direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Kuiltjesweg 44 Beekbergen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1256-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Kuiltjesweg 44 Beekbergen

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Het recreatiepark Beekbergen is een bestaand recreatiebedrijf en is gelegen ten zuiden van de kern Beekbergen aan de Arnhemseweg. Het plangebied omvat de uitbreiding van recreatiepark Beekbergen, gelegen aan de Kuiltjesweg 44 in Beekbergen. De camping is ingericht op een perceel van 2.75 ha en bestaat uit 79 standplaatsen, 4 toeristische plaatsen en 3 recreatiewoningen.

Het recreatiepark heeft verzocht om planologische medewerking aan de uitbreiding van het bedrijf met ca 3,1 ha voor de realisering van 90 kampeermiddelen en een kantoorgebouwtje/ receptie. Uitvoering van dit verzoek was afhankelijk van het beschikbaar komen van ontwikkelingsruimte vanuit het groei- en krimpbeleid van de provincie. Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland hebben in november 2011 goedkeuring verleend aan de tweede groei en krimp tender, waardoor een aantal Apeldoornse ondernemers uitbreidingshectares toegewezen hebben gekregen. Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is herziening van het bestemmingsplan aan de orde.

1.2 Ligging en begrenzing

Het recreatiebedrijf is gelegen ten zuiden van de kern Beekbergen en tussen de provinciale Arnhemseweg en de A50.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0001.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0002.png"

1.3 Werkwijze en opzet van de toelichting

In het volgende hoofdstuk wordt kort het relevante beleidskader beschreven ten aanzien van de recreatie. In hoofdstuk 3 wordt de uitbreiding van het recreatiebedrijf toegelicht.

2 BELEIDSKADER

2.1 Streekplan Gelderland

In het Streekplan Gelderland, tevens Structuurvisie, is het recreatieterrein aangeduid als 'recreatiecluster (groei krimp)'. Dit duidt op groei- en krimp van verblijfsrecreatie op het Veluwemassief. Ten aanzien van de mogelijke ontwikkelingen van verblijfsrecreatie op het Veluwemassief (in het Reconstructieplan Veluwe Centraal Veluws Natuurgebied (CVN) genoemd) geldt een specifiek beleid, te weten het Groei- en krimp-scenario, zoals ontwikkeld in het kader van de nota Veluwe 2010 en uitgewerkt in het Reconstructieplan Veluwe.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0003.png" Uitsnede kaart Ruimtelijke Ontwikkeling, Streekplan Gelderland

Het Groei- en krimpscenario gaat uit van een betere ruimtelijke afstemming op het Veluwemassief van recreatie en natuur om zo een kwaliteitsslag voor beide te kunnen maken. Hoofdlijn van dit scenario is het enerzijds groei (ontwikkelingsmogelijkheden) toestaan aan recreatiebedrijven op vanuit natuuroverwegingen minder kwetsbare plekken en anderzijds krimp (saneren) van recreatiebedrijven, die vanuit natuuroverwegingen ongunstig gelegen zijn.


Het Groei- en krimpscenario gaat uit van de volgende inhoudelijke hoofdlijnen:

