direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Beekbergerweg 14-16 en omgeving Loenen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1338-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Beekbergerweg 14-16 en omgeving Loenen

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Beekberwegweg 14-16 in Loenen.
Op deze percelen is een pastoriewoning, een jeugdhuis en parkeerterrein aanwezig. De percelen zijn eigendom van het College van Kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente te Loenen.

In verband met de hoge onderhoudskosten van de monumentale kerk op het perceel Beekbergerweg 7 wil het kerkbestuur financiële middelen genereren om de kerk in stand te (kunnen) houden.
Het kerkbestuur heeft de gemeente verzocht om op het perceel Beekbergerweg 14-16 drie nieuwe woningen te mogen bouwen en de functie van de pastoriewoning om te mogen zetten van een dienstwoning naar een reguliere woning.

Bij een eerdere herziening van het betemmingsplan is per ongeluk de aanduiding 'bedrijfswoning' van de pastoriewoning verwijderd. Hierdoor is de bedrijfswoning 'wegbestemd'. In dit bestemmingsplan wordt de pastoriewoning weer als woning bestemd. Niet als bedrijfswoning, maar als reguliere woning.

In mei 2017 is met het kerkbestuur een anterieure overeenkomst gesloten. De uitvoering van de anterieure overeenkomst heeft op zich laten wachten, omdat is onderzocht of op het weiland, achter Beekbergerweg 14-16, nog een vijftal sociale en middeldure koopwoningen kon worden gerealiseerd. Het bouwen van deze vijf koopwoningen bleek echter niet financieel haalbaar en is niet in dit bestemmingsplan opgenomen.

Op het perceel Beekbergerweg 14-16 is een jeugdhuis aanwezig. Dit jeugdhuis is aan één zijde aan de pastoriewoning aangebouwd. Om het bouwen van de nieuwe woningen mogelijk te maken wordt een gedeelte van het jeugdhuis gesloopt.
Het nieuwbouwplan heeft tot gevolg dat de parkeerplaats op het perceel Beekbergerweg 14-16 verdwijnt. De parkeerplaats wordt verplaatst naar een locatie langs de Loener Schepersweg, in de buurt van het kerkgebouw.

Dit bestemmingsplan maakt het bouwen van de drie woningen, de omzetting van de pastoriewoning naar reguliere woning en realisering van de (uitbreiding van de) parkeerplaats mogelijk.

1.2 Ligging en begrenzing

Op onderstaande afbeeldingen is de locatie aangegeven. Op de locatie met de markering staan de pastoriewoning met het jeugdhuis. In het weiland tegenover de locatie, lichtgrijze vlak, bevindt zich de (uit te breiden) parkeerplaats.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1338-ont1_0001.png"

Afbeelding: Beekbergerweg 14 - 16, Bron: google maps.

De begrenzing van het plangebied is aangegeven met een bolletjes-lijn op de plankaart die bij dit bestemmingsplan hoort.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor de locatie geldt momenteel het bestemmingsplan 'Loenen en Veldhuizen'. Dit bestemmingsplan is op 17 oktober 2013 vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. In het bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Maatschappelijk'.

Het bestemmingsvlak met de bestemming 'Maatschappelijk' mag tot 100% worden bebouwd. De bebouwing mag een een maximale bouwhoogte hebben van 9 meter. De maximale goothoogte is op 6 meter bepaald.

De aanduiding 'karakteristiek' is toegekend aan de pastoriewoning. Aan deze aanduiding is een regeling voor het slopen gekoppeld. Indit bestemmingsplan wordt deze aanduiding weer opgenomen voor de pastoriewoning.

Naast de bestemming 'Maatschappelijk' is de bestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog' van toepassing.

In de zuidwesthoek van het vlak met de bestemming 'Maatschappelijk' is de functieaanduiding 'monumentale boom' opgenomen. Dit ter bescherming van aanwezige waardevolle bomen. In dit bestemmingsplan wordt deze functieaanduiding weer opgenomen.

De (uitbreiding van de) parkeerplaats ligt op gronden met de bestemming 'Agrarisch'. De bestemming heeft de functieaanduidingen 'landschapswaarden' en 'monumentale boom'. De (uitbreiding van de) parkeerplaats ligt binnen de zone van beide functieaanduidingen.

 

2 BELEIDSKADER

2.1 Omgevingsverordening Gelderland

Op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omtrent de daarbij behorende toelichting. De provinciale verordening

Provinciale staten van Gelderland hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Met het actualisatieplan 6 voor de Omgevingsverordening wordt onder andere geborgd dat elke regio een regionale woonagenda opstelt die door de provincie vastgesteld dient te worden en dat woningbouw slechts mogelijk is als dit past binnen de afspraken van die agenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld bestemmingsplannen die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

Op 31 maart 2021 is Actualisatieplan 7 Omgevingsverordening door Provinciale Staten vastgesteld. Het actualisatieplan bevat beleidsmatige en juridische wijzigingen en tevens een expirimentele wijziging in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Met het Actualisatieplan 7 wordt in de Omgevingsverordening voor gemeente de verplichting / instructie geïntroduceerd om jaarlijks te monitoren of feitelijk gebruik gemaakt wordt van verleende omgevingsvergunningen voor woningbouwlocaties en bij drie jaar 'stilzitten' te overwegen om de onbenutte omgevingsvergunningen weer in te trekken. Dit om andere woningbouwplannen mogelijk te maken. De huidige druk op de woningmarkt maakt het wenselijk om een dergelijke verplichting / instructie te introduceren.

