direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Spoorstraat 29 Onderwijslocatie en Stationsplein oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1240-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Spoorstraat 29 Onderwijslocatie en Stationsplein oost

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Hogeschool Saxion is in Apeldoorn gevestigd met de twee HBO-opleidingen Hoger Hotelmanagement en Security Management. De twee opleidingen maken nu gebruik van twee locaties: de oude MULO-school aan de Kerklaan en een verdieping van het CODA-gebouw aan de Vosselmanstraat. De hogeschool wil de opleidingen samenvoegen op één locatie en heeft als nieuwe locatie gekozen voor het terrein van de voormalige Nettenfabriek aan de Spoorstraat, pal naast het station. Hiertoe wordt het bestaande kantoorgebouw verbouwd en wordt een deel van de bestaande fabriekshallen gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. De ontwikkeling van de hogeschool is een stap in de ontwikkeling van het gehele Nettenfabriekterrein; dit bestemmingsplan loopt voorop op een nog in procedure te brengen bestemmingsplan voor de rest van het terrein. In deze toelichting wordt de vraag beantwoord of de plannen voor de hogeschool passen in de visie voor de omgeving.

De openbare ruimte ten westen van het Nettenfabriekterrein wordt anders ingericht om het Nettenfabriekterrein en daarmee ook de locatie van de hogeschool op een goede manier te verbinden met trein- en busstation en om de bereikbaarheid van de locatie voor gemotoriseerd verkeer en voetgangers te verbeteren. Een niet-benutte planologische mogelijkheid om een kantoorgebouw op te richten wordt wegbestemd.

Om deze plannen uit te kunnen voeren is het nodig een nieuw bestemmingsplan voor het gebied vast te stellen. Daarvoor is het onderhavige bestemmingsplan bedoeld.

1.2 Ligging en begrenzing

De locatie aan de Spoorstraat en het oostelijke deel van het Stationsplein liggen ten zuid-oosten van het centrum van Apeldoorn, pal aan het spoor en naast het station, in de buurt Veldhuis. Op de navolgende afbeelding is de ligging van de locatie in de stad gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0001.jpg"

Afbeelding - Ligging plangebied in de stad

De ligging van het plangebied in de omgeving wordt getoond op de volgende afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0002.jpg"

Afbeelding - Ligging plangebied in de omgeving

Het plangebied omvat het zuid-westelijke deel van het Nettenfabriekterrein, het oostelijke deel van het Stationsplein (het deel waar busstation en busbuffer liggen) en het daar tussenin gelegen deel van de Spoorstraat. De afbeelding hierna toont gedetailleerd de begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0003.jpg"

Afbeelding - Begrenzing plangebied

1.3 Geldende planologische regeling

De voorheen voor het plangebied geldende Bebouwingsvoorschriften Kern, die in 1938 zijn vastgesteld, zijn op grond van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2013 vervallen. Op 13 juni 2013 heeft de gemeenteraad het (beheergerichte) bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost vastgesteld. Dit bestemmingsplan is, voor zover het het Nettenfabriekterrein betreft, door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. Op grond van de uitspraak moet de gemeenteraad voor dit terrein een nieuw bestemmingsplan vaststellen. Voor het gedeelte van het Nettenfabriekterrein dat in het onderhavige plangebied ligt voorziet dit bestemmingsplan daarin. Voor de rest van het Nettenfabriekterrein zal een afzonderlijk bestemmingsplan in procedure gebracht worden. Nu voor deze locatie de Bebouwingsvoorschiften Kern en bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost geen werking hebben, geldt hier tot het onderhavige bestemmingsplan in werking is getreden geen bestemmingsplan maar gelden alleen de bepalingen van de Bouwverordening.

Voor het deel van het plangebied (het oostelijke deel van het Stationsplein en een deel van de Spoorstraat) buiten het Nettenfabriekterrein geldt nu nog bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost.

1.4 Doel van het bestemmingsplan

Het doel van dit bestemmingsplan is het planologisch-juridisch mogelijk maken van het verbouwen van het bestaande kantoorgebouw en het daaraan toevoegen van nieuwbouw ten behoeve van maatschappelijke functies, waaronder het geven van onderwijs, en het herinrichten van de nabijgelegen openbare ruimte ten behoeve van de bereikbaarheid van de locatie. Het bestemmingsplan biedt daartoe een juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. Het bestemmingsplan heeft een ontwikkelingsgericht karakter, waarbij de toekomstige situatie uitgangspunt is.

1.5 Opzet van de toelichting

In hoofdstuk 2 wordt het voor het plangebied relevante beleidskader van rijk, provincie, regio, waterschap en gemeente besproken. In hoofdstuk 3 worden de bestaande situatie van het plangebied en zijn omgeving beschreven. Hoofdstuk 4 schetst de toekomstige situatie van het plangebied: de ruimtelijke uitgangspunten, het ruimtelijke beeld, de functionele invulling en de verkeersaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst. Als eerste wordt getoetst of sprake is van duurzame verstedelijking, gevolgd door de milieuaspecten, de waterhuishouding (met daarin de watertoets), de aanwezige natuur-, cultuurhistorische en archeologische waarden en de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 bevat een toelichting op het juridische deel van dit bestemmingsplan: welke bestemmingen zijn gekozen en hoe moeten de regels geïnterpreteerd worden.

2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

In de structuurvisie formuleert het kabinet zijn ambities voor 2040:

  • Concurrentiekracht: Nederland behoort tot de top 10 van meest concurrerende economieën van de wereld met een kwalitatief hoogwaardig vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers door een goede ruimtelijkeconomische structuur.
  • Bereikbaarheid: Gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.
  • Leefbaarheid en veiligheid: De woon- en werklocaties in steden en dorpen sluiten aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor transformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut. Nederland is blijvend beschermd tegen extreme weersomstandigheden, mogelijke overstromingen als gevolg van de zeespiegelstijging en er is voldoende zoetwater in droge perioden; Nederland is een bepalende speler in de internationale transitie naar duurzame mobiliteit en Nederland heeft nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Nederland kent een robuust internationaal energienetwerk en de transitie naar duurzame energiebronnen is ver gevorderd.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
2.1.2 Nationaal Waterplan 2009-2015

Het Nationaal Waterplan 2009-2015 is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Water krijgt een meer prominente rol bij de inrichting van Nederland. Het hoofdthema is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn waterveiligheid, het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Gelderland kiest er in de Omgevingsvisie voor om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven vanuit twee hoofddoelen.

Het eerste doel is het vergroten van de concurrentiekracht van Gelderland door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Daarbij richt de provincie zich met haar partners vooral op:

  • kansen bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven;
  • het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's;
  • het creëren van een goede bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en de economische kerngebieden met fiets, openbaar vervoer en auto maar ook digitaal;
  • het versterken van ruimtelijke randvoorwaarden voor de sterke (top)sectoren en het verbeteren van de kennisinfrastructuur;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor cultuurbeleving;
  • een adequaat beheer (kwaliteit en kwantiteit) van bestaande en eventueel nieuwe woongebieden, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel in Gelderland.

Het tweede doel is het waarborgen en het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit betekent vooral:

  • ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek;
  • zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap;
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties;
  • een gezonde en veilige leefomgeving;
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, die zijn onderverdeeld in drie thema's. Het thema Divers Gelderland betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. Onder het thema Dynamisch Gelderland staan de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit. Het derde thema, Mooi Gelderland, betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming dan wel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen.

Relevante provinciale ambities

Een van de onderwerpen uit het thema Dynamisch Gelderland is de duurzame verstedelijking. De provinciale ambitie is dat nieuwe ontwikkelingen aansluiten bij de behoefte van bewoners en ondernemers die verandert door de vergrijzing, de toename van kleine huishoudens, maar ook door het nieuwe werken en winkelen. Voor vitale steden is een integrale afweging nodig van economische, sociale, milieukundige en ecologische belangen. Om te komen tot een duurzame verstedelijking zet de provincie zich onder andere in voor de aanpak van leegstand en transformatie. Het uitgangspunt daarbij is dat eigenaren als eerste verantwoordelijk zijn en blijven voor de kwaliteit van de gebouwen. Leegstand kan een probleem zijn en kan leiden tot verpaupering van gebieden, maar biedt in veel gevallen ook kansen voor nieuwe - soms tijdelijke - functies en nieuwe dynamiek in steden. De provincie nodigt partners en eigenaren van vastgoed uit te komen met initiatieven en oplossingen voor flexibel en tijdelijk ruimtegebruik, functieverandering, transformatie of sloop. De provincie wil plannen die bijdragen aan het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit voorrang geven:

  • binnenstedelijke ontwikkelingen krijgen de voorkeur boven uitleglocaties;
  • leegstand wordt aangepakt via herbestemmen/reconstructie van locaties;
  • nieuwe waardecreatie wordt mogelijk (newconomy);
  • duurzaam bouwen wordt bevorderd (energietransitie);
  • instrumenten als stedelijk herverkavelen worden toegepast om de gewenste ontwikkelingen op gang te brengen.

Een van de onderwerpen uit het thema Mooi Gelderland is cultuurhistorie. Cultuur en cultuurhistorie hebben bij uitstek een verbindende functie. Ze verbinden mensen onderling en aan de plek waar ze wonen en werken. Ze zijn van grote betekenis voor de leefbaarheid in steden en dorpen, de identiteit van regio's en voor de vrijetijdseconomie. De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter en door een hoge ruimtelijke kwaliteit. Ook het gevarieerde Gelderse landschap kent bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten. De culturele infrastructuur is goed ontwikkeld en het stedelijk gebied huisvest enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie.

Toetsing ontwikkeling aan Omgevingsvisie Gelderland

De ontwikkeling die onderwerp is van dit bestemmingsplan betreft de vestiging van een hogeschool op een locatie aan de rand van het centrum, waarbij een cultuurhistorisch waardevol leegstaand pand wordt verbouwd en gerenoveerd en daaraan nieuwbouw wordt toegevoegd. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten voor de thema's Dynamisch Gelderland en Mooi Gelderland: een binnenstedelijke ontwikkeling waarbij leegstand wordt aangepakt door herbestemmen en reconstrueren van een bestaande locatie, nieuwe waarde wordt gecreërd en door het renoveren van een cultuurhistorisch waardevol pand het erfgoed verder wordt ontwikkeld. De provincie Gelderland heeft dan ook een subsidie uit het Impulsplan Gelderse Woningmarkt beschikbaar gesteld voor deze ontwikkeling.

2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 hebben provinciale staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn geen regels gesteld die het onderhavige plangebied dan wel de functie (hoger beroeps-)onderwijs raken.

2.3 Regionaal beleid

In mei 2007 hebben de gemeenteraden van de Stedendriehoek-gemeenten de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 voor het Bundelingsgebied vastgesteld.

De doelstelling van de structuurvisie is: behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw.

De Stedendriehoek heeft vijf strategische keuzen geformuleerd om de centrale doelstelling concreet te maken. De regionale samenwerking richt zich op:

  • duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling;
  • natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties;
  • regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer;
  • stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen;
  • toevoegen van centrumstedelijke en landelijke woonmilieus.

Relevante ambities

Aantrekkelijke voorzieningen dragen in belangrijke mate bij aan de sociale kwaliteit van de Stedendriehoek. Daarbij gaat het om voorzieningen op vele terreinen: onderwijs, werk en inkomen, zorg, welzijn, kunst, cultuur, sport en recreatie. Voor de economische kwaliteit van de regio is het van belang de onderwijsinfrastructuur van de regio te versterken. Het behouden en versterken van het aanbod van hoger beroepsonderwijs in de Stedendriehoek is daarbij een speerpunt, waarmee tevens wordt beoogd het aantal studenten in de regio fors te verhogen. Voorts zal de aansluiting van middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger beroepsonderwijs verbeterd moeten worden. Samenwerking met het bedrijfsleven moet ertoe leiden dat het onderwijsaanbod ook beter aansluit bij de regionale behoefte aan arbeidskrachten.

Centraal staat: bundelen en concentreren van het stedelijk ruimtegebruik in en om de bestaande steden en dorpen. Reden om te bundelen zijn: de visuele openheid van het landschap behouden, draagvlak van stedelijke voorzieningen en van het openbaar vervoer versterken, een innovatieve regionale economie stimuleren, de automobiliteit reduceren door goede koppelingen aan openbaar vervoer en fietsgebruik en de variatie in de samenstelling van de stedelijke bevolking en de woningvoorraad vergroten.

De Stedendriehoek wil het openbaar vervoer en ruimtelijke ontwikkelingen sterker op elkaar afstemmen en deze elkaar laten versterken. Het gaat dan vooral om het ontwikkelen van bestaande en nieuwe knooppunten, gekoppeld aan de potentie van het spoornetwerk in de regio. Voor de centrumknooppunten rond de NS-stations van Apeldoorn, Deventer en Zutphen wil de Stedendriehoek alle mogelijkheden benutten om via herstructurering en intensivering een hoogwaardige stedelijke woon- en werkomgeving te ontwikkelen.

Toetsing ontwikkeling aan Regionale Structuurvisie

Het samenvoegen van de huidige vestigingen van de hogeschool op één locatie vlak bij het station als knooppunt voor openbaar vervoer is in overeenstemming met de Regionale Structuurvisie. Het versterkt het aanbod van hoger beroepsonderwijs, bundelt stedelijk ruimtegebied in de bestaande stad, beperkt de automobiliteit door de goede koppeling aan het openbaar vervoer en benut een van de mogelijkheden om door herstructurering een hoogwaardig stedelijke woon- en werkomgeving bij het NS-station, het centrumknooppunt van Apeldoorn, te ontwikkelen.

