkel en VVV-agentschap - voor Hoenderloo behouden blijft. Deze voorzieningen dragen bovendien bij aan de toeristische aantrekkelijkheid van dit stukje Hoenderloo. Het initiatief past dan ook zeer wel in het beleid.

2.4.4 Gemeentelijk parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.
Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen. Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, bijgevoegd als bijlage 1 van de BIJLAGEN BIJ DE REGELS. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.

In de paragraaf 3.2 wordt uiteengezet dat aan het gemeentelijk verkeersbeleid wordt voldaan.

2.4.5 Gemeentelijk beleid erfgoed

Nota Apeldoorns Karakter!

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25
juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving
en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Bij de nota hoort een archeologische beleidskaart. Deze wordt beschreven in de paragraaf  4.4.1.

3 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE OPZET

3.1 Beschrijving huidige situatie

Bedrijfsconcept 

In het pand op de planlocatie is een lunchroom gevestigd. Deze serveert koffie, frisdrank, belegde broodjes en een kleine lunchkaart. Ook verkoopt men er zelfgemaakt ijs. Daarnaast wordt in het pand een winkeltje voor (ingekocht) brood en streekproducten gerund, alsmede een VVV-agentschap.

Op de verdieping van het pand bevindt zich een woning. Volgens het vigerende bestemmingsplan is daar alleen een bedrijfswoning toegestaan. Omdat er feitelijk geen behoefte (meer) bestond aan bewoning door de uitbater is er al sinds enige jaren sprake van bewoning door derden.

Parkeren

De locatie kent 14 parkeerplaatsen, uitgaande van een afmeting van circa 5 bij 2,5 meter per parkeerplaats. Deze zijn gelegen aan de noordwestelijke zijde van het pand.

3.2 Toekomstige situatie

Het plan behelst handhaving van de lunchroom, het winkeltje en het VVV-agentschap. Wat verandert is dat de mogelijkheid tot het zelf bakken van brood verdwijnt.

In het nieuwe bestemmingsplan mag de daghoreca-activititeit maximaal 100 m2 verkoopvloeroppervlakte innemen, wat overeenkomt met de feitelijke omvang van de huidige lunchroom.

De lunchroom telt 60 binnen-zitplaatsen. Aan de rechterzijde (zuidoostzijde) van het pand bevindt zich het terras dat zitgelegenheid biedt aan 40 bezoekers. In de lunchroom worden koffie, frisdrank, belegde broodjes en ijsjes geserveerd alsmede kleine warme maaltijden.

Maximaal twee reguliere woningen op de verdieping
Op de verdieping van het pand bevindt zich een woning. Volgens het vigerende bestemmingsplan is op de verdieping alleen een bedrijfswoning toegestaan. Feitelijk is er sprake van bewoning door derden. Het onderhavige bestemmingsplan brengt de planologische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie door reguliere bewoning mogelijk te maken. Op de verdieping zijn maximaal twee woningen toegestaan.

Verkeersontsluiting en parkeren

De nieuwe situatie vereist 15 parkeerplaatsen volgens de Beleidsregel Parkeren, bijlage 1 van de BIJLAGEN BIJ DE REGELS. Het pand kent namelijk de volgende oppervlakten toe aan de verschillende functies:

  • 100 m2 lunchroom (incl. toiletten): de parkeernorm voor restaurants bedraagt 11 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlak (bvo), de parkeernorm voor een café 6 pp/100 m2 bvo. Omdat een lunchroom zich wat betreft parkeerbehoefte tussen een restaurant en een café bevindt, wordt de norm gezet op 8 pp/100 m2 bvo.
  • 90 m2 winkel/VVV: detailhandel kent een norm van 3,7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo.
  • 2 bovenwoningen/appartementen: voor woningen zonder een eigen parkeerplaats geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning/appartement.

Dit leidt in totaal tot een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. In schema:

Functie   parkeernorm   parkeerbehoefte  
100 m2 lunchroom   8 pp/100 m2   8 pp  
90 m2 winkel/VVV   3,7 pp/100 m2   3,3 pp  
2 appartementen   1,5 pp/appartement   3 pp  
Totaal     14,3  

Er is voldoende parkeerruimte op de planlocatie om aan de parkeerbehoefte te voldoen.