2.2 De Apeldoornse Woonagenda

De gemeenteraad van Apeldoorn heeft op 18 april 2019 de 'Apeldoornse Woonagenda' vastgesteld. In de 'Apeldoornse Woonagende is een drietal speerpunten opgenomen:

  • a. een basis die op orde is: zorgen voor voldoende woningen voor iedereen, met in het bijzonder aandacht voor voldoende beschikbare en betaalbare woningen voor huishoudens met een laag inkomen en de grote opgave om alle woningen te verduurzamen;
  • b. Wonen en zorg: ervoor zorgen dat we onze steeds ouder wordende bevolking een plek kunnen blijven geven in onze gemeente;
  • c. Aangevuld met de bestuurlijke ambities uit Comfortabele gezinsstad: de bouw van voldoende nieuwbouwwoningen om de trek naar de stad op te kunnen vangen.

Een concreet actiepunt is specifieke aandacht voor woningbouw in alle dorpen. In de woningbouwprogrammering hebben de dorpen dezelfde positie als de stad. Binnen de programmering is ruimte voor kleinschalige initiatieven. Die ruimte wordt bepaald op basis van de actuele behoefte.

2.3 Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2027

De gemeente Apeldoorn wil de juiste woningen op de juiste plek bouwen. Daarom is ervoor gekozen een prioritering aan te geven. Doel hiervan is om kansrijke initiatieven te bevorderen en te komen tot versnelling van de woningbouw.

In de Structuurvisie, de Woonagenda en in de Regionale Woonagenda zijn kaders vastgesteld die de basis vormen voor het "Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2027". Het afwegingskader is als beleidsregel vastgesteld in 2019.

Door het prioriteren van (en richting geven aan) de woningbouw kan er adaptief en flexibel worden ingespeeld op de woningbehoefte. Ook wordt er duidelijkheid geboden en richting gegeven aan initiatiefnemers over hoe de gemeente de programmatische ruimte voor initiatieven wil invullen. Voor circa 4.000 (waaronder die van woonlocatie De Wingerd) van de 5.500 woningen is die programmatische ruimte al ingevuld. Dit betreft woningen die reeds zijn opgeleverd, in aanbouw zijn, waarvoor een bestemminsplan is vastgesteld, wordt opgesteld of een anterieure overeenkomst is afgesloten. Bovengenoemd kader gaat over de resterende programmatische ruimte voor circa 1.500 woningen.

Op de locatie wordt een kleinschalig project van maximaal 3 woningen gerealiseerd. Het afwegingskader vereist voor 'kleine initiatieven' alleen een ruimtelijke afweging. Het project dient, naast het voorzien in woningbehoefte, ook een cultuurhistorisch belang. Enerzijds wordt met het initiatief het behoud van de karakteristieke pastoriewoning gewaarborgd en anderzijds worden door verkoop van de woningen gelden gegenereerd voor behoud en onderhoud van de rijksmonumentale kerk op Beekbergerweg 7.

Het initiatief is in overeenstemming met het 'Afwegingskader Woningbouw 2018 t/m 2027.

2.4 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeervisie fiets en auto (vastgesteld 21 maart 2019). De essentie van de parkeervisie is 'mogelijk maken waar het kan, reguleren waar het moet'.

Met de gestaag groeiende cijfers voor autobezit en -gebruik ontstaat een drietal gevolgen die om een beleidsmatige reactie vragen.
Het eerste gevolg is dat er tijden en plaatsen zijn waar meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Regulering richt zich dan op het optimaal verdelen van de beschikbare ruimte. Het invoeren van betaald parkeren is daarbij een goed instrument, met als effect dat plaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden.
Het tweede gevolg is dat er groepen autobezitters zijn die beschermd moet worden tegen overlast van parkeerders van 'buitenaf'. Meestal gaat het dan om het beschermen van bewoners in het centrum en de randen van de binnenstad of bij grote publiekstrekkers. Parkeervergunningen zijn daarbij het meest effectieve instrument, in combinatie met het stellen van parkeernormen, zodat de druk van geparkeerde auto's op de openbare ruimte per saldo niet toeneemt.
Het derde gevolg is de uitstoot van auto's en de ruimte en aanblik van geparkeerde auto's voor de omgeving. Zoekverkeer levert extra uitstoot op, reden om parkerend verkeer een goede voorziening te bieden. Om het aantrekkelijker te maken om met de fiets naar de binnenstad te komen, wordt in de parkeervisie sterk ingezet op het realiseren van extra mogelijkheden om fietsen bewaakt te kunnen stallen.

