direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Anklaarseweg naast 121
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1117-vas1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportage d.d. 4 mei 2010, opgesteld door Aveco de Bondt en opgenomen in de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van het bodemonderzoek weergegeven. Hieruit blijkt het volgende:

Zintuiglijke waarnemingen:

Voornamelijk in de ondergrond van de onderzoekslocatie zijn bijmengingen met puin en/of kolengruis aangetroffen. Op het maaiveld of in de bodem zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Grond:

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek is gebleken dat ter plaatse van de voormalige bovengrondse tanklocatie in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is gemeten. In de ondergrond ter plaatse van de ondergrondse tanklocatie zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde gehalten gemeten. In de puin-, baksteen- en kolenhoudende ondergrond van het overig terrein zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, minerale olie en PAK gemeten.

Alle aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden (AW2000-waarden), maar liggen beneden de toetsingswaarden voor nader onderzoek.

Grondwater:

In het ondiepe grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en zink gemeten. De aangetoonde concentraties overschrijden de betreffende streefwaarden, maar liggen beneden de toetsingswaarden voor nader onderzoek.

Conclusie:

Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden.

Gegeven de in de rapportage beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik en voorgenomen (her)ontwikkeling.

Indien er in de toekomst bij eventuele grondwerkzaamheden grond vrijkomt, wordt geadviseerd deze grond zoveel mogelijk binnen de begrenzing van het perceel te verwerken.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  


Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussenbedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen(hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebiedenmetfunctiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Door de gemeente is ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld. Hieruit zijn onderstaande resultaten en conclusies naar voren gekomen.
De planlocatie ligt in een industriegebied en aan de stadsring Anklaarseweg en uitvalsweg Kanaal Noord/Oost Veluweweg. Er kan derhalve een correctie voor het milieuaspect geluid ten opzichte van het referentie-omgevingstype "rustige woonwijk" uitgevoerd worden en getoetst worden aan de richtafstanden ten opzichte van een "gemengd gebied".

Het verzoek betreft een milieubelastende functie. Er is hier dus alleen sprake van uitwaartse zonering. Wel is de functie (mogelijk) een (beperkt) kwetsbaar object. Derhalve is ook het aspect 'externe veiligheid' beschouwd.

Uitwaartse zonering

De gewenste activiteiten op de planlocatie zijn een autoservicebedrijf en een fastfoodrestaurant. Tevens worden de bestaande bedrijfsmatige gebruiksmogelijkheden voor de percelen Anklaarseweg 119 en 121 gehandhaafd. Voor de gewenste en reeds bestaande activiteiten op de planlocatie geldt een aan te houden (gecorrigeerde) milieuzone van 10 meter. Binnen deze zone bevinden zich woningen van derden. Dit zijn in principe bedrijfswoningen, maar deze zijn feitelijk niet zo in gebruik. Het gewenste fastfoodrestaurant en het autoservicebedrijf dienen op minimaal 10 meter van de woningen te worden gerealiseerd. Voor de maatgevende aspecten 'geur', 'geluid' en 'veiligheid' zijn specifieke onderzoeken uitgevoerd om aan te tonen dat voldaan wordt aan de geldende wetgeving en aan een goede ruimtelijke ordening.

Overige aspecten

Met betrekking tot externe veiligheid en elektromagnetische straling zijn Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) en transportgevaarlijke stoffen relevant.

Externe veiligheid - Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen

Op Kanaal Noord 360 is het Shell tankstation gevestigd. Dit bedrijf valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Het LPG-vulpunt heeft een PR 10-6-contour van 110 meter rondom het LPG-vulpunt. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico (GR) betreft het gebied binnen een straal van 150 meter rondom het LPG-vulpunt. Het LPG-vulpunt is op circa 100 meter van de planlocatie gelegen. De planlocatie bevindt zich derhalve gedeeltelijk binnen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico en gedeeltelijk binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van het BEVI-bedrijf.

Het gewenste autoservicebedrijf ligt gedeeltelijk binnen de PR 10-6-contour. Een dergelijk bedrijf is een beperkt kwetsbare object. Uit zowel het BEVI als de Beleidsvisie Externe Veiligheid (juni 2008) blijkt dat op een bedrijventerrein binnen de PR contour geen kwetsbare objecten geprojecteerd mogen worden. Beperkt kwetsbare objecten zijn alleen gemotiveerd toegestaan binnen de PR contour.

Verder wordt geadviseerd om het fastfoodrestaurant qua bruto vloeroppervlak te beperken tot 1.500 m2. Hiermee wordt de vestiging van kwetsbare objecten op het perceel voorkomen en worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun mogelijkheden. De beoogde McDonalds heeft een oppervlakte van ongeveer 480 m2 b.v.o. en voldoet hiermee ruim aan de geadviseerde oppervlakte.

Er dient ook bepaald te worden of het toevoegen van de gewenste ontwikkelingen op de planlocatie van invloed is op het groepsrisico (GR) van het tankstation en hoe groot de toename van het groepsrisico is. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 5.1.6.

Externe veiligheid - Transport gevaarlijke stoffen

Aangrenzend aan de planlocatie is de provinciale weg N793 gelegen. De PR 10-6-contour op basis van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is niet aanwezig. Vanwege de ligging binnen 200 meter vanaf de weg dient nog wel het groepsrisico en de toename hiervan te worden bepaald en mogelijk te worden verantwoord. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 5.1.6.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Het plan betreft de ontwikkeling van een bedrijventerrein nabij geluidgevoelige bestemmingen. Derhalve wordt de geluidsuitstraling van de te realiseren inrichtingen op de omliggende geluidgevoelige bestemmingen beschouwd.

