direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Hoge Bergweg 16 Beekbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1318-vas1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Hoge Bergweg 16 Beekbergen

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Droompark Beekbergen heeft een plan ingediend voor de realisering van 23 zorg gerelateerde recreatiewoningen en een groepsaccommodatie aan de Hoge Bergweg 16 in Beekbergen. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met het (voorheen geldende) groei- en krimpbeleid van de provincie en maakt onderdeel uit van de tender 2.
In onderstaande tabel is het totaaloverzicht in ha opgenomen van de groeiplannen in Apeldoorn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0001.png"

De stand van zaken voor de tender 2 is als volgt.

Lierderholt: Een bestemmingsplan voor de uitbreiding van het vakantiepark Lierderholt met camperstandplaatsen is in voorbereiding.
Bungalowpark Hoenderloo: Voor de uitbreiding van het bungalowpark Hoenderloo met 80 recreatiewoningen heeft de gemeenteraad op 25 januari 2018 het bestemmingsplan vastgesteld, hiertegen loopt 1 beroepschrift.

Recreatiepark Beekbergen: Het bestemmingsplan voor de uitbreiding van recreatiepark Beekbergen is onherroepelijk.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt ten zuiden van het bestaande recreatiebedrijf en wordt ontsloten via de Beekbergerweg (N786) en de Hoge Bergweg.

Op onderstaande luchtfoto is de ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0002.png"

http://riv:8891/NedBrowser/images/NBG_image-1782810614.png

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het betreffende perceel is gelegen in het bestemmingsplan Stuwwalrand zone Zuid en heeft de bestemming Bos en natuurgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0003.png"

http://riv:8891/NedBrowser/images/NBG_image586777949.png

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

In het hoofdstuk 2 wordt kort het relevante beleidskader voor recreatie in het algemeen en voor het plangebied in het bijzonder beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de uitbreiding van het recreatiebedrijf beschreven en weergegeven. In dat hoofdstuk staat ook een beschrijving van de huidige situatie en de inpassing van het nieuwbouwplan in die bestaande omgeving. Hoofdstuk 4 gaat in op de haalbaarheid van het plan ten opzichte van de diverse omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens de juridische planopzet behandeld. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.

2 BELEIDSKADER

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk werkt aan eenvoudiger regelgeving en verwacht dat mede overheden zich ook inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. In de structuurvisie formuleert het kabinet zijn ambities voor 2040:

Concurrentiekracht: in 2040 behoort Nederland tot de top 10 van meest concurrerende economieën van de wereld met een kwalitatief hoogwaardig vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers door een goede ruimtelijk-economische structuur.

Bereikbaarheid: in 2040 beschikken gebruikers over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.

Leefbaarheid en veiligheid: in 2040 sluiten de woon- en werklocaties in steden en dorpen aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor transformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut. In 2040 biedt Nederland zijn burgers een veilige en gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als in landelijk gebied. Nederland is blijvend beschermd tegen extreme weersomstandigheden, mogelijke overstromingen als gevolg van de zeespiegelstijging en er is voldoende zoet water in droge perioden; Nederland is een bepalende speler in de internationale transitie naar duurzame mobiliteit en Nederland heeft nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora en faunasoorten in stand houdt. Nederland kent in 2040 een robuust internationaal energienetwerk en de transitie naar duurzame energiebronnen is ver gevorderd. De beoogde ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, sluiten aan op deze ambities.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) zijn eisen opgenomen waaraan de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig onderzoek nodig naar de behoefte aan de recreatiewoningen. De uitkomsten van het onderzoek moeten op grond van artikel 3.1.6 van het Bro, in de toelichting te zijn neergelegd.


Stedelijke ontwikkeling

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 23 zorg gerelateerde recreatiewoningen en een groepsaccommodatie mogelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking zoals hiervoor is toegelicht, is op deze ontwikkeling van toepassing zodat de behoefte objectief moet worden bebouwd. alsmede een motivering waarom niet binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

Behoefteonderbouwing

Het recreatiepark heeft een toenemende vraag vastgesteld naar recreatie verhuureenheden voor zorgdoelgroepen en in het bijzonder voor de autistische doelgroep. Bospark Beekbergen wil zich verder op deze doelgroep concentreren en daarom is een plan gemaakt voor de bouw van 23 verhuurrecreatiebungalows en een groepsaccommodatie op een perceel grond van 2,5 ha aan de rand van het park. Deze verkaveling is royaal opgezet waarbij er veel aandacht is voor sfeer, privacy en landschappelijke inpassing.
De groepsaccommodatie is samengesteld uit een combinatie van geschakelde familiebungalows met een capaciteit van ca 20 bedden.
Door de extensieve inrichting van de uitbreiding (10 per ha) zijn de recreatiewoningen uitermate geschikt voor de beoogde doelgroep. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een belangrijke differentiatie van het aanbod van recreatiewoningen verkregen en is zowel kwalitatief als kwantitatief behoefte aan de zorggerelateerde recreatiewoningen.

De provinciale adviescommissie heeft Gedeputeerde Staten alsvolgt geadviseerd:


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0004.png"  

Onderzoek

Het adviesbureau ZKH heeft actueel onderzoek verricht naar vraag en aanbod van zorgrecreatiewoningen. Deze rapportage van februari 2018 is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.

Uit dit onderzoek blijkt dat het huidige aanbod aan vakantiewoningen voor mensen met een beperking niet voldoet aan de vraag. Niet alleen op de Veluwe maar eigenlijk in heel Nederland en zelfs Europa. Hoe groot de vraag naar aangepaste vakantiewoningen exact is, is moeilijk vast te stellen. Maar overal moet nog veel gebeuren om de toeristische sector toegankelijker te maken voor mensen met een beperking. Waar mensen zonder beperking precies de woning kunnen kiezen die aan hun wensen voldoet, moeten mensen met een beperking het vaak nog doen met suboptimale vakantiewoningen. In het onderzoek wordt geadviseerd om zich te richten op twee doelgroepen: mensen met een mobiliteitsbeperking (in een rolstoel) en mensen met astma/COPD. De woningen voor mobielbeperkten zijn daarnaast geschikt te maken voor visueel en auditief beperkten. De woningen voor astma/COPD patiënten kunnen geschikt worden gemaakt voor mensen die een prikkelarme omgeving op prijs stellen (ADHD/autisme).
In de rapportage wordt vastgesteld dat de vraag naar aangepaste woningen zal toenemen en dat het daarom zowel maatschappelijk als bedrijfseconomisch verstandig is dat Droomparken wil investeren in nieuwe woningen voor deze doelgroep.

Onderbouwing locatie

Binnen het stedelijk gebied van Beekbergen en of Apeldoorn zijn geen geschikte locaties beschikbaar voor de realisering van zorg gerelateerde recreatiewoningen. Bovendien zijn recreatiewoningen functioneel gerelateerd aan het buitengebied en kunnen deze aansluitend op het bestaande recreatiepark worden gerealiseerd waarbij gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen. Voorwaarde voor een geslaagde ontwikkeling is een zeer lage bebouwingsdichtheid in het bosgebied, een voorwaarde waaraan wordt voldaan. Ook heeft de aanvrager reeds een grondpositie zodat niet hoeft te worden geïnvesteerd in de verwerving van bouwgrond.