Daarnaast is parkeerbeleid van belang voor doorstroming van het verkeer (om bijvoorbeeld opstoppingen van auto's die willen parkeren op doorgaande wegen te voorkomen) en is er een economisch belang.

De parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren, die is vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is een nadere uitwerking van de Parkeervisie fiets en auto. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel dient als toetsingskader bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en bepaalt hoe de parkeerregel in bestemmingsplannen wordt toegepast. De Beleidsregel Parkeren vervangt de notitie Actualisatie Parkeernota (2004) en de daarin opgenomen parkeernormen. Voor aanvragen om een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor het bestemmingsplan moet worden herzien en die zijn ingediend voor vaststelling van de Beleidsregel Parkeren is de Beleidsregel Parkeren niet van toepassing maar wordt getoetst aan de notitie Actualisatie Parkeernota (2004), tenzij de Beleidsregel Parkeren in het voordeel van de verzoeker uitpakt.

De nieuwbouw aan de Beekbergerweg 14-16 bestaat uit drie woningen met garage en een eigen oprit. De pastoriewoning beschikt over een garage en een oprit.

Op basis van de beleidsregel parkeren moet voor het bepalen van de parkeernorm van een 'woning met garage en oprit worden uitgegaan. De parkeernorm bedraagt in dit geval 1,75 parkeerplaats per woning.

De drie nieuwbouwwoningen en de pastoriewoning beschikken op 'eigen terrein' over voldoende ruimte voor het parkeren van meer dan twee voertuigen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,75 parkeerplaats per woning.

Voor een religiegebouw geldt een parkeernorm van 0,2 parkeerplaats per zitplaats. Het maximaal aantal zitplaatsen in de kerk bedraagt ten hoogste 170 (worst case). Gelet op dit aantal zitplaatsen en de parkeernorm, moeten 34 parkeerplaatsen aanwezig zijn bij het kerkgebouw. De parkeerplaats langs de Loener Schepersweg beschikt (na uitbreiding) over 33 parkeerplaatsen. In de omgeving van het kerkgebouw is een voldoende aantal parkeerplaatsen aanwezig om het ontbreken van één parkeerplaats te compenseren.

Het initiatief is in overeenstemming met de 'Beleidsregel Parkeren'.

2.5 Waterbeleid

2.5.1 Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

2.5.2 Gemeentelijk beleid
2.5.2.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.

2.5.2.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

  • 1. Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • 2. Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.).
  • 3. Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • 4. Grondwaterneutraal bouwen.

2.6 Nota Apeldoorns Karakter!

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

3 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

3.1 Milieuaspecten

3.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

3.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico's voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn.
Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Toets

Door De Klinker Milieu is een verkennend bodemoderzoek en asbestonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Dit onderzoek heeft kenmerk: K190521 en is gedateerd 24 september 2019, bijlage 1 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Het bodemonderzoek omvat een groter gebied dan het plangebied.
Geconstateerd is dat de bovengrond over het algemeen licht verontreinigd is met kwik, lood en PAK. Ter plaatse van boring G07 is de bovengrond licht verontreinigd met lood, kobalt, koper en kwik. De ondergrond is niet verontreinigd voor de onderzochte stoffen.

Het grondwater is niet onderzocht. Gezien de verwachting dat het grondwater zich op grote diepte bevindt, 5 meter onder het maaiveld, en de aangetroffen lagen lastig te doorboren zijn en er geen sprake is van een verontreinigingsbron, is het verantwoord dat het grondwater niet is onderzocht.

Zintuigelijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bodem is daarmee potentieel op asbest verdacht. De grond is analytisch onderzocht op asbest. Hierbij is asbest niet aantoonbaar gemeten.

De locatie voor de (uitbreiding van de) parkeerplaats is gelegen aan de rand van het weiland aan de Loener Schepersweg. Op basis van het historisch bodembestand, het bedrijvenbestand (inclusief ondergrondse tanks) en het bodeminformatiesysteem is de locatie onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 is daardoor niet vereist.

Ter plaatse van de realisering van de (uitbreiding van de) parkeerplaats is geen bodemonderzoek uitgevoerd. Er wordt niet gebouwd en er is uitsluitend sprake van het parkeren van motorvoertuigen.

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is de bodem geschikt voor de toekonmstige bestemming(en).

3.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Voor het bepalen welke richtafstand van toepassing is, moet worden bepaald van welk type gebied sprake is. Is sprake van een 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' of van een 'gemengd gebied'.

Rodom het plangebied zijn woningen en maatschappelijke functies (buurthuis en kerk) aanwezig. Daarnaast ligt het plangebied aan een drukke doorgaande provinciale weg. Er is sprake van een 'gemengd gebied'.

 

De volgende bedrijven instellingen zijn in de nabijheid van het plangebied aanwezig. De vermelde afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype 'gemengd gebied'.