2.4 Waterschapsbeleid

Waterschap Vallei en Veluwe is in zijn beheersgebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding en de waterkering. Het Waterbeheersplan Veluwe 2010-2015 geeft de strategische visie op de waterschapstaken uitgewerkt in concrete doelen en een uitvoeringsstrategie. De doelen vloeien voort uit Europese, nationale en provinciale wet- en regelgeving. Het jaar 2015 is een markant ijkpunt. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel en in de Kaderrichtlijn Water is bepaald dat in dat jaar het watersysteem op orde moet zijn.

2.5 Gemeentelijk beleid

2.5.1 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop te reageren door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is en waaraan Apeldoorn samen met andere partijen wil bouwen:

  • 1. Comfortabele gezinsstad
  • 2. Toeristisch toplandschap
  • 3. Veelzijdige economie
  • 4. Locale duurzaamheid

Voor het plangebied is met name de ambitie 'Veelzijdige economie' van belang. Om nieuwe (samenwerkings)kansen tussen bedrijven te ontdekken en om up to date te blijven, is netwerkvorming tussen bedrijven en tussen bedrijven en kennisinstituten van groot belang. Daarom wordt onder andere ingezet op ondersteuning van stedelijke en regionale netwerken van bedrijven onderling en van bedrijven en onderwijsinstellingen en op het faciliteren van broedplaatsen voor hoogwaardige productvernieuwing en kleinschalige creatieve samenwerking.

Apeldoorn kent al vele jaren een structureel vertrekoverschot in de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar. Veel jongeren verlaten de gemeente om ergens anders hoger onderwijs te gaan volgen. Dat draagt bij aan de ontgroening van de Apeldoornse bevolking en aan een beroepsbevolking die lager is opgeleid dan het landelijk gemiddelde. De gemeentelijke ambities om ook jonge mensen aan de Apeldoornse arbeidsmarkt te binden zijn:

  • het benutten van de veelzijdige economie voor de ontwikkeling van Apeldoorn tot de beste stagestad van Nederland;
  • het versterken van de banden tussen hoger onderwijs en bedrijfsleven, zodat typisch Apeldoornse opleidingen kunnen worden ontwikkeld die passen bij de vraag van het bedrijfsleven;
  • ondersteuning van deze beide pijlers, door het bieden van goede studentenhuisvesting en verbetering van het op jongeren gerichte culturele klimaat in de stad.

De structuurvisie noemt voor de ontwikkeling van de Buitenstad vijf principes:

  • 1. Elk initiatief dat past bij de Buitenstad is welkom.
  • 2. Elk gebouw heeft een eigen of gemeenschappelijke tuin en openbaar groen is op loopafstand aanwezig.
  • 3. Kleinschalige voorzieningen in de buurt zijn belangrijk voor het wooncomfort.
  • 4. Een goede bereikbaarheid per auto of per fiets gaat altijd samen met een goede leefkwaliteit voor omwonenden.
  • 5. Er wordt zorgvuldig omgegaan met schaarse ruimte en eindige hulpbronnen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven dynamo's genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. In de dynamo's neemt de gemeente de regierol op zich en ligt programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers. De dynamo's zijn:

  • vernieuwing van het centrum van Apeldoorn;
  • kleinschalige herstructurering in wijken en buurten;
  • transformatie van delen van de Kanaalzone;
  • Zuidbroek en Zonnehoeve ontwikkelen tot Buitenstadse woonlandschappen;
  • experiment agrarische vernieuwing.
2.5.2 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is. Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus:

  • 1. verweving van de stad met het landschap;
  • 2. verbinding van de stad met het omringende landschap;
  • 3. dooradering van de stad met blauwe en groene structuren.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Voor (de directe nabijheid van) het plangebied is de doelstelling 'dooradering van de stad met blauwe en groene structuren' van belang. Vroeger liep de Kayersbeek voor de Nettenfabriek langs, tussen Talens-bebouwing en moskee-terrein, doorstekend tussen Sophialaan en Molenstraat-Centrum en dan door Haven Centrum naar het kanaal. De Kayersbeek is ondergronds gebracht. Het voornemen is om deze beek weer bovengronds te brengen.

2.5.3 Verkeersbeleid

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2010 – 2020 (vastgesteld juli 2009). Hierin heeft de gemeente een aantal doelen vastgesteld. De gemeente wil de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid behouden en liefst nog vergroten.

In de Verkeersvisie worden drie categorieën hoofdwegen onderscheiden: de Ring; de radialen en de centrumring; de overige hoofdwegen. De Ring is de belangrijkste verdeler van het verkeer in de stad. De radialen en de centrumring bieden een snelle route naar en om het centrum heen, met name om de parkeergarages snel te kunnen bereiken en verlaten. Naast de hoofdwegen zijn er de verblijfsgebieden. In verblijfsgebieden wordt voornamelijk gewoond. Gemengde functies hebben hier een plek: verkeer, spelende kinderen, fietser en voetgangers. De parkeernormen zijn vastgelegd in de Parkeernota (geactualiseerd oktober 2004). De parkeernorm geeft aan het minimum aantal parkeerplaatsen dat aangelegd moet worden. Uitgangspunt is dat parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd moeten worden. Wanneer evident is dat de parkeernorm voor een specifieke ontwikkeling niet toepasbaar of niet zinvol is, kan met maatwerk een aangepaste parkeernorm worden gehanteerd.

2.5.4 Gemeentelijk Waterplan

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van hemelwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het hemelwater dat in het stedelijk gebied op verhard oppervlak valt zoveel mogelijk afgekoppeld worden van het afvalwaterriool om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het hemelwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzone naast iedere beek. Deze zones richten de gemeente en het waterschap in voor waterberging waar dat maar mogelijk is. Ten oosten van het kanaal wordt het hemelwater in de vijvers geborgen.

2.5.5 Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2015

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2011–2015 (GRP), dat de gemeenteraad in 2011 heeft vastgesteld, is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering in bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de betreffende planperiode.

Voor de planperiode van het GRP zijn de volgende maatregelen voorzien:

  • Afkoppelen regenwater bij herstructurering.
  • Afkoppelen regenwater autonoom (bij voorbeeld bij rioolvervangingen en wegreconstructies).
  • Maatregelen voortvloeiend uit het waterkwaliteitsspoor.
  • Inlopen achterstand vervanging riolering.
  • Baggeren van vervuilde waterbodems.
2.5.6 Cultuurhistorie

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Bij de nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart. Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

In februari 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie Modernisering Monumentenzorg vastgesteld en daarmee besloten om voor objecten die een grote cultuurhistorische waarde hebben maar niet in aanmerking komen voor een monumentenstatus een beschermingsregeling in het bestemmingsplan op te nemen.

2.5.7 Archeologie

Op 6 februari 2014 hebben burgemeester en wethouders de Archeologische beleidskaart 2014 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. Er zijn drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Op deze terreinen is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. Daarnaast zijn er nog de archeologische monumenten en de gebieden waarvan vaststaat dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met archeologische waarden

Terreinen met archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met specifieke archeologische waarden

Tot de terreinen met specifieke archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden bestaat een zeer aannemelijke kans dat bij bodemingrepen archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.

2.5.8 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing.

Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juli 2004 de kadernota 'Over welstand geschreven' vastgesteld. De nota geeft de kaders voor het welstandsbeleid. Hiermee worden bouwplannen getoetst aan redelijke eisen van welstand, om de fraaie leefomgeving in de stad te behouden en te versterken.

In deze nota wordt voor ieder perceel in Apeldoorn één welstandsthema en één welstandsniveau aangewezen. Het niveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied geeft, waarbij de niveaus variëren van zwaar tot welstandsvrij. Het thema wordt bepaald door de bouwstijl of bouwperiode van de bebouwing. In het bestemmingsplan wordt het specifieke karakter van het gebied geregeld voor zover dit gaat om bebouwingsregels en gebruik. Het welstandsbeleid is hierop aanvullend en heeft betrekking op situering, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaalgebruik.

3 Bestaande situatie plangebied en omgeving

In dit hoofdstuk worden het plangebied en zijn omgeving beschreven. Beschreven worden de historie en cultuurhistorie, de ruimtelijke, functionele, verkeers- en groenstructuur.

3.1 Historie

Het gebied waarin het plangebied is gesitueerd, ligt ten zuidoosten van het oorspronkelijke dorp Apeldoorn. Aan het begin van de negentiende eeuw was Apeldoorn het grootste en tevens meest geïsoleerde dorp van de Oostelijke Veluwe, gelegen op de overgang tussen het Veluwemassief en het stroomgebied van de IJssel. De dorpsbebouwing concentreerde zich bij de kruising van de Deventerstraat en Dorpsstraat (de tegenwoordige Hoofdstraat). Aan de dorpsrand lagen landgoederen zoals de Pasch en Welgelegen. Het gebied buiten het dorp werd gekenmerkt door verspreide boerderijen en onverharde wegen temidden van heidegronden en broeklanden. Van het Veluwemassief naar de IJssel stroomden natuurlijke beken en sprengen. Vanaf de 16e eeuw werden sprengenkoppen uitgegraven die een stelsel van gekanaliseerde beken en sprengen voedden. Het water van deze beken en sprengen werd gebruikt voor de drinkwatervoorziening en voor de langs die beken en sprengen gevestigde watermolens, die het stromende water als krachtbron gebruikten voor de papierindustrie en later de wasserijen. De Kayersbeek en de Grift zijn hiervan voorbeelden. De Grift was lange tijd de grens van het dorp. In 1858 werd begonnen met het graven van het zuidelijk deel van het Kanaal, van de Deventerbrug tot aan Dieren. Aan het eind van de 19e eeuw werd de Stationsstraat aangelegd, als verbinding tussen het nieuwe station van Apeldoorn en de villawijk De Parken. Hiermee werd het gebied interessant voor ontwikkeling. Langs de Stationsstraat werden representatieve villa's gebouwd, langs het kanaal en de Grift ontstond bedrijvigheid. Langs de oude routes kwam kleinschalige woningbouw in de vorm van weliswaar kleine, maar vrijstaande woningen op veelal diepe kavels. Het dorp groeide nu ook ten zuiden van de Grift.

In de tweede helft van de 19e eeuw kwam de industrialisatie in Apeldoorn op gang. Naast de Nettenfabriek bevonden zich in de omgeving van het plangebied enkele grotere industriële complexen als Talensfabriek en de gasfabriek. In de eerste helft van de 20e eeuw vond een gestage groei van Apeldoorn plaats, vooral in noordwestelijke richting. Pas na de 2e Wereldoorlog werd er grootschalig uitgebreid ten zuiden van het spoor en ten oosten van het kanaal. De kanaalzone werd bestemd voor industriële activiteiten. In de loop van de 20e eeuw is door de schaalvergroting in de scheepvaart het kanaal minder geschikt geworden voor de beroepsvaart en verloor de bedrijvigheid haar relatie met het water. In 1974 is het kanaal voor scheepvaart gesloten. Tot begin jaren negentig was de zone met haar bedrijvigheid een grote barrière tussen het stadscentrum en de oostelijke wijken.

De omgeving van het plangebied is in de tweede helft van de 20e eeuw sterk verstedelijkt. Van de oorspronkelijke bedrijfscomplexen is nog maar een beperkt aantal gebouwen aanwezig. De beeklopen zijn in deze tijd overkluisd. Vanaf begin jaren negentig verstedelijkte het gebied langs het kanaal, Molenstraat-Centrum, Kanaalstraat en Stationsstraat verder.

Karakteristiek voor het gebied tussen spoor en binnenstad was de vermenging van grootindustrie met aan huis gebonden kleinschalige bedrijvigheid. Het daarbij behorende ruimtebeeld bestond uit individuele woonhuizen op ruime kavels met bedrijfsbebouwing tussen en achter de woningen naast grootschalige fabrieksbebouwing. Dit karakteristieke beeld is op onderdelen nog herkenbaar in de Spoorstraat, Veldhuisstraat, Polstraat, Sophialaan, Molendwarsstraat en de Molenstraat-Centrum. Daar staat nog steeds kleinschalige bebouwing naast de grootschalige fabrieksgebouwen van de Nettenfabriek en de verfstoffenfabriek Talens.

In de jaren 2005-2009 is het Stationsplein opnieuw vormgegeven. Daarbij zijn ook het busstation en de busbuffer opnieuw ingericht.

3.2 Cultuurhistorie

In 1883 stichtte C.G. von Zeppelin vlakbij het station zijn nieuwe onderneming de 'Apeldoornsche Nettenfabriek Von Zeppelin'. Apeldoorn lag in de nabijheid van de Zuiderzee met zijn vele vissershavens en op de Veluwe waren veel goedkope arbeidskrachten. Dit vormden gunstige voorwaarden om de Nettenfabriek voorspoedig te ontwikkelen.

In 1901 en 1906/1907 breidde de fabriek al uit. Toegevoegd werden een kantoorgebouw inclusief magazijnen, een nieuwe boetzaal en een beheerderswoning. Ook werd in 1907 een fabrieksschoorsteen opgericht. Door de toenemende capaciteit ging men exporteren, vooral naar Rusland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0004.jpg"

Afbeelding - Het fabriekscomplex met de bouwdelen en schoorsteenpijp uit 1906-1907

Vier jaar later werd het bedrijf uitgebreid met een nieuwe hal onder sheddaken en in 1912 schafte men de eerste dieselmotor aan, waarvoor aan de kant van de Spoorstraat een machinehuis werd gebouwd, met een al even representatieve voorgevel als aan de kant van het station. De architect was A. van Driesum.