Eindconclusie:

  • Er is behoefte aan zorg gerelateerde recreatiewoningen;
  • deze kunnen niet in het stedelijk gebied worden gerealiseerd.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

In juli 2015 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Hierin zijn - naast de Omgevingsvisie van 2014 - o.a. wijzigingen uit het actualisatieplan Windvisie, het actualisatieplan Omgevingsvisie, het besluit tot aanpassing begrenzing Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) overgenomen.

Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven vanuit twee hoofddoelen. Het eerste doel is het vergroten van de concurrentiekracht van Gelderland door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Het tweede doel is het waarborgen en het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit betekent vooral:

  • ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek;
  • zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap;
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed;
  • een gezonde en veilige leefomgeving;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

Gelders Natuurnetwerk

Het plangebied is als GNN aangewezen. Het hoofddoel hiervan is het veiligstellen van de biodiversiteit voor nu en toekomstige generaties. De provincie heeft voor de ontwikkeling in het plangebied een Natuurvergunning verleend. In het kader van die vergunning zijn verschillende onderzoeken die aantonen dat de negatieve effecten van de ontwikkeling op de natuurwaarden, nihil tot uit te sluiten zijn. Met de vergunning heeft de provincie ook aangegeven dat de gewenste ontwikkeling doorgang kan vinden.
De natuurvergunning is opgenomen in 3 van de toelichting.

Nationaal Landschap Veluwe

Daarnaast ligt het plangebied in het Nationaal Landschap Veluwe. De provincie Gelderland streeft naar instandhouding en versterking van de bijzondere kenmerken van het landschap en naar het (nog) beter toegankelijk maken van de Nationale Landschappen voor inwoners en bezoekers.

Binnen de Nationale Landschappen geldt 'behoud door ontwikkeling'. Dit betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van het landschap. Het doel voor de Nationale Landschappen is om landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. In samenhang hiermee moet de toeristisch-recreatieve betekenis toenemen.

Het plan wordt zodanig ingepast dat de effecten minimaal blijven (zie ook hoofdstuk 3). De realisatie van het plan draagt bovendien bij aan de versterking van de toeristisch-recreatieve betekenis van het gebied.

Verblijfsrecreatieve bedrijven met ontwikkelambitie

De provincie wil door kwaliteitsverbetering van het toeristisch product haar landelijk marktaandeel vergroten. Voor een kwaliteitsverbetering is het vaak zaak om te investeren in innovatieve en duurzame concepten en daarnaast te investeren in compensatiemaatregelen. Dit zijn vaak ook lastige trajecten. De provincie wil bedrijven daarom op dit vlak ondersteunen.

Ontwikkelen van bestaande terreinen en gebouwen verdient de voorkeur boven nieuwbouw. Uitbreiding van bedrijven of nieuwvestiging in de recreatiesector hoeft echter niet te leiden tot overcapaciteit op provinciaal niveau. Het kan zelfs leiden tot verbetering van het totale aanbod doordat bestaande bedrijven meeprofiteren van extra kwalitatief goede activiteiten. Beter dan de provincie kennen ondernemers de markt. Zij kunnen hierop inspelen en bepalen welke activiteiten zij uit moeten voeren.

De verdere ontwikkeling van het park past binnen de provinciale doelstelling. Het park wordt bovendien bedrijfsmatig geëxploiteerd. De provincie heeft een bedrijfsmatige exploitatie als voorwaarde genoemd voor de verdere ontwikkeling van dergelijke verblijfsrecreatieve bedrijven. Permanente bewoning van de recreatiewoningen wordt daarbij echter uitgesloten, dit wordt ook als zodanig in dit bestemmingsplan geregeld.

2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

In juli 2015 hebben provinciale staten van Gelderland de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Hierin zijn - naast de Omgevingsverordening van 2014 - wijzigingen uit het actualisatieplan Omgevingsverordening en het besluit tot aanpassing begrenzing GNN en GO overgenomen. Deze verordening ziet erop toe dat het beleid uit de Omgevingsvisie Gelderland operationeel wordt.
In het actualisatieplan 2 omgevingsverordening (maart 2017) wordt de reeds toegekende uitbreiding van enkele recreatiebedrijven geregeld. Eerder was die uitbreiding geregeld onder de Groei en Krimpregeling. Deze laatste regeling is echter ingetrokken omdat Gedeputeerde Staten ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat de Groei en Krimp locaties planologisch waren geregeld. Dat bleek echter niet het geval en daarom worden de toegekende rechten opnieuw in de provinciale ruimtelijke regels opgenomen.
Hierna worden de relevante bepalingen uit de Omgevingsverordening aangehaald, gevolgd door een toetsing daaraan evenals het voorheen geldende groei- en krimpbeleid, waarop de provinciale natuurvergunning is gebaseerd.


Voorheen geldend groei- en krimpbeleid

Het Groei- en krimpscenario gaat uit van een betere ruimtelijke afstemming op het Veluwemassief van recreatie en natuur om zo een kwaliteitsslag voor beide te kunnen maken. Hoofdlijn van dit scenario is het enerzijds groei (ontwikkelingsmogelijkheden) toestaan aan recreatiebedrijven op vanuit natuuroverwegingen minder kwetsbare plekken en anderzijds krimp (saneren) van recreatiebedrijven, die vanuit natuuroverwegingen ongunstig gelegen zijn. Het Groei- en krimpscenario gaat uit van de volgende inhoudelijke hoofdlijnen:
groei en krimp houden elkaar in evenwicht;

  • het Groei- en krimpscenario leidt per saldo tot nul-groei in hectare verblijfsrecreatie op het Veluwemassief;
  • groei vindt plaats binnen de aangegeven zoekgebieden voor recreatieclusters van bedrijven. Voorwaarde is dat de betreffende uitbreiding of omzetting past in de ontwikkelingsvisie die voor het gehele zoekgebied is opgesteld;
  • groei wordt ingezet voor toeristische verblijfsrecreatie, d.w.z. voor verblijfsrecreatie, waarbij sprake is van een toeristische verhuur van overnachtingseenheden (tenten, toer- en stacaravans, recreatiebungalows) onder een bedrijfsmatige exploitatie van de terreinen;
  • groei wordt ingezet ten behoeve van kwaliteitsverbetering van de bedrijven; deze verbetering heeft zowel betrekking op de bedrijven zelf, als op de omgeving en de aanwezige natuur;
    terreinen, waar permanente bewoning plaatsvindt, worden uitgesloten van groei; dergelijke
    terreinen komen alleen nog in aanmerking voor mogelijke ontwikkelingskansen, wanneer gegarandeerd is, dat de permanente bewoning is beëindigd;
  • krimp wordt in eerste instantie gezocht in de in het scenario aangegeven solitaire bedrijven;
  • krimp vindt plaats hetzij via sanering van bedrijven, hetzij via uitplaatsing naar de aan de
    Veluwe grenzende gebieden. In beginsel vindt dit plaats op basis van vrijwilligheid en goed overleg met de betrokken ondernemers;
  • In krimpgebied worden de planologische rest- en omwisselcapaciteiten gesaneerd.
    In het kader van het Groei- en krimpscenario is sprake van een specifieke toepassing van het regime van bos- en natuurcompensatie. Daarbij vindt de fysieke compensatie voor de groei plaats in de vorm van realisering van de krimplocaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0005.png"