  • a. Hoofdweg 5 (buurt- clubhuis), milieuzone: 10 meter,
  • b. Hoofdweg 24 (handel in auto's, inclusief reparatie en service), milieuzone 10 meter,
  • c. Hoofdweg 24 (benzine servicestation, zonder LPG), milieuzone30 meter
  • d. Beekbergerweg 7 (kerkgebouw), milieuzone 10 meter.

Het plangebied ligt niet binnen een van de milieuzones van een van de a. tot en met d. genoemde bedrijven/instellingen. Er is geen milieukundige belemmering voor realisering van de woningen in het plangebied.

De (uitbreiding van de) parkeerplaats is geen milieugevoelige bestemming, maar een milieubelastende bestemming. Het parkeerterrein grenst echter aan gevoelige bestemmingen en het geluid zal direct opgaan in het omgevingsgeluid van de Beekbergerweg.

3.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de provinciale Beekbergerweg en Hoofdweg.
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe nieuwe woningen mogelijk. Op grond van de Wet geluidhinder moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.

Op grond van de Wet geluidhinder heeft iedere weg een zone. De breedte van de zone wordt bepaald door het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied. De wegen die geen zone hebben betreffen:

  • a. wegen, die liggen binnen een woonerf, of
  • b. wegen, waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur.

Binnen de zone van een weg bedraagt de voorkeursgrenswaarde op de gevel van een woning 48 dB. In bepaalde gevallen mag een hogere waarde worden vastgesteld. Voor stedelijk gebied mag de hogere waarde maximaal 63 dB bedragen en in buitenstedelijk gebied mag de hogere waarde maximaal 53 dB bedragen.

De Beekbergerweg en de Hoofdweg zijn geen wegen waarvoor een van de twee uitzonderingen geldt. Dus is een akoestisch onderzoek vereist.

Door Tideman, Akoestiek/Lawaaibeheersing uit Hengelo, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek heeft kenmerk 18.015.01, versie 3 en is gedateerd 11 maart 2019, en is opgenomen in bijlage 2 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Het akoestisch onderzoek heeft niet alleen betrekking op het bouwen van de drie nieuwe woningen en de pastoriewoning, maar ook op het bouwen van 5 woningen op het weiland achter Beekbergerweg 14-16. Deze 5 woningen maken echter geen onderdeel meer uit van dit bestemmingsplan en worden daarom buiten beschouwing gelaten. Het 'schrappen' van de 5 woningen is niet van invloed op de akoestische situatie van de 3 woningen en de pastoriewoning in het plangebied.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van het wegverkeer, gemeten op een hoogte van 1,5 meter en 5 meter, op de gevels van de 3 nieuwe woningen en de pastoriewoning, in willekeurige volgorde, 57 dB, 58 dB, 60 dB en 61 dB bedraagt. Bij alle woningen wordt dus de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden.

Op grond van de Wet geluidhinder kan medewerking worden verleend door middel van vaststelling van een hogere waarde voor de 4 woningen.

Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder, gemeente Apeldoorn

Door de gemeente Apeldoorn is de 'Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder' vastgesteld. De beleidsregel is van toepassing bij vaststelling van hogere waarden.

In de beleidsregel is een aantal randvoorwaarden opgenomen wanneer een hogere waarde kan worden vastgesteld. In casu gaat het om vaststelling van hogere waarden vanwege wegverkeerslawaai op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom.
De nog niet geprojecteerde woningen worden in een bestemmingsplan opgenomen, de woningen dienen ter opvulling van een open plaats tussen aanwezige bebouwing en de woningen worden ter plaatse gesitueerd als (gedeeltelijke) vervanging van bestaande bebouwing. Verlening van een hogere waarde voor de 4 woningen is in overeenstemming met de beleidsregel.

Vaststelling van een hogere waarde is een bevoegdheid van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ).
Het ontwerpbesluit hogere waarde wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het besluit hogerewaarde moet voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan zijn genomen. Besluitvorming over het bestemmingsplan vindt plaats met inachtneming van de vastgestelde hogere waarden.

3.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

In het plangebied worden drie nieuwe woningen gebouwd en de functie van de pastoriewoning wordt omgezet van dienstwoning naar reguliere woning. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen". Hierdoor is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

3.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende regeling (Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Circulaire effectafstanden LPG tankstations

In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende Regeling basisnet. Er zijn geen wettelijke grenzen voor de aantallen transporten met gevaarlijke stoffen maar er worden wel grenzen gesteld aan de risico's, deze staan in het Basisnet. De vastgestelde risicogrenzen worden getoetst aan het plaatsgebonden risico met een wettelijk harde norm en het groepsrisico met de daarbij behorende oriëntatiewaarde als ijkpunt. Daarnaast geldt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen op een verantwoorde wijze plaatsvindt vanwege de strenge eisen die gelden voor dit vervoer als gevolg van internationale regelgeving.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid, die in december 2011 is vastgesteld, is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloed gebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten externe veiligheid

Bevi

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de nabijheid van het plangebied bevindt zich de Beekbergerweg (N786) en de A50. Over de N786 vindt het transport plaats van brandbare vloeistoffen en over de A50 het transport van toxische gassen.
In verband met deze ligging is een quickscan externe veiligheid opgesteld. Deze quickscan is uitgevoerd door Windmill, is gedateerd 25 juli 2017 en heeft kenmerk P17.267.01-01 en is opgenomen in bijlage 3 van deBIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.
Uit de quickscan blijkt dat het plangebied zich bevindt binnen het invloedgebied van de N786 en van de A50. Als gevolg van de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N786 en de A50 geldt een beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico.

