direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Musschenbroekstraat 13-19
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1288-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Musschenbroekstraat 13-19

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Op 16 juni 2011 heeft de gemeenteraad bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt vastgesteld. Dit bestemmingsplan verving het voorheen geldende bestemmingsplan Kerschoten.

Doel van bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt was om op twee locaties de transformatie van een wat verouderd gemengd gebied naar een stedelijk woongebied mogelijk te maken en om voor de rest van het plangebied de bestaande situatie positief te bestemmen en in principe het voorheen geldende recht over te nemen.

Voor het perceel Musschenbroekstraat 13-19 is het positief bestemmen van de bestaande situatie en het overnemen van het geldende recht niet juist uitgevoerd. De bestemming is heel beperkt gekozen, er is geen aanduiding bedrijfswoning toegevoegd en de bouwvlakken zijn strak om de bestaande bebouwing gelegd met een lagere goot- en bouwhoogte dan in het daarvoor geldende bestemmingsplan. Daardoor zijn de dansschool en bijbehorende twee bedrijfswoningen, die al jaren op het perceel aanwezig zijn, onder het overgangsrecht gebracht en zijn de mogelijkheden om de bebouwing uit te breiden wegbestemd. Dit alles is onbedoeld gebeurd.

Doel van het onderhavige bestemmingsplan Musschenbroekstraat 13-19 is om de mogelijkheden die bestemmingsplan Kerschoten bood terug te brengen.

1.2 Ligging en begrenzing

De Musschenbroekstraat ligt in de wijk Kerschoten in Apeldoorn Noord. Het plangebied grenst direct aan de Edisonlaan, onderdeel van de ring.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0001.jpg"

Ligging plangebied in de stad

1.3 Werkwijze en opzet van de toelichting

In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt een beschrijving gegeven van de feitelijk aanwezige situatie van het plangebied en zijn omgeving. Daarna wordt de juridisch-planologische regeling van beide voorgaande bestemmingsplannen beschreven. In hoofdstuk 3 wordt, voor zover nodig, de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Hoofdstuk 4 tot slot geeft een toelichting op de juridische planopzet: welke bestemmingen et cetera zijn gekozen en hoe moeten ze worden uitgelegd en toegepast?

2 SITUATIESCHETS: FEITELIJK EN PLANOLOGISCH

2.1 Huidige situatie plangebied en omgeving

De Musschenbroekstraat ligt in Apeldoorn Noord, in de wijk Kerschoten. De Musschenbroekstraat ligt in het overgangsgebied tussen bedrijventerrein De Vlijt en het woongebied van Kerschoten. In dit overgangsgebied bevinden zich onderwijsinstellingen, een kerk, een tennishal met buitenbanen, sportvelden en de dansschool die onderwerp van dit bestemmingsplan is. De dansschool ligt tussen de tennishal en een van de onderwijsinstellingen in.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0002.png"

Ligging plangebied in de directe omgeving, geprojecteerd op de luchtfoto

Op zeer korte afstand van de Musschenbroekstraat ligt de Edisonlaan. Deze is vanaf de Musschenbroekstraat via de Boerhaavestraat te bereiken. De Edisonlaan is onderdeel van de Ring, een van de hoofdwegen van de stad. Aan de Boerhaavestraat ligt, op een paar minuten lopen van de dansschool, een bushalte. De Edisonlaan en de eveneens nabij gelegen Vlijtseweg zijn onderdeel van het primaire fietsnet van Apeldoorn. Het plangebied is derhalve met alle vervoermiddelen goed bereikbaar.

Parkeergelegenheid is er op het perceel van de dansschool zelf en op het parkeerterrein aan de Musschenbroekstraat.