Overigens is voor de parkeerbehoefte het volgende nog relevant. Hoenderloo heeft een aantrekking voor wat betreft fietstoerisme. Het pand heeft al jaren een aantrekkende kracht op de toeristen in de omgeving. Veel bezoekers komen dan ook op de fiets. Bovendien wordt ook gericht op de bezoekers van het Nationaal Park De Hoge Veluwe (voor binnenkomst, ontbijt, broodje voor onderweg, en bij terugkomst). Deze bezoekers maken gebruik van de parkeerplaats van het Nationaal Park De Hoge Veluwe.

Daarmee wordt aan de parkeernorm voldaan.

4 UITVOERBAARHEID

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, elektromagnetische velden en milieueffectrapportage.

4.1.2 Bodem

Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het gebied inzichtelijk zijn. Het is belangrijk om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is, of geschikt te maken is, voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit Bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer van de gemeente zijn normen opgenomen over de kwaliteit van de bodem.

Onderzoeksresultaten bodem

Op basis van het historisch bodembestand, het bedrijven-/tankenbestand en het bodeminformatiesysteem is de locatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Bovendien is uitsluitend sprake van interne verbouwingen en/of uitbreidingen van minder dan 50 m2. Er is dan ook geen bodemonderzoek noodzakelijk voor de gewenste bestemmingsplanwijziging. Voor het aspect bodem is er geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horeca-concentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

De milieurelevante wijzigingen betreffen:

  • Wijziging van de bovengelegen dienstwoning naar maximaal twee reguliere woningen.
  • De activiteit broodbakken voor eigen winkel komt te vervallen.

De activiteit is beoordeeld aan de hand van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. Voor zowel de huidige, toegestane activiteit als de nieuwe activiteit geldt op basis van de VNG-brochure een aan te houden indicatieve milieuzone van 10 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk.

Zie onderstaande tabel.

Milieu-
categorie  
SBI-code 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
1   561   Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons, viskramen e.d.   10/0   0   10/0   10/0  

De planlocatie ligt in het toeristische gebied van het dorp, langs twee drukke wegen en nabij de ingang van Park De Hoge Veluwe. Vanwege deze ligging kan gesteld worden dat de planlocatie is gelegen in een drukke, ook in functie gevarieerde omgeving, ook wel aangeduid als 'gemengd gebied' in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering. De toeristische activiteit verschilt wel per periode in het jaar. De planlocatie is in de winterperiode rustig; in de zomer echter is het toeristischer en is het drukker. Het terras wordt over het algemeen alleen gebruikt bij mooi weer, dus met name in de zomerperiode. Op basis van het voorgaande en de VNG-uitgave mag in gemengde gebieden (in de zomerperiode) een correctie worden toegepast. De dichtstbij gelegen woningen liggen aan de Parkweg 9 (op 8 meter) en de Krimweg 1 (op 9 meter). Deze woningen liggen in de milieuzone van de lunchroom als wordt uitgegaan van een rustig winterseizoen (wanneer feitelijk geen sprake is van toerisme en daarmee dus niet van 'gemengd gebied'), maar buiten de milieuzone uitgaande van 'gemengd gebied' in de zomerperiode.

In het vigerende bestemmingsplan is gemotiveerd waarom een bakkerij met een lunchroom en terras niet zou leiden tot onaanvaardbare milieuschade. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat met het vervallen van de broodbakactiviteiten wel een onaanvaardbare situatie zou kunnen ontstaan. Er zal naar verwachting eerder een verbetering dan een verslechtering ontstaan.

Relatie lunchroom en bovenwoning / zelfstandig appartement

De bedrijfswoning op de verdieping, die nu, in strijd met het bestemmingplan, al bewoond wordt door derden, wordt beschouwd als woning van derden. Deze woning bevindt zich binnen de milieuzone van de lunchroom. Horecabedrijven in categorie 1, Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. worden in de lijst van bedrijfsactiviteiten beschouwd als categorie A-activiteiten. Dat zijn activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving dat deze aanpassing aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De lunchroom kent daarbij weliswaar een terras maar dit wordt vrijwel alleen in de ochtend en middag gebruikt.

Onderzoek industrielawaai

De begane grond van het pand op de planlocatie wordt verhuurd als een lunchroom met terras. Op de verdieping worden twee woningen gerealiseerd.

In de rapportage Akoestisch onderzoek bedrijfslawaai lunchroom Pien kenmerk 19.092.02, bijgevoegd als bijlage 1 bij de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING, zijn de resultaten neergelegd van het een akoestisch onderzoek naar de effecten van de lunchroom op de te creëren bovenwoningen. Het onderzoek concludeert dat het gebruik van de benedenverdieping als lunchroom met winkel en terras geen inbreuk vormt op het woon- en leefklimaat voor de realisatie van woningen op de verdieping.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ruimtelijk inpasbaar is.

