direct naar inhoud van 4.1 Milieuaspecten
Plan: Zuiderpark en omgeving
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1135-vas1

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan Zuiderpark en omgeving is overwegend een beheerplan. De enige nieuwe ontwikkeling die er in is opgenomen is het (geheel of gedeeltelijk) ondergronds brengen van van de bovengrondse hoogspanningslijnen die door het park lopen. In de planologische procedure die voor de oprichting van dok Zuid is gevoerd, is onderzoek uitgevoerd naar de diverse milieuaspecten en is dit onderzoek beschreven. Met uitzondering van het ondergronds brengen van de hoogspanningleidingen is het voor dit bestemmingsplan niet nodig onderzoek uit te voeren en wordt volstaan met een beschrijving van de milieuaspecten.

4.1.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, met uitzondering van het (geheel of gedeeltelijk) ondergronds brengen van de bovengrondse hoogspanningslijnen. De legaal aanwezige functies zijn positief bestemd. Daarom is het niet nodig onderzoek te doen naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater.

Met betrekking tot het voorgenomen grondverzet dat noodzakelijk is voor het ondergronds brengen van de hoogspanningslijnen moet worden voldaan aan de bepalingen uit de Wet Bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit, inclusief de uit deze wet- en regelgeving voortvloeiende bodemonderzoeken.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, met uitzondering van het (geheel of gedeeltelijk) ondergronds brengen van de bovengrondse hoogspanningslijnen. Het overgrote deel van het plangebied is te kwalificeren als rustige woonwijk. Hier dienen in principe de richtafstanden uit de hiervoor besproken VNG-uitgave te worden aangehouden. In dit bestemmingsplan is dat gedaan door voor die gebieden de aanwezige milieubelastende functies de bestemming Gemengd en Maatschappelijk te geven en daarbinnen die milieucategorie toe te laten die op grond van de afstand tot omringende milieugevoelige functies toelaatbaar is.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van diverse wegen. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien maakt het niet de aanleg van nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen mogelijk. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard: het legt de bestaande situatie vast en maakt, met uitzondering van het geheel of gedeeltelijk ondergronds brengen van de bovengrondse hoogspanningslijnen, geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het ondergronds brengen van hoogspanningslijnen heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Resultaat is dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het daarom niet nodig de luchtkwaliteit te onderzoeken. Er wordt immers voldaan aan artikel 5.16 onder b Wm: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour).
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied.

Onderzoeksresultaten externe veiligheid

In het plangebied en in de nabijheid ervan bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Verder bevindt het plangebied zich niet binnen een risicocontour van een weg waarover transport van gevaarlijk stoffen plaatsvindt en zijn er geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen binnen het plangebied of in de nabijheid daarvan aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.1.7 Elektromagnetische velden

De staatssecretaris van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Wijzigingen aan bestaande lijnen of bestemmingsplannen waardoor het aantal gevoelige bestemmingen in de specifieke zone niet toeneemt, zijn niet bezwaarlijk. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

Door het plangebied lopen twee bovengrondse hoogspanningslijnen. Aan de westkant loopt de 150 kV hoogspanningslijn van Kattenberg naar Apeldoorn. De lijn aan de oostkant is de 150 kV hoogspanningslijn van Apeldoorn naar Woudhuis. Beide lijnen worden ten minste tot een punt ten zuiden van dok Zuid ondergronds gebracht en mogelijk nog verder zuidelijk.

De bestaande situatie is door Kema in 2007 in beeld gebracht om een goed beeld te krijgen van de 0,4 µT magneetveldzones Dit rapport, uit september 2007, is opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de toelichting. In dit rapport zijn voor iedere hoogspanningslijn steeds twee zones in kaart gebracht: de 0,4 µT magneetveldzone op basis van de jaargemiddelde stroomsterkte (de feitelijke contour) en de 0,4 µT magneetveldzone op basis van 50% van de maximale stroomsterkte (de theoretische contour). De magneetveldzones ter plaatse van het plangebied zijn als volgt berekend:

  westelijke lijn (Kattenberg-Apeldoorn) gemiddelde afstand ter weerszijden van het hart van de lijn   oostelijke lijn (Apeldoorn-Woudhuis)
gemiddelde afstand ter weerszijden van het hart van de lijn  
feitelijke 0,4 µT magneetveldzone
 
22 meter   28 meter  
theoretische 0,4 µT magneetveldzone
 
38 meter   74 meter  

Hoewel daarvoor geen wettelijke plicht bestaat en er ook geen richtlijnen bestaan voor het aanhouden van afstanden tussen gevoelige objecten en ondergrondse hoogspanningslijnen, is het gemeentelijk uitgangspunt dat daar waar de hoogspanningslijnen ondergronds worden gebracht, ter plaatse van gevoelige objecten en bestemmingen de 0,4 µT magneetveldzone van de ondergrondse lijn wordt gerespecteerd.