In verband hiermee is door Windmill een verantwoording groepsrisico opgesteld. Deze verantwoording is gedateerd 25 juli 2017 en heeft kenmerk 17.267.02-01 en is opgenomen in bijlage 4 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Uit de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico geen harde belemmering vormt voor de realisatie van het plan, omdat:

  • a. het plangebied vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar is;
  • b. de vaststelling van het bestemmingsplan heeft geen invloed op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen en het plangebied;
  • c. er voldoende (haaks op elkaar staande) vluchtmogelijkheden zijn;
  • d. het bestemmingsplan binnen het plangebied geen nieuwe functies mogelijk maakt die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

3.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

3.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) is. De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij. In beide gevallen gelden de volgende verplichtingen:

  • de initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie opstellen (deze verplichting geldt niet wanneer de gemeente initiatiefnemer is);
  • het bevoegd gezag moet een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit moet zijn genomen voordat het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd;
  • de initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daardoor is een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet aan de orde.

3.2 Waterhuishouding

3.2.1 Algemeen

Beekbergerweg 14-16 ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 0,31 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

3.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die door de provincie Gelderland in de Omgevingsvisie is vastgelegd. Er zijn in en om het plangebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het plangebied tussen NAP+ 20,0 m en NAP+ 20,5 m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

3.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In en om het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat hemelwater lokaal wordt opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd naar de ondergrond heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

3.2.4 Afvoer van hemelwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij een maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1338-ont1_0002.png"
De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

Het plangebied betreft een herontwikkeling in bestaand gebied. In dit plangebied dient er minimaal 20 mm regenwater te worden geborgen.

3.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

3.2.6 Watertoets

Het plan omvat minder dan 10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

3.3 Natuurwaarden

3.3.1 Wettelijk kader en beleid
3.3.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

3.3.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Programma Aanpak Stikstof

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) diende als basis voor het geven van toestemming voor activieteiten die stikstof uitstoten. Het is een systeem dat aan de ene kant ruimte biedt aan activiteiten die stikstof veroorzaken en aan de andere kant maatregelen bevat om de nadelige gevolgden van stikstof op natuurgebieden te verminderen. Het PAS loopt daarbij vooruit op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden en geeft daarbij 'vooraf' toestemming aan nieuwe activiteiten. Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat het PAS niet (meer) als basis voor toestemming voor nieuwe activiteiten mag worden gebruikt.

Gevolg van de uitspraak is dat iedere toename van stikstof in beginsel vergunningplichtig is ingevolge de Wet natuurbescherming.

Wijziging Wet natuurbescherming

Op 1 juli 2021 is de Wnb gewijzigd. Aan de Wnb is artikel 2.9a toegevoegd. Als gevolg hiervan worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden, die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid van de Wnb.
Dit impliceert dat geen vergunning ingevolge de Wnb (meer) nodig is voor het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen (bouw-/aanlegfase).

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

3.3.2 Onderzoeksresultaten

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in de nabijheid van het Natura-2000 gebied 'Veluwe'. Als hoofdregel geldt dat voor een activiteit die kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van habitats of significante verstoring van soorten van een Natura-2000-gebied, een vergunning nodig is op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Een vergunning of toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig:

  • a. voor een project waarvoor naar nationaal recht toestemming is verleend,
  • b. wanneer sprake is van een andere handeling die ongewijzigd wordt voortgezet,
  • c. een natuurvergunning is verleend en de nieuwe activiteiten kunnen conform de vergunning kunnen worden uitgevoerd.

Er is geen sprake van de hiervoor opgesomde uitzonderingen en zal een stikstofberekening moeten worden uitgevoerd.

Stikstofdepositie

In het plangebied vindt een aantal activiteiten plaats die van invloed (kunnen) zijn op het nabijgelegen Natura-2000 gebied 'Veluwe'. Dit betreft het bouwen van 3 woningen, sloop van het jeugdhuis, restauratie van de pastoriewoning en het aanleggen van een (uitbreiding van de) parkeerplaats.

Vanwege de wijziging van de Wnb op 1 juli jl. is het niet meer nodig een aeriusberekening te maken voor de bouw- en aanlegfase. Er dient alleen nog een aeriusberekening voor de gebruiksfase te worden gemaakt.