Om de kwalitatief best mogelijke invulling te realiseren is voor elk van de zoekgebieden recreatieclusters op gemeentelijk niveau een ontwikkelingsvisie gemaakt. Om Veluwebreed een zorgvuldige afweging mogelijk te maken heeft de provincie een streekplanuitwerking opgesteld als kader voor de gemeentelijke visies. Op de Veluwe worden 15 recreatieclusters onderscheiden die de status zoekgebied hebben.
Binnen deze zoekgebieden kan middels wijziging van het bestemmingsplan ruimte beschikbaar komen als middel om verblijfsrecreatie op een gezonde en duurzame wijze te ontwikkelen. De groei in recreatieclusters is aan voorwaarden gebonden. Voorkomen moet worden dat de kernwaarden van het toeristisch-recreatieve product (i.c. de bijzondere, groene omgeving van de Veluwe) worden gemarginaliseerd. Gemeenten hebben voor de zoekgebieden recreatieclusters visies opgesteld, om een balans te vinden tussen het behouden van de kernwaarden en het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden voor de verblijfsrecreatie. Deze zogenaamde clustervisies vormen een leidraad en eerste toetsingskader op lokaal niveau. De clustervisie Beekbergen is in 2008 opgesteld. In deze visie zijn vanuit het project Groei en krimp de kaders gezet voor mogelijke uitbreidingen en herstructurering van recreatieterreinen in de cluster. Concrete en kwaliteitsrijke ontwikkelingsplannen die worden ingediend moeten voldoen aan de kaders van de clustervisie. Daadwerkelijke uitbreidingen en herstructurering van recreatieterreinen kunnen immers alleen worden gerealiseerd indien er goed onderbouwde plannen door de ondernemers worden ingediend. Mede op basis van deze visie is o.a. voor Droompark Beekbergen uitbreidingsruimte binnen het provinciale tendersysteem toegekend.

Natura 2000-gebied

Een groot deel van de Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied, zo ook het plangebied en haar omgeving. Deze gebieden zijn beschermd via de Natuurbeschermingswet (zie ook paragraaf 4.4).
Voor de ontwikkeling in het plangebied heeft de provincie een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet verleend. Dit betekent dat de ontwikkeling, doorgang kan vinden.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Regionale Structuurvisie De Voorlanden

De Regionale Structuurvisie De Voorlanden van de regio Stedendriehoek maakt samen met de al eerder vastgestelde visie voor het bundelingsgebied het ruimtelijk beleid voor de regio 'compleet'. Beide documenten vormen samen de visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van dat gebied.

De visie over De Voorlanden richt zich op het versterken en uitbouwen van de kwaliteiten van natuur en landschap, de gevarieerde en hoogwaardige woon- en werkomgeving, de sterke landbouw en het toeristisch profiel van het landelijk gebied van de regio Stedendriehoek. Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling vormt één van de strategische keuzes voor de regio.

Toerisme en recreatie vormt een pijler onder de economie van De Voorlanden. Ingezet wordt op het verbeteren van de toeristische bereikbaarheid door combinatie van aantrekkelijke routes met toeristische uitvalsbasis in enkele kernen en langs de snelwegen. Ook wordt de ontwikkeling van cultuurtoerisme beoogd. Initiatieven die passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van De Voorlanden worden gefaciliteerd.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor stad en land.

In de structuurvisie wil de gemeente zoveel mogelijk (beleids)ruimte bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent locale duurzaamheid. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente faciliteert en ondersteunt daarbij. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Specifiek met betrekking tot de Veluwe zet de provincie in op een duidelijke zonering naar kwaliteit en gebruiksintensiteit, het versterken van de ecologische, cultuurhistorische en recreatieve samenhang tussen de verschillende onderdelen en het uitbouwen van de recreatieve verbindingen. De gemeente wil het toeristische aanbod op de Veluwe bij de tijd houden en de kwaliteit ervan verhogen. In de structuurvisie wordt daarom ingezet op het vernieuwen en verbreden van het aanbod aan toeristisch recreatieve voorzieningen en verblijfaccommodaties. In deze visie wordt het belang van toeristische vernieuwing en de positie van Apeldoorn met de campings, bungalowparken en attracties als belangrijk concentratiepunt binnen de Veluwe beschreven. Daarnaast biedt De Veluwe het hoogst gewaardeerde landschap van Nederland. Er wordt gestreefd om het toeristische aanbod op de Veluwe bij de tijd houden en de kwaliteit ervan te verhogen. In deze structuurvisie wordt daarom ingezet op:

  • a. het vernieuwen en verbreden van het aanbod aan toeristisch recreatieve voorzieningen en verblijfaccommodatie;
  • b. het versterken van de samenhang tussen de aangeboden toeristisch recreatieve voorzieningen (arrangementen), ook in regionaal verband (Veluwe, Stedendriehoek).

De ontwikkeling in het plangebied past binnen dit gemeentelijke beleid.

2.4.2 Notitie speelruimte verblijfsrecreatie

Ondernemers vragen de gemeente vooral in het ruimtelijk ordeningsdomein de mogelijkheid om te kunnen anticiperen op de veranderende marktvraag. De Notitie Speelruimte Verblijfsrecreatie bevat concrete aanknopingspunten om dit te doen. Het gaat daarbij meer specifiek in op de algemene beleidsuitgangspunten vanuit de Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte.

In de genoemde notitie is bepaald dat in de bestemmingsplannen het maximum aantal recreatiewoningen wordt opgenomen. Om de kwaliteit van het toeristisch product te behouden en te vergroten is bedrijfsmatige exploitatie een provinciale en gemeentelijke voorwaarde. De gemeente wil daarom in de toekomst inspelen op de wens vanuit de markt en onder meer ruimte bieden aan schaalvergroting van recreatiebungalows (van 75 m2/350 m3 naar 150 m2/600 m3). Deze mogelijkheid is in dit bestemmingsplan opgenomen. Daarbij wordt wel uitgegaan dat het aantal recreatiewoningen niet mag worden vergroot. Permanente bewoning blijft uitgesloten en de bedrijven moeten bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

2.4.3 Vitale vakantieparken

Vakantieparken spelen een voorname rol in het recreatie-aanbod.  Op de Veluwe zijn in totaal zo'n 450 vakantieparken. Daarvan rond de 65 in de gemeente Apeldoorn. Gezamenlijk doel voor de RECRON, ondernemers en Veluwse gemeenten is om de vakantieparken weer vitaal te maken. Vitaal impliceert als subdoelen creëren van attractieve terreinen, waarbij het aanbod goed aansluit op de vraag van de recreant en waar bebouwing en voorzieningen in goede staat zijn en primair bedoeld zijn voor de verblijfsrecreatie.

In het programma Vitale Vakantieparken werken gemeenten op de Veluwe samen met vele andere partijen aan een aanpak gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de verblijfsrecreatie in de regio. Er wordt samengewerkt in drie sporen: economische kwaliteit, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid en veiligheid.

In het zogenaamde economische spoor wordt gewerkt aan de vernieuwing en versterking van de vakantieparken.

In het ruimtelijke spoor wordt gewerkt aan de noodzakelijke herstructurering van het aanbod door samenvoeging, herverkavelen en het begeleid omvormen van (voormalige) vakantieparken naar een andere bestemming.

Het spoor leefbaarheid en veiligheid is gericht op het actief aanpakken van ongewenste ontwikkelingen en het voorkomen van nieuwe probleemsituaties.
De wens is meer lijn te krijgen in de aanpak van de verschillende Veluwse gemeenten zodat oneerlijke concurrentie tussen gemeenten wordt beperkt.

