direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Hoenderparkweg 61
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1367-vas1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Hoenderparkweg 61

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Er is een verzoek ingediend voor de realisatie van 19 appartementen ten behoeve van de verhuur in een bestaand monumentaal schoolgebouw op het perceel Hoenderparkweg 61 te Apeldoorn. Het verzoek is ingediend in het kader van de “Call Afwegingskader Woningbouw 2016 t/m 2019”.

1.2 Ligging en begrenzing

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel Hoenderparkweg 61 (kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie L, nummer 12088). Het plangebied ligt in Apeldoorn Zuid-West in de wijk Westenenk aan de rand van de Metaalbuurt. Het perceel ligt ingeklemd tussen de Hoenderparkweg, de Staalweg en de Westenenkerweg.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het perceel Hoenderparkweg 61 maakt deel uit van bestemmingsplan Bouwhof/De Heeze (in werking getreden op 23 januari 2008) en heeft daarin de bestemming Maatschappelijke doeleinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0001.png"

Uitsnede plankaart geldend bestemmingsplan

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit een plankaart en planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting begint met een beschrijving van het relevante beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de bestaande situatie en de toekomstige ruimtelijke situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 vindt afstemming met het relevante beleidskader plaats en wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

2 BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk wordt het relevante wettelijk kader en beleid op hoofdlijnen beschreven. Hoofdstuk 5 bevat een uitgebreidere beschrijving van het wettelijk kader en beleid per planologisch deelaspect.

2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven vanuit twee hoofddoelen.

Het eerste doel is het vergroten van de concurrentiekracht van Gelderland door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Daarbij richt de provincie zich met haar partners vooral op:

  • kansen bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven;
  • het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's;
  • het creëren van een goede bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en de economische kerngebieden met fiets, openbaar vervoer en auto maar ook digitaal;
  • het versterken van ruimtelijke randvoorwaarden voor de sterke (top)sectoren en het verbeteren van de kennisinfrastructuur;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor cultuurbeleving;
  • een adequaat beheer (kwaliteit en kwantiteit) van bestaande en eventueel nieuwe woongebieden, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel in Gelderland.

Het tweede doel is het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit betekent vooral:

  • ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek;
  • zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap;
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed;
  • een gezonde en veilige leefomgeving;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 hebben provinciale staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien.

De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De regels van de Omgevingsverordening Gelderland die voor dit plangebied van toepassing zijn, te weten nieuwe woonlocaties worden besproken in hoofdstuk 4 paragraaf 4.1.

2.3 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.

3 BESTAANDE EN NIEUWE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

Het plangebied is gelegen in de wijk Westenenk. Alleen al door het gevarieerde karakter wijst deze wijk op het 'grillige' groeiproces dat dit deel van Apeldoorn doormaakte. In het eeuwenlang door een landelijk en agrarisch karakter gekenmerkte gebied werd rond de Eerste Wereldoorlog een begin gemaakt met woningbouw voor de arbeidersklasse, dat onder meer resulteerde in de tussen 1917 en 1922 ten westen van de Arnhemseweg aangelegde Metaalbuurt. Uit 1923 dateert het ambitieuze plan voor het verplaatsen van de Apeldoornse spoorlijnen naar de Westenenk waar bovendien verdere woningbouw moest komen. De crisis van de jaren dertig en de oorlog maakten dat slechts een klein deel is uitgevoerd, zowel van dit plan alsook van de in 1938 samengestelde uitbreidingsplannen.

Na de oorlog werden er door het snel groeiende inwonertal van Apeldoorn opnieuw plannen opgesteld, waaronder het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak (1948-1949), het Structuurplan uit 1950 en de Uitbreidingsplannen in Onderdelen. Uit 1950-1953 dateert het Plan in Onderdelen wijk Westenenk dat betrekking had op het gebied dat zich grofweg in de oksel tussen de Aluminiumweg en de Arnhemseweg bevindt. Alhoewel dit plan slechts ten dele is uitgevoerd toont het betreffende gebied – met hier onder meer de onderhavige school – nog steeds de sterke aandacht die er toen bestond voor de groencomponent. De geprojecteerde schoolgebouwen werden verspreid over de wijk gesitueerd en zoveel mogelijk in of nabij groene speelterreinen. Grote waarde werd gehecht aan het in de Metaalbuurt gesitueerde Westenenkerpark dat al voor de oorlog was aangelegd en volgens de naoorlogse uitgangspunten is omgevormd van een wandelpark tot een recreatiepark met een sterke wijkfunctie. De school aan de Hoenderparkweg 61 weerspiegelt door de ligging aan een ruim openbaar plantsoen nog altijd deze uitgangspunten. Rondom deze kavel bevindt zich zowel vooroorlogse woonbebouwing – met de typisch Apeldoornse 'gebroken kappen' – alsook de in strokenbouw gerangschikte etagebouw die in de jaren vijftig direct ten zuiden van de Staalweg is gebouwd.

Op 17 mei 1951 werd vergunning verleend voor de bouw van de school die werd opgezet als een ULO-school. Het betrof hier het rechter deel van het complex, dat éénlaags is uitgevoerd en waarin vijf lokalen, een entree en een algemene ruimte kwamen. Het was de Dienst Gemeentewerken die het ontwerp leverde, in de periode dat Th. Ruijgh directeur was. In mei 1954 werd de aanvraag gedaan voor de bouw van het tweelaags gedeelte, eveneens naar ontwerp van Gemeentewerken. In februari 1955 kon worden gemeld dat de Professor Kohnstamschool voor ULO-onderwijs voltooid was. Het jongere bouwdeel bood op de begane grond plaats aan drie klaslokalen, op de verdieping kwamen onder meer een vaklokaal, een lokaal voor natuurkunde en een lerarenkamer met bibliotheek.