Aan de groei kwam een eind tijdens de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren de werkzaamheden zeer beperkt. Direct na de oorlog moest de Nettenfabriek eerst worden hersteld van de door gevechtshandelingen geleden schade. Via overheidssteun werden weer grondstoffen aangeleverd. De overheidssteun werd verkregen omdat met nieuwe netten voor de visvangst een bijdrage geleverd kon worden aan het op peil brengen van de voedselproductie. Uiteindelijk werd ook weer geëxporteerd. Nieuwe grondstoffen en daarmee samenhangende productietechnieken werden geïntroduceerd. Nylon werd steeds belangrijker, als vervanging van natuurlijke grondstoffen zoals katoen en linnen.

In de vijftiger jaren vonden diverse verbouwingen plaats en raakte het fabrieksterrein grotendeels volgebouwd. De fabrieksschoorsteen werd opnieuw opgebouwd aan de Veldhuisstraat, waar ook een nieuw ketelhuis met een naastgelegen drogerij, ververij, constructiewerkplaats en garages werden gebouwd. Nieuwe kantoren werden gebouwd aan de Spoorstraat, op de plek van het oude ketelhuis. Het bekende Apeldoornse architectenbureau van J.W. en C.A.W. Heuvelink was inmiddels de vaste architect van de fabriek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0005.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0006.png"  
Luchtopname tussen 1945 en 1950   Links de nieuwe kantoren uit 1952, langs de Spoorstraat  

In 1958 werd het complex aan de stationszijde getroffen door een zware brand, waarbij het kantoorgebouw uit 1907 werd verwoest. Nog in datzelfde jaar werd gestart met het herstel door de bouw van een nieuw kantoorgebouw. Dit nieuwe kantoor was een voortzetting van de gespaard gebleven kantoren uit 1952. Dit nieuwe kantoor is, samen met een deel van de kantoren van 1952, onderdeel van het onderhavige plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0007.jpg"

Afbeelding - Kantoorgebouw uit 1958

Eind jaren tachtig nam de Nettenfabriek nog een internationaal vooraanstaande positie in. Daarna ging het bergafwaarts. In de zomer van 2007 werden de activiteiten in Apeldoorn beëindigd.1 

Na 2007 is een deel van de bebouwing op het terrein gesloopt, waardoor een verbinding tussen Stationsplein/Spoorstraat en Veldhuisstraat is ontstaan. In 2008 vond een deel van de activiteiten van de Landschapstriënnale, een driejaarlijks evenement over landschap, parken, kunst en cultuur, plaats in een aantal gebouwen op het Nettenfabriekterrein.

3.3 Ruimtelijke en functionele structuur

3.3.1 Inleiding

De locatie waar de hogeschool komt, maakt deel uit van het voormalige Nettenfabriekcomplex, gelegen in het zuidoostelijke deel van de binnenstad van Apeldoorn. In de huidige situatie ligt de locatie van de hogeschool in een gemengd gebied dat zowel ruimtelijk als functioneel een divers karakter heeft. De grootte van de omringende bebouwing loopt uiteen: van kleinschalige lintbebouwing tot grootschalige fabriekshallen. Kenmerkend is verder de combinatie van de functies wonen en werken, die in de omgeving van het plangebied in verschillende vormen terugkomt. In het westelijke deel van het plangebied overheerst de vervoersfunctie: busstation, busbuffer en een voetgangersroute die het busstation met het treinstation verbindt.

Delen van het omringende gebied zijn al herontwikkeld in het kader van het project Stationsgebied en het project Kanaaloevers. In het plangebied zelf zijn met name een deel van het voormalige kantoor van het fabriekscomplex en de Kayersbeek van cultuurhistorisch belang.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de bestaande ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en zijn directe omgeving Veldhuis: een historisch gegroeid gebied met gemengde functies tussen station en kanaal.

3.3.2 Algemene ruimtelijk-functionele structuur

Het gebied wordt ontsloten via de Molendwarsstraat en vervolgens de Molenstraat-Centrum. Dit is van oudsher een belangrijke verkeersader die de zuidoostelijke entree tot het centrum vormt. In en nabij het plangebied liggen stedelijke hoofdstructuren als het Apeldoorns Kanaal en het Stationsplein. Dit plein is in samenhang ontworpen, waarbij de vormgeving van het plein, het gebruik en de bebouwing er omheen op elkaar zijn afgestemd. De openheid van het plein, de kwalitatief hoogwaardige inrichting en het Veluwse karakter zorgen voor een bijzondere stadsentree. Tussen het cirkelvormige plein en het Nettenfabriekterrein bevindt zich het busstation, met de busbuffer waar bussen die korte tijd niet in bedrijf zijn worden gestald. Ook dit deel is zorgvuldig ontworpen en met hoogwaardige materialen ingericht. De tijdelijke unit die wordt gebruikt als onderkomen voor buschauffeurs detonereert enigszins en de aansluiting van Molendwarsstraat op de Spoorstraat is rommelig. Voor de ontwikkeling van de locatie van de hogeschool is de oriëntatie op het station in ruimtelijk en functioneel opzicht belangrijk.

Direct westelijk van het Nettenfabriekcomplex loopt in noord-zuidelijke richting de historische beekloop van de Kayersbeek. Hoewel deze beek niet meer zichtbaar is, is in de verkaveling nog steeds te zien dat hij er eens lag. Ambitie is om de beek op termijn weer bovengronds te brengen.

Een belangrijk ruimtelijk kenmerk van het omringende gebied is het verschil in schaalgrootte in bebouwing: grootschalige fabrieksgebouwen staan vlak bij kleine arbeiderswoningen aan de Veldhuisstraat. Op het fabrieksterrein zelf zijn overwegend grootschalige gebouwen te vinden.

3.3.3 Omgeving

Het plangebied ligt in het gebied rondom de Veldhuisstraat dat wordt aangeduid als 'Veldhuis'. Dit is een gemengd gebied waarin de functies wonen en werken nauw met elkaar verweven zijn. Deze combinatie is ook ruimtelijk terug te zien in het gebied door de opvallende combinatie van grootschalige (fabrieks)bebouwing met kleinschalige vrijstaande arbeiderswoningen. Een aantal bijzondere panden (onder andere op de terreinen van de verfstoffenfabriek Talens en de voormalige Nettenfabriek) met een waardevol architectonisch beeld en veelal industriële uitstraling geven het gebied een eigen karakter. Markant in het gebied is de schoorsteen, die van vele kanten in de wijde omgeving zichtbaar is. De schoorsteen is een gemeentelijk monument.

Naast de belangrijkste structurerende en begrenzende elementen op het hogere schaalniveau (spoor, kanaal en historisch lint in de vorm van de Molenstraat-Centrum) zijn er in Veldhuis enkele kleinschalige historische linten te vinden, namelijk de Molendwarsstraat, Sophialaan, Veldhuisstraat en Spoorstraat.

3.4 Verkeersstructuur

Het plangebied ligt op zeer korte loopafstand van hét knooppunt voor openbaar vervoer van Apeldoorn: het treinstation en het busstation. Met het openbaar vervoer is het plangebied dus heel goed bereikbaar. Datzelfde geldt voor het fietsverkeer: bij de fiets- en voetgangstunnel bij het Stationsplein komen de fietsdoorstroomassen uit het noorden samen met die uit het zuiden. Langs het nabij gelegen Kanaal Noord, overgaand in Stadskade, is een recreatieve fietsroute langs het kanaal voorzien.

Voor het gemotoriseerd verkeer verloopt de ontsluiting via Molendwarsstraat en Molenstraat-Centrum. De Molenstraat-Centrum is de toegangsroute vanuit de binnenring naar het centrum en vice versa. Vanaf het plangebied zijn via deze verbinding de andere wijken van Apeldoorn en de snelwegen goed bereikbaar.

3.5 Groenstructuur

Op de busperrons en langs het spoor -buiten het plangebied- staan enkele bomen. Verder bevindt zich in deze stedelijke omgeving weinig groen.

4 Toekomstige situatie plangebied

Dit hoofdstuk beschrijft de toekomstige ontwikkelingen in het plangebied. Daarbij komen eerst de uitgangspunten voor de ontwikkeling van Veldhuis aan de orde. Daarna wordt de toekomstige situatie beschreven aan de hand van het ruimtelijk beeld, de functionele invulling en de toekomstige verkeers- en parkeersituatie.

4.1 Ruimtelijke uitgangspunten

Veldhuis is het laatste gebied binnen het herstructureringsgebied Kanaaloevers. Opzet is om de cultuurhistorie te bewaren door de waardevolle bebouwing en structuren te gebruiken als identiteitsdragers voor de ontwikkeling. Veldhuis zal zijn gemengde karakter van gebied waar zowel gewoond als gewerkt wordt, behouden. Ook de mix van grootschalige en kleinschalige bebouwing zal terugkomen in toekomstige plannen.

De ontwikkelingen die het gebied in de loop der tijd heeft ondergaan, hebben tot een veelzijdig ruimtelijk beeld geleid. Het is de ambitie om de veelzijdigheid van het gebied bij de verdere ontwikkeling te gebruiken als leidraad. Deze veelzijdigheid zit in:

  • groot naast klein (fabriekscomlpexen naast kleine Apeldoornse huisjes);
  • verschillende functies naast elkaar (wonen naast werken);
  • oud naast nieuw (oudere gebouwen en nieuwbouw);
  • informeel naast formeel opgezette openbare ruimten (Veldhuisstraat naast Molenstraat-Centrum).

Daarnaast is de ligging tussen belangrijke stedelijke structuren als het Kanaal en het spoor met het station een aspect dat de ruimtelijke ontwikkeling beïnvloedt. De opgave is om op een goede wijze aan te sluiten op het stedelijke karakter van het OV-knooppunt en het groene karakter van het Kanaal.

Op een lager schaalniveau is vooral de aansluiting op het bestaande stedelijke weefsel van belang. Het terrein van de voormalige Nettenfabriek kan daarbij beschouwd worden als een te ontwikkelen 'campus', waar diverse gebouwen (nieuw en oud) met diverse functies, op termijn een plek vinden. Daarbij moeten de veelzijdigheid van het gebied bewaard blijven en de ruimtelijke en cultuurhistorische eenheid die het fabrieksterrein nu vormt, in stand gehouden en versterkt worden. Belangrijk ruimtelijk uitgangspunt is het behoud van het zicht op de fabrieksschoorsteen. Randvoorwaarde voor iedere ontwikkeling in het gebied is dan ook dat de omringende bebouwing niet te hoog moet worden, of op zo'n manier gesitueerd moet worden dat er op cruciale zichtlijnen ruimte wordt vrijgehouden van bebouwing.

De ontwikkeling van het terrein heeft inmiddels al gestalte gekregen in het hergebruik van een deel van het Nettenfabriekcomplex door de Fotovakschool en de herontwikkeling van het voormalige ketelhuis (een gemeentelijk monument) tot kantoorruimte. Het plan voor de hergebruik van de bestaande kantoorvleugel in combinatie met nieuwbouw voor de hogeschool is de volgende stap in deze ontwikkeling.

De navolgende structuurschets vat de ruimtelijke uitgangspunten in beeld samen.


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0008.jpg"  

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0009.jpg"  
Afbeelding - Ruimtelijke uitgangspunten  

4.2 Ruimtelijk beeld

Het plan voor de hogeschool bestaat uit een deel nieuwbouw en een deel hergebruik van een bestaand cultuurhistorisch waardevol pand: het voormalige kantoorgebouw van het fabriekscomplex wordt gerenoveerd en aangeheeld met een deel nieuwbouw nadat een deel van de bestaande fabriekshallen is gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0010.jpg"

Afbeelding: te renoveren kantoogebouw gemarkeerd met roze/paarse lijn, nieuwbouw gemarkeerd met groene lijn

Conform de stedenbouwkundige uitgangspunten voor dit gebied ontwikkelt de totale bouwmassa zich evenwijdig aan het spoor. Dit is een bewuste breuk met de historische verkavelingsrichting van het fabriekscomplex, die een afgeleide is van de historische loop van de Kayersbeek. Een ontwikkeling in de richting langs het spoor laat ruimte over voor een efficiënte gebouwindeling en parkeeroplossing. Ruimtelijk gezien is de doorontwikkeling van de strook langs het spoor mogelijk, maar er blijft ook een andere ontwikkeling mogelijk die meer gebaseerd is op de huidige verkavelingsrichting van het fabriekscomplex.

Het nieuwbouwdeel wordt met vier hoge bouwlagen met dakopstand hoger dan de bestaande bebouwing: hoger dan het kantoorgebouw van twee bouwlagen, en ook hoger dan de rest van de bebouwing op het Nettenfabriekterrein, uiteraard met uitzondering van de schoorsteen. Ook in gebruiksoppervlakte wordt het nieuwbouwdeel beduidend groter dan het bestaande kantoorgebouw: 2.500 m2 brutovloeroppervlakte nieuwbouw tegenover 1.000 m2 in het kantoorgebouw. De nieuwbouw is zo gepositioneerd dat het zicht op de markante schoorsteen blijft bestaan. De nieuwbouw ligt terug ten opzichte van de oude cultuurhistosch waardevolle bebouwing. Hierdoor blijft het bestaande gebouw beter herkenbaar als onderdeel van het voormalige front van het fabriekscomplex. De hogeschool krijgt haar hoofdentree in de nieuwbouw, tegenover die van de Fotovakschool. Hierdoor ontstaat een gezamenlijk te gebruiken buitenruimte tussen de twee gebouwen in en een aanzet voor de toekomstige buitenruimte bij verdere ontwikkeling van het terrein. Direct voor het hogeschoolgebouw aan de stationszijde ontstaat een autoluwe voorruimte. De ambitie is om de Kayersbeek weer bovengronds te halen.