Om inzichtelijk te maken of de hiervoor genoemde activiteiten van invloed zijn op het Natura-2000 gebied is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy, is gedateerd 21 juni 2021 en heeft kenmerk 5498.003, versienummer: D3. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Ter ondersteuning van het stikstofonderzoek is een aeriusberekening gemaakt voor de gebruiksfase. De aeriusberekening is opgenomen in bijlage 6 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.
Uit het stikstofonderzoek en de daarbij behorende aeriusberekening blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jr bedraagt. Hierdoor is geen sprake van een toename van stikstofdepositie op het Natura-2000 gebied 'Veluwe' als gevolg van de activiteiten in het plangebied.

Soortenbescherming

Door LOO PLAN is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gedateerd 17 september 2020 en geactualiseerd op 7 januari 2021. Dit onderzoek heeft kenmerk 2020-100740-1742. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 7 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Conclusie van het onderzoek is dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogels, verblijf- of foerageergebied voor kleine marterachtigen en de aanwezigheid van vleermuizen in bomen en gebouwen.

Door LOO PLAN is het nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gedateerd 22 maart 2021 en heeft kenmerk: 2021-100740-4370. Dit aanvullende onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Uit het onderzoek blijkt dat geen ontheffing is vereist voor de eekhoorn, ransuil, buizerd en sperwer. Reden hiervoor is dat er bij het nadere onderzoek geen nesten van deze dieren zijn aangetroffen.
Voor algemeen beschermde broedvogels zoals: de merel, mezen, boomkruiper, roodborst, duiven en winterkoning wordt geadviseerd om bij in gebruik zijnde nesten te werken onder stringente voorwaarden. Deze stringente voorwaarden houden in dat buiten het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd of potentiële nestplaatsen voor het broedseizon worden afgesloten of ongeschikt worden gemaakt.

Het nader onderzoek naar marterachtigen in het plangebied heeft niet plaatsgevonden, omdat eind 2020 de tuin in het plangebied is ontdaan van struweel en bomen. Hierdoor is de tuin ongeschikt geworden voor de kleine marterachtigen. Hierdoor is de tuin niet (meer) geschikt al verblijf- of fourageerlocatie voor kleine marterachtigen.

Het jeugdhuis wordt gedeeltelijk gesloopt. Geconstateerd is dat in het te slopen gedeelte van het jeugdhuis een paarverblijf voor vleermuizen aanwezig is. Door het slopen van (een gedeelte van) het jeugdhuis is sprake van verstoring in de zin van de Wnb. Wanneer sprake is van verstoring dient bij het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Gelderland, een ontheffing te worden aangevraagd. De ontheffing is verleend op 29 maart 2021 en heeft zaaknummer: 2020-011570. Op 6 april 2021 is de verleende ontheffing door de provincie Gelderland bekendgemaakt.De verleende ontheffing is opgenomen in bijlage 9 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Bijzondere bomen

Op de plankaart is een tweetal zones met de aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' opgenomen. Deze zones zijn opgenomen voor het behoud en ter bescherming van aanwezige waardevolle bomen in het plangebied.

De zones met de aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' bevinden zich langs de Beekbergerweg, in de nabijheid van de meest zuidelijk gelegen woning, en langs de Loener Schepersweg, nabij het kergebouw.

Realisering van de meest zuidelijke woning heeft geen negatieve gevolgen voor de bijzondere bomen langs de Beekbergerweg, omdat de woning buiten de zone van de nadere aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' wordt gerealiseerd.

De (uitbreiding van de) parkeerplaats wordt gedeeltelijk in de zone met de nadere aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' gerealiseerd.
Door Ormel Boomverzorging, is onderzocht of realisering van (de uitbreiding van) de parkeerplaats negatieve gevolgen heeft voor de bijzondere bomen. Het onderzoek is gedateerd 1 juli 2020 en heeft kenmerk 2020035, bijlage 10, van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

Conclusie van het onderzoek is dat realisering van de (uitbreiding van de) parkeerplaats geen invloed heeft op de gunstige staat van de de instandhouding van de aanwezige 9 knotlindes.
Geadviseerd wordt om bij de uitvoering van de werkzaamheden maatregelen te treffen ter bescherming van de bomen. De maatregelen moeten bewerkstelligen dat de berm niet kan worden bereden en geen (bouw)materialen tussen de bomen wordt opgeslagen. Door deze maatregelen wordt bovengrondse schade en schade aan de groeiplaats van de bomen voorkomen.

3.4 Duurzame verstedelijking

3.4.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

3.4.2 Onderzoeksresultaten

Op 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een "overzichtsuitspraak" gedaan over (toepassing van) de ladder voor duurzame verstedelijking. Blijkens deze uitspraak kan een bestemmingsplan dat voorziet in een ontwikkeling tot 11 woningen niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.