Het gebouw is een goed voorbeeld van traditionalistische scholenbouw, tot stand gekomen in een periode dat vernieuwende ideeën geleidelijk steeds meer tot de bouw van moderne functionalistische scholen leidden. In tegenstelling tot de modernistische scholen die in Apeldoorn vooral in de late jaren vijftig en de jaren zestig zijn gebouwd wordt de vroegere Professor Kohnstamschool gekenmerkt door gevels in roodbruine handvormsteen en zadeldaken met romaanse pannen. Ook de indeling is traditioneel van karakter, voortbordurende op de door het corridorsysteem bepaalde scholenbouw zoals die vanaf de negentiende eeuw gebruikelijk was geweest. De lange schoolgangen bevinden zich langs de achtergevels en bieden toegang tot de op het zuidwesten en het groenplantsoen georiënteerde lokalen. Van een modern karakter zijn de stalen ramen, maar ook hier geldt dat is voortgeborduurd op vooroorlogse ontwikkelingen.

Door de veranderingen in het onderwijs waardoor het ULO-leersysteem verdween, verloor ook de Professor Kohnstamschool haar oorspronkelijke functie. Het gebouw is aangewezen als gemeentelijk monument (besluit van burgemeester en wethouders van 31 maart 2011). In paragraaf 4.7.3 wordt dit nader beschreven.

3.2 Bestaande situatie

Ruimtelijk en functioneel

Onderdeel van dit plangebied is een als gemeentelijk monument aangewezen schoolgebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0002.png"

Foto vooraanzicht vanaf de Staalweg

Het gebouw markeert de kopzijde van een bebouwingsstrook met woningbouw en is met de voorzijde gericht op een ruim plantsoen met parkeerterrein. Het achterterrein grenst aan de achtertuinen van de huizen aan de Titaniumstraat. Het gebouw bestaat in hoofdzaak uit twee vleugels, beiden gebouwd op een rechthoekige plattegrond, die (iets verspringend) in elkaars verlengde liggen. Het rechter bouwdeel heeft één bouwlaag, het linker bouwdeel twee bouwlagen, beiden onderkelderd. De rechter vleugel is aan de achterzijde intern verbonden met de recent gerealiseerde nieuwbouw. Het pand is in de huidige situatie in gebruik als kantoorruimte bij de Veluwse Scholengroep Apeldoorn. De verder rondom de school en het plantsoen gelegen woonbebouwing aan de Staalweg en de Westenenkerweg bestaat zowel uit laag- als hoogbouw en dateert uit diverse periodes. In de omgeving van het plangebied bevinden zich tevens diverse bedrijven (zie ook paragraaf 4.5.3).

Verkeer, parkeren en groen

Het plantsoen aan de voorzijde van de bestaande school beschikt in de huidige situatie over 26 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn gelegen aan de noordwestzijde van het perceel en zijn omzoomd door een beukhaag. De ontsluiting van de parkeerplaaten vindt plaats op de Westenenkerweg. Het overige deel van het terrein is groen ingericht. Er staan diverse bomen op het terrein. Ter plaatse van de parkeerplaatsen is een knotwilg aanwezig (Salix Alba). Deze boom is aangewezen als bijzondere boom.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0003.png"

bestaande situatie

3.3 Nieuwe situatie

Het bestaande schoolgebouw zal met inachtneming van het monumentale karakter worden verbouwd tot 19 huurappartementen met twee of drie kamers variërend in oppervlakte van circa 50 tot 100 m2 gebruiksoppervlakte. De bergingen worden in de kelder van het gebouw gerealiseerd. Met de verbouwing wordt het gebouw tevens duurzamer gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0005.png"

Impressie nieuwe situatie

De bij het gebouw behorende buitenruimte en het groene karakter daarvan blijven nagenoeg hetzelfde. Om het aan de voorzijde gelegen plantsoen zal een beukenhaag van circa 1,20 meter hoog worden geplant. Aan de achterzijde op de grens met de tuinen van de woningen aan de Titaniumstraat worden leilindes geplant om zonhinder door spiegeling van de zinken gevelbeplating van de nieuwbouw aan de achterzijde tegen te gaan. De bebouwing op het terrein aan de achterzijde bestaande uit een fietsenstalling en tijdelijke units zullen worden gesloopt en groen worden ingericht. De 26 parkeerplaatsen en de bestaande ontsluiting op de Westenenkerweg blijven eveneens behouden. De toekomstige bewoners kunnen de buitenruimte als gemeenschappelijke tuin gebruiken. Hiertoe zal in de toekomst wellicht nog verharding of een terras aansluitend aan het gebouw worden aangelegd. Dit alles in bescheiden vorm en passend bij het monument.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0006.png"

nieuwe situatie

4 UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk geeft, mede aan de hand van de beleidskaders, een verdere onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid per planologisch aspect.

4.1 Wonen

4.1.1 Wettelijk kader en beleid

te voorkomen en om alleen nog ruimte te bieden aan initiatieven die ook echt worden uitgevoProvinciaal kader en beleid

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De provincie streeft er naar vraag en aanbod op de woningmarkt met elkaar in balans te brengen en te houden. Hoe kan de woningvoorraad kwantitatief en kwalitatief meegroeien met een veranderende vraag? De volgende opgaven worden gezien: focus van nieuwbouw naar het benutten van de bestaande voorraad en van aanbodgestuurd naar vrn in een regio de regionale opgaven op het gebied van wonen. Zij maken afspraken over wat zij hieraan gaan doen. De opgaven kunnen per regio verschillen. De provincie is een van de partijen.