De afbeeldingen hierna geven een impressie van hoe het gebouw en zijn omgeving er uit kunnen zien. Goed te zien is dat de nieuwbouw terugligt ten opzichte van het bestaande kantoorgebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0012.png"

4.3 Functionele invulling

Het gebouw zal worden gebruikt voor het geven van hoger beroepsonderwijs. Op deze plek worden de twee HBO-opleidingen Hoger Hotelmanagement en Security Management, die nu nog gebruik maken van twee locaties verspreid over de stad, samen gehuisvest. In het kader van de samenwerking met het bedrijfsleven en een betere afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt kan een ondergeschikt deel van het gebouw ook gebruikt worden voor (al dan niet startende) bedrijfjes. Het te renoveren bouwdeel is vele jaren in gebruik geweest als kantoorruimte. Daarom mag ook in de toekomst het voormalige kantoorgebouw (geheel of gedeeltelijk) gebruikt worden als kantoor.

4.4 Verkeer

In deze paragraaf worden de toekomstige verkeersontsluiting en de parkeersituatie beschreven.

4.4.1 Verkeersontsluiting

Om het Nettenfabriekterrein voor voetgangers op een aantrekkelijke en veilige wijze bereikbaar te maken wordt de voetgangersverbinding die nu het treinstation met het busstation verbindt, doorgetrokken tot aan het Nettenfabriekterrein. Om deze voetgangersverbinding  te kunnen realiseren is het busschauffeursonderkomen al verplaatst en wordt de busbuffer iets anders ingedeeld.

Door de ligging van van het plangebied en dus ook het hogeschoolgebouw zo dicht bij het station, knooppunt voor openbaar vervoer, en de fietstunnel, knooppunt voor fietsverkeer, is de ontsluiting met het openbaar vervoer en de fiets heel goed. De hogeschool stimuleert het gebruik van openbaar vervoer en fiets; dit is een van de redenen waarom deze locatie voor de nieuwe vestiging is gekozen.

Ten behoeve van een goede ontsluiting van het Nettenfabriekterrein voor gemotoriseerd verkeer wordt het deel van de Spoorstraat dat grenst aan de busbuffer dichter bij het Nettenfabriekcomplex gelegd. Daarmee ontstaat een duidelijker scheiding tussen enerzijds de rijbaan voor auto, fietser en voetganger en anderzijds de busbuffer.

Voor gemotoriseerd verkeer is het plangebied ontsloten via de (dan verlegde) Spoorstraat en de Molendwarsstraat; vanaf daar loopt de ontsluiting via de Molenstraat-Centrum naar de binnenring. Het gebouw van de hogeschool wordt in eerste instantie ontsloten vanaf de bestaande open ruimte op het Nettenfabriekterrein. Wanneer op termijn ook de rest van het Nettenfabriekterrein wordt ontwikkeld zal er een echte ontsluitingsweg over het terrein worden aangelegd. Het deel van de Spoorstraat dat parallel langs het spoor loopt kan dan geheel of gedeeltelijk zijn functie voor doorgaand verkeer verliezen.

4.4.2 Autoparkeerplaatsen

Voor deze ontwikkeling moeten voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig zijn. Uitgangspunten daarvoor zijn de gemeentelijke parkeernormen die in de Parkeernota zijn vastgelegd en het principe dat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Wanneer de parkeernorm voor een specifieke ontwikkeling niet toepasbaar is, kan met maatwerk een aangepaste parkeernorm worden gehanteerd. Ook wanneer het eigen terrein niet toereikend is om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te leggen kan maatwerk worden toegepast, in de vorm van een geborgde parkeervoorziening op ander terrein dan wel de storting van een in de Parkeernota vastgelegd bedrag in het gemeentelijke parkeerfonds.

Voor hoger onderwijs kent de gemeentelijke Parkeernota een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen per leslokaal. Deze parkeernorm gaat uit van een verouderde lessituatie waarin klassikaal in leslokalen onderwijs wordt gegeven. Het huidige HBO-onderwijs is op een andere manier ingericht; onderwijs in traditionele leslokalen komt veel minder voor. De gemeentelijke parkeernorm is daardoor niet meer toepasbaar. Daarom is voor deze situatie met maatwerk een adequate parkeernorm bepaald. Daarbij is gekeken naar de normen van het CROW, de kennisorganisatie voor onder andere verkeer en vervoer, (7,3 parkeerplaatsen per 100 studenten voor een hogeschool in dit type centrum-omgeving) en naar het aantal parkeerplaatsen dat bij de huidige vestigingen van de hogeschool aanwezig is en het gebruik daarvan (op de huidige locatie aan de Kerklaan zijn nu 34 parkeerplaatsen aanwezig, dit aantal is in de huidige praktijk voldoende).

Zoals gezegd stimuleert de hogeschool het gebruik van openbaar vervoer en fiets door studenten en medewerkers. Het autogebruik wordt ontmoedigd doordat de parkeerplaatsen alleen gebruikt kunnen worden door houders van een parkeerkaart en doordat voor de uitgifte van parkeerkaarten strikte criteria gelden. Daarbij komt dat in de directe omgeving van het plangebied een parkeerreguleringssysteem is ingevoerd in de vorm van vergunningenparkeren. Dit houdt in dat op de openbare weg alleen geparkeerd kan worden door degenen die in het bezit zijn van een parkeervergunning. Parkeervergunningen worden alleen uitgegeven aan bewoners van dat gebied die niet op eigen terrein over een parkeerplaats beschikken en mensen die in het betreffende gebied werken, waarvoor niet op eigen terrein c.q. op terrein van de werkgever een parkeerplaats is; voor werkers geldt aanvullend dat geen recht op een parkeervergunning bestaat als voor het gebouw waarin zij werken is voldaan aan de door de gemeente gestelde parkeernorm.

Op grond van deze gegevens worden 34 parkeerplaatsen toereikend geacht.

Het eigen terrein biedt ruimte voor het aanleggen van 17 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen komen aan de achterzijde onder de nieuwbouw en tussen de zuidgevel van het bestaande kantoorgebouw en de Spoorstraat. Het eigen terrein is niet groot genoeg om het totale benodigde aantal parkeerplaatsen aan te leggen. De resterende parkeerplaatsen worden aangelegd op een ander deel van het Nettenfabriekterrein. Door middel van een overeenkomst tussen de hogeschool en de eigenaresse van dat terrein dient vastgelegd te worden dat deze parkeerplaatsen voor een duurzame periode beschikbaar zijn voor de hogeschool.

Uitgangspunten voor bestemmingsplan

Tot op heden wordt het aanleggen en in stand houden van voldoende parkeerplaatsen gereguleerd door middel van de Bouwverordening. Op termijn vervalt de mogelijkheid om stedenbouwkundige voorschriften (waaronder ook eisen met betrekking tot parkeergelegenheid) in de Bouwverordening op te nemen. Dat het benodigde aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk beschikbaar is en blijft dient derhalve geborgd te worden door in de regels van het bestemmingsplan parkeernormen te stellen.

4.4.3 Fietsenstallingsplaatsen

De gemeente heeft geen normen voor aantallen fietstenstallingsplaatsen vastgesteld. Vanuit het oogpunt van een goede ruimelijke ordening dient een voldoende aantal stallingsplaatsen voor fietsen te worden gerealiseerd. Zou dat niet gebeuren dan heeft dat tot gevolg dat fietsen in de directe omgeving van het hogeschoolgebouw in de openbare ruimte worden geplaatst met alle overlast voor overige gebruikers van dien.

Aan de hand van door de hogeschool verstrekte gegevens is bepaald hoeveel stallingsplaatsen voor fietsen en brommers/scooters moeten worden gerealiseerd. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • medewerkers die op meer dan 10 km van de locatie van de hogeschool wonen komen niet met de fiets;
  • medewerkers die op minder dan 10 km van de locatie van de hogeschool wonen komen met de fiets (80%) of met het openbaar vervoer (20%);
  • studenten die op meer dan 6 km van de locatie van de hogeschool wonen komen niet met de fiets;
  • studenten die op minder dan 6 km van de locatie van de hogeschool wonen komen met de fiets (75%) of met het openbaar vervoer (25%);
  • van de medewerkers is 100% gelijktijdig aanwezig;
  • van de studenten is maximaal 75% gelijktijdig aanwezig, 25% is niet aanwezig in verband met stage of afstuderen.

Deze uitgangspunten zijn toegepast op de huidige aantallen medewerkers en studenten en op die aantallen na 10% groei, een groei die voor de komende jaren wordt verwacht. De resultaten staan in de volgende tabel:

    Huidig aantal   Aantal na 10% toename  
medewerkers        
  in dienst   55   60  
  bezettingsgraad (maximaal aantal dat gelijktijdig aanwezig is): 100%   55   60  
  wonend < 10 km   13   14  
  wonend >10 km   42   46  
studenten        
  ingeschreven   727   800  
  wonend < 6 km   92   101  
  wonend > 6 km   635   699  
  bezettingsgraad (maximaal aantal dat gelijktijdig aanwezig is): 75%   545   600  
  wonend < 6 km x bezettingsgraad   69   75  
  wonend > 6 km x bezettingsgraad   476   525  
       
(brom)fietsgebruik        
  medewerkers: 80% van degenen wonend < 10 km   10   11  
  studenten: 75% van wonend < 6 km x bezettingsgraad   52   57  
  tenminste benodigd aantal stallingsplaatsen: medewerkers + studenten   62   68  

Uit de tabellen blijkt dat er behoefte bestaat aan ten minste 68 stallingsplaatsen voor fietsen en brommers/scooters. Aan de achterzijde onder de nieuwbouw worden 85 stallingsplaatsen voor fietsen en brommers/scooters aangelegd. Daarmee wordt voldaan aan de verwachte behoefte.

5 Uitvoerbaarheid

5.1 Duurzame verstedelijking

Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan alleen een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken:

  • 1. als die stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. als in die actuele regionale behoefte wordt voorzien binnen het bestaande stedelijk gebied van de regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;

en, in het geval de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaande stedelijk gebied van de regio kan plaatsvinden:

  • 3. als in die behoefte wordt voorzien op een locatie die met gebruik van verschillende manieren van vervoer passend ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.

De begrippen 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.1.1 Bro):

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
  • Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de praktijk wordt dit de ladder voor duurzame verstedelijking genoemd. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

Toetsing concrete situatie aan ladder voor duurzame verstedelijking

Het onderhavige bestemmingsplan betreft de nieuwe vestigingslocatie voor een hogeschool. Dit is een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 Bro zodat artikel 3.1.6 lid 2 Bro van toepassing is. Op de nieuwe locatie worden de activiteiten van twee bestaande vestigingen van de hogeschool samengevoegd.

  • 1. Voorzien in actuele regionale behoefte
    In de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 voor het Bundelingsgebied, die de gemeenteraden van de Stedendriehoek-gemeenten in mei 2007 hebben vastgesteld, is het behouden en versterken van het aanbod van hoger beroepsonderwijs in de Stedendriehoek als een van de speerpunten van beleid benoemd, waarmee tevens wordt beoogd het aantal studenten in de regio fors te verhogen. Hogeschool Saxion heeft zich in 1999 in Apeldoorn gevestigd, eerst nog met één opleiding, later uitgebreid tot twee opleidingen. Saxion heeft destijds gekozen voor het vestigen van de opleidingen Hoger Hotelmanagement en Security Management in Apeldoorn om zo aan te sluiten bij het economische profiel van de regio en de behoefte van instellingen en bedrijfsleven. Beide vakgebieden zijn in Apeldoorn sterk aanwezig. Ook de overige instituten op het vakgebied, de Politieacademie en het ROC, zijn in Apeldoorn gevestigd. Voor  de vestiging van de opleidingen heeft Saxion vergunningen verkregen van het ministerie van OC&W die gekoppeld zijn aan de vestigingsplaats. Het aantal studenten is stabiel en zal naar verwachting nog toenemen.
    Hieruit kan geconcludeerd worden dat met een hogeschool in Apeldoorn voorzien wordt in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins binnen het bestaande stedelijk gebied van de regio
    In de hiervoor al genoemde regionale structuurvisie is vastgelegd dat de Stedendriehoek het openbaar vervoer en ruimtelijke ontwikkelingen sterker op elkaar wil afstemmen en elkaar laten versterken. Onder andere voor het centrumknooppunt rond het NS-station van Apeldoorn wil de Stedendriehoek alle mogelijkheden benutten om via herstructurering en intensivering een hoogwaardige stedelijke woon- en werkomgeving te ontwikkelen.
    De studentenaantallen van beide opleidingen van de hogeschool zullen naar verwachting in de toekomst nog groeien en daarom zijn de huidige gebouwen niet meer toereikend. Bovendien worden inhoudelijke vernieuwingen eerder bewerkstelligd door huisvesting op één locatie: op het snijvlak van hospitality en security zijn innovaties te verwachten. Daarnaast is vestiging op één locatie voor externen en studenten beter vindbaar en effectiever in de studie. In de zoektocht naar een nieuwe locatie heeft de hogeschool alle mogelijkheden in Apeldoorn onderzocht. Keuzecriteria daarvoor waren: bruikbaarheid voor de activiteiten van de hogeschool, ligging dicht bij trein- en busstation, bereikbaarheid, hergebruik van bestaand vastgoed, flexibiliteit, identiteit, zichtbaarheid, financiën. Na een eerste schifting zijn 15 mogelijkheden onderworpen aan een nader onderzoek. Van de 15 zijn er 3 geselecteerd. Voor de laatste 3 mogelijkheden zijn aanbiedingen gedaan door de eigenaren. Uiteindelijk is de locatie Nettenfabriek gekozen.
    Het bestemmingsplan voorziet in de vestiging van de hogeschool op het terrein van de voormalige Nettenfabriek, gelegen in het centrumknooppunt bij het station. Deels gebeurt dit door hergebruik van een bestaand gebouw en deels door toevoeging op dat terrein van nieuwbouw. Hierdoor worden in bestaand stedelijk gebied beschikbare gronden en gebouwen die al jarenlang niet gebruikt worden weer benut.

