direct naar inhoud van 3.1 Identiteit en historie
Plan: Malkenschoten 23
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1180-vas1

3.1 Identiteit en historie

APELDOORN

Apeldoorn wordt voor het eerst in de 8e eeuw vermeld onder de naam Appoldro. In de 13e en 14e eeuw was Apeldoorn al een kerkdorp. De Veluwe werd in de Middeleeuwen doorsneden met handelsroutes, waarbij Apeldoorn als vergaderplaats heeft gefungeerd vanwege de centrale ligging.

Apeldoorn ligt op de oostflank van een stuwwal, op de grens van hoog en laag/droog en nat. Deze situatie was ideaal voor de ontwikkeling van een landbouwcultuur met een goede watervoorziening. Op grond van de ligging kon Apeldoorn worden gerangschikt onder de zogenaamde flank-esdorpen. De boerderijen waren dicht bij elkaar rondom een brink gebouwd, met daaromheen het bouwland.

Vanaf 1590 is een sprengenstelsel aangelegd ten behoeve van de papierfabricage. De stedelijke ontwikkeling werd rond 1810 aangezet. Deze ontwikkeling kwam niet tot stand door industrialisatie, maar door het initiatief van koning Willem I om Het Loo als residentiële buitenplaats te kiezen. In 1840 werd door de opkomende nijverheid en industrialisatie in Apeldoorn het sprengenstelsel verbeterd.

Rond 1850 kenmerkte Apeldoorn zich door lintbebouwing in noord-zuidrichting langs de Dorpsstraat. In het noorden leidde dit lint naar één van de assen van paleis Het Loo, in het zuiden kreeg dit lint een vervolg in de weg naar Arnhem. In de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkelde het agrarische dorp Apeldoorn zich steeds meer tot een villadorp. De verkaveling van enkele landgoederen in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw en de aanleg van spoorlijnverbindingen boden voor welgestelden de mogelijkheid zich te vestigen nabij het paleis in een fraaie omgeving, met aansluiting op het spoorwegnet. De belangrijke wegen, onder andere richting Zutphen, Deventer en Arnhem, werden bestraat of begrind. De ambachtelijke bedrijven, waaronder de papierfabrieken, bleken veelal niet meer rendabel te zijn en werden omgebouwd tot wasserij/blekerij. Deze markt werd voor Apeldoorn door de snelle groei belangrijk. De industriële ontwikkeling vond met name plaats langs het Apeldoorns Kanaal.

In de periode 1900-1940 nam het aantal inwoners van de gemeente Apeldoorn snel toe. De aantrekkelijkheid van Apeldoorn werd gevormd door de mooie omgeving, het van de grond komen van onderwijs- en gezondheidszorginstellingen en het steeds sterker wordende toerisme. De gemeente voerde daarbij tevens een aantrekkelijk woonbeleid. De bevolkingstoename bracht veel werk voor de bouwnijverheid met zich mee, maar op industrieel vlak bleef de ontwikkeling enigszins achter. Dit werd met name veroorzaakt door de toenemende buitenlandse concurrentie voor de papierfabricage.

Tot 1960 verliep de ontwikkeling van Apeldoorn vrij natuurlijk. Door de vestiging van de overheids- en zakelijke dienstverlening ontstond een grote werkgelegenheidsgroei. Ook maakte de woningbouw een explosieve groei door, waardoor veel van de oorspronkelijke landschappelijke structuren ter plaatse van de woningbouwlocaties verloren zijn gegaan. Door het kanaal en de spoorlijnen is Apeldoorn in vier delen opgesplitst. Een vergelijking tussen de historische kaart anno 1907 en de topografische kaart anno 2005 leert dat in een periode van honderd jaar, ondanks de grootschalige ruimtelijke ontwikkeling, veel historische lijnen herkenbaar zijn gebleven. Bij veel ontwikkelingen (met uitzondering van de uitleggebieden voor woningbouw) zijn de historische wegen en structuren in het landschap in acht genomen.


OMGEVING

De omgeving van het plangebied is van oorsprong een zeer nat en drassig gebied. Dit wordt mede veroorzaakt door de ligging aan de voet van de Veluwe. Vrij centraal is op historische kaarten de Nagelpoel te zien. Dit was een groot vergaarbekken voor kwelwater vanuit het Veluwemassief. Samen met het Beekbergerwoud is het gebied vrij laat ontgonnen (tweede helft 19e eeuw). Door het graven van de Kayersbeek kon gebruik gemaakt worden van het water om watermolens aan te drijven. De Kayersmolen, die in 1866 per abuis Keizersmolen wordt genoemd, stamt uit 1705. Hoewel het plangebied van oorsprong een nat gebied is geweest, verliep de watervoorziening van het Kanaal Zuid moeizaam. De Eerbeekse, Loenense en Beekbergse beken moesten ongebruikt onder het kanaal worden doorgevoerd om het droogleggen van lager gelegen gebieden en watermolens te voorkomen. In aanvulling op de Zwaansprengen (1870), de (verlegde) Kayersbeek en de zuidelijker gelegen Oude Beek en Oosterhuizersprengen, moesten de Veldhuizerspreng (1869-1872) en Vrijenbergerspreng (1874-1876) worden gegraven om het kanaal te voeden. Pas vier jaar na de voltooiing van het kanaal was scheepvaart mogelijk.