Voor een zorgvuldige en transparante motivering van woonlocaties dient de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik.

Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma (KWP) successievelijk de door GS vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.

Op 17 april 2018 hebben Gedeputeerde Staten de koers “ruimte voor goed wonen” vastgesteld. In de koers leggen GS uit hoe zij willen zorgen dat er voor iedereen een goede geschikte en betaalbare woning op de juiste plek voorhanden is. Met alle regio's worden regionale woonagenda's gemaakt.

Er zijn drie thema's benoemd die bijdragen aan een goed woonklimaat. Dat zijn duurzaamheid, bestaande woningen en flexibiliteit in bouwen. Hierover worden afspraken gemaakt met gemeenten die worden vastgelegd in de regionale woonagenda's.

Regionaal kader en beleid

In de Regionale woonagenda Cleantech Regio Stedendriehoek 2018-2023 zijn voor de regio Stedendriehoek de afspraken vastgelegd hoe om te gaan met sturen op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verder aandacht vragen. In deze woonagenda staat ook een perspectief voor de regio en Apeldoorn als het gaat om aantallen en de wijze van sturing. De agenda wordt iedere twee jaar geactualiseerd.

De agenda is op 11 december 2018 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Het vormt de uitwerking van het provinciale beleid: “Koers voor Goed Wonen in Gelderland”. Als een woningbouwplan past binnen de vastgestelde regionale woonagenda wordt voldaan aan de Omgevingsverordening.

De regionale woonagenda vervangt de Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024 regio Stedendriehoek en het Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015 t/m 2024.

Gemeentelijk kader en beleid

Aansluitend op de regionale woonagenda is op 18 april 2019 de lokale Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 vastgesteld. Onderdeel van die agenda is de lokale kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwprogrammering. Deze woonagenda Apeldoorn vervangt de Woonagenda Apeldoorn 2014-2018. Over de te verwachten toevoeging van nieuwe woningen worden in deze Woonagenda ook uitspraken gedaan.

In juni 2014 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' vastgesteld. In het gemeentelijke woningbouwprogramma is nog maar beperkt ruimte voor nieuwe woningbouwinitiatieven, terwijl een deel van de beschikbare ruimte in het woningbouwprogramma is ingevuld met plannen waarvoor al meer dan een paar jaar een vastgesteld bestemmingsplan aanwezig is maar die niet tot uitvoering komen. Om dergelijke situaties in de toekomst erd, geldt op grond van de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' nu een realisatietermijn voor nieuwe woningbouwinitiatieven die in principe drie jaar bedraagt. Die termijn gaat lopen vanaf het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Ter uitvoering van de beleidsnotitie wordt in ieder bestemmingsplan dat de bouw van nieuwe woningen mogelijk maakt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee kunnen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen door de bouwmogelijkheden voor nieuwe woningen te verwijderen als na de termijn de betreffende woningen niet zijn gerealiseerd en ook nog niet in aanbouw zijn. De programmatische ruimte die daardoor vrij komt, kan vervolgens worden aangewend voor een andere woningbouwontwikkeling. Voordat een bestemmingsplan voor een woningbouwontwikkeling in procedure wordt gebracht, wordt deze termijn ook privaatrechtelijk overeengekomen tussen initiatiefnemer en gemeente.

4.1.2 afstemming wettelijk kader en beleid

Het plan met 19 woningen past binnen de regionale woonagenda en voldoet daarmee aan de Omgevingsverordening.

4.2 Duurzame verstedelijking

4.2.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

4.2.2 Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan voorziet in een progrmamma met 19 (huur) appartementen. Op basis van jurisprudentie is bij een woningbouwontwikkeling van deze omvang sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het aantal woningen past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma en binnen de afspraken die hierover regionaal gemaakt zijn. Het plan voorziet in transformatie van een leegstaand gebouw naar huurappartementen, waarvan 10 huurappartementen een huurprijs hebben onder de maximale huurprijs voor sociale huurwoningen zoals vastgesteld in 2018. Met huurwoningen in diverse prijssegmenten ,waaronder betaalbare huurwoningen, wordt een gevarieerd programma mogelijk wordt gemaakt dat kan inspelen op diverse woonbehoeften. Tevens zorgt deze invulling met woningen voor het behoud van een monumentaal pand. De woningen zijn gelegen in het bestaande stedelijk gebied van Apeldoorn.

4.3 Natuurwaarden

4.3.1 Wettelijk kader en beleid

De landelijke regels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen. De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast. Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een bestemmingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

a. er zijn geen alternatieve oplossingen;

b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang en

c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of

2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;

Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.

b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern

en Bonn;

Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.

c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten

Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Beide kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;

b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;

c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

Bijzondere bomen

De bescherming van bomen en boomstructuren binnen de bebouwde kom is geregeld in de Algemene plaatselijke verordening 2014 van de gemeente Apeldoorn. In de Apv staan regels over het kappen van bomen, onder andere een verbod voor het vellen van houtopstanden zonder vergunning. Hierop zijn een aantal uitzonderingen van toepassing.

Ten aanzien van bijzondere bomen stelt het college van burgemeester en wethouders een lijst vast waarop bijzondere bomen staan vermeld.