  • groei en krimp houden elkaar in evenwicht; het Groei- en krimpscenario leidt per saldo tot nul-groei in hectare verblijfsrecreatie op het Veluwemassief;
  • groei vindt plaats binnen de aangegeven zoekgebieden voor recreatieclusters van bedrijven (zie themakaart 25 ‘Recreatie’ en beleidskaart ‘ruimtelijke ontwikkeling’);
  • voorwaarde is dat de betreffende uitbreiding of omzetting past in de ontwikkelingsvisie die voor het gehele zoekgebied is opgesteld;
  • groei wordt ingezet voor toeristische verblijfsrecreatie, d.w.z. voor verblijfsrecreatie, waarbij sprake is van een toeristische verhuur van overnachtingseenheden (tenten, toer- en stacaravans, recreatiebungalows) onder een bedrijfsmatige exploitatie van de terreinen;
  • groei wordt ingezet ten behoeve van kwaliteitsverbetering van de bedrijven; deze verbetering heeft zowel betrekking op de bedrijven zelf, als op de omgeving en de aanwezige natuur;
  • terreinen, waar permanente bewoning plaatsvindt, worden uitgesloten van groei; dergelijke terreinen komen alleen nog in aanmerking voor mogelijke ontwikkelingskansen, wanneer gegarandeerd is, dat de permanente bewoning is beëindigd;
  • krimp wordt in eerste instantie gezocht in de in het scenario aangegeven solitaire bedrijven;
  • krimp vindt plaats hetzij via sanering van bedrijven, hetzij via uitplaatsing naar de aan de Veluwe grenzende gebieden. In beginsel vindt dit plaats op basis van vrijwilligheid en goed overleg met de betrokken ondernemers. In krimpgebied worden de planologische rest- en omwisselcapaciteiten gesaneerd;
  • in het kader van het Groei- en krimpscenario is sprake van een specifieke toepassing van het regime van bos- en natuurcompensatie. Daarbij vindt de fysieke compensatie voor de groei plaats in de vorm van realisering van de krimplocaties; hierbij wordt uitgegaan van 100% compensatie, in plaats van de gebruikelijke 120, 130 of 140%.


Om de kwalitatief best mogelijke invulling te realiseren is voor elk van de zoekgebieden recreatieclusters op gemeentelijk niveau een ontwikkelingsvisie gemaakt.

Om Veluwebreed een zorgvuldige afweging mogelijk te maken heeft de provincie een streekplanuitwerking opgesteld als kader voor de gemeentelijke visies.

2.1.1 Streekplanuitwerking Groei & Krimp

Op de Veluwe worden 15 recreatieclusters onderscheiden die de status ‘zoekgebied’ hebben. Binnen deze zoekgebieden kan middels wijziging van het bestemmingsplan ruimte beschikbaar komen als middel om verblijfsrecreatie op een gezonde en duurzame wijze te ontwikkelen.


De groei in recreatieclusters is aan voorwaarden gebonden. Voorkomen moet worden dat de kernwaarden van het toeristisch-recreatieve product (i.c. de bijzondere, groene omgeving van de Veluwe) worden gemarginaliseerd. Gemeenten hebben voor de zoekgebieden recreatieclusters visies opgesteld, om een balans te vinden tussen het behouden van de kernwaarden en het scheppen van ontwikkelingsmogelijkheden voor de verblijfsrecreatie. Deze zogenaamde clustervisies vormen een leidraad en eerste toetsingskader op lokaal niveau.

De clustervisie Beekbergen is in 2008 opgesteld. In deze visie zijn vanuit het project “Groei en krimp” de kaders gezet voor mogelijke uitbreidingen en herstructurering van recreatieterreinen in de cluster. Concrete en kwaliteitsrijke ontwikkelingsplannen die worden ingediend moeten voldoen aan de kaders van de clustervisie. Daadwerkelijke uitbreidingen en herstructurering van recreatieterreinen kunnen immers alleen worden gerealiseerd indien er goed onderbouwde plannen door de ondernemers worden ingediend. Mede op basis van deze visie is voor recreatiepark Beekbergen uitbreidingsruimte binnen het provinciale tendersysteem toegekend. Eveneens hebben Gedeputeerde Staten voor de uitbreiding van het recreatiepark Beekbergen een vergunning krachtens de natuurbeschermingswet afgegeven.

2.2 Provinciale Omgevingsvisie

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Gelderland de provinciale omgevingsvisie vastgesteld. Deze visie komt in de plaats van het streekplan Gelderland.
De provincie wil door kwaliteitsverbetering van het toeristisch product haar landelijk marktaandeel vergroten. Uitbreiding van bedrijven of nieuwvestiging in de recreatiesector hoeft echter niet te leiden tot overcapaciteit op provinciaal niveau. Het kan zelfs leiden tot verbetering van het totale aanbod doordat bestaande bedrijven meeprofiteren van extra kwalitatief goede activiteiten. Beter dan de provincie kennen ondernemers de markt. Zij kunnen hierop inspelen en bepalen welke activiteiten zij uit moeten voeren.