Rond 1900 bestond een groot deel van de omgeving van het plangebied nog uit heide. Ten zuiden van het plangebied werden wat gronden ontgonnen die deel uitmaakten van het Beekbergsche Broek. Ook langs de Arnhemseweg is activiteit te zien vanaf eind 19e eeuw. Hier ontwikkelden zich enige landgoederen met bijbehorend bos. Zo ontstond onder andere het Brandts Bos (circa 1930) in de zuidwestelijke hoek en de Zwaan als bedrijf. De spreng is vernoemd naar dit bedrijf. De Zwaanspreng en de Kayersbeek lopen parallel langs de noordelijke grens van het plangebied. De Zwaanspreng voert het water af in oostelijke richting, terwijl de Kayersbeek naar het noorden afbuigt, richting de Kayersmolen.


In 1907 kende de omgeving van het plangebied een strokenverkaveling die veelal oost-west gericht was. De relatief smalle verkavelingsstroken werden gebruikt voor bebossing, heide en natte weiden. In dit gebied lag een stelsel van landwegen. De ligging van deze landwegen heeft grotendeels de huidige ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied bepaald. De bebouwing in de omgeving is in dezelfde richting geplaatst als de landwegen.

Apeldoorn kende in de zestiger jaren een laag gemiddeld inkomen. De arbeidsmarkt bood weinig gelegenheid voor hoger gekwalificeerde arbeid; veel emigratie van jongelui met middelbare en hoger algemene- en beroepsopleiding was daarvan het gevolg. Deze situatie vormde de aanleiding tot een bewust wervend beleid, dat onder andere resulteerde in de komst van enige grote rijks- en particuliere kantoren en twee grote bedrijven, namelijk T.N.O. en Philips-Electrologica. Hierdoor verbeterde de situatie van de arbeidsmarkt en vond ook geleidelijk een algehele verbetering van het voorzieningenniveau plaats. Apeldoorn groeide uit tot een middelgrote stad. Ook in de omgeving van het plangebied was deze ontwikkeling duidelijk merkbaar. T.N.O. vestigde zich westelijk van de Arnhemseweg in een bosgebied, dat voor een deel bestond uit het aan de gemeente toebehorende landgoed "Dennenheuvel". Het terrein ten oosten van de Arnhemseweg was meer open met hier en daar wat bos en bebouwing. Hier vestigde zich Philips-Electrologica. Ten noorden daarvan, tussen de Arnhemseweg en de Oude Apeldoornseweg, was het park "Malkenschoten" ontstaan met een restaurant, kinderboerderij, speeltuin en kanovijver, tennispark, openluchtbad en sportvelden (een voetbalveldencomplex). Tussen de Oude Apeldoornseweg en de Kayersdijk, westelijk van de forellenvijver van de Nederlandse Heidemaatschappij "De Zwaanspreng", werd het sportpark "Nagelpoel" aangelegd met voetbal- en hockeyvelden. Deze recreatie-elementen sloten aan bij de zuidelijke stedelijke bebouwing van Apeldoorn met ertussen een groenstrook waarin de Kayersbeek en de Zwaanspreng zich bevinden.Ten oosten van de Kayersdijk ontstond tenslotte een industriegebied met meest kleinere bedrijven. Dit alles vond plaats in het kader van de uitbreidingsplannen. Met name het plan "werk- en recreatiegebied zuid" heeft, zoals de naam ook aangeeft, het huidige karakter van de omgeving bepaald.

Plangebied

De weg Malkenschoten is in de 19de eeuw aangelegd ten behoeve van de ontginning van de heide ter weerszijden. Ten noorden van de weg is nog iets over van het agrarische gebruik dat in de late 19de en vroege 20ste eeuw in plaats van de heide kwam, in de vorm van weitjes en akkertjes. De kleine woning Malkenschoten 23, die uit de vroege 20ste eeuw dateert, ademt ook nog de typische plattelandssfeer en is in die zin karakteristiek voor het heideontginningslandschap alhier.