Voor een op de lijst geplaatste boom wordt geen vergunning voor het vellen van houtopstanden gegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Onder vellen wordt mede vestaan rooien, met inbegrip van verplanten, kandelaberen en knotten, tenzij dit als regulier onderhoud geschiedt, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolgen kunnen hebben. Daarnaast worden bijzondere bomen beschermd door een regeling in het bestemmingsplan.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Onderzocht is of er op grond van het hiervoor beschreven beleid en regelgeving beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. In de rapportage d.d. 16 november 2018 opgesteld door Tritium Advies worden de resultaten van de uitgevoerde quickscan natuurwaarden beschreven. De rapportage is opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de toelichting. Op basis van de quick-scan, bestaande uit literatuuronderzoek en de bevindingen tijdens het veldbezoek kan het volgende geconcludeerd worden.

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Veluwe en ligt op 1,5 kilometer ten westen van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0007.png"

uitsnede kaart Natura 2000-gebied Veluwe, Omgevingsverordening Gelderland

In de huidige situatie is het plangebied bestemd voor 'Maatschappelijke doeleinden', zoals onderwijs, sport en cultuur. Daarmee is bij recht een veelheid aan planologische functies toegestaan. Het gebruik dat legaal en feitelijk aanwezig was op het moment van vaststelling van het geldende bestemmingsplan was ten behoeve van (speciaal) onderwijs. De minimale verkeersgeneratie voor het gebruik als school op deze locatie binnen de bebouwde kom is 17,6 mvt/per etmaal/10 leerlingen. De oppervlakte van de ruimten die vermoedelijk als klaslokalen werden gebruikt is in totaal 740 m2, en de minimaal benodigde oppervlakte per leerling is voor speciaal- en voortgezet onderwijs 8 m2 per leerling conform het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO. Op basis van deze gegevens bood de school plaats aan maximaal 93 leerlingen. Dit betekent dat de totale verkeersgeneratie voor de school afgerond 164 mvt/etmaal was.

Volgens de berekening is dit voor de te realiseren 19 appartementen afgerond maximaal 127 mvt/etmaal. Met de planologische wijziging van de bestemming naar 'Wonen' (maximaal 19 appartementen) is het aantal te verwachten verkeersbewegingen minder ten opzichte van het gebruik als school. Daarnaast beoogt de transformatie en de beoogde verbouwing een verbetering van het pand en zullen aanvullende isolerende maatregelen worden getroffen. Tezamen impliceert dit een afname van verkeersbewegingen en een afname van het energieverbruik. Er is derhalve geen sprake van een toename van de uitstoot van CO2 en NOx. Hierdoor is geen sprake van significante negatieve gevolgen van dit plan als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Soortbescherming

Uit een eerder uitgevoerde quickscan flora en fauna (Habitus EXPO2018-1-RA, d.d. 17 april 2018) is gebleken dat de bebouwing geschikt is als vaste verblijfplaats voor gierzwaluwen en vleermuizen. Om deze reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van gierzwaluwen en vleermuizen aangetroffen. Het onderzoeksgebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten c.q. soortgroep. Binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied wordt wel gefoerageerd door de gewone dwergvleermuis en gierzwaluwen. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, de groenvoorziening en omliggende tuinen worden vaker gebruikt als foerageergebied en zijn ook geschiktere foerageergebieden. Tevens zijn er geen significante vliegroutes aanwezig.

Gezien het voorstaande zal dit bestemmingsplan geen nadelige effecten hebben op de gierzwaluw en vleermuizen. Anders dan de algemene zorgplicht bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming geen verplichtingen ten aanzien van deze soorten en soortgroep.

Houtopstanden

Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld. Het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.

Bijzondere bomen

Op het terrein van het plangebied staat een knotwilg (Salix Alba). Deze knotwilg staat als bijzondere boom vermeld op de door het college vastgestelde de lijst van bijzondere bomen en wordt als zodanig in dit plan opgenomen.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Beleid

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit. Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.

Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.

Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

De geldende parkeernormen zijn vastgelegd in de Parkeernota (2004). De gemeente stelt geen maximum aan het aantal parkeerplaatsen bij woningen, de parkeernorm geeft aan wat in ieder geval aangelegd moet worden. Zoals in de Verkeersvisie is aangegeven zullen deze parkeernormen geactualiseerd worden. Deze zijn opgenomen in de in voorbereiding zijnde beleidregel Parkeren die vanaf 22 november 2018 zes weken ter inzage heeft gelegen.

4.4.2 Afstemming met beleid

Afstemming met de Parkeernota en de in voorbereiding zijnde beleidsregel Parkeren

Met inachtneming van de Parkeenota (2004) en de in voorbereiding zijnde beleidsregel Parkeren en de daarin opgenomen parkeernormen is vanwege de transformatie naar woningen waarop dit plan ziet een parkeerbalans gemaakt. Er zijn in totaal minimaal 23 parkeerplaatsen vereist. In het plangebied zijn reeds 26 parkeerplaatsen aanwezig. Deze blijven gehandhaafd op de huidige plek. De parkeerplaatsen zijn openbaar toegankelijk via de ontsluiting op de Westenenkerweg en zijn daarmee ook toegankelijk voor bezoekers.

De verwachting is gezien de omvang van de appartementen en het type huishouden dat de reeds aanwezige 26 parkeerplaatsen ruim voldoende zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers van de 19 appartementen, waardoor er slechts incidenteel gebruikt hoeft te worden gemaakt van de parkeergelegenheden in de openbare ruimte.

Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Type woning   aantal woningen   Parkeernorm per woning*   benodigde parkeerplaatsen   waarvan op eigen terrein   waarvan in de openbare ruimte  
appartementen < 50 m2   4   0,5   2      
appartementen 50 m2 - 75 m2   3   1,0   3      
appartementen 75 m2 - 100 m2   10   1,5   15      
appartementen > 100 m2   2   1,5   3      
Totaal vereist   19     23   23   0  
Totaal gerealiseerd         26   0  

* inclusief 0,25 parkeerplaatsen voor bezoekers

4.5 Milieuaspecten

4.5.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.5.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Op grond van artikel 3.1.1a van het Bro kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Is het onderzoek wel ouder dan 2 jaar, dan mag een bestuursorgaan nog steeds van de onderzoeksrapportage gebruik maken als zij (gemotiveerd) van mening is dat het onderzoek nog actueel is. Bijvoorbeeld bij plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Ter plaatse van het plangebied is bodemonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft een bodemsanering plaatsgevonden om een metalenverontreiniging te verwijderen. Hiermee is de verontreininging grotendeels weggenomen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. De bodemonderzoeken en het besluit over de grondsanering zijn opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting.

Het grondwater onder de hele locatie is matig tot sterk verontreinigd met gechloreerde oplosmiddelen (VOCL). De bron van deze verontreiniging bevindt zich op de locatie Hoenderparkweg 82-84. Voor de bestemmingswijziging moet worden aangetoond of deze verontreiniging risico's geeft voor het toekomstig gebruikt. Hiertoe zijn zowel in 2016 als in 2019 binnenluchtmetingen uitgevoerd. Uit de onderzoeksrapportages, opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting, blijkt dat er geen sprake is van humane gezondheidsrisico's als gevolg van het uitdampen van de grondwaterverontreiniging naar de binnenlucht.

De wijziging van de functie is gemeld aan de provincie Gelderland, het bevoegde gezag voor de uitgevoerde sanering op de onderhavige locatie én de grondwaterverontreiniging ontstaan op het perceel Hoenderparkweg 82-84.

Door de aanwezigheid van de grondwaterverontreiniging is het oppompen van grondwater niet toegestaan zonder toestemming van de provincie Gelderland.

4.5.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Het gebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied. In de nabijheid van de planlocatie zijn de volgende bedrijven aanwezig:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0008.png"

De planlocatie is gelegen buiten de milieuzones van bovenstaande bedrijven. De milieuzone van het metaalbedrijf aan de Hoenderparkweg 70 ligt over het voorterrein van de planlocatie. Dit bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn geluidsvoorschriften opgenomen die gelden op gevels van dichtstbijzijnde woningen. Geluidrelevante installaties zijn gelegen aan de achterzijde van het bedrijf. Aan de voorzijde van het bedrijf liggen kantoren. Het bedrijf vormt geen belemmering voor de beoogde woonbestemming op de planlocatie.

4.5.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen. Derhalve worden de nabijgelegen wegen beschouwd. Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook inzicht te worden gegeven in de akoestische indirecte gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventuele verkeersaantrekkende werking.

Geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Apeldoorn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh zoals hiervoor beschreven.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

De relevante wegen zijn Hoenderparkweg, Staalweg en Westenenkweg. Deze wegen hebben geen geluidzone, omdat het een weg betreft waarop een wettelijke snelheid geldt van te hoogste 30 kilometer per uur. Om deze reden is de Wet geluidhinder niet van toepassing.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook de geluidssituatie van het wegverkeer over niet gezoneerde wwegen op de woningen inzichtelijk te worden gemaakt. In de rapportage van 27 juni 2018, opgesteld door het geluidBuro en opgenomen in bijlage 4 van de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van de Hoenderparkweg , de Staalweg en de Westenenkweg berekend.

Hieruit blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting 53dB bedraagt.

Het aantal nieuwe woningen leidt verder niet tot een dusdanige verkeerstoename (meer dan 30%) dat de geluidbelasting bij bestaande woningen hoorbaar toeneemt.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe en bestaande geluidgevoelige bestemmingen.Tevens kan voldaan worden het maximaal toelaatbare binnenniveau.

4.5.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt 19 woningen en bijbehorende openbare ruimte mogelijk te maken. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Hierdoor is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.5.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe worden in het beleid voor externe veiligheid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en per transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud van de buisleidingen.

Nota Milieuveiligheid Apeldoorn

Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid (vastgesteld december 2011) is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten externe veiligheid

In het plangebied en/of de directe omgeving van het perceel zijn geen risicobronnen aanwezig.

4.5.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen en/of zendmasten.

4.5.8 Milieueffectrapportage

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en zijn hiervoor beschreven. Conclusie is dat uitgeloten kan worden dat het bestemmingsplan nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht en geen m.e.r.-beoordelingsplicht.

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. is in werking getreden. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling in gevallen waar de drempelwaarde niet wordt overschreden. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen(artikel 7.28 Wet milieubeheer).


Onderzoeksresultaten

Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Op 25 maart 2019 is door initiatiefnemer een aanmeldnotitie ingediend. In het collegebesluit van 5 april 2019 is op basis van deze notitie geoordeeld dat ten gevolgen van de voorgenomen activiteiten geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu waarvoor een milieueffectrapport gemaakt moet worden. De aanmeldnotitie en het collegebesluit zijn opgenomen in bijlage 6 van de Bijlagen bij de toelichting.

4.6 Water

4.6.1 Wettelijk kader en beleid

Nationaal beleid

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan 2016-2020 heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten. In het plan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics).
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties.
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

Gemeentelijk beleid

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk waterplan opgesteld. Het Waterplan Apeldoorn is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid. Uitgangspunt is dat deze ontwikkeling niet leidt tot wateroverlast. Het afstromende hemelwater mag niet op het gemeentelijke (druk)riool worden aangesloten .

Binnen deze ontwikkeling wordt het afstromende hemelwater op eigen terrein opvangen, geborgen en vertraagd afgevoerd naar het grondwater (infiltratie) dan wel vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater indien aanwezig. Dit volgens de huidige richtlijnen van de gemeente Apeldoorn.