Het bestemmingsplan maakt het bouwen van 3 woningen en omzetting van de pastoriewoning van dienstwoning naar reguliere woning mogelijk. Op basis van het aantal woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

De realisering van de (uitbreiding van de) parkeerplaats aan de Loener Schepersweg vindt plaats omdat op het perceel Beekbergerweg 14-16 de parkeerplaats plaats zal maken voor woningbouw.
De parkeerplaats aan de Beekbergerweg 14-16 heeft een oppervlakte van circa 600 m². Na verplaatsing naar de Loener Schepersweg bedraagt de oppervlakte van de parkeerplaats circa 635 m².
Gelet op het minimale verschil in oppervlakte tussen de beide parkeerplaatsen is geen sprake van een substantiële ruimtelijke ontwikkeling.

Met inachtneming van de hiervoor aangehaalde overzichtsuitspraak van de Raad van State kan de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet als een "stedelijke ontwikkeling" worden gekwalificeerd. Hierdoor is artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening niet van toepassing. Het opstellen van een beschrijving in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is niet verplicht.

3.5 Archeologie

3.5.1 Beleid
3.5.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

3.5.1.2 Gemeentelijk beleid

Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

3.5.2 Onderzoeksresultaten

Econsultancy B.V. uit Doetinchem heeft archeologisch onderzoek in het plangebied verricht, dat is vastgelegd in de rapportage 'Archeologisch proefsleuvenonderzoek Beekbergerweg 14'. Deze rapportage, gedateerd 28 april 2015, is opgenomen in bijlage 11, van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

In alle proefsleuven zijn archeologische grondsporen aangetroffen. Op basis van het aangetroffen materiaal is sprake van activiteiten op de locatie vanaf de 9e tot en met de 18e eeuw. De mogelijkheid is aanwezig dat het terrein van de 9e - 10e eeuw tot en met de 13e 14e bewoond is geweest.
De datering van het gevonden aardewerk, gedateerd tweede helft 17e eeuw en eerste helft van de 18e eeuw, valt samen met de bouw en eerste gebruiksfase van de pastorie die is gebouwd in 1657 en vernieuwd in 1849.

De hoge waardering van de vindplaats leidt tot het selectieadvies: behoudenswaardig. Het advies is om de vindplaats in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is moet de vindplaats door middel van een opgraving ex situ worden veilig gesteld. In het kader van het bestemmingsplan zal een opgraving ex situ plaatsvinden.
In verband met het uitvoeren van de opgraving is een 'programma van eisen' opgesteld. Dit progamma van eisen is opgesteld door Econsultancy, is gedateerd 2 juli 2021 en heeft kenmerk: 5498.001. Het programma van eisen is opgenomen in bijlage 12 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Het programma van eisen is door de gemeente geaccordeerd.

3.6 Cultuurhistorie

3.6.1 Wettelijk kader en beleid
3.6.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk een visie op het cultureel erfgoed opgesteld, genaamd 'Kiezen voor karakter; visie erfgoed en ruimte'. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

3.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat, voor zover voor dit plangebied relevant, geen regels over cultuurhistorie.

3.6.1.3 Gemeentelijk beleid

Bij de gemeentelijke Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter!, die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld, hoort een cultuurhistorische beleidskaart. Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

3.6.2 Onderzoeksresultaten
3.6.2.1 Cultuurhistorische analyse

Stoa, stedenbouwopenbare ruimte architectuur heeft cultuurhistorisch onderzoek verricht, dat is vastgelegd in de cultuurhistorische analyse 'Cultuurhistorische Analyse Loenen' Deze rapportage, gedateerd 23 augustus 2005 (aangevuld in 2009) is opgenomen in bijlage 13 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING 

Behoud, herkenbaarheid en versterking van de volgende karakteristieken is van belang: zachte en groene dorpsrand aan de westkant van Loenen, waardevol enkenlandschap, karakter van individuele, kleinschalige bebouwing langs historische structuren en de dorpsrand, verspreide bebouwingskarakteristiek Zilven, sprengenstelsel en bijbehorende bebouwing, profiel van de historische hoofdroutes, vorkvormige kruisingen (met inbegrip van groenige, driehoekige eilandjes in wegen), bomenlanen aan de Horstweg en Molenallee, informele niet doorgaande wegen, gras- en grindbermen.

3.6.2.2 Karakteristieke panden

Karakteristieke panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie.
Door het Monumenten Advies Bureau is in juni 2011 een Ruimtelijke en Cultuurhistorische waardering van de karakteristieke bebouwing in Loenen opgesteld, zie bijlage 14 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

De pastoriewoning (exclusief aanbouw jeugdhuis) in het plangebied is als karakteristiek gekwalificeerd, omdat het pand onderdeel uitmaakt van de markante lintbebouwing langs de hoofdwegen in Loenen. Daarnaast maakt het pand onderdeel uit van het ensemble met de historische kerk, die schuin tegenover de pastoriewoning ligt. De pastoriewoning is illustratief voor de kerkelijk-historische ontwikkelingen in het dorp Loenen. Het betreft een karakteristieke, klassiek opgezette pastorie uit de vroege 20ste eeuw.