De dansschool is gevestigd in twee gebouwen. In ieder gebouw bevindt zich een bedrijfswoning zodat er op het perceel twee bedrijfswoningen aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0003.png"

2.2 Planologische situatie voorgaande bestemmingsplannen

2.2.1 Bestemmingsplan Kerschoten

In bestemmingsplan Kerschoten, dat in 1978 is vastgesteld en in 1981 onherroepelijk is geworden, had het perceel Musschenbroekstraat 13-19 de bestemming Bijzondere Doeleinden. Het maakte deel uit van een wat groter gebied met diezelfde bestemming, waarop een ruim bouwvlak was aangegeven waarvan 70% bebouwd mocht worden; gebouwen mochten een goot- en een bouwhoogte van 10 meter hebben. Gronden met de bestemming Bijzondere Doeleinden mochten worden gebruikt voor instellingen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, verenigingsleven, religie, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie en gezondheidszorg, met de bijbehorende bouwwerken waaronder een dienstwoning.

2.2.2 Bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt

In bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt heeft het grootste deel van perceel Musschenbroekstraat 13-19 de bestemming Maatschappelijk gekregen. Grond met die bestemming mag worden gebruikt voor maatschappelijke voorzieningen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen. Op deze lijst staan de volgende functies:

Apotheken   Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs  
Openbaar bestuur (kantoren e.d.)   Ziekenhuizen  
Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven   Verpleeghuizen  
Consultatiebureaus   Jeugd-, kinder- en naschoolse opvang  
Bibliotheken   Kerkgebouwen e.d.  
Uitvaartcentra   Buurt- en clubhuizen  
Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs    

Een deel van de gebruiksfuncties die bestemmingsplan Kerschoten toeliet, waaronder ook de functie dansschool, is wegbestemd. De dansschool is daardoor onder het overgangsrecht gebracht.

Op het perceel is een bedrijfswoning niet toegestaan. Een bedrijfswoning is op grond van de regels van bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt namelijk uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfwoning'; op het perceel komt die aanduiding niet voor. Beide bedrijfswoningen vallen daardoor onder het overgangsrecht.

Strak om de bestaande bebouwing zijn twee bouwvlakken gelegd, die volledig bebouwd mogen worden. De goot- en bouwhoogte van gebouwen binnen die bouwvlakken mogen ten hoogste 6 respectievelijk 8 meter bedragen. De uitbreidingsmogelijkheden voor bebouwing die bestemmingsplan Kerschoten bood zijn daarmee wegbestemd.

Een kleine strook van het perceel, die als tuin en als parkeerterrein wordt gebruikt, heeft de bestemming Groen gekregen. Deze bestemming wordt in Apeldoorn doorgaans gebruikt voor openbaar groen, niet voor particuliere grond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0004.png"

Uitsnede plankaart bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt

3 UITVOERBAARHEID

3.1 Algemeen

Het onderhavige bestemmingsplan brengt de bouw- en gebruiksmogelijkheden van bestemmingsplan Kerschoten voor het perceel Musschenbroekstraat 13-19 terug. De uitvoerbaarheid van die mogelijkheden was in dat bestemmingsplan al aangetoond. De ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van het terugbrengen van die mogelijkheden hoeft in dit bestemmingsplan niet meer aangetoond te worden. In dit hoofdstuk wordt dan ook niet ingegaan op de milieukundige, waterhuishoudkundige en natuuraspecten.

In de rest van dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie (paragraaf 3.2), economische en financiële uitvoerbaarheid (paragraaf 3.3) en inspraak en overleg (paragraaf 3.4).

3.2 Archeologie

3.2.1 Archeologische beleidskaart

Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Het betreft de categoriën Terrein met monumentale archeologische waarden, Terrein met vastgestelde archeologische waarden en Terrein met archeologische waarden. Daarnaast zijn er drie categorieën zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. Het betreft de categorieën Zone met (middel)hoge archeologische verwachting, Zone met lage archeologische verwachting en Zone met geen archeologische verwachting.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

3.2.2 Onderzoeksresultaat

Het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting, zoals te zien is op de navolgende uitsnede van de archeologische beleidskaart. In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in dit plangebied alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0005.jpg"

Uitsnede archeologische beleidskaart

3.3 Economische en financiële uitvoerbaarheid

Doel van dit bestemmingsplan is het corrigeren van een omissie die in het nu nog geldende bestemmingsplan is gemaakt. Zoals in paragraaf 3.1 al is aangegeven hoeven de ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid daarvan niet meer aangetoond te worden. De kosten van het maken van het onderhavige bestemmingsplan neemt de gemeente voor haar rekening. Er is geen sprake van verhaalbare kosten van grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.2.4 Besluit ruimtelijke ordening. Daardoor doet zich de uitzondering van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening jo artikel 6.2.1a Besluit ruimtelijke ordening voor en is het niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen.