De ruimtelijke inrichting wordt tevens zodanig aangepast dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast, bijvoorbeeld door het oppervlak aan verhardingen te verminderen, de maaiveldmorfologie te optimaliseren enzovoorts. Daarnaast wordt ruimte gecreëerd voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones en wordt aandacht gevraagd voor grondwaterneutraal bouwen.

4.6.2 Afstemming met beleid

Het plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Apeldoorn. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

Grondwater

Het gebied ligt niet in de in het streekplan vastgelegde grondwaterfluctuatiezone. Uit historische grondwatergegevens blijkt dat de maximale grondwaterstanden ruim twee meter onder maaiveld liggen. Het maaiveld in de omgeving licht volgens de AHN2 rond NAP+20.50 m. De grondwaterstand ligt zodanig ver onder maaiveld dat de ontwikkeling hier geen invloed op heeft of invloed van ondervindt. Het plan wordt dan ook grondwaterneutraal ontwikkeld.

Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en komt géén waterafhankelijke natuur voor.

Afvoer van hemelwater

Het bestaande gebouw aan de Hoenderparkweg 61 voert hemelwater van het dak af naar het gemengde rioolstelsel.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe en herontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In de Bouwverordening is bepaald dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden
geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen
terrein.
Bij het bepalen van de manier waarop het regenwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente
de Beslisboom voor regenwater. Deze beslisboom geeft de volgende voorkeursvolgorde voor
het afvoeren van regenwater:

1. gebruik van regenwater (in grijswatercircuit of door vegetatiedak);

2. infiltratie in de bodem;

3. afvoer naar oppervlaktewater;

4. afvoer via rioolstelsel.

Voor dit plan geldt dat hemelwater afgekoppeld dient te worden van de riolering. Hiervoor geldt een bergingseis van 20 mm over het afvoerend verhard oppervlak. Voor ontwikkellocaties kleiner dan 0,3 ha bruto oppervlak kan hier in overleg met de gemeente in sommige gevallen van worden afgeweken. Er wordt dan op kosten van de ontwikkelaar buiten het plangebied een oplossing gezocht of gecompenseerd. In het plangebied van Hoenderparkweg 61 is ruim voldoende groen/onverhard aanwezig om voorzieningen te treffen voor het opvangen van hemelwater in een voorziening. Deze ruimtelijke inpassing is een ontwerpopgave.

Afvoer van afvalwater

Het voormalige schoolgebouw, thans is gebruik als kantoorruimte, wordt omgevormd naar 19 appartementen. Hierdoor zal de vuilwateraanvoer mogelijk toenemen. Bij de realisatie van het leidingwerk dient bekeken te worden of de capaciteit van de bestaande uitlegger naar de riolering voldoende is voor de toename van afvalwater. Voor de vuilwaterafvoer van het pand kan aangesloten worden op de bestaande riolering.

Watertoets

Het plan is qua waterhuishouding een marginale wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten.

4.7 Archeologie & Cultuurhistorie

4.7.1 Wettelijk kader en beleid

Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Nota I-cultuur

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart.

Cultuurhistorische beleidskaart

Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Implementatienotitie modernisering monumentenzorg

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

Archeologische beleidskaart

Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

Modernisering monumentenzorg

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

4.7.2 Onderzoeksresultaten Archeologie

Zoals in de vorige paragraaf al is uiteengezet hebben burgemeester en wethouders op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld. Op deze beleidskaart is voor het hele grondgebied van de gemeente Apeldoorn aangegeven hoe groot de kans op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten is. Het plangebied valt op de Archeologische beleidskaart 2015 onder beleidscategorie 5 (zone met lage archeologische verwachting), beleidscategorie 4 (zone met (middel)hoge archeologische verwachting en beleidscatergorie 3 (terrein met archeologische waarden).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0009.png"

Op basis van het huidige beleid geldt dat indien de bodemingrepen dieper dan 35 cm en meer dan 2500, 500 of 100 m2 bedragen in respectievelijk de zone met lage archologische verwachting, (middel)hoge archologische verwachting dan wel terrein met archeologische waarden dit vooraf dient te worden gegaan door een archeologisch onderzoek. Bij bodemingrepen die in beleidscategorieën liggen, geldt de laagste grenswaarde.

Vooralsnog zijn er geen bodemingrepen gepland in het bestemmingsplangebied, die archeologisch onderzoek in de bestemmingsplanfase noodzakelijk maken. Daarom zijn de geldende beleidscategoriën vanaf de Archeologische Beleidskaart 2015 overgenomen op de plankaart als archeologische gebiedsaanduidingen. Indien bij de aanvraag van een toekomstige omgevingsvergunning bodemingrepen worden gepland die de betreffende onderzoeksgrenzen overschrijden, dan geldt een archeologische onderzoeksplicht, tenzij anders overeengekomen met de afdeling archeologie van de gemeente Apeldoorn.

4.7.3 Cultuurhistorische analyse

Het aanwezig voormalige schoolgebouw heeft, zoals aangegeven in paragraaf 3.1 de status van gemeentelijk monument, waarbij niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant monumentale onderdelen bevat. Het besluit tot aanwijzing van het monument en de daarbij behorende beschrijving en motivering is opgenomen in bijlage 5 van de bijlagen bij de toelichting.