Deze stedelijke ontwikkeling voorziet derhalve in een actuele regionale behoefte. In die behoefte wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied waarbij in de vorm van herstructurering gebruik wordt gemaakt van beschikbare gronden. Geconcludeerd kan worden dat hier voldaan wordt aan het principe van duurzame verstedelijking.

Aan de duurzame verstedelijking wordt nog verder bijgedragen doordat met dit bestemmingsplan een nog niet benutte kantoorbestemming direct ten noorden van het busstation, zuidelijk van het huidige kantoorgebouw van de Belastingdienst, wordt wegbestemd omdat op die plek geen behoefte meer is aan nieuwe kantoorruimte.

Het betreffende terrein is op de navolgende afbeelding met rode lijn gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0013.png"

Afbeelding - Terrein waar bestemming Kantoor in onderhavig bestemmingsplan is wegbestemd

5.2 Milieuaspecten

5.2.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid van de vestiging van de hogeschool in het plangebied beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

5.2.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt of geschikt te maken is voor de nieuwe bestemming. Bovendien moet, wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in principe niet langer dan 5 jaar vóór de vaststelling van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Uit de diverse bodemonderzoeken die sinds 1999 op het perceel Spoorstraat 29 zijn uitgevoerd is het volgende gebleken. Ter plaatse van de voormalige ververij, het ketelhuis en de voormalige afleverzuil en tanks is de grond in de laag van 0 tot 1,5 m onder maaiveld sterk verontreinigd met VOCL (oplosmiddelen) en BTEX (benzine). Voor de rest van de verdachte locaties geldt dat de grond in de laag van 0 tot 3 m onder maaiveld licht verontreinigd is met minerale olie, VOCL, PAK en enkele zware metalen. Het grondwater is niet tot sterk verontreinigd met VOCL, zink en cadmium.

Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken hebben gedeputeerde staten van Gelderland op 4 november 2013 voor de locatie Spoorstraat 29 vastgesteld dat sprake is van een niet spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat er bij het huidige gebruik geen onaanvaardbare risico's zijn en dat sanering bij gelijkblijvend gebruik niet noodzakelijk is (gevalsnaam: Spoorstraat 29, nummer van verontreiniging: GE020000389). Bij dit besluit hebben GS ook de verontreinigingslocatie vastgelegd. Dit is het gebied waar grond en grondwater verontreinigd zijn met VOCL en BTEX ter plaatse van de voormalige ververij, het ketelhuis en de voormalige afleverzuil en tanks aan de kant van de Veldhuisstraat.

Het deel van het plangebied waar de hogeschool komt, ligt buiten de verontreinigingslocatie. De kwaliteit van de bodem buiten de verontreinigingscontouren is geschikt voor de beoogde onderwijsfunctie. Dit blijkt uit het verkennend bodemonderzoek, gedateerd 25 maart 2014, dat is uitgevoerd door Verhoeven Milieutechniek B.V. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de toelichting. Met dit onderzoek wordt de aanwezigheid van heterogene verontreinigingen met PAK en metalen als gevolg van de stedelijke ophooglaag bevestigd. Uit de onderzoeksrapportage blijkt dat geen sprake is van een ernstige verontreiniging van de grond en het grondwater. De risico's voor de volksgezondheid en het milieu zijn voor het plangebied verwaarloosbaar en er zijn geen noemenswaardige verspreidingsrisico's. Op basis van de beschikbare informatie is er geen aanleiding om aan te nemen dat het plan vanwege bodemsaneringskosten financieel niet uitvoerbaar is.

5.2.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. In deze uitgave zijn voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer.

Andere omgevingstypen zijn het gemengd gebied en het gebied met functiemenging. In gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht zijn zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Maatschappelijke voorzieningen, waaronder onderwijs, zijn milieugevoelige functies. Daarom is onderzocht of er in de omgeving van de gekozen locatie milieubelastende functies aanwezig zijn die een belemmering opleveren, met andere woorden of de locatie vanuit het oogpunt van milieuzonering geschikt is voor de beoogde functies.

De omgeving waarin het plangebied ligt, kan worden gekarakteriseerd als gebied met functiemenging. Er is sprake van een verhoogd achtergrondgeluidsniveau door de aanwezigheid van doorgaande wegen, het spoor en diverse grotere bedrijven. Het busstation zorgt voor veel busverkeer nabij het plangebied. Ten zuiden van het plangebied liggen het spoortraject Amersfoort-Deventer en de Laan van de Mensenrechten. Ook bevinden zich verschillende grotere bedrijven nabij het plangebied. Van oudsher is hier al een menging van woon- en werkfuncties aanwezig. Vanwege de typering van de omgeving als gebied met functiemenging kan voor alle milieuaspecten met uitzondering van het aspect gevaar een kleinere afstand aan worden gehouden dan voor een rustige woonwijk wordt geadviseerd.

In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal bedrijven en instellingen waarvan de werkelijke afstand tot de locatie van de hogeschool groter is dan de (gecorrigeerde) richtafstand voor die bedrijfstypen uit de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering':

  • Sophialaan 36 en Molendwarsstraat 61, moskee met bijhorende culturele en sociale voorzieningen, bestemming Maatschappelijk.
  • Spoorstraat 23 en 27, onderwijsfuncties, bestemming Gemengd – 3 (kantoren, zakelijke dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning en bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2).
  • Spoorstraat 37, autobedrijf, bestemming Bedrijf (bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 en handel en reparatie in auto's).
  • Kanaal Noord 17 en Kanaal Noord 23, supermarkten, op grond van de geldende bestemming zijn ter plaatse uitsluitend supermarkten toegelaten.

Geconcludeerd kan worden dat deze bedrijven en instellingen geen belemmering vormen voor de geplande milieugevoelige maatschappelijke functies; ook het omgekeerde is niet het geval.

In en om het plangebied bevinden zich drie bedrijven en instellingen waarvan de werkelijke afstand tot de locatie van de hogeschool kleiner is dan de (gecorrigeerde) richtafstand voor die bedrijfstypen uit de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering':

Op het perceel Sophialaan 46 bevindt zich een fabriek voor de vervaardiging van hobby- en kunstschildermateriaal. Op grond van de geldende bestemming zijn op het perceel bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 en een fabriek voor de vervaardiging van hobby- en kunstschildermateriaal (bestaande uit verf, vernis, inkten en niet-vloeibare kleurmaterialen) toegestaan. Tussen gevoelige functies en bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 geldt op grond van de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 30 meter. Gezien de ligging in gebied met functiemenging kan deze afstand met 1 afstandsstap worden gecorrigeerd tot 10 meter. De uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' kent het bedrijfstype 'fabriek voor de vervaardiging van hobby- en kunstschildermateriaal' niet. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd naar de effecten van deze fabriek op gevoelige functies in de omgeving. Voor de aspecten geur, geluid en gevaar gelden de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'het in werking hebben van een inrichting' die onder andere zorgen voor een veilig en aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Veldhuisstraat, die direct aan het fabrieksterrein grenzen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ook ter plaatse van de hogeschool, die verder van het fabrieksterrein af ligt dan de woningen aan de Veldhuisstraat, een aanvaardbaarbaar leefklimaat heerst.

Aan het Stationsplein bevindt zich het busstation met de busbuffer (bestemming Verkeer - Verblijfsgebied, busstation toegestaan). Voor een busstation geldt op grond van de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 100 meter tot gevoelige functies. De afstand van de daadwerkelijk als busstation gebruikte ruimte, te weten de busperrons, tot de locatie van de hogeschool varieert van 90 tot 110 meter. Tussen busstation en hogeschoollocatie ligt de busbuffer. De busbuffer is de plek waar bussen gestald worden die korte tijd niet in bedrijf zijn, oftewel een parkeerterrein voor bussen. De uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' kent de functie busbuffer niet. De milieubelasting van een parkeerterrein voor bussen is aanzienlijk minder dan van een busstation omdat er veel minder verkeersbewegingen zijn en er geen passagiers in- en uitstappen.

Eveneens aan het Stationsplein bevindt zich het spooremplacement (bestemming Verkeer - Spoorweg). Voor een spoorwegstation geldt op grond van de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 100 meter tot gevoelige functies. De werkelijke afstand tot het plangebied is kleiner. In de omgevingsvergunning voor de activiteit 'het in werking hebben van een inrichting' voor het spooremplacement is echter al rekening gehouden met bestaande gevoelige functies die beperkingen opleggen. In paragraaf 5.2.6 over externe veiligheid wordt aangetoond dat geen sprake is van gevaar als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor.

Om de geluidkwaliteit ter plaatse van het plangebied als gevolg van de fabriek op het perceel Sophialaan 46, het spooremplacement en de busbuffer in beeld te brengen is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek, gedateerd 16 oktober 2014, dat is opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, is uitgevoerd door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de beoogde onderwijsinstelling sprake is van een aanvaardbare geluidkwaliteit en dat de vergunde en planologisch verkregen geluidruimte van de omliggende bedrijven niet onevenredig wordt belemmerd of beperkt.

Uitgangspunten voor bestemmingsplan

Ten behoeve van een goed leefklimaat ter plaatse van de hogeschool dient in het bestemmingsplan geborgd te worden dat het busstation niet dichter bij de hogeschool komt dan waar zich in de huidige situatie de busperrons bevinden. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is er dan geen bezwaar tegen de voorgenomen vestiging van de hogeschool.

5.2.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen en een spoorlijn. Derhalve wordt de geluidinvloed van de omliggende wegen en spoorlijn op het plangebied nader beschouwd.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Apeldoorn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

De relevante wegen zijn Spoorstraat, Molendwarsstraat, Kanaal Noord, Kayersdijk, Laan van de Mensenrechten en Molenstraat-Centrum. Voor de laatste vier wegen doen zich geen van de genoemde uitzonderingen voor zodat ze van rechtswege een geluidzone hebben. Deze binnenstedelijke wegen hebben een geluidzone van 200 meter. De Spoorstraat en Molendwarsstraat hebben vanwege het 30-km-per-uur-regime geen geluidzone, maar zijn mogelijk wel relevant in verband met een verkeerstoename als gevolg van het plan.

In de rapportage d.d. 10 december 2013, opgesteld door Oranjewoud/Antea Group, dat is opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van alle genoemde wegen berekend. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de gevels van het geprojecteerde onderwijsgebouw de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. Verder blijkt dat de verkeersaantrekkende werking die van het plan uitgaat niet leidt tot een hoorbare toename bij de bestaande woningen langs de toevoerroutes.

Spoorweglawaai

Op grond van de Wgh hebben spoorlijnen van rechtswege een geluidzone. Ook de spoorlijn Apeldoorn-Deventer/Zutphen heeft een geluidzone. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen zo'n geluidzone moeten terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit het Besluit geluidhinder spoorwegen in acht genomen worden. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 53 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 68 dB (Lden) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Onderzoeksresultaten spoorweglawaai

In de rapportage d.d. 10 december 2013, opgesteld door Oranjewoud/Antea Group, dat is opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van de spoorlijn Apeldoorn-Deventer/Zutphen berekend. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de gevels van het geprojecteerde onderwijsgebouw de voorkeursgrenswaarde van 53 dB overschrijdt. De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 68 dB wordt echter niet overschreden. Bronmaatregelen en/of overdrachtsmaatregelen om de geluidsbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk en/of stuiten op stedenbouwkundige, financiële en verkeerskundige bezwaren. De vestiging van een instelling voor hoger beroepsonderwijs is derhalve alleen mogelijk na vaststelling van hogere waarden. De gronden waarop het vaststellen van hogere waarden is gebaseerd, zijn het opvullen van een open plaats, vervanging van bestaande bebouwing en de nabijheid van een station.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar geluidsklimaat bij de nieuwe geluidgevoelige bestemming.

5.2.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de waarden voor de andere stoffen die in de wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt de vestiging van een instelling voor hoger beroepsonderwijs. Onderwijs valt niet onder de categorieën van gevallen uit de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', valt niet onder het toepasbaarheidsbeginsel en valt niet onder het NSL. Daarom is de luchtkwaliteit nader onderzocht.

In de rapportage d.d. 10 december 2013, opgesteld door Oranjewoud/Antea Group, dat is opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, is het resultaat van dit onderzoek beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat de toename van de concentraties NO2 en PM10 vanwege de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling onder de grenswaarde blijft. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit.

5.2.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS) te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

In november 2011 heeft de gemeenteraad de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten externe veiligheid

In de omgeving van het plangebied bevindt zich één Bevi-inrichting, te weten het LPG-tankstation aan de Laan van de Mensenrechten 555. De risicocontouren van dit bedrijf en het invloedsgebied waarbinnen met het bedrijf rekening gehouden moet worden liggen buiten het plangebied. Het LPG-tankstation levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde bestemming in het plangebied.