De provincie ondersteunt het bedrijfsleven. Recreatiebedrijven die voor een procedure bij de provincie moeten zijn, gaat de provincie ondersteunen door:

  • het begeleiden van de aanvraag voor de ontwikkelambitie van het bedrijf;
  • het aanreiken van kennis en informatie voor bijvoorbeeld de invulling van compensatie (zie hiervoor bijvoorbeeld ook de randvoorwaarden en doelen bij 'Hoofdstuk 4 Verdieping Mooi Gld');
  • het inzetten van compensatiepools voor natuurcompensatie bij de ontwikkeling van de toeristische bedrijven;
  • het bijhouden van een saldoboekhouding (kwantitatief in hectares en voor de natuurkwaliteitenbalans);
  • de planologische regeling;
  • het verlenen van een Nbwet- en Boswetvergunning (een bevoegdheid van de provincie).

2.3 Verordening Ruimte Gelderland

In de Verordening Ruimte van de provincie Gelderland is het plangebied op de kaart Recreatie aangegeven als 'Recreatieparken Veluwe' . Hiervoor geldt dat op de Veluwe uitbreiding kan worden toegestaan, indien deze uitbreiding zijn grondslag vindt in de "groei- en krimpbenadering" zoals weergegeven in de streekplanuitwerking Groei en Krimp.

Op 24 september 2014 hebben provinciale Staten een nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Provinciale Verordening is daarmee in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.

2.4 Regionale structuurvisie

Een belangrijk leidend kader voor de ontwikkeling van toerisme en recreatie wordt
geboden door “Veluwe 2010”, waarin een duurzame evenwichtige ontwikkeling van
ecologie en economie wordt nagestreefd. Het Centraal Veluws Natuurgebied (CVN) zal zich daarbij gaan ontwikkelen tot een groot aaneengesloten waardevol natuur­, cultuur­ en boslandschap met zo min mogelijk barrières voor mens en dier. Daarbinnen moeten uitstekende, moderne recreatievoorzieningen een plek kunnen vinden. Voor de Stedendriehoek is met name van belang de wens om meer samenhang te realiseren tussen het CVN en de omgeving door de ontwikkeling van ecologische poorten naar de uiterwaarden, beekdalen en kwelgebieden. Hiervoor zijn Strategische Actie­gebieden aangewezen. Er is in beginsel alleen plek voor grondgebonden landbouw, met kansen voor agrotoerisme, agrarisch natuurbeheer, biologische landbouw en Veluwse streekproducten.

2.5 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte vastgesteld. In deze visie wordt het belang van toeristische vernieuwing en de positie van Apeldoorn met de campings, bungalowparken en atracties als belangrijk concentratiepunt binnen de Veluwe beschreven. Daarnaast biedt De Veluwe het hoogst gewaardeerde landschap van Nederland. Er wordt gestreefd om het toeristische aanbod op de Veluwe bij de tijd houden en de kwaliteit ervan te verhogen. In deze structuurvisie wordt daarom ingezet op

  • a. het vernieuwen en verbreden van het aanbod aan toeristisch recreatieve voorzieningen en verblijfsaccommodatie:
  • b. het versterken van de samenhang tussen de aangeboden toeristisch recreatieve
    voorzieningen (arrangementen), ook in regionaal verband (Veluwe, Stedendriehoek).

2.6 Notitie speelruimte verblijfsrecreatie

De gemeente Apeldoorn heeft de Notitie speelruimte verblijfsrecreatie vastgesteld. Doel van de notitie is het bieden van speelruimte voor een duurzame ontwikkeling van verschillende kampeervormen en -terreinen binnen de gemeente Apeldoorn. Hierbij wordt ruimte geboden aan nieuwe initiatieven vanuit de ondernemers zelf waarbij flexibiliteit mogelijk wordt gemaakt binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening. Binnen de verblijfsrecreatieve bestemming heeft de ondernemer naar keuze in te richten met tenten, tourcaravans, sta-caravans en trekkershutten (geen zomerhuisjes).