Om (cultuur)historisch waardevolle elementen van rijks- en gemeentelijke monumenten te behouden is voor wijzigingen zoals sloop-, bouw- en restauratiewerkzaamheden in, aan, op of bij een monument een vergunning nodig. Als het om bouwwerkzaamheden gaat is in veel gevallen tevens een vergunning nodig voor het bouwen. Bijvoorbeeld voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, schuurtjes en overkappingen op een perceel waarop het monument zich bevindt. Hierop zijn uitzonderingen. Voor eenvoudige onderhoudswerkzaamheden en wijzigingen aan onderdelen van het monument zonder monumentale waarde is meestal geen vergunning nodig voor het wijzigen van een monument dan wel het bouwen. Ook een aantal bouwwerken bij een monument zijn vergunningvrij voor de activiteit bouwen. Bijvoorbeeld tuinmeubilair, één vlaggenmast tot maximaal 6 meter hoog, erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoog (en tot maximaal 2 meter hoog achter de voorgevel).

Op de bij de Nota I-cultuur behorend cultuurhistorische beleidskaart heeft het plangebied een lage atentiewaarde. Bij een lage attentiewaarde wordt aanbevolen om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken, zonder hiervoor een specifieke regeling in het bestemmingsplan op te nemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0011.png"

Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart (inclusief legenda van de attentiewaarde en in donkergroen het gemeentelijk monument)

Het gebouw en de tuin aan de voorzijde hebben een stedenbouwkundige relatie met de oudere Hoenderparkweg (die als structuur ook cultuurhistorische waarde heeft) en de structuur met de flatwoningen ten zuiden, uit dezelfde periode. Deze samenhang heeft een zekere cultuurhistorische waarde. Aanbevolen wordt deze waarde zoveel mogelijk te behouden door de tuin aan de voorzijde met de bestaande bomen en het groene karakter zoveel mogelijk in tact te laten en door het bescheiden toepassen van tuinmeubilair en terrasverharding voor het gemeenschappelijk tuingebruik.

4.8 Welstand

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn en werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1367-vas1_0012.png"

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken. De regels voor vergunningvrij bouwen bij monumenten (rijks- en gemeentelijk) en bij rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en rijksbeschermde buitenplaatsen wijken af van de regelgeving voor niet als zodanig beschermde gebouwen.
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht.
  • Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
    Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer. Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing.
  • Verbouwingen aan monumenten en aan gebouwen in beschermde stads- en dorpsgezichten, rijksbeschermde buitenplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle gebieden zijn altijd specifiek en worden daarom niet getoetst aan de criteria voor veel voorkomende bouwwerken, maar beoordeeld aan de hand van het karakter van het gebouw (en terrein) in combinatie met de gebiedsdoelstellingen. Het doel van deze bescherming is om waardevolle historische kenmerken te behouden en tegelijkertijd een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen.

4.9 Beperking realisatieduur woningen

In juni 2014 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' vastgesteld. In het gemeentelijke woningbouwprogramma is nog maar beperkt ruimte voor nieuwe woningbouwinitiatieven, terwijl een deel van de beschikbare ruimte in het woningbouwprogramma is ingevuld met plannen waarvoor al meer dan een paar jaar een vastgesteld bestemmingsplan aanwezig is maar die niet tot uitvoering komen. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen en om alleen nog ruimte te bieden aan initiatieven die ook echt worden uitgevoerd, geldt op grond van de beleidsnotitie 'Beperking realisatieduur woningbouw private partijen' nu een realisatietermijn voor nieuwe woningbouwinitiatieven die in principe drie jaar bedraagt. Die termijn gaat lopen vanaf het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Ter uitvoering van de beleidsnotitie wordt in ieder bestemmingsplan dat de bouw van nieuwe woningen mogelijk maakt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee kunnen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen door de bouwmogelijkheden voor nieuwe woningen te verwijderen als na de termijn de betreffende woningen niet zijn gerealiseerd en ook nog niet in aanbouw zijn. De programmatische ruimte die daardoor vrij komt, kan vervolgens worden aangewend voor een andere woningbouwontwikkeling. Voordat een bestemmingsplan voor een woningbouwontwikkeling in procedure wordt gebracht, wordt deze termijn ook privaatrechtelijk overeengekomen tussen initiatiefnemer en gemeente.

4.10 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 19 woningen mogelijk. De ontwikkeling van deze locatie vindt plaats op initiatief van Rastrum B.V.. De grond is eigendom van deze initiatiefnemer. De uitvoering komt voor rekening en risico van deze initiatiefnemer. De gemeente Apeldoorn heeft met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten die betrekking heeft op het verhaal van gemeentelijke kosten. Ook is in deze anterieure overeenkomst bepaald dat de initiatiefnemer de eventuele kosten van tegemoetkoming in planschade aan de gemeente zal vergoeden. Hierdoor is het kostenverhaal van de grondexploitatie verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 paragraaf 3.3 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Hoenderparkweg 61 is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.


Wonen

De woningen en bijbehorende inpandige bergingen in het plangebied hebben de bestemming Wonen. Hiervoor is op de plankaart een bouwvlak gegeven. Vanwege de status van gemeentelijk monument en de bescherming daarvan is het bouwvlak strak om het bestaande gebouw getrokken. Door middel van een bouwaanduiding is aangegeven dat het om gestapelde woningen gaat.

Ook is er vanwege deze status geen aparte regeling voor bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen opgenomen. Wel zijn andere bij de bestemming Wonen behorende bouwwerken en (parkeer)voorzieningen toegestaan bij het monument.

De definities van de begrippen achtererfgebied, voorerfgebied en openbaar toegankelijk gebied zijn uit artikel 2 lid 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht overgenomen.


Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.


Bouwregels

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een bebouwingsschema opgenomen. In de bebouwingsschema's staan de maatvoeringsaspecten die voor bestemming Wonen gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart.