3.4 Inspraak en overleg

Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde heeft de gemeente geen gelegenheid geboden om een inspraakreactie op het bestemmingsplan in te dienen. Aangezien geen inspraak wordt verleend, is ook afgezien van vooroverleg met de betreffende wijkraad.

Aangezien dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt maar slechts bedoeld is om ten onrechte wegbestemde mogelijkheden terug te brengen, is geen overleg gevoerd met instanties en andere overheden als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

4 JURIDISCHE PLANOPZET

4.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 zijn de bestaande situatie in het plangebied en de juridisch-planologische regeling van beide voorgaande bestemmingsplannen beschreven. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de juridische regeling waarmee de bouw- en gebruiksmogelijkheden van bestemmingsplan Kerschoten weer worden teruggebracht. In paragraaf 4.2 worden het doel en het karakter van dit bestemmingsplan weergegeven. Paragraaf 4.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart besproken. Aangegeven wordt hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 4.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

4.2 Doel en karakter bestemmingsplan

Doel van bestemmingsplan Musschenbroekstraat 13-19 is het terugbrengen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bestemmingsplan Kerschoten wel kende maar die per abuis in bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt zijn wegbestemd. De bestaande gebouwen en de dansschool én de nog niet gebruikte uitbreidingsmogelijkheden voor de bebouwing en de niet benutte mogelijheden voor andere functies dan een dansschool zijn in het onderhavige bestemmingsplan vastgelegd en voorzien van een actuele regeling.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

4.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

4.3.1 Gemengd

De grond in het plangebied met de bestemming 'Gemengd' mag worden gebruikt voor maatschappelijke voorzieningen en voor cultuur en ontspanning. In de regels wordt voor de toegelaten voorzieningen verwezen naar de Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen en de Lijst van toegelaten vormen van cultuur en ontspanning die in de bijlagen bij de regels zijn opgenomen. Ook is toegestaan de bij de cultuur en ontspanning behorende en daaraan ondergeschikte horeca. In de navolgende tabel zijn de toegelaten gebruiksvormen opgenomen:

Toegelagen maatschappelijke voorzieningen:    
Apotheken   Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs  
Openbaar bestuur (kantoren e.d.)   Ziekenhuizen  
Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven   Verpleeghuizen  
Consultatiebureaus   Jeugd-, kinder- en naschoolse opvang  
Bibliotheken   Kerkgebouwen e.d.  
Uitvaartcentra   Buurt- en clubhuizen  
Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs    
   
Toegelaten vormen van vultuur en ontspanning    
Musea en ateliers   Muziek-, dans- en balletscholen  
Studio's (film, TV, radio, geluid)   Bowlingcentra  
Bioscopen   Badhuizen en saunabaden  
Theaters, schouwburgen, concertgebouwen, evenementenhallen    

Door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels kunnen ook maatschappelijke voorzieningen en vormen van cultuur en ontspanning die niet voorkomen op de Lijsten en functies uit een hogere categorie dan bij recht is toegestaan worden toegelaten, mits ze naar aard en invloed op hun omgeving vergelijkbaar zijn met de bij recht toegestane functies. Bij de toetsing kan worden bezien of de benodigde hinderbeperkende maatregelen mogelijk zijn. Criterium voor het afwijken is dat geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan.

Bouwwerken moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op het perceelsgedeelte met de bestemming 'Gemengd' is een vrij ruim bouwvlak opgenomen waarvan ten hoogste 85% bebouwd mag worden. Op de afbeelding hierna is de ligging van het bouwvlak te zien. Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een bebouwingsschema opgenomen. De maximale bouwhoogte van gebouwen op het perceel bedraagt 10 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1288-ont1_0006.png"

Weergave van de plankaart. Het bouwvlak is met dikke zwarte lijn begrensd.