2.7 Instemming provincie

Bij brief van 10 november 2011 heeft de provincie de uitslag van de groeitender groei en krimp 2011 medegedeeld en aangegeven welke ingediende groeiplannen door de provincie positief zijn beoordeeld. Hierin is recreatiepark Beekbergen meegenomen evenals enkele andere bedrijven. Deze terreinen zijn meegenomen in de uitgevoerde natuurtoets. Zie Bijlage 1 natuurtoets groei en krimp. Inmiddels is door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 2014 een vergunning krachtens de natuurbeschermingswet afgegeven. Zie Bijlage 5 Natuurvergunning.

Overzicht krimplocaties 2011 (uit natuurtoets Groei en Krimp)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0004.png"

In de streekplanuitwerking Groei en Krimp is als beleid vastgesteld, dat de krimp formeel geregeld is, zodra de eigendomsoverdracht is vastgelegd. Deze eigendomsoverdracht heeft bij de notariële aktepassering plaatsgevonden.
Inmiddels heeft ook de planologische vertaling plaatsgevonden voor:

  • Vierhouten (gemeente Nunspeet), Puszta en Mosterdveen: bestemmingsplan Recreatieterreinen van de gemeente Nunspeet, vastgesteld op 1 november 2012 en onherroepelijk en voor
  • Heerde: Provinciale Staten hebben op 20 maart 2013 een provinciaal inpassingsplan voor Filipsberg vastgesteld.

2.8 Conclusie

Het uitbreidingsplan voor recreatiepark Beekbergen past binnen het voorheen geldende en het huidige provinciale beleid alsmede met het gemeentelijk beleid.

2.9 Archeologische beleidskaart

Op 6 februari 2014 hebben burgemeester en wethouders de Archeologische beleidskaart 2014 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. Er zijn drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Op deze terreinen is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied en van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met archeologische waarden

Terreinen met archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met specifieke archeologische waarden

Tot de terreinen met specifieke archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden bestaat een zeer aannemelijke kans dat bij bodemingrepen archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Zie indit verband de begripsbepaling onder 1.6 AHN2-maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

De uitbreiding van het recreatieterrien is gelegen in de zone met hoge en lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 4 en 5). Zoals aangegeven hoeft bij verstoring van de bodem met een grotere oppervlakte dan 500 m2 respectievelijk 2500 m2 archeologisch onderzoek te worden verricht.

3 BESCHRIJVING PLANGEBIED

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied.

3.1 Inleiding

Het plangebied omvat de uitbreiding van recreatiepark Beekbergen, gelegen aan de Kuiltjesweg 44 in Beekbergen. De camping is ingericht op een perceel van 2.75 ha en bestaat uit 79 standplaatsen, 4 toeristische plaatsen en 3 recreatiewoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0005.png"

De geplande uitbreiding van het recreatiepark is gelegen zuidelijk van de bestaande camping en is in eigendom bij de eigenaar van het recreatiepark. Deze gronden zijn voorheen als sportterrein in gebruik geweest. Een toiletgebouw is reeds aanwezig evenals elektravoorzieningen. De uitbreiding van het recreatiepark bestaat uit 90 kampeermiddelen en een kantoorgebouwtje/receptie. Op de inrichtingschets hieronder is de uitbreiding van het park weergegeven.

Het recreatiepark is gelegen in Natura2000 gebied. De uitbreidingslocatie heeft geen noemenswaardige natuurwaarden en kan enige landschappelijk betekenis worden toegedicht. De uitbreidingslocatie bestaat overwegend uit 2 percelen grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0006.png"

Bestaande situatie

Hieronder volgt een citaat uit het advies van de Adviescommissie Ontwikkeling Verblijfsrecreatie Veluwe, die Gedeputeerde Staten hebben geadviseerd over de uitbreiding van de recreatiebedrijven

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0009.png"

Alleen het gedeelte dat benodigd is voor de uitbreiding van het recreatiepark heeft de bestemming recreatie verblijfsrecreatie gekregen. De overige gronden zijn bestemd tot Natuur. Hier is geen ontwikkeling mogelijk behoudens de ontsluiting op de Stoppelbergweg.