In de gemeente Apeldoorn is geen speciale route over de weg voor gevaarlijke stoffen aangewezen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen moet op dit moment uitgegaan worden van de prognosecijfers die ProRail heeft opgegeven voor het jaar 2020. De gevolgen van deze transportaantallen voor de externe veiligheid zijn berekend door Oranjewoud (Rapportage onderzoek externe veiligheid Transport gevaarlijke stoffen door spoorzone Apeldoorn, d.d. 20 december 2010). Uit dit onderzoek blijkt dat voor de spoorlijn Amersfoort - Deventer geen contour voor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Uit de berekeningen blijkt dat verder dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Amersfoort - Deventer niet leidt tot een groepsrisico binnen het plangebied. Zowel groeps- als plaatsgebonden risico leveren derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde functie in het plangebied.

In de Nota milieu-veiligheid is als beleidsregel opgenomen dat bijzonder kwetsbare objecten (zoals verpleeghuizen, basisscholen en jeugd-, kinder- en naschoolse opvang) zoveel als mogelijk uit het invloedsgebied van risicobronnen moeten worden geweerd. De reden hiervoor is dat een groot deel van de personen die zich doorgaans in zo'n object bevinden minder zelfredzaam is en daardoor, wanneer zich een calamiteit voordoet bij zo'n risicobron, in dit geval de spoorlijn Amersfoort - Deventer, bijzondere aandacht van de hulpverlenende instanties nodig hebben. Slechts onder voorwaarden kunnen deze objecten toegelaten worden, waarbij afstemming wordt gezocht met de veiligheidsregio zodat een adequate rampenbestrijding kan worden ingericht. Deze voorwaarden zijn in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Een bespreking daarvan staat in paragraaf 6.3 waar de regels voor de bestemming Maatschappelijk zijn toegelicht.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

5.2.7 Elektromagnetische velden

Op basis van het voorzorgsprincipe wordt geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT). De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

5.2.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt een activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., te weten de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat hier om de bouw van een instelling voor hoger beroepsonderwijs. De oppervlakte van de school ligt echter ver beneden de drempelwaarde-oppervlakte van 100 hectare die in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen.

Uit paragraaf 5.4 van deze toelichting volgt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt vanuit de natuurwaarden. Het plan ligt daarnaast zodanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake kan zijn. Aannemelijk is dat als een ontheffing van de verboden van de Flora- en faunawet vereist is, deze ook verleend zal worden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied en er is geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.

De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 5.2.2 tot en met 5.2.7. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht en geen m.e.r.-beoordelingsplicht.

5.3 Waterhuishouding

5.3.1 Algemeen

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is 12.131 m2 groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen de Keurzone van watergangen en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging.

5.3.2 Grondwater

In de Spoorstraat bevindt zich een peilbuis van het gemeentelijk grondwatermeetnet. Uit de beschikbare metingen kan worden afgeleid dat de grondwaterstand zich gemiddeld tussen 2 en ruim 2,5 m onder het maaiveld bevindt. Er is in en rondom het plangebied geen grondwateroverlast bekend. Het plangebied bevindt zich binnen de door de provincie vastgestelde grondwaterfluctuatiezone. Gezien de hoogte van de grondwaterstand heeft dit geen consequenties voor de planontwikkeling.

De nieuwbouw en aanverwante ontwikkelingen zullen geen nadelige effecten voor de grondwaterstand veroorzaken. Hierdoor zal het plangebied grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

5.3.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Er is in en rondom het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. Hoewel de ambitie bestaat om de Kayersbeek weer bovengronds te brengen, is onzeker of dat gerealiseerd kan worden. Het bestemmingsplan maakt dat mogelijk, maar stelt het niet verplicht. In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

5.3.4 Afvoer van hemelwater

In de huidige situatie zijn de terreinverhardingen op het terrein van de Nettenfabriek aangesloten op de gemengde riolering. Op het terrein zelf en in de aangrenzende straten is geen sprake van wateroverlast bij hevige regenval. Op andere plekken in de directe omgeving komt bij hevige regenval wel incidenteel wateroverlast voor.

In het gemeentelijk waterbeleid is bepaald dat bij nieuwbouw en herstructurering het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen niet meer op de afvalwaterriolering mag worden aangesloten. Het hemelwater moet in de bodem worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit; uitgangspunt is dat de infiltratievoorziening op eigen terrein wordt gerealiseerd. Indien er oppervlaktewater aanwezig is kan onder voorwaarden (voldoende waterberging en niet belastend voor de waterkwaliteit) het hemelwater afgevoerd worden naar het oppervlaktewater.

De hogeschool wordt alleen eigenaar van de grond onder de nieuwbouw en huurder van het te renoveren kantoorgebouw; er is (nagenoeg) geen onbebouwd eigen terrein waarop infiltratie van hemelwater in de bodem kan plaatsvinden. Daarom legt de gemeente een hemelwaterinfiltratievoorziening in de openbare ruimte voor de hogeschool aan. De kosten daarvan komen voor rekening van de hogeschool.

De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen. De afkoppeling van regenwater ten opzichte van de bestaande situatie zorgt voor een geringere belasting van het rioolstelsel.

5.3.5 Afvoer van afvalwater

Het nieuwe gebouw moet worden voorzien van gescheiden afvoeren voor afval- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De afvalwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw. Doordat het hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd wordt het rioolstelsel minder belast.

5.3.6 Watertoets

Het plangebied is in de huidige situatie al (nagenoeg) geheel verhard. Door de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt wordt derhalve minder dan 1.500 m² verhard oppervlak toegevoegd. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Er wordt niet afgeweken van dit standaard wateradvies en er zijn geen negatieve gevolgen voor het watersysteem; mitigatie en compensatie zijn dan ook niet aan de orde.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.

5.4 Natuurwaarden

5.4.1 Wettelijk kader

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de provinciale richtlijn voor Bos- en natuurcompensatie.

Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen. Voor álle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Flora- en faunawet (verder: Ffw) noodzakelijk.

De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Het gevolg is onder andere dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten voorkomen worden. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen zijn op grond van de Flora- en faunawet verboden. Hiervoor zijn van belang de artikelen 8 t/m 12 Ffw waarin onder andere de vernieling en beschadiging van beschermde planten en het doden, verwonden, vangen, verontrusten en verstoren van diersoorten en hun verblijfplaatsen is verboden.

Op grond van artikel 75 Ffw kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en op grond van de op basis van artikel 75 vastgestelde AMvB (het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet) gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid.

  • 1. Algemene soorten
    Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de artikelen 8 t/m 12 Ffw. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.
  • 2. Overige soorten
    De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort'.
  • 3. Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75
    Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn wordt geen ontheffing verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de soorten van bijlage 1 van de AMvB geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen verstorende werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een ontheffing is verkregen. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • a. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; en
    • b. er is geen alternatief; en
    • c. doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Van een (beperkt) aantal vogels zijn de rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden maar dat buiten het broedseizoen de nestplaatsen, zonder ontheffing, mogen worden verstoord. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.

Voor de verstoring van (jaarrond beschermde) vogels die zijn genoemd in de Vogelrichtlijn en hun nesten kan alleen ontheffing worden verleend als is voldaan aan de volgende criteria:

  • er wordt geen afbreuk gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, en
  • er bestaat geen andere bevredigende oplossing (er is geen alternatief), en
  • met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, belangen:
    • 1. bescherming van flora en fauna;
    • 2. veiligheid van het luchtverkeer;
    • 3. volksgezondheid of openbare veiligheid.

Vleermuizen behoren tot categorie 3 van zwaarst beschermde soorten (genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75 Ffw) waarvan de verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn.

Gebiedsbescherming

Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Natuurbeschermingswet 1998. De Nb-wet beschermt Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten. Voor activiteiten met een mogelijk effect op deze gebieden is toetsing aan de Nb-wet noodzakelijk. De planologische bescherming van gebieden die zijn aangemerkt als Ecologische Hoofdstructuur is via de Wet ruimtelijke ordening geborgd. Bescherming van bos is aan de orde als de bestemming van bestaand bos wordt gewijzigd.

Bos- en natuurcompensatie

Bos en natuur worden ook beschermd door de Boswet en de provinciale richtlijn Bos- en natuurcompensatie uit 1998, die is gericht op de instandhouding van het bos- en natuurareaal in de provincie Gelderland. Voor gronden met de hoofd- of medebestemming 'Bos' en 'Natuur' die in het kader van ruimtelijke planvorming wordt aangetast, gelden bepaalde compensatieregels.

5.4.2 Onderzoeksresultaten
5.4.2.1 Gebiedsbescherming

Het ontwikkelingsgebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Er is daarom geen sprake van directe effecten. De afstand van het plangebied tot het meest nabije Natura 2000-gebied Veluwe en tot het dichtstbijzijnde deel van het Gelders natuurnetwerk bedraagt ongeveer 3 kilometer. Gezien die afstanden en het lokale karakter van de geplande ontwikkeling worden derhalve geen externe effecten op Natura 2000-gebieden en Gelders natuurnetwerk verwacht. In het ontwikkelingsgebied is geen bos aanwezig. Ook worden geen bosjes van minimaal 10 are of 20 bomen in rijbeplanting gekapt.

Geconcludeerd kan worden dat gebiedsbescherming niet aan de orde is en dat er ook geen herplantplicht voor bos of bomen geldt.

5.4.2.2 Soortbescherming - toetsing Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet

Quickscan

Op het hele terrein van de Nettenfabriek is een basisnatuurtoets of quickscan uitgevoerd om vast te stellen of in te schatten of er in het gebied waar zich de (ruimtelijke) ingreep zal voordoen sprake is van beschermde gebieden, beschermde planten of diersoorten, en wat het (mogelijke) effect van de voorgenomen plannen of handelingen daarop is. De rapportage van dit onderzoek, 'Basis Natuurtoets Nettenfabriek' d.d. 21 augustus 2014, uitgevoerd door de gemeente Apeldoorn, is opgenomen in bijlage 4 van de Bijlagen bij de toelichting. Getoetst is op de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet, Ecologische Hoofdstructuur en op eventuele noodzaak tot natuur- en boscompensatie. Uit dit onderzoek blijkt het volgende.

In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien het lokale karakter van de ingreep worden effecten op beschermde plantensoorten daarom uitgesloten. Dieren of sporen van dieren werden nergens aangetroffen.

Om de nieuwbouw te kunnen realiseren moet een deel van de aanwezige bebouwing gesloopt worden en moet het te behouden kantoorgebouw gerenoveerd worden. De betreffende gebouwen kennen een flink aantal goede ingangen tot verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen. Daardoor is het mogelijk dat vogels en/of vleermuizen verblijfplaatsen in de te slopen dan wel te renoveren bebouwing hebben. Omdat niet kan worden uitgesloten dat het slopen en renoveren van bebouwing leidt tot verstoring van deze diersoorten en hun nest-, verblijf- en rustplaatsen dient nader onderzoek gedaan te worden naar het al dan niet voorkomen van in de stedelijke omgeving in gebouwen te verwachten vleermuissoorten en naar vogels met jaarrond beschermde nesten.

Ecologische beoordeling vleermuizen en vogels

Om de uitkomst van de quickscan nader te onderzoeken is door Tauw een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage van die beoordeling, gedateerd 12 december 2014, is als bijlage 5 van de Bijlagen bij de toelichting toegevoegd. Doel van deze beoordeling is vast te stellen of het gebouw geschikt is als vaste verblijfplaats voor vleermuizen en jaarrond beschermde vogelsoorten en te toetsen of de geplande werkzaamheden negatieve effecten kunnen veroorzaken op beschermde soorten waarvoor een ontheffingsplicht op grond van de Flora- en faunawet geldt.

Uit de beoordeling blijkt het volgende.

  • De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vogels wordt zowel in de te slopen fabriekshal als in het te renoveren voormalige kantoorgebouw uitgesloten. Verstoring van (verblijfplaatsen van) vogels is derhalve niet aan de orde.
  • De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen fabriekshal wordt uitgesloten. Het slopen van de fabriekshal vormt geen fysieke aantasting van een verblijfplaats van vleermuizen in deze hal en levert ook geen verstoring op van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in het te renoveren voormalige kantoorgebouw.
  • De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het te renoveren voormalige kantoorgebouw kan niet worden uitgesloten. Wanneer hier daadwerkelijk vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, worden deze verstoord door het nieuwbouwgedeelte dat aansluit op het voormalige kantoorgebouw en de renovatie van het voormalige kantoorgebouw zelf. De verwachting is dat, mocht hier een vleermuisverblijfplaats aanwezig zijn, dit hooguit een kleine verblijfplaats (mannen- of paarverblijfplaats) zal zijn.
  • Om vast te stellen of zich daadwerkelijk vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het te renoveren voormalige kantoorgebouw bevinden dient nader onderzoek conform het vleermuisprotocol van Netwerk Groene Bureaus te worden uitgevoerd.
  • Als er één of meer verblijfplaatsen worden aangetroffen moet een ontheffing van de verboden van de Flora- en faunawet worden aangevraagd en kunnen de werkzaamheden die leiden tot verstoring en/of wegnemen van het leefgebied van de vleermuizen pas worden uitgevoerd nadat de ontheffing is verleend.
  • Als er één of meer verblijfplaatsen worden aangetroffen en een ontheffing noodzakelijk is, moeten er mitigerende maatregelen genomen te worden. Voor het ten hoogste verwachte aantal en soort verblijfplaatsen is het (ruim) voldoende om vier grote kraamkasten en vier mannen/paarverblijfkasten in het plangebied of in de directe omgeving aan te brengen. De directe omgeving van het plangebied biedt daarvoor voldoende mogelijkheden.
  • Als het hiervoor genoemde onderzoek is uitgevoerd en eventueel benodigde mitigerende maatregelen worden getroffen is het alleszins aannemelijk dat -indien dat aan de orde is- een ontheffing van de Flora- en faunawet zal worden verkregen.