Het karakteristieke karakter van de pastorie wordt in het bestemmingsplan gewaarborgd door op de plankaart aan de pastoriewoning de aanduiding 'karakteristiek' toe te kennen en in de planregels een voorschrift op te nemen dat strekt tot bescherming van het karakteristieke karakter van de pastoriewoning.

3.6.2.3 Toets

Het plan is in overeenstemming met de cultuurhistorische waarden van het gebied, omdat het karakteristieke pand wordt behouden en de nieuwe woningen passen in het karakter van de omgeving.

4 JURIDISCHE PLANOPZET

4.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 wordt het relevante beleidskader beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een toelichting op de planologische aspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling.
Paragraaf 4.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 4.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

4.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Beekbergerweg 14-16 en omgeving Loenen is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen.

4.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen.


Wonen

De woningen in het plangebied hebben de bestemming Wonen.
Voor de woningen is op de plankaart een bouwvlak opgenomen. Ieder bouwvlak heeft de bouwaanduiding 'vrij'. Deze bouwaanduiding wil zeggen 'vrijstaand'. Per bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan.

Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mogen worden gesitueerd in achtererfgebied. Hiermee is aansluiting gezocht met de regeling voor het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee het situeren van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen in voorerfgebied mogelijk kan worden gemaakt. Toetsingscriterium voor deze bevoegdheid is de stedenbouwkundige kwaliteit die met het bestemmingsplan is beoogd. De definities van de begrippen achtererfgebied, voorerfgebied en openbaar toegankelijk gebied zijn uit artikel 2 lid 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht overgenomen.

De maximaal toegelaten oppervlakte aan bijgebouwen, aan- of uitbouwen en overkappingen is gerelateerd aan de oppervlakte van de kavel. Is de kavel kleiner dan 500 m2 dan is ten hoogste 50 m2 aan bijgebouwen, aan- of uitbouwen en overkappingen toegestaan, bij kavels tussen 500 en 750 m2 is die oppervlakte maximaal 65 m2 en is de kavel groter dan 750 m2 dan is ten hoogste 85 m2 aan erfbebouwing toegestaan. Daarbij geldt wel steeds de voorwaarde dat niet meer dan 60% van de kavel wordt bebouwd.


Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Bouwregels

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is per bestemming een bebouwingsschema opgenomen. In de bebouwingsschema's staan de maatvoeringsaspecten die voor die specifieke bestemming gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart.

Karakteristiek pand

In het plangebied is één karakteristiek pand aanwezig. Dit betreft de pastoriewoning op Beekbergerweg 14. Op de plankaart heeft de pastoriewoning de aanduiding 'karakteristiek' gekregen.
In de bestemming Wonen is bepaald dat ter plaatse van die aanduiding de gronden (ook) bestemd zijn voor behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden. Verder is bepaald dat het ter plaatse van die aanduiding verboden is cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te slopen zonder omgevingsvergunning.

Bijzondere bomen

Op de plankaart is een tweetal zones met de aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' opgenomen. Deze zones zijn opgenomen voor het behoud en ter bescherming van aanwezige waardevolle bomen in het plangebied.

De zones met de aanduiding 'overige zone - bijzondere boom' bevinden zich langs de Beekbergerweg, in de nabijheid van de meest zuidelijk gelegen woning, en langs de Loener Schepersweg, nabij het kergebouw.
In het bestemmingsplan is in artikel 9 een regeling opgenomen die waarborgt dat bebouwing op een afstand van tenminste 10 meter van de betreffende bo(o)m(en) wordt gerealiseerd. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen wanneer kan worden aangetoond dat realisering van bebouwing op een kortere afstand dan 10 meter, geen nadelige gevolgen heeft voor de boom.

Archeologie

Met betrekking tot bescherming van de archeologische waarde van de gronden is de aanduiding overige zone - vastgestelde archeologische waarden opgenomen ter bescherming van de vastgestelde archeologische waarden in het plangebied.

4.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

4.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie.
Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In lid 7.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 7.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 12 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 13 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

4.4.2 Parkeren

In dit bestemmingsplan is in de Algemene gebruiksregels van artikel 7 in lid 7.3 een gebruiksregel over parkeren opgenomen. Hierin is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen bij het gebruiken van gebouwen en gronden en bij nieuwe ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Wat hieronder wordt verstaan wordt uitgelegd in de Beleidsregel Parkeren, zoals vastgesteld op 21 maart 2019. Deze beleidsregel is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.

In de Algemene afwijkingsregels van artikel 10 is in lid 10.2 de bevoegdheid opgenomen om van de gebruiksregel parkeren af te wijken wanneer het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

4.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

5 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemer de kosten die de gemeente maakt ter uitvoering van zijn initiatief voor zijn rekening komt. Alle met deze planwijziging samenhangende kosten komen dus ten laste van de initiatiefnemer. Deze wijziging heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen.
Er wordt geen exploitatieplan vastgesteld.