4 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.
Blijkens het gemeentelijke informatiesysteem bestaat er geen vermoeden over bodemverontreiniging op de uitbreidingslocaties.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100
meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de
toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.
Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten

interne milieuzonering

Binnen het onderzoeksgebied (50 à 100 meter rond het plangebied) zijn geen bedrijven en instellingen gelegen (voor het aspect externe veiligheid en geur (veehouderijen).

Uitwaartse zonering

De gewenste activiteit op de planlocatie is de uitbreiding van het recreatieterrein. De geldende afstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voor deze gewenste activiteit zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Milieu-categorie   SBI-code 1993   SBI-code 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
3.1   552   553,552   Kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken)   30   0   50   30  

Voor de gewenste activiteit op de planlocatie geldt een aan te houden milieuzone van 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan.

4.1.4 Geluidhinder

Onderzoeksresultaten geluid

Een recreatieterrein en de kampeerplaatsen zijn geen gevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidhinder en derhalve is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk en zijn de grenswaarden uit deze wet niet van toepassing op deze functies. De geluidbelasting bedraagt circa 50 tot 60 dB (bron: Geluidkaart provincie Gelderland). Dit wordt in hoofdzaak veroorzaakt door de Arnhemseweg en is voor de beoogde functie en het tijdelijk verblijf aanvaardbaar. Het terrein wordt ontsloten via de Arnhemseweg. Hierdoor is de verkeerstoename als gevolg van het plan nihil en akoestisch niet waarneembaar.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.
Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel
Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").
Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt uitbreiding van het recreatiepark via de Arnhemseweg. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling niet valt onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', het toepasbaarheidsbeginsel en het NSL. Er is op basis van de NIBM-tool nagegaan of het plan in betekenende mate bijdraagt. Dat blijkt niet het geval.

4.1.6 stikstofonderzoek

In opdracht van de provincie Gelderland heeft onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van stikstof. De conclusie uit dit onderzoek is dat de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de uitbreiding van Recreatiepark Beekbergen zeer beperkt is en nergens hoger dan 1 mol N/(ha*jr). Ter hoogte van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen zal er geen sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie. Negatieve effecten op de aanwezige habitattypen zijn uit te sluiten. In dit rapport is alleen gekeken naar de effecten van de stikstofdepositie. Voor de beschrijving van de overige effecten wordt verwezen naar de Bijlage 1 natuurtoets groei en krimp.

4.1.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS) te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten 

Bevi

In de nabijheid van de Kuiltjesweg 44 bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de uitbreiding van het recreatiepark.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de nabijheid van de planlocatie loopt een provinciale weg, namelijk de Arnhemseweg. Provinciale wegen zijn aangewezen als doorgaande routes voor gevaarlijke stoffen. Uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente blijkt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg dermate beperkt is dat er geen significante externe veiligheids risico's zijn. Hierdoor zijn er geen belemmeringen voor wat betreft dit aspect.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van Kuiltjesweg 44 bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

4.1.8 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.
Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.
Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van Kuiltjesweg 44 bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.1.9 Milieueffectrapportage

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.1.1 tot en met 4.1.8. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

Kuiltjesweg 44 in Beekbergen ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 3 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in het streekplan heeft aangegeven.

4.2.2 Grondwater

Het gebied ligt niet in de in het streekplan vastgelegde grondwaterfluctuatiezone. Er zijn geen relevante peilbuisgegevens in de omgeving, maar gezien de hoge ligging wordt verwacht dat het grondwater enkele meters onder maaiveld ligt en derhalve geen beperking is voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater en/of waterafhankelijke natuur aanwezig. Noch zal deze worden gemaakt binnen de ontwikkeling van het plangebied.

4.2.4 Afvoer van hemelwater

Er wordt slechts een geringe hoeveelheid verharding toegevoegd afstromend hemelwater kan eenvoudig in de bodem worden geïnfiltreerd.
De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen.

4.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. In het plangebied en de omgeving daarvan ligt drukriolering waarmee enkel vuilwater kan worden afgevoerd. Omdat de capaciteit van dit systeem beperkt is zal voor de uitbreiding met de gemeente moeten worden afgestemd waar en hoeveel er kan worden geloosd.