Vleermuizenonderzoek paartijd

Uit de ecologische beoordeling blijkt dat nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuisverblijfplaatsen moet worden uitgevoerd. Op grond van het geldende Protocol Vleermuizen dient onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen te worden uitgevoerd op vier dagen in de periode mei - september, waarvan twee dagen in het eerste deel (kraamtijd) en twee dagen in het tweede deel (paartijd) van die periode dienen te liggen.

Door Ekoza is in 2014 al onderzoek gedaan naar het voorkomen van vleermuizen op het Nettenfabriekrerrein in de paartijd. De rapportage van dit onderzoek, 'Vleermuisonderzoek paartijd Nettenfabriek te Apeldoorn', gedateerd 6 november 2014, is opgenomen in bijlage 6 van de Bijlagen bij de toelichting. Geconstateerd is dat in één van de gebouwen op het Nettenfabriekterrein een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is. Sloop van dit gebouw kan daardoor pas plaatsvinden nadat een ontheffing op basis van de Flora- en faunawet is verkregen. Het betreffende gebouw ligt buiten het onderhavige plangebied. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Daardoor staat voor de paartijd vast dat de geplande sloop en nieuwbouw in het plangebied geen negatieve effecten hebben voor vleermuizen.

Er dient nog onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen in de kraamtijd. Dit onderzoek zal voorafgaand aan de uitvoering van mogelijk verstorende werkzaamheden moeten zijn uitgevoerd.

Conclusie

Voor het aantonen van dit aspect van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het voldoende als op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan aannemelijk is dat een eventueel benodigde ontheffing van de Flora- en faunawet wordt verleend. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat het mogelijk is om afdoende maatregelen te treffen. Het is derhalve aannemelijk dat het bevoegd gezag de benodigde ontheffing van de Flora- en faunawet zal verlenen.

5.5 Cultuurhistorie

5.5.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 Bro moet de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Daartoe is onderzoek uitgevoerd.

5.5.2 Onderzoeksresultaten

In het plangebied is geen monument aanwezig.

Ten behoeve van bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost, waarin ook het onderhavige plangebied lag, is door het Monumenten Advies Bureau de rapportage 'Ruimtelijke en cultuurhistorische waardering van de karakteristieke bebouwing' opgesteld. Deze rapportage, gedateerd maart 2011, is opgenomen in bijlage 7 van de Bijlagen bij de toelichting. De rapportage bevat de resultaten van een cultuurhistorische inventarisatie van niet beschermde bebouwing in het bestemmingsplangebied Binnenstad Zuid-Oost in Apeldoorn. De objecten die niet als monument beschermd zijn maar wel aanmerkelijke cultuurhistorische waarden bezitten en bepalend en waardevol zijn voor het ruimtelijke beeld van het plangebied zijn getoetst aan de hand van vijf ruimtelijke en cultuurhistorische criteria. Ieder object is per criterium getoetst op de aanwezige kwaliteit. Per criterium is gescoord en de optelsom van de scores leidt tot de eindwaardering Hoge totaalwaarde of Positieve totaalwaarde. Onder Hoge totaalwaarde wordt verstaan: "Alle beschermenswaardige onderdelen (gebouwen, objecten en ensembles), die vanwege de voornamelijk hoge ruimtelijke waarden, historische waarden en objectwaarden van wezenlijk en onlosmakelijk belang zijn voor het projectgebied en zijn historisch-ruimtelijke gebiedskarakteristiek. Instandhouding van het gevelbeeld en/of hoofdvormen is noodzakelijk."

De bebouwing op de percelen Spoorstraat 27 en 29, het hele terrein van de voormalige Nettenfabriek, heeft in het rapport de eindwaardering Hoge totaalwaarde gekregen en wordt daarmee aangemerkt als behoudenswaardig.

5.5.3 Cultuurhistorische waardering kantoorgebouw en aanvaardbaarheid toevoegen nieuwbouw

Hoewel in de hiervoor beschreven rapportage alle in het plangebied aanwezige bebouwing is aangemerkt als behoudenswaardig zijn er redenen voor nuancering. In het verleden is namelijk al een sloopvergunning verleend voor het complex en herontwikkeling van het complex met volledig behoud van de bestaande bebouwing zal moeilijk zijn. Daarom wordt in dit plangebied alleen ingezet op behoud van het meest waardevolle deel van de bebouwing. Sloop van de overige bebouwing in het plangebied is vanuit cultuurhistorisch perspectief aanvaardbaar.

Het beeldbepalende deel van de bebouwing in het plangebied is de voormalige kantoorvleugel uit 1952 en 1958. Niet alleen wordt dit deel van het complex behouden, maar het zal ook ontwikkeld worden door toevoeging van nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0014.jpg"

Afbeelding - Kantoorvleugel 1952 en 1958, kantoorvleugel in rood gemarkeerd

De naoorlogse kantoorvleugel maakt wezenlijk onderdeel uit van het totale complex en is beeldbepalend voor zijn omgeving. Het is in 1952 (zijde Spoorstraat) en 1958 toegevoegd aan het complex naar een ontwerp van architectenbureau J.W. en C.A.W. Heuvelink. Het deel uit 1958 was ter vervanging van het oude kantoorgebouw uit 1907 dat in 1958 voor een groot deel verwoest was door een brand.

De bebouwing is typisch naoorlogs, met een menging van Functionalisme (nadruk op rechte lijnen) en Delftse School (baksteen, siermetselwerk, vormgeving luifel). De aansluiting van het kantoordeel uit 1958 op het reeds bestaande deel uit 1952 gebeurde door een verlenging met 1 travee, nog steeds zichtbaar in het kleurverschil van de gevel langs de Spoorstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0015.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0016.jpg"  
Vooraanzicht van het naoorlogse kantoorgebouw
 
Kleurverschil tussen de bouwdelen uit 1952 (r.) en 1958 (l.)  

Aan de historische bebouwing wordt nieuwbouw toegevoegd. Deze nieuwbouw wordt zo gepositioneerd dat de representatieve kantoorvleugel zowel aan de zijde van het station als aan de zijde van de Spoorstraat in het zicht blijft. Ook ligt de nieuwe bebouwing ter plaatse van de entree, dus aan het binnenterrein van het Nettenfabriekcomplex, iets terug ten opzichte van de oudbouw. Daarmee blijft de kantoorvleugel een herkenbaar onderdeel van het complex. Met deze ontwikkeling van het complex kunnen de meest herkenbare onderdelen behouden worden: behoud door ontwikkeling.

Uitgangspunten voor bestemmingsplan

Dat de cultuurhistorische waarde van de kantoorvleugel inderdaad behouden blijft dient in het bestemmingsplan geborgd te worden door het opnemen van een beschermingsregeling voor het karakteristieke kantoorgebouw en door het zodanig positioneren van het bouwvlak dat de nieuwbouw aan de kant van het binnenterrein van het Nettenfabriekcomplex terugligt ten opzichte van de oudbouw.

5.6 Archeologie

Zoals in paragraaf 2.5.7 al is uiteengezet hebben burgemeester en wethouders op 6 februari 2014 de Archeologische beleidskaart 2014 vastgesteld. Op deze beleidskaart is voor het hele grondgebied van de gemeente aangegeven hoe groot de kans is op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten.

In het plangebied komen gebieden voor die op de archeologische beleidskaart 2014 zijn aangemerkt als zone met hoge archeologische verwachting, zone met lage archeologische verwachting en terrein met specifieke archeologische waarde. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart waarop het plangebied is gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0017.jpg"

Afbeelding - Uitsnede uit archeologische beleidskaart, het plangebied is met rode lijn gemarkeerd

Op de terreinen met specifieke archeologische waarden bestaat een zeer aannemelijke kans dat bij bodemingrepen archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. In zones met hoge archeologische verwachting wordt de kans pas bij grotere bodemingrepen groot dat een archeologische vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft pas bij verstoringen van de bodem groter dan 500 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als de oppervlakte van de verstoring groter is dan 2.500 m2 met een diepte van meer dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. In principe geldt de verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren voor bouwen en voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Aangezien het bestemmingsplan het niet mogelijk maakt in het gebied met lage archeologische verwachting een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 te bouwen, is er in het betreffende artikel geen regeling voor bouwen opgenomen.

De nieuwbouw voor de hogeschool komt in het gebied met lage archeologische verwachting waar een onderzoeksplicht geldt voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2. De grondoppervlakte van het nieuwbouwdeel van de hogeschool is ongeveer 845 m2. Daardoor is het niet nodig om voor deze ontwikkeling archeologisch onderzoek uit te voeren.

Uitgangspunten voor bestemmingsplan

Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden dienen de relevante beschermingsregelingen opgenomen te worden, waardoor afhankelijk van de omvang van de bodemingreep een onderzoeksverplichting kan ontstaan.

5.7 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

De nieuwbouw voor de hogeschool is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad dan een exploitatieplan vast, tenzij het verhaal van kosten anderszins verzekerd is.

De realisatie van de nieuwe vestiging van de hogeschool is een particuliere ontwikkeling die plaatsvindt op initiatief van Hogeschool Saxion, deels op (toekomstig) eigen grond en deels op grond die initiatiefneemster van een derde zal huren. De uitvoering komt voor rekening en risico van deze initiatiefneemster. De gemeente sluit met initiatiefneemster een anterieure overeenkomst die betrekking heeft op de ontwikkeling van het schoolgebouw, het verhaal van gemeentelijke kosten en de door initiatiefneemster te betalen kosten in verband met de noodzakelijke aanpassing van de openbare ruimte in de omgeving. Ook is in deze anterieure overeenkomst bepaald dat initiatiefneemster de eventuele kosten van tegemoetkoming in planschade aan de gemeente zal vergoeden. Hierdoor is het kostenverhaal van de grondexploitatie verzekerd en is het niet noodzakelijk een exploitatieplan voor deze ontwikkeling vast te stellen.

Economische uitvoerbaarheid

Initiatiefneemster Saxion heeft ten behoeve van het aantonen van de economische uitvoerbaarheid een exploitatieopzet overgelegd waaruit blijkt dat zij de kosten die voor haar met dit project gemoeid zijn, kan dragen. De economische uitvoerbaarheid van de nieuwbouw en de huur van de bestaande bouw is gebaseerd op de volgende parameters:

  • 1. Investeringskosten nieuwbouw
  • 2. Exploitatiekosten gebruiksfase Saxion en huur bestaand kantoorgebouw
  • 3. Verbouw- en ontwikkelkosten op niveau brengen bestaande bouw.
  • 4. Investeringskosten aanleg openbare voorzieningen

Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft de provincie Gelderland uit het Impulsplan Gelderse Woningmarkt een subsidie van € 478.000 beschikbaar gesteld.

In het navolgende overzicht wordt per aspect aangegeven op welke wijze deze kosten gedekt zijn.

  • 1. Investeringskosten nieuwbouw
    De investeringskosten van de nieuwbouw van Saxion bedragen circa € 6 mln. Saxion dekt deze investeringskosten met liquide middelen uit het eigen vermogen. De in dit bedrag opgenomen exploitatiebijdrage die Saxion op grond van de anterieure overeenkomst aan de gemeente betaalt voor onder andere het herzien van het bestemmingsplan wordt gedekt uit (een deel van) de provinciale subsidie. In het bedrag van de investeringskosten is rekening gehouden met het vergoeden van de eventuele kosten van tegemoetkoming in planschade aan de gemeente. Initiatiefneemster heeft daartoe een planschaderisicoanalyse laten opstellen, waaruit de verwachting blijkt dat de nieuwe planologische regeling voor de hogeschool niet zal leiden tot schade die op basis van afdeling 6.1 Wro voor tegemoetkoming in aanmerking dient te komen.
  • 2. Exploitatiekosten gebruiksfase Saxion en huur bestaand
    Saxion heeft op basis van het ontwerp van de nieuwbouw en haar ervaringscijfers met betrekking tot de exploitatie van onderwijsgebouwen (Saxion heeft ook vestigingen in Enschede, Hengelo en Deventer) een exploitatiekostenoverzicht opgesteld voor de nieuwbouw in Apeldoorn. Deze kosten bedragen circa € 415.000 per jaar (exploitatielasten inclusief gedifferentieerde afschrijving over 15 tot 50 jaar op basis van installatie- en bouwkosten). Daarnaast wordt nog circa 1.000 m2 BVO gehuurd in het bestaande kantoorgebouw. Deze huurkosten bedragen circa € 135.000 per jaar. Tot slot huurt Saxion een aantal parkeerplaatsen van een derde partij. De kosten hiervoor worden geraamd op € 15.000 per jaar.
    Deze exploitatiekosten zijn opgenomen in het totale exploitatieoverzicht van Saxion voor de komende 10 jaar. De inkomsten van Saxion worden hoofdzakelijk gegenereerd uit het aantal studenten dat onderwijs volgt bij Saxion. Van deze inkomsten wordt een deel toegekend aan het huisvestingsbudget van Saxion. Op basis van de studentenaantallen en prognoses voor de komende 10 jaar blijkt dat het huisvestingsbudget toereikend is om de exploitatie van alle Saxiongebouwen, inclusief de nieuwbouw, de huur van het bestaande gebouw en kosten voor de huur van parkeerplaatsen in Apeldoorn, te bekostigen.
  • 3. Investeringskosten op niveau brengen bestaande bouw
    Het bestaande kantoorgebouw wordt opgeknapt en zal voldoen aan de huidige eisen voor gebruik. De verbouw- en ontwikkelkosten van ca € 1,2 mln zijn verdisconteerd in het huurbedrag dat is vastgelegd in de afspraken tussen de verhuurder en Saxion.
  • 4. Investeringskosten aanleg openbare voorzieningen
    Ten behoeve van de ontwikkeling van het gehele Nettenfabriekterrein worden aanpassingen gedaan in de openbare ruimte, waaronder het doortrekken van de voetgangersverbinding tussen treinstation en busstation en het verleggen van de Spoorstraat. De kosten hiervoor zijn geraamd op maximaal € 428.000. Deze kosten zijn in hun geheel gedekt door de provinciale subsidie.