Het ruimtelijke spoor beweegt zich in twee richtingen. Er is ruimte voor ontwikkeling (waar de parken een verblijfsrecreatie bestemming behouden) en er is aandacht voor transformatie (waar de parken afstand doen van de bestemming verblijfsrecreatie en transformeren naar wonen, natuur, werken, huisvesting niet-recreatieve groepen, etc.).

2.4.4 Welkom in Apeldoorn op de Veluwe

In de notitie Welkom in Apeldoorn op de Veluwe, die in juni 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het programma voor het onderdeel vrijetijdseconomie van de structuurvisie-ambitie Toeristisch toplandschap uitgewerkt. De doelen van het programma zijn:

1. De vrijetijdssector draagt bij aan de doelstelling 100.000 arbeidsplaatsen in Apeldoorn.

2. Meer bezoekers in de binnenstad en dorpen.

3. Hogere bestedingen gelijk aan het landelijke gemiddelde

Om deze doelen te realiseren zet Apeldoorn in op de volgende vier opgaven:

  • 1. Toplocatie outdoor. De ambitie is de Veluwe als meest aantrekkelijke outdoor-regio van Nederland waar bewoners en bezoekers actief kunnen ontspannen. Om deze ambitie waar te kunnen maken is onder andere een excellent routenetwerk een vereiste.
  • 2. Excellent verblijven
    Apeldoorn wil een verblijfsrecreatie met een onderscheidend, aantrekkelijk en duurzaam aanbod voor zowel kort als lang verblijf. Apeldoorn ondersteunt de doelstelling van Apeldoorn Congresstad om het aantal zakelijke congressen te laten stijgen. Apeldoorn zet in op vitale Apeldoornse top-dagattracties (Apenheul, Koningin Julianatoren, Paleis Het Loo). Bereikbaarheid per openbaar vervoer van de Veluwe en Apeldoorn is een belangrijke opgave.
  • 3. Oranje Beleven
    De kernwaarde koninklijk wil Apeldoorn benutten als het toeristisch Trademark van Apeldoorn. Paleis Het Loo is hierin de beeldbepalende partner met internationale allure. Daarnaast is het nodig dat de kernwaarde koninklijk veel meer zichtbaar en beleefbaar wordt.
  • 4. Meer funshoppers
    Funshoppen is in Nederland na wandelen de populairste vrijetijdsactiviteit. Het is dan ook een belangrijke opgave om meer toeristen vanuit de Veluwe naar de binnenstad te trekken. Bij het realiseren van deze opgaven wordt aangehaakt op de nationale strategie Vinden, Verrassen, Verbinden zoals die is verwoord in de Visie op de Nederlandse gastvrijheidseconomie 2025. Daardoor kan de ontwikkeling van de Apeldoornse vrijetijdseconomie goed ingebed worden in de nationale ontwikkeling. Uitgangspunt is dat het aan de ondernemer zelf is om kansen te benutten, ondernemerschap en durf te tonen. Op basis van de nationale strategie wordt van de overheid een stimulerende en ondersteunende rol verwacht. Een overheid die de randvoorwaarden creëert waarbinnen ondernemers kunnen ondernemen maar ook de maatschappelijke belangen zijn geborgd. De gemeente Apeldoorn wil deze rol oppakken door in te zetten op:
  • Samenwerking
  • Innovatie
  • Marketing & Gastheerschap
  • Kwaliteiten beschermen
  • Lobby
2.4.5 Clustervisie Beekbergen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0006.png"

In 2008 is de clustervisie voor Beekbergen door de gemeenteraad vastgesteld. In deze visie is vastgelegd dat de uitbreiding van de recreatiebedrijven getoetst worden aan deze visie en de procedure van de groei en krimp moeten doorlopen.
De provinciale adviescommissie heeft in deze procedure aan Gedeputeerde Staten het volgende opgemerkt: afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0007.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0008.png"

Voorts merkt de adviescommissie op dat er geen extra voorzieningen worden gebouwd omdat de capaciteit op het park zeer divers en ruim voldoende is. Hierdoor blijven de gasten meer in het bestaande park wat een positieve bijdrage levert aan de rust in het aangrenzende bos- en natuurgebied.

Conclusie toetsing: de uitbreiding van Bospark Beekbergen is in overeenstemming met de clustervisie van de gemeenteraad.

2.4.6 Nota I-cultuur

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een cultuurhistorische en een archeologische beleidskaart.

2.4.6.1 Cultuurhistorische beleidskaart

Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

2.4.6.2 Archeologische beleidskaart

Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

Voor het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een terrein met (middel)hoge verwachtingswaarde (oranje cat. 4). In de volgende afbeelding is dat aangegeven. Dit heeft gevolgen voor het bestemmingsplan. Een nadere toelichting hierop staat in paragraaf 4.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0009.jpg"

Uitsnede archeologische beleidskaart

2.4.7 Welstandsbeleid

In juni 2017 is de welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Deze welstandsnota vervangt de kadernota 'Over welstand geschreven' uit 2004.

De welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' heeft tot doel de balans behartigen tussen het borgen van basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving, in combinatie met het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website www.apeldoorn.nl/welstand, die het welstandsbeleid voor de burger toegankelijk maakt. Binnen enkele stappen weet een initiatiefnemer welk beleid van toepassing is om het plan goed bevonden te krijgen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. De Kookboeken, die ook middels de website worden ontsloten, bieden inspiratie om de ruimtelijke kwaliteit van een bouwinitiatief verder te brengen dan het minimaal noodzakelijke.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn. De verschillende welstandsniveaus (zwaar, normaal of soepel), uit de voorgaande nota zijn afgeschaft. De benadering is gebiedsgericht (wijk/ dorp/gebied) in plaats van thematisch, zoals in de vorige nota (bv 'traditionalistische architectuur in blokverkaveling', 'moderne architectuur en stedebouw'). Die indeling per gebied geeft de initiatiefnemer herkenning en inzicht en enthousiasme voor de eigen leefomgeving. De gebiedsindeling is dezelfde indeling als in de 'Kookboeken' wordt gehanteerd.

De welstandsnota (en bijbehorende website) werkt vanuit een piramide van meest voorkomende bouwwerken naar specifiekere bouwwerken:

  • vergunningsvrij (grootste deel van de bouwwerken): welstandsvrij
  • veelvoorkomende bouwwerken (grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers, dakkapellen etc.): direct duidelijkheid vooraf met heldere eenduidige criteria. Hierin is ook het reclamebeleid, dat voorheen een aparte nota was, ondergebracht.
  • specifieke bouwwerken (grotere bouwplannen): beoordeling op basis van doelstellingen per wijk, dorp of gebied. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria, waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0010.png"


De recreatiewoningen zijn op basis van het BOR vergunningvrij mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 70 m² en niet hoger dan 5m.

2.5 Waterbeleid

2.5.1 Nationaal beleid
2.5.1.1 Nationaal Waterplan 2016-2020

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten. In het plan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics).
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties.
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

2.5.1.2 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

2.5.2 Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

2.5.3 Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

2.5.4 Gemeentelijk beleid
2.5.4.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.

2.5.4.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.).
Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones en grondwaterneutraal bouwen.

3 Beschrijving plangebied

Om inzicht te krijgen in de bestaande ruimtelijke situatie binnen het plangebied en in de directe omgeving, wordt deze in dit hoofdstuk beschreven. De gewenste situatie moet op een goede manier in de bestaande situatie worden ingepast. De nieuwe situatie en de inpassing in de omgeving zijn daarom ook in dit hoofdstuk beschreven.