4.2.6 Watertoets

Het plan omvat minder dan 1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.
Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

4.3 Natuurwaarden

4.3.1 Algemeen

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de provinciale richtlijn voor Bos- en natuurcompensatie.

Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet (verder: Ffw) is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen.
De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Het gevolg is onder andere dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten voorkomen worden. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen zijn op grond van de Flora- en faunawet verboden. Hiervoor zijn van belang de artikelen 8 t/m 12 Ffw waarin onder andere de vernieling en beschadiging van beschermde planten en het doden, verwonden, vangen, verontrusten en verstoren van diersoorten en hun verblijfplaatsen is verboden.
Op grond van artikel 75 Ffw kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AMvB (het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet) gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid.

  • Algemene soorten
    Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de artikelen 8 t/m 12 Ffw. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.
  • Overige soorten
    De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort'.
  • Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75
    Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn wordt geen ontheffing verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de soorten van bijlage 1 geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen verstorende werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een ontheffing is verkregen. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • 1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; en
    • 2. er is geen alternatief; en
    • 3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.

Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Voor verstoring van vogels en vogelnesten door ruimtelijke ontwikkelingen kan geen ontheffing worden verleend. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, volksgezondheid en openbare veiligheid. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.

Gebiedsbescherming

Naast de soortbescherming wordt de gebiedsbescherming geregeld binnen de Natuurbeschermingswet (in de Natura 2000-gebieden) en binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Bescherming van bos is aan de orde als bestemmingen van bestaand bos worden gewijzigd. Wat betreft gebiedsbescherming is de "Natuurtoets Groei en Krimp; tweede groeitender 2011" (Arcadis, 2011) relevant. Zie Bijlage 1 natuurtoets groei en krimp. De natuurtoets ligt aan de basis van de toewijzing van de groei in de aangewezen recreatiebedrijven. Daarin is opgenomen de toetsing aan de instandhoudingsdoelen c.q. de kwalificerende habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Geconcludeerd wordt dat door de totale omvang van aangevraagde uitbreidingsplannen terug te brengen van 41,05 ha tot 23,8 ha het saldo in evenwicht is (en mogelijk zelfs positief voor een aantal soorten en habitattypen). Dit heeft er toe geleid dat de hier aan de orde zijnde uitbreiding is gehonoreerd.

4.3.2 Onderzoeksresultaten

Er is een Natuurtoets verricht voor drie recreatieterreinen, gedateerd oktober 2012. Dit onderzoek is als Bijlage 3 Natuurtoets Flora en Faunawet bij de plantoelichting gevoegd. Conclusie uit dit onderzoek is dat er geen beschermde soorten op de uitbreidingslocatie aanwezig zijn en dat derhalve geen negatieve effecten worden verwacht.

Tevens is het genoemde Arcadisrapport uit 2011 toegevoegd alsmede het rapport van Arcadis van 2 juni 2014. In dit laatste rapport wordt ingegaan op de natuurontwikkeling van de aangekochte natuurterreinen. Zie Bijlage 2 natuurontwikkeling aangekochte terreinen.

4.4 Archeologie

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1256-ont1_0010.png"

Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van 2014

Op de gemeentelijke beleidskaart voor archeologische waarden is het terrein overwegend aangeduid met een hoge verwachtingswaarde. De gronden krijgen een aanduiding "overige zone - hoge archeologische verwachtingswaarde"

4.5 Cultuurhistorie

4.5.1 Modernisering monumentenzorg

In november 2009 stemde de Tweede Kamer in met de beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg. Deze beleidsbrief geeft de nieuwe visie van het Rijk op de monumentenzorg weer. De nieuwe visie rust op drie pijlers:

  • 1. cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening;
  • 2. krachtiger en eenvoudige regels;
  • 3. herbestemmen van cultuurhistorisch waardevolle panden die hun functie verliezen.