Op het perceel zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. Bij recht is het gebruik van de bedrijfswoningen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

De regels voor deze bestemming staan in artikel 3 Gemengd.

4.3.2 Groen

De strook openbaar groen tussen het perceel Musschenbroekstraat 13-19 en de rijbaan van de Edisonlaan heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen, nuts- en speelvoorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten. De bouwhoogte van speel- en klimtoestellen mag bij recht niet meer dan 4 meter bedragen. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor speel- en klimtoestellen tot een hoogte van 6 meter.

De regels voor deze bestemming staan in artikel 4 Groen.

4.3.3 Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

4.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

4.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Aangezien de bestaande bebouwing met plat dak is afgedekt en ook (een hogere) platte afdekking is toegestaan, is geen afdekbepaling (verplichting om gebouwen van een kap te voorzien) opgenomen.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In lid 7.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 7.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling is noodzakelijk voor vormen van gebruik die onwenselijk zijn en waarvoor het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid biedt daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen; de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is derhalve niet van toepassing.

In artikel 11 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 12 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

4.4.2 Parkeren

Door een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn op 29 november 2014 de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. De stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening waren in Apeldoorn overwegend nog van belang vanwege de koppeling met de parkeernormen. Door het vervallen van deze bepalingen moet, daar waar het aanwezig zijn van voldoende ruimte voor het parkeren van auto's in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig is, in het bestemmingsplan een regeling voor het parkeren worden opgenomen.

In dit bestemmingsplan is in de Algemene gebruiksregels van artikel 7 in lid 7.3 een Gebruiksregel parkeren opgenomen. Hierin is bepaald dat gebruik van gronden en bouwwerken zonder dat op de eigen kavel of in het openbaar gebied voldoende ruimte voor het parkeren van auto's aanwezig is, geldt als gebruik in strijd met de bestemming. Verder is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, uitbreiden en/of het wijzigen van het gebruik alleen wordt verleend als wordt aangetoond dat er op de eigen kavel of in het openbaar gebied voldoende ruimte voor het parkeren van auto's aanwezig is. In de Algemene afwijkingsregels van artikel 9 is in lid 9.2 de bevoegdheid opgenomen om van deze parkeerbepalingen af te wijken wanneer het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of als op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

De uitleg bij de uitoefening van deze bevoegdheden wordt, zoals op grond van artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro mogelijk is, afhankelijk gesteld van de beleidsregel over de toepassing van die bevoegdheid. Het gaat dan om de beleidsregel die op het moment van uitoefening van die bevoegdheid geldig is.

Als uitwerking van deze algemene parkeerregel wordt een beleidsregel opgesteld die uitleg geeft over de toepassing hiervan. Deze beleidsregel zal de op 24 juni 2004 vastgestelde notitie 'Actualisatie Parkeernota' vervangen. Tot dat moment zal de geldende parkeernota, die als bijlage aan de regels van het bestemmingsplan is toegevoegd, deze rol vervullen. Ter verduidelijking hiervan wordt opgemerkt dat, conform de vaste beleidslijn hierin, eventuele historische parkeertekorten worden betrokken bij de toetsing of er voldoende parkeerruimte is. Het gestelde over parkeren in de op 9 juli 2009 vastgestelde Verkeersvisie 2010-2020 (paragraaf 4.4) betreft een nadere uitleg van de notitie 'Actualisatie Parkeernota' en vormt dan ook onderdeel van de toetsing.

4.4.3 Regeling archeologie

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende archeologische verwachtingswaarde opgenomen.

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

Zoals in paragraaf 3.2.2 is aangegeven ligt het plangebied in een gebied dat op de archeologische beleidskaart is aangemerkt als Zone met lage archeologische verwachting. Daarom heeft het plangebied de aanduiding 'overige zone – lage archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakte en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 Wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In artikel 1 Begrippen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

4.4.4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.