3.1 Bestaande situatie

Introductie locatie

DroomPark Beekbergen ligt verscholen in de Veluwse bossen in het zuidelijke buitengebied van Apeldoorn tussen Beekbergen en Loenen. Dit is een gebied waar verschillende vakantieparken liggen samen met een diversiteit aan ontspanningsmogelijkheden. Het geheel vormt daardoor een belangrijke toeristische en economische functie. Het plangebied sluit aan op de zuidelijke rand van het bestaande DroomPark Beekbergen en is bereikbaar vanaf de A50 via de afrit Loenen, de N786, Immenbergweg en Lage Bergweg. De ruimtelijke hoofdstructuur van de huidige recreatieparken voegt zicht naar de oude landschappelijke structuur, een uitwaaierende structuur begrenst door de spoorweg, A50 en N786.


Analyse structuur van het bestaande recreatiepark

DroomPark Beekbergen ligt aan weerszijden van de Lage Bergweg. Door het parkdeel ten westen van de Lage Bergweg loopt een centrale ontsluitingsas (de Wildlaan genaamd). Deze ontsluitingsas sluit op de Hoge Bergweg. Daar aan de Hoge Bergweg bevindt zich de hoofdentree van het park. Hier ligt een voorzieningencluster bestaande uit een centrale receptie, een verkoopkantoor, een fietsverhuur, een speeltuin, een zwembad met sauna, een tennisbaan en een parkeerterrein. Vanaf de Wildlaan zijn de verblijfsrecreatieobjecten ontsloten via een lusvormige slingerende padenstructuur. Binnen het vakantiepark variëren de kavels in vorm en grootte en al dan niet liggend aan een vijver.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0012.png"

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0013.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0014.jpg"

Afbeeldingen met het zicht op de ingang vanaf de Hoge Bergweg

Ligging

Het recreatiepark ligt op de Veluwe, ten zuiden van de A50. Kenmerkend voor de omgeving zijn de hoge landschappelijke- en natuurwaarden. Het park ligt midden in de bossen. De uitbreidingslocatie beslaat circa 2,5 ha. en bestaat uit naaldbos (grove den) met dichte onderbegroeiing in de struiklaag van loofhout. De bodem is grotendeels bedekt met bladstrooisel; hier en daar is een dunne kruidlaag (grassen) aanwezig. In de volgende figuur staat een luchtfoto van de bestaande ruimtelijke situatie van het plangebied en haar omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0015.png"

Luchtfoto bestaande situatie 2015

3.2 Nieuwe situatie

Initiatief

Programma

DroomPark Beekbergen, is voornemens in een zeer lage dichtheid 24 zorggerelateerde verblijfsrecreatieobjecten te ontwikkelen. Elk recreatieobject staat op een uitzonderlijk royale kavel. De gewenste situatie is een uitbreiding van 2,5 hectare in het bos ten zuiden van het huidige park. Dit uitbreidingsgebied is eigendom van DroomParken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0016.png"

Figuur 3 overzichtskaart ontwerp

Het plan bestaat uit 24 eenheden waarvan één groepsverblijf met een grondoppervlak van circa 130 m2. De andere 23 eenheden betreffen vier typen gesitueerd op ruime kavels (minimaal 700m2) in het bosperceel. De clusters verschillen van elkaar in oppervlakte en vorm. Zo zijn er:

  • 6 rechthoekige eenheden met een grondoppervlak van circa 70 m2;
  • 6 rechthoekige eenheden met een grondoppervlak van circa 80 m2 ;
  • 4 L-vormige eenheden met een grondoppervlak van circa 105 m2;
  • 7 L-vormige eenheden met een grondoppervlak van circa 105 m2 voor minder validen.

De eenheden hebben allemaal een maximale hoogte van 5 m. Elk object heeft een eigen berging. De berging zijn qua materialisering en uitstraling afgestemd op de hoofdgebouwen. Het betreft zorggerelateerde verblijfsrecreatieobjecten. De objecten worden zo ingericht dat zij ruimtelijk ogen en een rustige, prikkelarme uitstraling hebben. Ook komen zij op een ruime kavel te staan, zodat een rustige prikkelarme omgeving is gewaarborgd. De objecten richten zich daarmee bijvoorbeeld op mensen met autisme.

Daarnaast zijn de objecten vanwege de ruime opzet ook geschikt voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking met begeleiders, familie of zorgbehoevende senioren en mensen die extra rust zoeken. Sommige objecten hebben daartoe ook meerdere kamers en bijvoorbeeld twee badkamers. De ruime verkaveling die is voorzien, komen in de verblijfsrecreatieve sector bijna niet voor. Daarmee speelt Droomparken nadrukkelijk met deze productdifferentiatie in op de behoefte van een specifieke doelgroep. Over deze doelgroep kan het volgende worden opgemerkt. Op dit moment ondervindt 12% van de Nederlandse bevolking hinder van een ontoegankelijke omgeving en heeft een grote groep van de bevolking te maken met een tijdelijke of permanente functiebeperking. Het totaal aantal mensen met een functiebeperking groeit en zal in de toekomst alleen maar toenemen door de vergrijzing en de daarmee veelal gepaard gaande lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen. Tegelijkertijd blijft deze groep steeds langer zelfstandig, zijn zij behoorlijk kapitaalkrachtig, hebben zij veel vrije tijd en een zeer ruime vakantie-ervaring. Het recreatiegedrag dat zij vertonen is voor de komende 20 jaren van groot belang voor de verblijfsrecreatieve sector. Zowel de gemeente als Droomparken speelt in op deze trends en ontwikkelingen voor de komende jaren door aangepaste recreatiewoningen te realiseren.

Ruimtelijke inpassing

De uitbreidingslocatie bevindt zich aan de zuidelijke rand van het bestaande vakantiepark. Het wordt ontsloten vanaf de Lage Bergweg met een eigen inrit. Gezien de kwetsbare zorg gerelateerde doelgroep, biedt een aparte entree een rustige en veilige omgeving. Rust, overzicht en herkenbaarheid zijn belangrijke elementen voor de doelgroep. Het ruimtelijke uitgangspunt is om de locatie vanuit een bosrijk landschap te benaderen in plaats van onderling afgebakende percelen. De ontsluiting en situering van de eenheden wordt zoveel mogelijk afgestemd op de bestaande bomen om zo min mogelijk bomen te hoeven verplanten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0017.png"

Figuur 4 Huidige situatie met slingerend pad in het bosrijke landschap

Er is gekozen voor één centrale ontsluiting, het bospad. Dit is een slingerende weg van 5 meter breed waar de auto's elkaar kunnen passeren. Aan het eind van het pad kunnen voertuigen keren. Het bospad dient zo eenvoudig mogelijk en natuurlijk vormgegeven te worden. Het wordt voorzien van een stabiele halfverharding, zodat goed wordt aangesloten bij een natuurlijke inrichting van het gebied. Het pad slingert tussen de bomen een creëert een dynamisch spel met een afwisselend zicht op de recreatiewoningen. Deze structuur past qua typologie bij het al bestaande park.

Per eenheid wordt voorzien in 2,1 parkeerplaatsen, waarvan 1 parkeerplaats bij de recreatiewoning. Totaal zijn er 58 parkeerplaatsen. Elke recreatiewoning heeft zijn eigen ruime parkeerplaats voor de deur.

Een groot gemak voor de minder valide bezoekers. De parkeerplaatsen worden door middel van natuurlijke elementen, bijvoorbeeld door inzet van houtwallen, visueel afgescheiden.

Tussen het projectgebied en het bestaande park wordt een groenbuffer van minimaal 15 meter aangehouden, dit versterkt het landschappelijke karakter van de bossen en de geborgenheid van beide locaties. De chalets ten noorden van de weg hebben kavels met een diepte van 33 meter. De chalets worden om minimaal 5 meer van de (noordelijke) kavelgrens geplaatst, hierdoor wordt er extra afstand gerealiseerd ten opzichte van het bestaande park. De noordoostelijke hoek van het gebied vormt geen onderdeel van de verkaveling. Hier is een wandelpad gesitueerd. Dit bestaande pad blijft dus behouden en er is een ruime afstand tot de chalets.

De eenheden zijn met de lange zijde richting overwegend haaks op het pad georiënteerd waardoor het bos optimaal te ervaren is. De eenheden zijn zo gesitueerd dat de terrassen op het zuiden (-westen) zitten. De kortste zijde van de eenheden is grotendeels naar het noorden georiënteerd om gedurende dag zoveel mogelijk daglicht binnen te krijgen. De glazen pui aan de zuidelijk gesitueerde woonkamer is een venster dat uitkijkt op het groen. Optioneel kan ook in het dak glas worden opgenomen. Hierbij dient echter rekening gehouden te worden met de beoogde doelgroep.

Het parkeerterrein is gelegen bij de entree aan de zuidzijde van de weg. Hierdoor is er minimaal overlast voor het huidige recreatiepark. De groepsaccommodatie ligt direct naast het parkeerterrein.

Architectuur

De architectuur van de eenheden speelt in op de wensen en behoeften van de zorg gerelateerde doelgroep. De eenheden hebben dezelfde uitstraling qua materialisatie en opbouw wat zorgt voor rust en overzicht. De eenvoudige architectuur en vormentaal van de eenheden laat de landschappelijk omgeving de drager zijn in het gebied. Door de houten gevelbekleding worden ze op een natuurlijke wijze in het boslandschap opgenomen. Ze zijn van alle luxe en ruimte voorzien. Dit betekent dat er voldoende manoeuvreerruimte voor rolstoelen binnen de recreatiewoning, grotere en aangepaste doucheruimtes, brede deuren en voldoende ruimte rondom het bed, in de zithoek en in de keuken aanwezig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0018.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0019.png"

Figuur 5 Chalets 70 m2 (vier persoons) plattegrond en schets

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0020.png"

Figuur 6 Chalet 105 m2 (zespersoons – minder valide)

4 Omgevingsaspecten

Doel van dit bestemmingsplan is om 23 recreatiewoningen en een groepsaccommodatie mogelijk te maken. In dit hoofdstuk komen die zaken aan de orde die een rol spelen bij de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt aangetoond dat de nieuwe bestemming kan worden gerealiseerd.

4.1 Milieuaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.1 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.


Kwaliteit van de bodem
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Ter plaatse van deze nieuwe ontwikkelingen is bodemonderzoek uitgevoerd.


Uitgevoerde bodemonderzoeken

  • indicatief verkennend bodemonderzoek aan de Hoge Bergweg 16 te Beekbergen “Bospark Beekbergen” Grondvitaal, kenmerk 2001834, d.d. 21 maart 2001, deellocatie 2 bosterrein.
  • Bovengrond is licht verontreinigd met EOX. Het gehalte blijft ver onder de 3 mg/kg ds. (0,4 mg/kg ds.) waarboven een analyse op polychloorbifenylen noodzakelijk is. Deze gehaltes komen volgens het rapport wel vaker van nature voor in humusrijke zandgronden.
  • Ondergrond is niet onderzocht
  • Grondwater bevindt zich dieper dan 5 m-mv en is conform NEN 5740 niet onderzocht.

Conclusies

  • De bodem is, op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken indicatief geschikt voor de toekomstige functie.
  • Het bodemonderzoek voor de bouw van de recreatiewoningen kan plaatsvinden bij de aanvraag van de Omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Het uit te voeren bodemonderzoek moet aan de volgende eisen voldoen:
    Er dient een vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 te worden uitgevoerd, met aandacht voor asbest. Dit onderzoek moet worden gevolgd door een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740.
  • Als blijkt dat de locatie verdacht is op de aanwezigheid van asbest in de bodem, moet een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 te worden uitgevoerd.

4.1.2 Milieuzonering

De ruimtelijke ordening en het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies en de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

De nieuwe recreatiewoningen gaan deel uitmaken van het bestaande recreatiepark. Het recreatiepark wordt daarmee één inrichting en is vergelijkbaar met een rustige woonwijk/rustig buitengebied. Binnen het onderzoeksgebied (50-100 m rond het plangebied) is geen sprake van hinder veroorzakende voorzieningen. Wel zijn binnen deze afstanden andere recreatieve voorzieningen aanwezig. Gezien de gelijkwaardige functie leveren deze voor de uitbreiding van het park geen beperkingen op. De uitbreiding zelf geeft ook geen beperkingen voor de functies in de omgeving.

4.1.3 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden moet worden, namelijk: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van verkeerswegen, het wegverkeerslawaai is daarom beoordeeld in relatie tot de gewenste ontwikkeling in het plangebied.
Wegverkeerslawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen Artikel 76 Wgh verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen.

Onderzoeksresultaten

De nieuwe recreatiewoningen vallen buiten het regime van de Wet geluidhinder en daarom geldt er geen onderzoeksplicht op grond van deze wet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidskwaliteit van de locatie wel beschouwd en is tevens nagegaan wat de gevolgen zijn van de uitbreiding bij bestaande woningen in de omgeving als gevolg van een mogelijke verkeerstoename. Het perceel is gelegen aan de Hoge Bergweg. Deze weg heeft een beperkte verkeersintensiteit en wordt in hoofdzaak gebruikt door recreanten en bezoekers van de recreatieterreinen langs deze weg. Ten opzichte van het huidige gebruik neemt het gebruik marginaal toe. De geluidsbelasting neemt niet hoorbaar toe. Op grond van het bovenstaande is het plan uitvoerbaar

4.1.4 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de Regeling "niet in betekenende mate bijdragen" zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren.

Onderzoeksresultaten

Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan betreft de bouw van 24 nieuwe recreatiewoningen en een groepsaccommodatie. Deze ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard dat deze niet in betekenende mate bijdraagt. Een aanvullend luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Dit aspect heeft geen gevolgen voor de regeling in dit bestemmingsplan.

4.1.5 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS) te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten 

In en in de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen. Externe veiligheid geeft daarbij geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied.

4.1.6 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit aspect heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.

4.1.7 Milieueffectrapportage

In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de omvang van de activiteit blijft onder de voorwaarden uit kolom 2 dan dient er een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden. De uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen wordt gemeld op de D-lijst onder categorie D10. De m.e.r.-beoordelingsplicht is van toepassing indien er een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied wordt gerealiseerd. In onderhavig plan is er sprake van een uitbreiding van circa 2,5 hectare. Daarmee is er geen sprake van een m.e.r-beoordelingsplicht, echter dient er wel een vormvrije m.e.r-beoordeling uitgevoerd te worden. Middels deze vormvrije m.e.r. beoordeling moet inzicht verkregen worden of de gewenste activiteit leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

De diverse omgevingsaspecten zijn beschreven in hoofdstuk 4 en kunnen beschouwd worden als onderdelen van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In paragraaf 4.1. is specifiek ingegaan op de milieuaspecten. Geconcludeerd wordt dat er geen nadelige milieugevolgen zullen optreden. De natuureffecten zijn beschreven in paragraaf 4.4.
Voor de volledige vormvrije mer-beoordeling wordt verwezen naar Bijlage 2 Vormvrije MER

Onderzoeksresultaten

Er is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het plan Hoge Bergweg 16 te Beekbergen. Het plan leidt niet tot milieueffecten van dusdanige omvang dat er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (zoals deze in de Europese richtlijn zijn benoemd). Het opstarten van een m.e.r.-beoordelings- of m.e.r.-procedure is niet aan de orde.

4.2 Waterhuishouding

Het project betreft de bouw van 24 nieuwe recreatiewoningen en een groepsaccommodatie. Het verhard oppervlak neemt daarmee toe. De toename is echter gering in relatie tot de totale hoeveelheid verhard oppervlak in het recreatiepark. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in haar beleid heeft aangegeven.

4.2.1 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die in het provinciaal beleid is vastgelegd. Grondwaterstanden binnen het plangebied zijn zeer laag. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend en de grondwaterstanden vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

4.2.2 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater of waterafhankelijke natuur aanwezig. Binnen de nieuwe ontwikkelingen wordt ook geen nieuw oppervlaktewater gecreëerd.

4.2.3 Afvoer van hemelwater

Binnen het gebied is enkel riolering voor afvalwater aanwezig. Hemelwater mag daarop niet worden aangesloten. Afvloeiend hemelwater moet binnen het perceel worden geborgen en geïnfiltreerd.

De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en moeten volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen.

4.2.4 Afvoer van afvalwater

De nieuwe bebouwing moet worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de uitbreiding wordt aangesloten op het bestaande bungalowpark. Deze heeft hiervoor voldoende capaciteit.

4.2.5 Watertoets

Het plan betreft de realisatie van 23 recreatiewoningen en een groepsaccommodatie. In het plangebied wordt geen grondwater onttrokken, vanuit het plangebied wordt geen hemelwater afgevoerd, hemelwater wordt hergebruikt of in de bodem geïnfiltreerd. Het plan heeft dan ook geen gevolgen voor het watersysteem. De belangen van het waterschap zijn hiermee afgedekt. Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten.

4.3 Verkeer en parkeren

Het bestaande park wordt ontsloten via de Lage en Hoge Bergweg. Deze wegen vervullen overwegend een functie voor het bestemmingsverkeer en zijn 60 km wegen. De intensiteit op beide wegen is laag. De Lage Bergweg is geen doorgaande weg en eindigt ter hoogte van de uitbreiding. Op het park wordt t.b.v. de 23 recreatiewoningen en de groepsaccommodatie een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd die wordt aangesloten op de Lage Bergweg. Via de Lage Bergweg en vervolgens de Immenbergweg en de Beekbergerweg zijn de omliggende plaatsen Loenen, Beekbergen en Apeldoorn te bereiken. Met de uitbreiding van Bospark Beekbergen zal er nagenoeg geen verschil optreden in de afwikkeling van het verkeer.

Parkeren

De uitbreiding van het recreatiepark moet voldoen aan de parkeernormen conform het gemeentelijke beleid. In de gemeentelijke parkeernota uit 2004 zijn echter geen normen opgenomen voor recreatiewoningen. Voor de bepaling van de parkeerbehoefte moet derhalve gekeken worden naar ervaringen, referenties en landelijke parkeerrichtlijnen. De landelijke richtlijnen omtrent de parkeerbehoefte zijn opgenomen in de CROW-publicatie 317: "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Hierin worden parkeerkencijfers genoemd voor recreatiewoningen. De CROW normering bedraagt 2,1 per recreatiewoning. De groepsaccommodaties is drie keer deze norm. Dit betekent dat het plan moet voorzien in 54 parkeerplaatsen.

Noodzakelijk

type   Norm   Aantal   Totaal  
recreatiewoning   2,1   23   48  
Groepsaccommodatie   6,3   1   6  
      54  

Bij elke recreatiewoning en de groepsaccommodatie wordt 1 ruime parkeergelegenheid gerealiseerd. De parkeergelegenheid is vormgegeven als onderdeel van het perceel, met een groene uitstraling. Hierbij wordt een open- of waterdoorlatende verharding of halfverharding gebruikt.
Bij de entree is voorzien in twee parkeerkoffers met in totaal 34 parkeerplaatsen. Het totaal aantal parkeerplaatsen is 58 en voldoet daarmee aan de norm.

4.4 Natuurwaarden

4.4.1 Algemeen

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet.
In de wet natuurbescherming staan regels voor zowel gebieds- als soortenbescherming, is er 1 bevoegd gezag en 1 procedureregeling. Inhoudelijk doel van de Wet natuurbescherming is het beschermen en ontwikkelen van natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies. De taken en verantwoordelijkheden zijn zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd.

Gebiedsbescherming

Wat betreft gebiedsbescherming is de "Natuurtoets Groei en Krimp; tweede groeitender 2011" (Arcadis, 2011) relevant. Zie bijlage 4 van de Bijlagen bij de toelichting. De natuurtoets ligt aan de basis van de toewijzing van de groei in de aangewezen recreatiebedrijven. Daarin is opgenomen de toetsing aan de instandhoudingsdoelen c.q. de kwalificerende habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Geconcludeerd wordt dat het saldo van krimp en groei in evenwicht is (en mogelijk zelfs positief voor een aantal soorten en habitattypen). Dit heeft er toe geleid dat de hier aan de orde zijnde uitbreiding is gehonoreerd en dat er door de provincie een natuurvergunning is verleend. Deze vergunning is opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen.

Soortenbescherming
Onder de werking van de voormalige Flora- en Faunawet is onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is rekening gehouden met de toegekende oppervlakte van 2,5 ha uitbreiding.

Conclusie uit het onderzoek
Tijdens het onderzoek is 1 hazelworm aangetroffen. De uitbreidingslocatie bestaat gedeeltelijk uit leefgebied voor deze soort. Andere strikt beschermde soorten zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht.

Om negatieve effecten op hazelworm te voorkomen is het noodzakelijk dat de juiste mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. De volgende mitigerende maatregelen moeten worden uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van de aanwezige soorten (hoofdstuk 8 van het Flora en Fauna onderzoek):
Mitigatie uit te voeren voorafgaande en tijdens de ingrepen

  • De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van de hazelworm. Een en ander is afhankelijk van de periode en temperatuur. In overleg met een ter zake kundige wordt de juiste uitvoeringsperiode gekozen;
  • In overleg met de initiatiefnemer worden hazelwormen voor aanvang van de werkzaamheden weggevangen. De uitvoeringsperiode is nog niet bekend;
  • Voorafgaande aan het wegvangen wordt een reptielenscherm om de werklocatie geplaatst van glad landbouwplastic van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. Het scherm zal regelmatig worden gecontroleerd en waar nodig gerepareerd;
  • Gevangen hazelwormen worden verplaatst naar een geschikte locatie voor de soorten, buiten de invloedssferen van de werkzaamheden.

Mitigatie mbt de inrichtingsplannen

  • Verbeteren van gebied door het creëren van structuurrijke bosranden en groenstructuren tussen de bungalows;
  • Plaatsen van houtstapels, stobben, achterlaten van boomstammen. Op deze manier worden geschikte schuilplaatsen voor reptielen gerealiseerd.

Het onderzoeksbureau heeft geconcludeerd dat een ontheffing moet worden aangevraagd en dat de verwachting bestaat dat deze ontheffing wordt verleend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1318-vas1_0021.png"

Omdat bovenstaande natuurtoets dateert van augustus 2013 is er opnieuw onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek dat als Bijlage 6 Eindrapport beschermde soorten bij de toelichting is gevoegd, concludeert het volgende:

"Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen en enkele myoten vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om rooiwerkzaamheden en werkzaamheden aan de oever buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen. Verder kunnen effecten op de hazelworm niet worden uitgesloten, effecten op dit reptiel kan dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is ontheffing Wet natuurbescherming vereist. Een ontheffingsaanvraag dient te worden voorzien van een activiteitenplan waarin fasering en maatregelen zijn uitgewerkt. Een ontheffingsaanvraag neemt gewoonlijk vier maanden in beslag. Een ontheffing wordt alleen afgegeven onder voorwaarden".
De eigenaar heeft de ontheffing bij de provincie aangevraagd.

4.5 Archeologie

Zoals in paragraaf 2.4.6 al uiteengezet is, heeft de gemeenteraad op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld. In die paragraaf is al aangegeven dat voor het plangebied gebieden met een categorie 4 van toepassing is.

Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

De totale oppervlakte van alle te realiseren woningen overschrijdt de genoemde 500 m2 en gaat met de fundering dieper dan 35 cm onder maaiveld. Daarom is onderzoek noodzakelijk.

Onderzoeksresultaten bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek vereist.
De resultaten van het onderzoek zijn nog niet bekend.

4.6 Cultuurhistorie

4.6.1 Modernisering monumentenzorg

In november 2009 stemde de Tweede Kamer in met de beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg. Deze beleidsbrief geeft de nieuwe visie van het Rijk op de monumentenzorg weer. De nieuwe visie rust op drie pijlers:

  • 1. cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening;
  • 2. krachtiger en eenvoudige regels;
  • 3. herbestemmen van cultuurhistorisch waardevolle panden die hun functie verliezen.

Met de eerste pijler wordt ingezet op het bestemmingsplan als belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Een goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Cultuurhistorie is één van die belangen. Dit nieuwe beleid vormt een belangrijke aanvulling op de sectorale bescherming van monumenten. Op deze manier is een meer gebiedsgerichte benadering mogelijk.

Het Rijk wil deze nieuwe visie implementeren door in het Besluit ruimtelijke ordening een verplichting op te nemen om in het bestemmingsplan rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Daarnaast zal het Rijk, aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, een visie op het cultureel erfgoed opstellen. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.

4.6.2 Cultuurhistorische analyse

In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen en monumenten. Hiervoor hoeft in dit bestemmingsplan dan ook geen specifieke regeling opgenomen te worden. Wel is het landschap bepalend voor de ruimtelijke uitstraling van het gebied. De nieuwbouw wordt op een goede manier in het landschap ingevoegd, hierover staat meer beschreven in paragraaf 3.2.

5 Juridische planopzet

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 is het plan getoetst aan het geldende beleidskader. Hoofdstuk 3 beschrijft de bestaande en gewenste situatie in het plangebied. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planologische aspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de in die hoofdstukken aangegeven uitgangspunten juridisch vertaald. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. Paragraaf 5.2 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden de regels en de verbeelding ervan beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.3 worden tenslotte de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Bestemmingen

Hoofdstuk 1 van de regels geeft de definities van de in het plan voorkomende begrippen en legt de wijze van meten en berekenen vast.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin worden per bestemming regels gegeven voor gebruik en bebouwing van de grond. Deze belangrijkste bestemmingsregelingen worden hierna besproken.

Natuur

Het bestaande bos behoudt de bestemming Natuur. De bestemming voorziet ook in de aanleg van wegen en paden.

Recreatie - Verblijfsrecreatie

Het verblijfsrecreatie terrein heeft deze bestemming en mag benut worden voor het in de vorm van bedrijfsmatige exploitatie bieden van recreatief verblijf aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben, in tot het bedrijf behorende recreatiewoningen (niet zijnde stacaravans).

Het aantal recreatiewoningen voor het plangebied wordt vastgelegd op maximaal 23. De maximale goothoogte en bouwhoogte zijn 4 en 5 meter en het maximale oppervlak 75 m². In afwijking hiervan wordt gelet op de beoogde doelgroep bij de nieuwbouw van de recreatiewoningen voorzien in een afwijkende maatvoering. Deze afwijking betreft 11 recreatiewoningen van 105 m² en 6 van 80 m². De overige blijven binnen de 75 m² .

Permanente bewoning van recreatieverblijven wordt verboden.

5.3 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.3.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) zijn regels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen.

In 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. In dit artikel is onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen niet is toegestaan. In 7 staan de algemene gebruiksregels. Hierin is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. Artikel 12 geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

5.3.2 Bepalingen over archeologie

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevatten de Apeldoornse bestemmingsplannen geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

Voor dit plangebied is slechts de op de archeologische beleidskaart aangemerkte Zone met (middel)hoge archeologische verwachting van toepassing. Hieruit volgt dat het plangebied de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' heeft gekregen.

Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. In de regels is bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten. In de regels van artikel 8 en artikel 12 is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

Artikel 10 regelt dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van enkele regels van het plan. Het betreft hier afwijkingsbevoegdheden ten aanzien van de voorgeschreven goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van gebouwen. Als voorwaarde voor afwijken is gesteld dat de afwijkingen niet meer mogen bedragen dan 10% van de voorgeschreven maten en voor zover de stedenbouwkundige kwaliteit die met het is beoogd niet onevenredig wordt aangetast.

Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

Hierbij geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100 m2 (middelhoog) een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Als uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren. Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt in beide bestemmingen dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

5.3.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 Uitvoerbaarheid

Dit hoofdstuk beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de hierin mogelijk gemaakte ontwikkeling.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op 3 juli 2017 heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst gehouden waarvoor waren uitgenodigd omwonenden, de dorpsraad, de eigenaren van recreatiebungaows en raadsleden.

Er zijn met name vragen gesteld over de behoefte aan recreatiewoningen en de verhuurbaarheid van de bestaande recreatiewoningen. Dit heeft er mede toe geleid dat Droomparken een behoefteonderzoek heeft laten verrichten door ZKH.

Op 22 februari 2018 is er een tweede informatiebijeenkomst gehouden waarbij het behoefteonderzoek is gepresenteerd. Droomparken gaat met individuele eigenaren in gesprek over de groenbuffer, optimalisering van de parkeerplekken en de zichtlijnen per object.

Ontwerpbestemmingsplan en zienswijzen

Na deze overlegperiode wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend.

Vaststelling en beroep

De gemeenteraad besluit vervolgens of het bestemmingsplan - al dan niet gewijzigd - wordt vastgested. De vaststelling van het bestemmingsplan wordt via de wettelijk vastgestelde wijze gepubliceerd. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het is niet noodzakelijk om bij dit bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 23 zorg gerelateerde recreatiewoningen en een groepsaccommodatie mogelijk. Er wordt een bedrijfsmatige exploitatie gehanteerd en er zijn voldoende middelen beschikbaar voor de realisatie van de woningen.