Met de eerste pijler wordt ingezet op het bestemmingsplan als belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Een goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Cultuurhistorie is één van die belangen. Dit nieuwe beleid vormt een belangrijke aanvulling op de sectorale bescherming van monumenten. Op deze manier is een meer gebiedsgerichte benadering mogelijk.

Het Rijk wil deze nieuwe visie implementeren door in het Besluit ruimtelijke ordening een verplichting op te nemen om in het bestemmingsplan rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Daarnaast zal het Rijk, aanvullend op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, een visie op het cultureel erfgoed opstellen. Deze visie geeft aan hoe het Rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het daarbij heeft en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang.
In of in de directe omgeving van het plangebied komen geen rijks- of gemeentelijke monumenten voor.

4.6 Financieel-economische uitvoerbaarheid

De planrealisatie wordt door de ondernemer voor eigen rekening en risico uitgevoerd. De planrealisatie wordt door de adviescommissie, die Gedeputeerde Staten heeft geadviseerd over de groeitender, hoog ingeschat. Noodzakelijk is, zo concludeert de commissie, een doorgroei naar een hogere schaal. De eigenaar van het recreatiepark heeft de gronden waarop de uitbreiding is gepland, in eigendom. Met de realisatie van de bestemming zijn geen gemeentelijke kosten gemoeid zodat kostenverhaal niet aan de orde is.

5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is de bestaande situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planologische aspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Kuiltjesweg 44 Beekbergen is een plan, die tot doel heeft om een juridisch planologische regeling te scheppen voor de uitbreiding van het recreatiepark en het gebruik van gronden en gebouwen.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.


Recreatie - verblijfsrecreatie
Binnen deze bestemming zijn sta-caravans, toeristisch kamperen en trekkershutten toegestaan. Hierbij wordt uitgegaan van een dichtheid van in totaal 90 kampeermiddelen en stacaravans. Voor stacaravans geldt een maximale oppervlakte van 55 m2 met een mogelijkheid om deze te vergroten naar 70 m2. Voor trekkershutten is deze gelegd op 30 m2 en per kampeermiddel is tevens 5 m2 aan sanitaire voorzieningen toegestaan.

Natuur

Het gedeelte van het terrein dat niet voor recreatieve doeleinden wordt gebruikt, blijft de huidige bestemming natuur gehandhaafd. De ontsluitingsweg is geregeld via een functieaanduiding.


Bouwregels

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is per bestemming een bebouwingsschema opgenomen. In de bebouwingsschema's staan de maatvoeringsaspecten die voor die specifieke bestemming gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart.

Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Lid 6.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, uiteraard mits ze hoger worden gebouwd dan de ter plaatse aangegeven maximale goothoogte.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In de leden 7.1.1 en 7.2.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In de leden 7.1.2 en 7.2.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

In artikel 11 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 12 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Bepalingen over waarden

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden opgenomen. Dit zijn regels voor waarden die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze waarden voorkomen.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart 2014 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in Monumentenwet en monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.
Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Zone met hoge archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen.
Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

Zoals in paragraaf Archeologische beleidskaart al is uiteengezet leert de ervaring dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is bepaald dat in gebieden met de bestemming Natuur een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden moet worden aangevraagd en archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2  en een verstoringsdiepte van 0 cm onder het AHN2-maaiveld.

5.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 ECONOMISCHE UIVOERBAARHEID

De uitbreiding van de camping wordt door de ondernemer bekostigd. Voor de gemeente vloeien hier geen kosten uit voort.

7 INSPRAAK EN OVERLEG

7.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Op basis van de notitie "Samen voor kwaliteit" geeft de gemeente geen inspraak op het bestemmingsplan maar is het aan de initiatiefnemer om te investeren in draagvlak voor de gewenste ontwikkeling.

Het ontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan de nutsbedrijven. De reacties van deze instanties worden zonodig in de toelichting opgenomen. De reactie van het Waterschap en de beantwoording zijn opgenomen in paragraaf 4.2 Waterhuishouding.

7.2 Totstandkoming plan

Eventuele aanpassingen op het bestemmingsplan naar aanleiding van inspraak, overleg en zienswijzen worden hier toegelicht.