In de bestaande situatie waarin de hoogspanningslijnen bovengronds lopen ligt dok Zuid (met daarin gevoelige objecten woningen, kinderopvang en basisscholen) buiten de feitelijke, maar deels binnen de theoretische 0,4 µT magneetveldzone. Dit gebouw is evenwel al met een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gebouwd en kan daardoor als bestaande situatie worden aangemerkt. Met het ondergronds brengen van de hoogspanningslijnen wordt de magneetveldzone nu teruggebracht en valt dok Zuid buiten de zone. Voor de (overige) bestaande woningen in en rondom het plangebied en de vroegere locatie van de Sebastiaanschool geldt eveneens dat dit weliswaar gevoelige objecten zijn maar dat zij bij handhaving van de bovengrondse hoogspanningslijnen als bestaande situaties worden aangemerkt. Ook hier geldt dat daar waar de hoogspanningslijnen ondergronds worden gebracht, het tracé op een zodanige afstand tot deze bestaande gevoelige objecten en bestemmingen wordt gelegd dat de 0,4 µT magneetveldzone van de ondergrondse lijn wordt gerespecteerd en deze objecten buiten de zone vallen. Het vlak met de bestemming Leiding - Hoogspanning, de bestemming die ondergrondse hoogspanningslijnen expliciet tot doel heeft, is zo gesitueerd dat de gevoelige objecten en bestemmingen buiten de 0,4 µT magneetveldzone liggen.

Op het perceel Maasstraat 4 bevindt zich Buurthuis Maasstraat. In de bestaande situatie met bovengrondse hoogspanningslijnen ligt het buurthuis binnen de feitelijke en de theoretische magneetveldzones van de westelijke lijn. Bij realisering van het verkorte tracé komt de westelijke ondergrondse hoogspanningslijn direct ten zuiden van dok Zuid bovengronds en wordt vanaf daar opgeleid naar de mast direct oostelijk van het buurthuis. Dit betreft een wijziging aan een bestaande lijn waardoor het aantal gevoelige bestemmingen in de specifieke zone niet toeneemt, is daarmee niet bezwaarlijk en wordt als bestaande situatie beschouwd, aldus het advies van de staatssecretaris van VROM uit 2005, herhaald in de brief van de minister van VROM van 4 november 2008 waarin het advies van 3 oktober 2005 is verduidelijkt. Wanneer het toch lukt een langer tracé te realiseren, de uitdrukkelijke wens van alle betrokken partijen, komt ook Buurthuis Maasstraat buiten de magneetveldzones van de dan ondergrondse hoogspanningslijnen te liggen.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het bestemmingsplan maakt een activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., te weten D 24.1en D 24.2 : de aanleg, wijziging of uitbreiding van een boven- respectievelijk ondergrondse hoogspanningsleiding in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding van 150 kV of meer en een lengte van meer dan 5 kilometer in een gevoelig gebied. De drempelwaarde wordt echter niet overschreden doordat het te wijzigen deel een lengte van minder dan 5 km heeft. Daarom is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

Conclusie

Zoals beschreven in de voorafgaande paragraaf zullen er in de nieuwe situatie, ter plaatse van het tracé waar de lijnen ondergronds worden gebracht, geen bestaande of nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de 0,4 µT magneetveldzone meer liggen. Andere milieugevolgen zijn niet aan de orde bij het ondergronds brengen van deze lijnen. Hiermee kan worden uitgesloten dat de voorgenomen activiteit c.q. het ondergronds brengen van de hoogspanningslijnen belangrijke nadelige en/of onomkeerbare gevolgen kan hebben voor het milieu. Ten opzicht van de huidige situatie zal het ondergronds brengen van de hoogspanningslijnen een verbetering voor het milieu en daarmee de woon- en leefomgeving bewerkstelligen.