4.1.4 Geluidhinder

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor plannen inzicht noodzakelijk in de geluidkwaliteit. Op een plan kan tevens de Wet geluidhinder van toepassing zijn. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen ten aanzien van geluidkwaliteit en ten aanzien van de onderzoeksplicht.

Wegverkeerslawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) voor stedelijk gebied respectievelijk 53 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) voor buitenstedelijk gebied kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Apeldoorn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

Er is een gezoneerde weg gelegen nabij de planlocatie, namelijk de N804. In de rapportage Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai kenmerk 19.092.01, bijgevoegd als bijlage 2 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING, is het akoestisch onderzoek weergegeven naar de geluidbelasting op het plan ten gevolge van het wegverkeerslawaai over de N804.

Het plan bestaat uit de functiewijziging van een pand met een horecafunctie waarbij de verdieping wordt gewijzigd naar 2 wooneenheden. De geluidbelasting op de woning aan de zijde van de Apeldoornseweg bedraagt maximaal 57 dB na aftrek van 5 dB op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de achterste woning bedraagt 47 dB. De geluidbelasting van één woning is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder, gemeente Apeldoorn

Door de gemeente Apeldoorn is de 'Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder' vastgesteld. De beleidsregel is van toepassing bij vaststelling van hogere waarden.

In de beleidsregel is een aantal randvoorwaarden opgenomen wanneer een hogere waarde kan worden vastgesteld. In casu gaat het om vaststelling van hogere waarden vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom. De nog niet geprojecteerde woningen worden in een bestemmingsplan opgenomen, de woningen worden ter plaatse gesitueerd als (gedeeltelijke) vervanging van bestaande bebouwing.

Verlening van een hogere waarde van 57 dB voor de voorste woning is in overeenstemming met de beleidsregel. Daarbij geldt de voorwaarde dat de gevelisolatie gelijk moet zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB.

Vaststelling van een hogere waarde is een bevoegdheid van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ).
Het ontwerpbesluit hogere waarde wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Het besluit hogere waarde moet voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan zijn genomen. Besluitvorming over het bestemmingsplan vindt plaats met inachtneming van de vastgestelde hogere waarde.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe en bestaande geluidgevoelige bestemmingen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn grenswaarden opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 5.16 sub c Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het plan valt onder de situaties die zijn vastgelegd in deze Ministeriële Regeling. Hierin is opgenomen dat er geen onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is wanneer een plan minder dan 3% bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

In het plangebied en/of de directe omgeving van het perceel zijn geen risicobronnen aanwezig. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.

4.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT). De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen.

In en direct nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen en/of zendmasten. Dit betekent dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot dit aspect.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Zodoende is geen MER, vormvrije mer of (vormvrije) mer-beoordeling nodig.

4.2 Natuurwaarden

4.2.1 Wettelijk kader en beleid

Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat - voor zover voor bestemmingsplannen relevant - regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minster van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

a. er zijn geen alternatieve oplossingen;

b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en

c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of

2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;

Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.

b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;

Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.

c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten;

Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;

b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;

c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied ligt op een afstand van circa 80 meter van dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Veluwe. Gezien de aard en omvang van het project (functiewijziging van een bestaand pand binnen Hoenderloo), zijn mogelijke effecten op dat gebied alleen aan de orde door de depositie van stikstof. Uit de Rapportage Onderzoek Stikstofdepositie d.d. 3 mei 2021, opgenomen in Onderzoek stikstofdepositie Twee appartementen Apeldoornseweg 16 in Hoenderloo, bijlage 3 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING, blijkt dat de het plan, na interne saldering, niet leidt tot een relevante toename van stikstofdepositie. Er is geen sprake van toenames die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er geen negatieve effecten aan de orde door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het project is niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming).

Soortenbescherming en houtopstanden

Het plan betreft slechts een interne wijziging, namelijk van een enkele bovenwoning naar twee bovenwoningen. Er zijn dus geen activiteiten aan de orde waarbij soorten of bomen/groen verstoord worden.

4.3 Waterhuishouding

Apeldoornseweg 16 Hoenderloo ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is 1063 m2 groot.

Sprake is van een bestaande situatie betreffende de inrichting van het terrein. De aanwezige (half)verharding blijft gehandhaafd. Er is al een aansluiting op de riolering voor wat betreft vuilwater. Hemelwater wordt ter plekke geïnfiltreerd.

Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het Waterschap Veluwe.

4.4 Archeologie

4.4.1 Wettelijk kader en beleid

Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

Gemeentelijk beleid: archeologische beleidskaart

De Archeologische Beleidskaart is in 2015 vastgesteld. Deze kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze verwachtingen geven de dichtheid weer van de mogelijke hoeveelheid aan te treffen archeologische resten in die zones.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën indien te totale oppervlakte van de geplande bodemingrepen, die dieper reiken dan 35 cm onder vastgestelde maaiveld, de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt.

Archeologie in natuurgebieden

Voor natuurgebieden geldt een aanvullende beleidsregel. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij grootschalige verstoringen van de bodem (groter dan 10.000 m2) altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in een terrein met archeologische waarden en gedeeltelijk in een zone met (middel)hoge archeologische verwachting. Op basis van het huidige beleid geldt dat indien de bodemingrepen dieper dan 35cm meer dan 100 m2 respectievelijk meer dan 500m2 bedragen, dit vooraf dient te worden gegaan door een archeologisch onderzoek.

In dit geval is geen sprake van bodemingrepen dieper dan 35 cm omdat het een interne verbouwing (van de verdieping) betreft. Daarom is in casu geen archeologisch onderzoek verplicht.

4.5 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemer de kosten die de gemeente maakt ter uitvoering van zijn initiatief voor zijn eigen rekening neemt. Alle met deze planwijziging samenhangende kosten komen dus ten laste van de initiatiefnemer. Deze planwijziging heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen Er behoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 van deze toelichting is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Daarbij worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Apeldoornseweg 16 Hoenderloo is een ontwikkelingsplan en is toegespitst op het legaliseren van de situatie betreffende de bedrijfsactiviteiten en bewoning. Vanwege de menging van functies is sprake van de bestemming 'Gemengd'. De wijzigingen ten opzichte van het huidige bestemmingsplan zijn beperkt. De mogelijkheid tot daghoreca en detailhandel worden gehandhaafd. De dienstwoning op de verdieping wordt gewijzigd naar maximaal twee reguliere woningen op de verdieping. De mogelijkheid tot het bakken van brood voor eigen winkel, van welke mogelijkheid in de praktijk al jaren geen gebruik meer wordt gemaakt, wordt geschrapt.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. In het plangebied komt één bestemming voor, te weten de bestemming 'Gemengd'.


Gemengd

Op gronden met de bestemming 'Gemengd' zijn toegestaan zowel detailhandel in de breedste zin, als daghoreca in de zin van dit bestemmingsplan: een bedrijf dat bestaat uit het verstrekken van koffie, thee, ijs, frisdranken, kleine maaltijden en dergelijke voor gebruik ter plaatse, waarvan de openingstijden zijn van 09.00 tot 22.00 uur. Het maximaal in gebruik te nemen verkoopvloeroppervlakte voor de daghoreca-activiteiten bedraagt 100 m². In het vergroten van deze oppervlakte of het toestaan na ontheffing van andere vormen van horeca voorziet het bestemmingsplan niet. Andere vormen van horeca dan daghoreca, zoals café', bar, hotel, casino etc. zijn niet mogelijk.

Verder is op gronden met de bestemming 'Gemengd' wonen toegestaan op de verdieping van het aanwezige pand, gemaximeerd tot twee woningen.

Tot slot is in de gebruiksregels specifiek bepaald dat er een minimum aantal parkeerplaatsen in stand moet worden gehouden. Op de plankaart (verbeelding) staat de locatie op het terrein vermeld waar deze zich moeten bevinden. Het terras is eveneens via een aanduiding gepositioneerd op de kavel.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 5.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen in het hele plangebied (zowel binnen als buiten het bouwvlak) is toegestaan, mits de ondergrondse ruimten een functionele eenheid vormen met en dienstbaar zijn aan de ter plaatse toegestane functies. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Artikel 5.2.1 bevat de Afdekbepaling. Hier is bepaald dat, wanneer in het plan een maximale goothoogte is aangegeven, het gebouw vanaf de aangegeven goothoogte dient te worden afgedekt met een kap. Deze bepaling impliceert dat een -al dan niet gedeeltelijke- platte afdekking is toegestaan, mits dat platte dak niet hoger is dan de op dat punt geldende maximaal toegelaten bouwhoogte.

In artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. In lid 6.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 6.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 11 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 12 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.