Parkeren

Door een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn op 29 november 2014 de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. De stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening waren in Apeldoorn overwegend nog van belang vanwege de koppeling met de parkeernormen. Door het vervallen van deze bepalingen moet, daar waar het aanwezig zijn van voldoende ruimte voor het parkeren van auto's in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig is, in het bestemmingsplan een regeling voor het parkeren worden opgenomen. Deze is in dit bestemmingsplan opgenomen in artikel 3.3.3 als specifieke gebruiksregel parkeren.

Hierin is bepaald dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor de bestemming 'Wonen' zoals bedoeld in lid 3.1 is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Bijlagen bij de regels opgenomen parkeernormen en het op grond van deze parkeernormen vereiste aantal parkeerplaatsen in stand wordt gehouden.

In de afwijkingsregels van artikel 3.5.1 is de bevoegdheid opgenomen om van deze parkeerbepalingen af te wijken wanneer het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of als op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 5.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Lid 5.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, uiteraard mits ze hoger worden gebouwd dan de ter plaatse aangegeven maximale goothoogte.

In artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. In lid 6.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 6.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 14 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 15 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Bepalingen over waarden, milieuzones en andere zones

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.

Bijzondere bomen

De bepalingen voor bijzondere bomen zijn opgenomen voor de bomen die door het bevoegd gezag als bijzondere boom zijn aangewezen. Bijzondere bomen vinden hun voornaamste bescherming in de Algemene Plaatselijke Verordening, waarin is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning bomen te kappen en dat er geen vergunning tot het kappen van bijzondere bomen wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Dit geheel biedt reeds een aanzienlijke bescherming van de bijzondere bomen. In het bestemmingsplan is een aanvullende regeling opgenomen. De bijzondere bomen zijn met een (gebieds)aanduiding op de plankaart aangegeven. In de regels is bepaald dat, daar waar de aanduiding 'bijzondere boom' voorkomt, de afstand van bebouwing tot het hart van de boom ten minste 10 meter dient te bedragen; onder voorwaarden kan het bevoegd gezag afwijken van de bouwregels voor het verkleinen van deze afstand tot 5 meter. Ter verdere bescherming van de bomen is een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van 5 meter uit het hart van de als monumentale boom aangeduide boom slechts toegestaan indien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Terrein met vastgestelde archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – vastgestelde archeologische waarden' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Terrein met archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – archeologische waarden' gekregen. Voor beiden geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (vastgestelde archeologische waarden) respectievelijk 100 m2 (specifieke archeologische waarden) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Zone met (middel)hoge archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Zone met lage archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – lage archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 (hoge archeologische verwachtingswaarde) respectievelijk 2.500 m2 (lage archeologische verwachtingswaarde) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor alle vier de categorieën dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

5.4.3 Wijzigingsbevoegdheid beperking realisatieduur woningbouw

Aan het nieuwe woongperceel in dit bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied realisatietermijn woningbouw' toegekend. Hiermee wordt voorzien in een wijzigingsbevoegdheid. Conform het beleid dat in paragraaf 4.9 is beschreven, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen om de bouwmogelijkheden voor de nieuwe woningen te verwijderen als die na een periode van 3 jaar niet gebouwd zijn en ook niet in aanbouw zijn. Wat onder bouwen verstaan wordt volgt uit de definitie in artikel 1.24. De periode begint na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Concreet houdt de bevoegdheid in de bestemming Wonen kan worden gewijzigd in de voorheen geldende bestemming Maatschappelijk. Voorwaarde voor het toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid is, naast het verstreken zijn van de termijn van drie jaar, ook dat eventueel verleende omgevingsvergunningen voor het bouwen van woningen zijn ingetrokken. Uiteraard dient de

5.4.4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1 Informatiebijeenkomst

Op 27 november 2018 heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst georganiseerd in Dok Zuid, waarbij omwonenden zijn geïnformeerd over de plannen. Voor deze bijeenkomst zijn naast omwonenden ook en raadsleden uitgenodigd. Deze bijeenkomst heeft voor de initiatiefnemer aanleiding gegeven tot het aanbrengen van de volgende wijzigingen in (de uitvoering) van zijn plan:

  • Aan de achterzijde op de grens met de tuinen van de woningen aan de Titaniumstraat worden leilindes geplant om zonhinder door spiegeling van de zinken gevelbeplating van de nieuwbouw aan de achterzijde tegen te gaan.
  • De bebouwing op het terrein aan de achterzijde, bestaande uit een fietsenstalling en tijdelijke units, zullen worden gesloopt en groen worden ingericht. De geplande parkeerplaatsen ter plaatse van de te slopen tijdelijke units zijn niet nodig omdat het bestaande parkeerterrein met 26 parkeerplaatsen in voldoende parkeerplaatsen voorziet.
  • Er is aandacht voor de door omwonenden aangekaarte sociale veiligheid rondom het pand. De bestaande toegangshekken zullen in ieder geval worden gehandhaafd.
  • Het terrein zal worden afgeschermd met een beukenhaag om de grens tusen privé en openbaar meer te markeren en zo het gebruik als hondenuitlaatplek tegen te gaan.
  • Er is in verband met de gevraagde privacy aandacht voor de inrichting van de achterzijde.

De wijkraad Zuid is in een aparte bijeenkomst door de initiatiefnemer geïnformeerd.

6.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Na afstemming met de provincie is er geen aanleiding voor vooroverleg met de provincie.

Gezien de qua waterhuishouding marginale wijziging ten opzichte van de bestaande situatie, zoals beschreven in paragraaf 4.6.2 is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten.