direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Amersfoortseweg 271 Uddel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1303-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Amersfoortseweg 271 Uddel

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Aan de Amersfoortseweg 271 in Uddel is een kalverhouderij aanwezig. De eigenaar is voornemens zijn agrarisch bedrijf uit te breiden. Hierbij worden aanwezige stallen vervangen door twee nieuwe en grotere stallen.

1.2 Ligging en begrenzing

Het perceel ligt in het buitengebied van Uddel, nabij buurtschap Nieuw Milligen. De Amersfoortseweg is de doorgaande, provinciale weg tussen Apeldoorn en Voorthuizen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0001.png"

Ligging in omgeving

Het plangebied wordt alleen gevormd door het aanwezige, agrarische erf op het perceel en een deel van een omliggende gronden van dat erf. Kadastraal is dat bekend als gemeente Apeldoorn, sectie B, nummers 833 en 1028 (deels).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0002.png"

Luchtfoto omgeving met het plangebied rood omkaderd

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Agrarische Enclave. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 13 juni 2013.

Het plangebied heeft de bestemming “Agrarisch”. Daarmee is het plangebied in hoofdzaak bedoeld voor agrarische bedrijven. Gebouwen daarvoor zijn mogelijk binnen het bouwvlak. Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij extensiveringsgebied', wordt een intensieve veehouderij voorzien. Binnen de bestemming is één bedrijfswoning toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0003.png"

Uitsnede plankaart geldend bestemmingsplan

In de planregels is bepaald dat voor een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij extensiveringsgebied' alleen het bestaande oppervlak aan stalruimte is toegestaan en alleen het bestaande aantal dierplaatsen. Het voornemen om het bedrijf in het plangebied uit te breiden houdt in dat het aanwezige oppervlak aan stalruimte wordt vergroot en dat het aantal dierplaatsen zal toenemen. Het geldende bestemmingsplan voorziet dan ook niet in een uitbreiding van de veehouderij in het plangebied. Derhalve is daarvoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

De toelichting begint in hoofdstuk 2 met een beschrijving van het relevante beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de bestaande en de nieuwe situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht. Afsluitend zijn in hoofdstuk 6 de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

2 BELEIDSKADER

2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De Structuurvisie infrastructuur en ruimte 2040 (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Deze 13 nationale belangen zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen
  • 2. Mainportontwikkeling Rotterdam
  • 3. Kustfundament
  • 4. Grote rivieren
  • 5. Waddenzee en waddengebied
  • 6. Defensie
  • 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
  • 8. Elektriciteitsvoorziening
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
  • 10. Ecologische hoofdstructuur
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

De visie is via regels verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Deze geeft voor het plangebied geen direct bindende regels.

2.2 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Laatstelijk is deze structuurvisie geactualiseerd bij besluit van Provinciale Staten van 1 maart 2017. Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven vanuit twee hoofddoelen.

Het eerste doel is het vergroten van de concurrentiekracht van Gelderland door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur.

Het tweede doel is het waarborgen en het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit betekent vooral:

  • ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek;
  • zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap;
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed;
  • een gezonde en veilige leefomgeving;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

Nationaal Landschap

In de Omgevingsvisie wordt het plangebied aangewezen als onderdeel van Nationaal Landschap. Het gaat dan om nationaal landschap de Veluwe. De Nationale Landschappen zijn de symbolen bij uitstek van het Gelderse cultuurlandschap. Ze geven op (inter)nationale schaal een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit en hebben daarom speciale aandacht. Deze cultuurhistorische landschappen zijn het resultaat van het harmonisch samengaan van natuurlijke processen en menselijk handelen. Kenmerkend zijn de samenhang tussen natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. De ontstaansgeschiedenis van het landschap is hier nog leesbaar.

Het ruimtelijk beleid is er op gericht om de kernkwaliteiten van deze gebieden te behouden en verder te ontwikkelen. Behoud wordt bereikt met een regel in de Omgevingsverordening, die bepaalt dat alleen activiteiten zijn toegestaan die de Kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen behouden of versterken.

Landbouw

De provincie streeft ernaar de grote sociaal-economisch betekenis van de sector voor het Gelders platteland ook in de toekomst te behouden. Bijna tweederde van de oppervlakte is in agrarisch gebruik. De land- en tuinbouw is direct en indirect verantwoordelijk voor 10% van de totale Gelderse werkgelegenheid en levert een belangrijke bijdrage aan de Gelderse agribusiness, waaronder de clusters Food en Health. De sector heeft groeipotentie en sterke relaties met andere maatschappelijke opgaven. De provincie wil de ontwikkeling in de sector koppelen aan de opgaven voor energietransitie, biobased economy, arbeidsmarkt, een vitaal platteland en natuur- en waterbeheer.

In het plangebied is een niet-grondgebonden veehouderij aanwezig, die is gelegen in het gebied van het Plussenbeleid en van het ammnoniakbuffergebied. Ten aanzien van intensieve veehouderij c.q. niet-grondgebonden veehouderij wordt het volgende opgemerkt in de Omgevingsvisie.

In dit gebied heeft de provincie als doel de randvoorwaarden te creëren voor duurzame niet-grondgebonden landbouw. Daarbij gaat het om maatschappelijk verantwoord ondernemen. De ontwikkelingsmogelijkheden van een bedrijf hangen in de eerste plaats af van de bedrijfslocatie. In Gelderland behoort het grootste deel van de pluimvee- en varkens- en vleeskalverenbedrijven tot de niet-grondgebonden landbouw. Het voer voor deze dieren komt van buiten het bedrijf en veelal zelfs van buiten Nederland.

De provincie stimuleert bestaande bedrijven in deze sector die duurzamer wensen te produceren. Dit betekent:

  • er is geen ruimte voor nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven;
  • er is ruimte voor bestaande bedrijven om zich duurzaam te ontwikkelen. Aan deze groei zijn duurzaamheidseisen verbonden die zijn uitgewerkt in het Plussenbeleid. Aan gemeenten wordt gevraagd om deze voorwaarden in haar ruimtelijk beleid mee te nemen. Welke uitbreidingen van veehouderijen mogelijk zijn, wordt verder bepaald door:
  • de wettelijke kaders van het Rijk;
  • de provinciale regels voor bescherming van o.m. de kernkwaliteiten van Nationale Landschappen, Waardevol Open landschap, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Gelderse Groene Ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk, zoals weergegeven in de provinciale Omgevingsverordening;
  • het gemeentelijk bestemmingsplan en het gemeentelijke ruimtelijke beleid: de gemeente bepaalt of en waar uitbreidingen gewenst zijn.

De groei moeten ondernemers 'verdienen'. De groeipotentie van een bedrijf wordt afhankelijk van de plek waarin het bedrijf ligt. Wanneer kwetsbare en gevoelige functies in de omgeving van de bedrijfslocatie liggen, zijn de uitbreidingsmogelijkheden beperkt en aan specifieke voorwaarden gekoppeld. Zo moeten bedrijven in de omgeving van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden extra technische maatregelen treffen om groeiruimte te creëren. In het ammoniakbuffergebied daarnaast dat er uitsluitend groei mogelijk is voor ondernemers om het bedrijf te ontwikkelen indien de emissie van ammoniak op de locatie niet toeneemt bij uitbreiding van niet-grondveehouderij-activiteiten - of die nu geheel uit intensieve niet-grondgebonden veehouderijactiviteiten bestaan of slechts gedeeltelijk binnen een deel van het bedrijf worden uitgeoefend.

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

In de Statenvergadering van woensdag 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld.Laatstelijk is deze verordening geactualiseerd bij besluit van Provinciale Staten van 1 maart 2017. Deze verordening ziet erop toe dat het beleid uit de Omgevingsvisie Gelderland operationeel wordt. Hierna worden de relevante bepalingen uit de Omgevingsverordening aangehaald, gevolgd door een toetsing daaraan.

Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak: Ammoniakbuffergebied (artikel 2.5.3.3)

  • 1. In het als Ammoniakbuffergebied aangewezen gebied is uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijtak uitsluitend toegestaan indien de ondernemer aantoont dat de emissie van ammoniak op de locatie niet toeneemt.
  • 2. In dit gebied zijn nieuw- en hervestiging van niet-grondgebonden veehouderij niet toegestaan.
  • 3. Artikel 2.5.3.2 is van overeenkomstige toepassing.

Toetsing

  • 1. De geplande uitbreiding van de veehouderij in het plangebied geschiedt zonder toename van de ammoniakemmissie. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat de bestaande ammoniakemissie niet toeneemt.
  • 2. De niet-grondgebonden veehouderij in het plangebied is hier reeds sinds lange tijd aanwezig en ook toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Nieuw- of hervestiging is dan ook niet aan de orde.
  • 3. In artikel 2.5.3.2 is het Plussenbeleid opgenomen. Dit beleid is alleen van toepassing bij de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel. In dit bestemmingsplan blijft het agrarisch bouwperceel onveranderd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, zodat het Plussenbeleid niet van toepassing is.

Nationaal landschap (artikel 2.7.4.2)

Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap en (buiten de GO, het GNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie) maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken.

Toetsing

Het plangebied ligt in deelgebied Agrarische Enclave van Nationaal Landschap de Veluwe. Dat deelgebied heeft de volgende kernkwaliteiten:

  • 1. Afwisseling van grootschalig bos en kleinschalige, open landbouwgronden (mozaïek);
  • 2. Waardevolle open essen;
  • 3. Esdorpen met eigen bedrijvigheid (dorpsensemble);
  • 4. Intensieve veehouderijbedrijven;
  • 5. Tamelijk natuurlijk beekdal met bijzondere laaglandbeek.

De kernkwaliteiten 2, 3 en 5 zijn niet aan de orde in het plangebied. Ten aanzien van kernkwaliteit 4 leidt dit bestemmingsplan tot een versterking. Voor kernkwaliteit 1 geldt dat dit bestemmingsplan niet leidt tot meer bebouwingmogelijkheden. Wel is het voornemen de landschappelijke inpassing van het bedrijf te verbeteren. Dit komt de landschappelijke afwisseling in het ruimtelijke beeld ten goede. Zodoende wordt kernkwaliteit 1 versterkt. Een aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap is niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0004.png"

Ligging plangebied in Nationaal Landschap

2.4 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent locale duurzaamheid.. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0005.png"

Figuur 5: Structuurvisie buitenstad

3 BESTAANDE EN NIEUWE SITUATIE

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied weer, in de bestaande en de nieuwe situatie.

3.1 Bestaande situatie

3.1.1 Omgeving

De omgeving van het plangebied is een heideontginningslandschap, bestaand uit bossen, afgewisseld met landbouwgronden. De landbouwgronden bestaan voor het grootste gedeelte uit weilanden en voor een kleiner gedeelte uit akkers. Groenstructuren van loofbomen zoals eiken en beuken liggen langs wegen, paden en kavelgrenzen. Deze zorgen er voor dat de landbouwgronden als het ware opgedeeld worden in grote kamers, waardoor er een geordend half open landschap ontstaat. De absorptiecapaciteit van de kamerstructuur is groot: de schermen van beplanting vormen een sterk ruimtelijk kader, waarin bebouwing relatief makkelijk wordt opgenomen.

De erven van de boerderijen zijn geheel of gedeeltelijk omgeven door bomen, waardoor de erven gedeeltelijk te zien zijn en ‘opgaan’ in het landschap. De meeste bebouwing staat haaks of parallel aan de weg, met vaak het woonhuis het dichtst bij de weg en de schuren daarachter.

3.1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Amersfoortseweg, in het buitengebied van Uddel. De Amersfoortseweg is een provinciale weg met aan beide kanten een fietspad. Deze weg loopt van Voorthuizen naar Apeldoorn en heeft een goede verbinding met de snelweg A1.

In het plangebied is een agrarisch erf aanwezig. Dit erf ligt op enige afstand van de Amersfoortseweg, circa 100 meter. Aan de zuidzijde grenst het erf aan een bosperceel. Voor het overige is het erf omgeven door weilanden. Ruimtelijk gezien staat het erf in een open ruimte tussen de laanbeplantingen langs de Amersfoortseweg en het bosperceel ten zuiden van het plangebied.

In het plangebied is een kalverhouderij aanwezig. Bezien vanaf de openbare weg, staat aan de voorzijde een eenvoudige bedrijfswoning met daarachter de stallen en andere bedrijfsbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0006.png"

Luchtfoto plangebied

3.2 Nieuwe situatie

3.2.1 Functie

Het voornemen is de kalverhouderij in het plangebied uit te breiden. Daartoe worden de aanwezige stallen te vervangen door twee nieuwe stallen. Het aantal kalveren zal daarmee groeien van circa 450 kalveren naar 1450 kalveren. Door toepassing van een moderner stalsysteem kan bedrijfsuitbreiding worden gerealiseerd zonder dat geurnormen en het reeds geldende ammoniakplafond ter plaatse worden overschreden. Tegelijkertijd houdt het voornemen in dat de landschappelijke inpassing van het erf aanmerkelijk wordt verbeterd.

Het huidige, ruimtelijke kader voor de locatie wordt gevormd door bestemmingsplan Agrarische Enclave uit 2013. Dit plan gaat uit van een dubbeldoelstelling. Enerzijds is de inzet om een duurzame ontwikkeling van de agrarische bedrijven in het gebied, inclusief de intensieve veehouderijen, te ondersteunen. Anderszijds is het streven de schat aan landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden in het gebied te behouden en te versterken. De beoogde bedrijfsuitbreiding sluit goed aan bij deze dubbeldoelstelling. Het voornemen houdt in dat de geldende, agrarische bouwmogelijkheden worden ingevuld met een agrarisch gebruik dat binnen het reeds geldende ammoniakplafond zal blijven.

3.2.2 Beeldkwaliteitplan Agrarische Enclave

In het beeldskwaliteitsplan van de gemeente Apeldoorn wordt het gebied waar in het plangebied ligt beschreven als ‘kamerstructuren’. Het gebied wordt gekenmerkt door de beplanting langs wegen, paden en zo mogelijk kavelgrenzen, hierdoor ontstaan als het ware ‘kamers’. Door de kamers wordt dit landschap geordend en krijgt het weer samenhang. Een van de opgaven opgenomen in het beeldskwaliteitsplan voor dit gebied is; Nieuwbouw koppelen aan de groenstructuren van de kamers. In het beeldskwaliteitsplan worden daarvoor een aantal handreikingen gedaan. Hieronder staan ze beschreven:

  • Houd het erf compact.
  • Plant weg- en hier en daar ook kavelgrensbeplantingen aan.
  • Koppel nieuwbouw aan de groenstructuren van de ‘kamers’.
  • Oriënteer nieuwe bebouwing haaks of parallel op de weg, aansluitend op het rationele verkavelingspatroon en houd afstand tot de weg.
  • Probeer met erfbeplanting ook een bijdrage te leveren aan versterking van kavel grensbeplanting door houtwallen, -singels of bomenrijen aan te leggen op kavelgrenzen. Verrijk het erf met een of meerdere bomen.
  • Wanneer lijnvormige erfbeplanting, bijvoorbeeld houtwallen of -singels, worden toegevoegd: maak het los van de bebouwing. Zorg dat het zowel in hoogte, afstand en lengte een op zichzelf staand element wordt. Dus niet pal tegen en met dezelfde lengte als een schuur.
  • Zorg dat het erf en de bebouwing her en der zichtbaar blijft tussen de erfbeplanting door.
  • Bijgebouwen liggen overwegend aan de achterzijde van het hoofdgebouw.
  • Bijgebouwen liggen los van het hoofdgebouw.
  • Gebruik streekeigen erfbeplanting.
3.2.3 Nieuwe bebouwing

In de nieuwe situatie blijven de bedrijfswoning en de twee gebouwen die daar direct achter staan behouden. De andere gebouwen zullen worden verwijderd. Hiermee ontstaat, binnen het bestaande agrarische bouwvlak, ruimte voor de twee nieuwe stallen. Deze twee nieuwe stallen zullen direct achter de te behouden gebouwen worden gepositioneerd. De twee nieuwe stallen zullen worden geschakeld en zullen qua lengterichting parallel aan de Amersfoortseweg worden geplaatst. De ontsluiting van het erf blijft ongewijzigd. via een erftoegangsweg is het erf aangesloten op de Amersfoortseweg.

3.2.4 Landschappelijke inpassing

De initiatiefnemer wil de bedrijfsuitbreiding aangrijpen, om tot een stevige, landschappelijke inpassing van het erf te komen. Hiertoe heeft hij een inrichtingsplan laten opstellen. Dit inrichtingsplan gaat uit van het aanbrengen van 11,5 meter brede groensingels langs de oost- en westzijde van het erf. De singel langs de oostzijde wordt daarbij doorgetrokken tot aan de Amersfoortseweg. De nieuwe stallen zullen zo gedeeltelijk aan het zicht onttrokken worden. Tegelijkertijd wordt de kamerstructuur van het landschap versterkt. Aanvullend zullen aan de voorzijde van het erf hagen, struweel, een hoogstamboomgaard en een notengaard worden aangebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1303-ont1_0007.png"

Inrichtingsplan

4 UITVOERBAARHEID

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. Ook als de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging is daarmee de geschiktheid voldoende aangetoond. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Onderhavig plan voorziet niet in nieuwe gebouwen waar mensen structureel twee uur per dag verblijven. Bodemonderzoek is daarom niet nodig.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Onderhavige ontwikkeling voorziet alleen in een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van een reeds bestaande, milieubelastende functie. Daarom is alleen sprake van uitwaartse zonering. Voor het geuraspect volgen de aan te houden afstanden voor het bedrijf in het plangebied uit de Wet geurhinder en veehouderij. Van de andere aspecten is geluid het maatgevende aspect. Daarvoor geldt een aan te houden afstand van 50 meter. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan. Voor woningen en andere, geurgevoelige objecten in de omgeving is een geuronderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de maximale geurnorm, 14 OuE/m³, niet wordt overschreden voor die objecten en dat sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat in de geurgevoelige objecten in de omgeving. Het onderzoek naar de bestaande situatie vormt bijlage 1. De nieuwe situatie is onderzocht in bijlage 2. In bijlage 3 is de achtergrondbelasting bepaald. Milieuzoneringen staan de uitvoerbaarheid van dit plan dan ook niet in de weg.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen; de Amersfoortseweg en de Kruisseltseweg. Derhalve wordt alleen wegverkeerslawaai beschouwd. Onderhavig plan voorziet echter niet in nieuwe, geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de nieuwe bebouwing door omliggende infrastructuur is derhalve niet noodzakelijk. Dit bestemmingsplan leidt niet tot een hoorbare verkeerstoename bij de omliggende bestaande woningen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Met het verspreidingsmodel ISL3a is de belasting als gevolg van fijn stof op de directe omgeving bepaald. Geconcludeerd kan worden dat de geldende normen worden gerespecteerd. De gemaakte berekeningen vormen bijlagen 4 en 5 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

Nota Milieu veiligheid

In december 2011 is de Nota Milieuveiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze nota is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

In de nota is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd.

Onderzoeksresultaten

Stationaire bronnen

Nabij het plangebied zijn geen stationaire risicobron gelegen.

Mobiele bronnen

Nabij het plangebied is één mobiele risicobron gelegen te weten de provinciale weg N344/N310 (Amersfoortseweg). Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N344/N310 is dermate beperkt dat er geen significante EV risico's zijn rond deze weg, zo blijkt uit de milieunota externe veiligheid gemeente Apeldoorn. Derhalve vormt de N344/N310 geen belemmering in het kader van externe veiligheid.

Conclusies

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico levert geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Groepsrisico

Het groepsrisico levert geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.1.1 tot en met 4.1.7. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

De ontwikkelingen in dit bestemmingsplan betreffen een vervanging van bestaande schuren en verhardingen door nieuwe stallen. De toename van de hoeveelheid verharding is beperkt. Vanaf het perceel wordt geen regenwater afgevoerd naar omliggend gebied.

Om deze reden is geen vooroverleg geweest met het waterschap (als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) en beperkt deze waterparagraaf zich tot het benoemen van algemene regels.

4.2.2 Grondwater

Nieuwe ontwikkelingen zullen grondwaterneutraal worden ontwikkeld. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. =

4.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In en om het plangebied is geen oppervlaktewater of waterafhankelijke natuur aanwezig. De voorziene ontwikkelingen hebben hier dan ook geen effect op.

4.2.4 Afvoer van hemelwater

Het plangebied ligt in het buitengebied van gemeente Apeldoorn, hier is overwegend druk- en/of vacuümriolering aanwezig. Dit systeem is aangelegd voor de inzameling van afvalwater en niet toegerust op de afvoer van regenwater. In de APV is dan vastgelegd dat regenwater in het buitengebied niet mag worden aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem.

Regenwater dient op de eigen kavel te worden verwerkt. In de Bouwverordening is bepaald dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

4.2.5 Afvoer van afvalwater

Nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van huishoudelijk afvalwater van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke drukrioolstelsel.

4.3 Natuurwaarden

4.3.1 Kader

Bescherming van natuur vindt plaats via de Wet Natuurbescherming. Binnen deze wet zijn zowel soort- als gebiedsbescherming geregeld, evenals de bescherming van houtopstanden. Daarnaast kan de bescherming van natuur aan de orde wezen wegens de ligging binnen het Gelders NatuurNetwerk (provinciale Omgevingsverordening).

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Voor onderhavig bestemmingsplan is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is bijlage 6 van de Wijzigingsbevoegdheid. Uit het onderzoek blijkt dat in en rond het plangebied geen beschermde natuur aanwezig is die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg kan staan.

4.4 Cultuurhistorie

I-cultuur

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De bestaande kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij deze nota horen een archeologische en cultuurhistorische beleidskaart.

4.4.1 Archeologie

Archeologische beleidskaart

De gemeenteraad heeft op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld. Op deze beleidskaart is voor het hele grondgebied van de gemeente Apeldoorn aangegeven hoe groot de kans op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten is.

Voor het plangebied geldt volgens de Archeologische beleidskaart de categorie 4; een zone met (middel)hoge archeologische verwachting. Aan een dergelijke zone hangt specifiek beleid met betrekking tot een onderzoeksplicht. Voor categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 35 cm en groter dan 500 m2.

Archeologisch onderzoek

Voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied is dan ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit had de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, uitgevoerd door ADC Archeoprojecten in november 2016. Het onderzoek vormt bijlage 7 van de BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING. Hieruit volgden de volgende conclusies en aanbevelingen.

Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied is gelegen op een smeltwaterterras tussen de stuwwal van Garderen in het westen en de Oost-Veluwe stuwwal in het oosten. De ondergrond is opgebouwd uit smeltwaterafzettingen en dekzand. Op grond van de ouderdom van deze afzettingen moet in het plangebied rekening worden gehouden met archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum. Bekende archeologische gegevens wijzen met name vindplaatsen uit de periode Laat-Neolithicum – Bronstijd. Resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum zullen zich manifesteren in de vorm van vuursteen- en houtskoolconcentraties. Resten vanaf het Neolithicum zullen zich manifesteren in de vorm van een cultuurlaag, een omgewerkte laag onder(in) de humushoudende bovengrond met daarin aardewerkscherven en houtskool. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Eventuele grondsporen (uitgezonderd diepe paalsporen, waterputten et cetera) zullen zich tot een halve meter in de natuurlijke ondergrond (dekzand- en/of smeltwaterafzettingen) bevinden.

Als gevolg van de landbouwkundig grondgebruik en de aanleg van bebouwing, waarvan het merendeel onderkelderd is, zullen ondiepe sporen zijn verdwenen of zal enkel de basis bewaard zijn gebleven. Op basis de ligging in een voormalig heidegebied, dat vanaf het eerste kwart van de 20ste eeuw in cultuur is gebracht en het ontbreken van oude handelswegen worden geen archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht.

Teneinde deze verwachting te toetsen en waar nodig aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het booronderzoek wijst uit dat de ondiepe ondergrond uit ten dele verspoeld dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel) bestaat. Ter plaatse van de terreindelen die in gebruik zijn als tuin of bouwland zijn resten van holtpodzolgronden gevonden. Door agrarisch grondgebruik (in het verleden) is het bovenste deel van het oorspronkelijke bodemprofiel (Bh-horizont) opgenomen in de humushoudende bovengrond.

Ter plaatse van de bestrate terreindelen is door diepe verstoringen geen sprake van een natuurlijk bodemprofiel. Ook ter plaatse van de bebouwing, waarvan het merendeel onderkelderd is, wordt geen natuurlijk bodemprofiel verwacht.

Op basis van de bodemopbouw moet worden aangenomen dat ondiep ingegraven sporen door de aanleg van bebouwing en agrarische grondbewerking niet meer aanwezig zullen zijn. Enkel de onderkant van dieper ingegraven sporen kunnen nog behouden zijn. Dit geldt uitsluitend voor de terreindelen die als tuin of bouwland in gebruik zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat ter plaatse van de akker geen vondstmateriaal is aangetroffen, dat in verband kan worden gebracht met een vindplaats. De kans op de aanwezigheid van een intacte vindplaats wordt daarom als laag ingeschat. Er is wel kans op het aantreffen van een niet-intacte vindplaats in de terreindelen die als tuin of bouwland in gebruik zijn.

Dit betekent dat in het plangebied buiten het archeologisch onderzoeksgebied en binnen het archeologisch onderzoeksgebied ten oosten van de bebouwde en bestrate terreindelen er bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 35 cm nader archeologisch onderzoek plaats hoort te vinden. In dit geval zou dit er het best uit kunnen zien als een proefsleuvenonderzoek met een mogelijke doorstart naar een opgraving. De wijze waarop dit onderzoek uitgevoerd moet worden, dient verwoord te worden in een archeologisch Programma van Eisen. Als er minder dan 500 m2 wordt verstoord, dan is er geen archeologisch onderzoek nodig.

Omdat er op dit moment nog geen vervolgonderzoek is uitgevoerd, wordt in dit bestemmingsplan een aanduiding opgenomen voor het deel van het plangebied dat in de categorie 4 valt (zones met een (middel)hoge archeologische verwachting.

4.4.2 Cultuurhistorie

Markant zijn de lange lijnen in het landschap, die deels teruggaan op de ontginning van het gebied in de late 19de en eerste helft van de 20ste eeuw. Belangrijke “historische lijnen” zijn hier de Amersfoortseweg (met laan en aangelegen bebouwing) en de haaks hierop liggende verkavelingsstructuren, soms geaccentueerd door groenopstanden. Deze structuur wordt in het inrichtingsplan versterkt door het terugbrengen van een brede houtsingels. In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen.

4.5 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer is op 19 mei 2016 een anterieure overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemers de kosten die gemeente maakt ter uitvoering van zijn initiatief voor hun rekening komen. Alle met deze planwijziging samenhangende kosten komen dus ten laste van de initiatiefnemer. Deze wijziging heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen. Er behoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Amersfoortseweg 271 Uddel is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. In dit bestemmingsplan is slechts sprake van één bestemming.


Agrarisch

Het hele plangebied heeft de bestemming Agrarisch gekregen. Hiermee is de geldende bestemming overgenomen. Vervolgens is die bestemming aangepast om te voorzien in de nieuwe situatie, ontdaan van overbodige onderdelen en op onderdelen gemoderniseerd naar aanleiding van nieuw, gemeentelijk beleid. De belangrijkste wijzigingen betreffen de regeling voor veehouderij in het plangebied. In hoofdzaak gaat het om de volgende zaken:

  • De huidige definities voor grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij uit de provinciale Omgevingsverordening zijn doorvertaald.
  • De beperking voor het aantal dierplaatsen in het plangebied is vervallen. Hiermee wordt het mogelijk de uitbreiding van het bedrijf in het plangebied te realiseren.
  • Voor zowel grondgebonden als niet-grondgebonden geldt de bepaling dat de ammoniakemissie, zoals bestaand aanwezig, niet mag toenemen ten opzichte van de geldende Natuurbeschermingswetvergunning voor het perceel.
  • Middels de aanduiding 'houtsingel' wordt voorzien in de belangrijkste elementen van de voorgenomen landschappelijke inpassing: houtsingels langs de oost- en westzijde van de bedrijfslocatie.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 5.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Lid 5.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, met daarbij enkele uitzondering voor kleine bouwwerken.

In artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. In de leden 6.1 en 6.2 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In de leden 6.1.2 en 6.2.3 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

In artikel 11 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 12 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Bepalingen over waarden, milieuzones en andere zones

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.

Archeologie

Conform hetgeen in paragraaf 4.4 beschreven staat, geldt voor een groot deel van het plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor alle vier de categorieën dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 over de wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

overige zone - reliëf

Ter hoogte van de noordelijke plangrens is reliëf aanwezig dat een bijzondere cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt. Middels de aanduiding 'overige zone - reliëf' wordt dit van bescherming voorzien.

5.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 INSPRAAK EN OVERLEG

6.1 Informatiebijeenkomsten

Op 29 maart 2017 heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst georganiseerd voor de omwonenden. Toen is het inrichtingsplan en het bouwplan getoond. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is de ventilatierichting van de nieuw te bouwen stallen omgedraaid zodat de emmissiepunten ter hoogte van de westgevels komen te liggen in plaats van bij de oostgevels. Doel hiervan is de geurbelasting op de dichtsbijzijnde burgerwoningen verder af te laten nemen, nog verder onder de maximale geurnorm dan met het aanvankelijke bouwplan.

Vervolgens heeft de initiatiefnemer op 12 april 2017 een tweede informatiebijeenkomst georganiseerd voor de omwonenden. Hij heeft toen een andere agrarische bedrijfslocatie in de gemeente Barneveld laten zien die vergelijkbaar is met de situatie die initiatiefnemer in het plangebied voor ogen heeft. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is het inrichtingsplan aangepast. De beide, nieuwe groensingels zijn verbreed met een extra plantrij en aan de voorzijde van het erf zijn twee stroken met struweel toegevoegd.

6.2 Inspraak

Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde heeft geen voorontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen.

6.3 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het concept van dit bestemmingsplan is toegezonden aan de provincie Gelderland. Daarop is geen reactie ontvangen. De reactie van het Waterschap en de beantwoording zijn opgenomen in paragraaf 4.2 Waterhuishouding.

6.4 Totstandkoming plan

P.M.