De door initiatiefneemster overgelegde exploitatieopzet toont aan dat er financiële dekking is voor zowel de investering als de exploitatie van de nieuwbouw van Saxion en de huur van het bestaande gebouw door Saxion. Bij eventuele teruglopende studentenaantallen en daarmee inkomsten kan Saxion het huurdeel afstoten om zo de kosten en inkomsten passend te houden.

In eerdere bestemmingsplannen was voor het driehoekige terrein direct ten noorden van het busstation, zuidelijk van het huidige kantoorgebouw van de Belastingdienst, nog een mogelijkheid opgenomen een nieuw kantoorgebouw op te richten. Invulling van deze locatie is tot op heden niet gelukt. Inmiddels is gebleken dat er in Apeldoorn een overschot is aan kantoorruimte en dat er geen behoefte is aan een toevoeging van nieuwe kantoorruimte op deze plek. In de grondexploitatie Forumpark is de grondwaarde van het betreffende terrein op nihil gesteld. Gebruik van het terrein ten behoeve van de openbare ruimte, bij voorbeeld in de vorm van extra busbuffer, en het wegbestemmen van de bestemming Kantoor, is daarom vanuit planeconomisch oogpunt niet bezwaarlijk.

Het betreffende terrein is op de navolgende afbeelding met rode lijn gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0018.png"

Afbeelding - Terrein waar bestemming Kantoor in onderhavig bestemmingsplan is wegbestemd

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

5.8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op 10 december 2014 is een informatiebijeenkomst voor omwonenden gehouden. Tijdens deze bijeenkomst zijn de plannen voor het hogeschoolgebouw toegelicht en hebben de aanwezige omwonenden er hun reactie op gegeven. Tijdens eerdere bijeenkomsten voor de buurt zijn de plannen voor de openbare ruimte aangekondigd.

6 Juridische planopzet

6.1 Inleiding

In hoofdstuk 4 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 5 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 6.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 6.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 6.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

6.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Spoorstraat 29 Onderwijslocatie en Stationsplein oost is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen. Het doel van dit bestemmingsplan is het planologisch-juridisch mogelijk maken van het verbouwen van het bestaande kantoorgebouw en het daaraan toevoegen van nieuwbouw ten behoeve van maatschappelijke functies, waaronder het geven van onderwijs, en het herinrichten van de nabijgelegen openbare ruimte ten behoeve van de bereikbaarheid van de locatie.

6.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond.

Maatschappelijk

Belangrijk doel van dit bestemmingsplan is het mogelijk maken van het verbouwen van het bestaande kantoorgebouw en het daaraan toevoegen van nieuwbouw ten behoeve van de vestiging van de hogeschool. Er is geen aanleiding om de gebruiksmogelijkheden van het plangebied te beperken tot uitsluitend de functie onderwijs, ook andere vormen van maatschappelijke voorzieningen zijn denkbaar en toelaatbaar. Daarom is er voor dit plandeel gekozen voor de generieke bestemming Maatschappelijk. Deze bestemming laat een vrije uitwisseling tussen de verschillende maatschappelijke voorzieningen toe. Toegestaan zijn maatschappelijke voorzieningen in de categorieën 1 en 2. Welke voorzieningen dat zijn staat in de Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen die in de bijlagen bij de regels is opgenomen. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

In paragraaf 5.2.6 is beschreven de in de Nota milieu-veiligheid opgenomen beleidsregel dat bijzonder kwetsbare objecten (zoals verpleeghuizen, basisscholen en jeugd-, kinder- en naschoolse opvang) zoveel als mogelijk uit het invloedsgebied van risicobronnen moeten worden geweerd. De reden hiervoor is dat een groot deel van de personen die zich doorgaans in zo'n object bevinden minder zelfredzaam is en daardoor, wanneer zich een calamiteit voordoet bij zo'n risicobron, in dit geval de spoorlijn Amersfoort - Deventer, bijzondere aandacht van de hulpverlenende instanties nodig hebben. Slechts onder voorwaarden kunnen deze objecten toegelaten worden, waarbij afstemming wordt gezocht met de veiligheidsregio zodat een adequate rampenbestrijding kan worden ingericht. Het onderhavige bestemmingsplan laat maatschappelijke voorzieningen toe, met een verwijzing naar de als bijlage bij de regels opgenomen Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen. Op die lijst komen ook de bijzonder kwetsbare objecten ziekenhuizen, verpleeghuizen, basisscholen en jeugd-, kinder- en naschoolse opvang voor. In de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk is bij het onderdeel maatschappelijke voorzieningen bepaald dat ziekenhuizen, verpleeghuizen, basisscholen en jeugd-, kinder- en naschoolse opvang niet zijn toegestaan. Vervolgens is voor die functies een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om die bijzonder kwetsbare objecten toch toe te laten. Daardoor kan in een concreet geval aan de hand van een aanvraag om omgevingsvergunning worden beoordeeld of er voldoende en adequate vlucht- en reddingsmogelijkheden voor de bijzonder kwetsbare personen zijn.

Zoals in paragraaf 4.3 is beschreven bestaat de mogelijkheid dat, in het kader van de samenwerking met het bedrijfsleven en een betere afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt, een ondergeschikt deel van het gebouw ook gebruikt wordt voor (al dan niet startende) bedrijfjes. Daartoe is aan de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk toegevoegd dat ook bedrijfsactiviteiten die staan op de Lijst van toegelaten bedrijfstypen, die is opgenomen als bijlage bij de regels, zijn toegelaten. Op deze lijst staan bedrijfstypen van categorie 1 die enige relatie hebben met de onderwijsfunctie die het gebouw primair zal hebben. Bepaald is dat deze bedrijfsfuncties in omvang en aard en invloed op de omgeving ondergeschikt moeten zijn aan de maatschappelijke voorzieningen.

Conform het voorgaande gebruik mag het voormalige kantoorgebouw (geheel of gedeeltelijk) gebruikt worden als kantoor. Het deel waarvoor dit geldt is op de plankaart aangegeven met de aanduiding 'kantoor'; in de regels is bepaald dat de gronden ter plaatse van deze aanduiding als kantoor mogen worden gebruikt.

In paragraaf 4.4.2 is beschreven dat moet worden geborgd dat de benodigde 34 parkeerplaatsen daadwerkelijk beschikbaar komen en blijven door in de regels van het bestemmingsplan parkeernormen te stellen. Daartoe is in de specifieke gebruiksregels van de bestemming Maatschappelijk sublid 3.4.2 Parkeernormen opgenomen. Daarin is bepaald dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt voor maatschappelijke voorzieningen, bedrijfsactiviteiten en kantoor als wordt voldaan aan de parkeernormen. De parkeernorm voor de hogeschool is in deze bepaling vastgelegd, voor de parkeernormen voor overige functies wordt verwezen naar de Lijst parkeernormen die als bijlage bij de regels is gevoegd. Gebruik in strijd met deze bepaling is een strafbaar feit. Lid 3.5 geeft de mogelijkheid af te wijken van de parkeernormen indien op andere wijze in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien en voor zover geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan.

Verkeer - Verblijfsgebied

De rest van het plangebied bestaat uit openbare ruimte en heeft daarom de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied gekregen. Deze bestemming wordt in Apeldoornse bestemmingsplannen toegekend aan gebied met een verblijfsfunctie: wegen en straten zonder functie voor doorgaand verkeer, pleinen, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen. Ook in het nu nog geldende bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost heeft het gebied deze bestemming.

Bij het busstation staat een (nood)gebouwtje dat wordt gebruikt als onderkomen en wachtruimte voor buschauffeurs. Bij de vaststelling van bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost bestond de verwachting dat dit gebouwtje op termijn vervangen zou worden door een permanent bouwwerk, mogelijk gecombineerd met andere functies. Het was nog niet bekend waar zo'n nieuw gebouw precies zou komen. Daarom was in dat bestemmingsplan een groot bouwvlak opgenomen, warvan maximaal 35% bebouwd mocht worden. Om het Nettenfabriekterrein voor voetgangers op een aantrekkelijke en veilige wijze bereikbaar te maken wordt de voetgangersverbinding die nu het treinstation met het busstation verbindt, doorgetrokken tot aan het Nettenfabriekterrein. Het busschauffeursonderkomen stond precies op de strook waar de doorgetrokken voetgangersverbinding moet komen. Om deze voetgangersverbinding  te kunnen realiseren is het busschauffeursonderkomen al verplaatst. In de toekomstige inrichting van het gebied is er geen andere plaats meer voor dit gebouw en daarom is op de huidige locatie een bouwvlak opgenomen, dat volledig bebouwd is en mag worden.

Zoals in paragraaf 5.2.3 over het aspect milieuzonering is beschreven dient ten behoeve van een goed leefklimaat ter plaatse van de hogeschool in het bestemmingsplan geborgd te worden dat het busstation niet dichter bij de hogeschool komt dan waar zich in de huidige situatie de busperrons bevinden. In bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost was de aanduiding voor het gebied waar een busstation is toegelaten opgenomen voor zowel het busstation/de busperrons als de busbuffer. In het onderhavige bestemmingsplan is de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - busstation' alleen gegeven aan het gebied waar het busstation feitelijk is.

In bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost en in het daarvoor geldende bestemmingsplan was een bouwmogelijkheid opgenomen voor een kantoorgebouw op het driehoekige terrein direct ten noorden van het busstation. Inmiddels is gebleken dat er in Apeldoorn een overschot aan kantoorruimte bestaat en dat er geen behoefte is aan extra kantoorruimte op deze plek. In de nieuwe situatie zal het terrein als openbare ruimte gebruikt worden, zoals nu feitelijk ook al het geval is. Mogelijk zal het terrein worden ingericht als extra busbuffer. In de paragrafen5.1 en 5.7 is hier al aandacht aan besteed en is met een kaartje de exacte locatie aangegeven.

Bouwregels

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is per bestemming een bebouwingsschema opgenomen. In de bebouwingsschema's staan de maatvoeringsaspecten die voor die specifieke bestemming gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart.

Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

Regeling karakteristieke panden

De kantoorvleugel heeft in de rapportage 'Ruimtelijke en cultuurhistorische waardering van de karakteristieke bebouwing', die is beschreven in paragraaf 5.5.2, een Hoge totaalwaarde en is aangemerkt als behoudenswaardig. In paragraaf 5.5.3 is beschreven dat behoud van de kantoorvleugel randvoorwaarde voor de ontwikkeling is. Ook is daar gesteld dat behoud van de cultuurhistorische waarde van de kantoorvleugel in het bestemmingsplan geborgd dient te worden. Daarom is dit bouwdeel in het bestemmingsplan aangewezen als karakteristiek pand. Op de plankaart heeft het de aanduiding 'karakteristiek' gekregen. In de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk is bepaald dat ter plaatse van die aanduiding de gronden (ook) bestemd zijn voor behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden. Verder is bepaald dat het ter plaatse van die aanduiding verboden is de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te slopen zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Kort gezegd wordt deze vergunning alleen verleend wanneer de kosten van renovatie zo hoog zijn dat handhaven van het pand redelijkerwijs niet meer kan worden geëist. De aanvrager dient dit met een rapport van een deskundige aan te tonen.

6.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

6.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen in het hele plangebied (zowel binnen als buiten het bouwvlak) is toegestaan, mits de ondergrondse ruimten een functionele eenheid vormen met en dienstbaar zijn aan de woon-, kantoor- en werkfuncties in de omgeving. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In lid 7.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In lid 7.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

Artikel 13 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

6.4.2 Bepalingen over waarden

In hoofdstuk 3 zijn, naast de algemene regels, ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden opgenomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze waarden voorkomen.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart 2014 kent, zoals in paragraaf 2.5.7 al is beschreven, zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in Monumentenwet en monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

In het plangebied komen gebieden voor die zijn aangemerkt als zone met hoge archeologische verwachting, zone met lage archeologische verwachting en terrein met specifieke archeologische waarde. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart waarop het plangebied is gemarkeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1240-ont1_0019.jpg"

Gebied dat op de archeologische beleidskaart is aangemerkt als Terrein met specifieke archeologische waarden heeft de aanduiding 'overige zone – specifieke archeologische waarden' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Gebied dat op de archeologische beleidskaart is aangemerkt als Zone met hoge archeologische verwachting heeft de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Gebied dat is aangemerkt als Zone met lage archeologische verwachting heeft de aanduiding 'overige zone – lage archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt normaliter dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Aangezien het onderhavige bestemmingsplan het oprichten van een bouwwerk met een grondoppervlakte groter dan 2.500 m2 niet mogelijk maakt, is deze bouwregeling in dit bestemmingsplan niet opgenomen.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor alle in het bestemmingsplan gereguleerde categorieën gebieden dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Om duidelijk te maken welke archeologische waarden in de verschillende gebieden worden beschermd zijn in de begripsbepalingen definities opgenomen van de begrippen terrein met specifieke archeologische waarden, zone met hoge archeologische verwachtingswaarde en zone met lage archeologische verwachtingswaarde.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 over de wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

6.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.