Bij het projecteren van gewijzigde bedrijfsbestemmingen nabij nieuwe en bestaande woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen zal men een akoestisch onderzoek in moeten stellen naar de te verwachten geluidsbelasting op de gevels van deze bestaande bestemmingen.

Als een bestemmingplan het mogelijk maakt op een industrieterrein bepaalde geluidshinderlijke bedrijven (de bedrijven als genoemd in BOR bijlage 1 onderdeel D) te vestigen, is de gemeenteraad verplicht een geluidzone rond dit industrieterrein vast te stellen, of, indien er reeds een geluidzone is vastgesteld, het plan te toetsen aan de vigerende geluidzone en eventueel vastgestelde hogere grenswaarden op woningen buiten het industrieterrein, maar binnen de zone. De geluidsbelasting afkomstig van alle bedrijven op het terrein mag buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) (Letmaal). Voor de woningen op het industrieterrein gelden geen grenswaarden. Bij overschrijding van de grenswaarden moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren.

Onderzoeksresultaten industrielawaai

In de rapportage d.d. 9 juli 2012, opgesteld door Aveco de Bondt en opgenomen in de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling berekend. Hieruit blijkt het volgende:

  • Ten gevolge van de ontwikkeling als geheel bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 51 dB(A) op de dichtstbijzijnde woning (op het gezoneerde industrieterrein). Op de zonegrens en de woning buiten de zonegrens bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde;
  • Bij vergelijking van de ontwikkeling met de vroegere situatie waarin Bos Beton nog in bedrijf was of vergelijking met de gereserveerde geluidruimte in het zonebeheermodel treedt overwegend een afname van de geluidsbelasting (etmaalwaarde) op. Behalve aan de Anklaarseweg, daar is sprake van een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de laad- en losactiviteiten in de dagperiode op de openbare weg;
  • De indirecte hinder, ten gevolge van het plan, bedraagt op de te beoordelen woning buiten het gezoneerde industrieterrein ten hoogste 51 dB(A). Deze geluidbelasting wordt gemaskeerd door het overige wegverkeerslawaai. In het kader van goede ruimtelijke ordening levert de verkeersaantrekkende werking van het plan geen verslechtering op van de huidige akoestische situatie vanwege verkeerslawaai;
  • Bij beoordeling van de twee bedrijven afzonderlijk, kan ieder bedrijf voldoen aan de normering conform het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddelde en maximaal beoordelingsniveau. Ook is de geluidbelasting vanwege indirecte hinder per inrichting lager dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid en daarmee vergunbaar;
  • De geluidbelasting van een mogelijk derde te vestigen inrichting is op basis van kentallen beoordeeld. Een te vestigen bedrijf van bedrijfscategorie 2 is inpasbaar in haar omgeving en binnen de geluidzone.

Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van akoestiek geen belemmeringen oplevert.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de grenswaarden voor de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Apeldoorn al jaren voldaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse monitoringsrapporten over luchtkwaliteit.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Indien de voorgenomen ontwikkeling wel in betekenende mate bijdraagt én de grenswaarde wordt overschreden, kan de ontwikkeling eventueel door projectsaldering of opname in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit worden gerealiseerd.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Voor onderhavig bestemmingsplan is de luchtkwaliteit voor 2010, 2011, 2015 en 2020 onderzocht. In de rapportage d.d. 8 oktober 2010, opgesteld door Aveco de Bondt en opgenomen in de Bijlagen bij de toelichting, is de luchtkwaliteit berekend. De in het onderzoek betrokken wegen zijn Vlijtseweg, Anklaarseweg en Kanaal Noord. Bij de berekeningen is uitgegaan van de verwachte verkeersintensiteiten voor 2020 en is gebruik gemaakt van de toekomstscenario's 2015 en 2020 uit het CAR II-model versie 9.0.

Uit het onderzoek volgt dat de realisatie van het plan in de peiljaren 2010, 2011, 2015 en 2020 niet zal leiden tot (een dreigende) overschrijding van grenswaarden. Hiermee wordt voldaan aan voorwaarde a. van de 'Wet Luchtkwaliteit'. De plannen dragen volgens de berekeningen niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierdoor vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de realisatie van het plan.

De luchtkwaliteit langs de relevante wegen in het plan liggen ruimschoots onder de grenswaarden, waardoor de leefkwaliteit in het plangebied gewaarborgd is. Verdere toetsing aan de luchtkwaliteitseisen is dan ook niet aan de orde.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteren het Bevi en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Voor het plaatsgebonden risico geldt dat kwetsbare objecten niet binnen de 10-6 contour mogen worden opgericht en dat beperkt kwetsbare objecten alleen binnen die contour mogen worden opgericht indien dat goed gemotiveerd kan worden.

Het bevoegd gezag dient het groepsrisico vanwege het bestemmingsplan te verantwoorden. De verantwoording van de groepsrisico situatie dient plaats te vinden in relatie tot de wettelijk vastgelegde "oriënterende waarde". Deze waarde is geen harde norm waaraan dient te worden voldaan, maar een ijkpunt op basis waarvan de aanvaardbaarheid van de groepsrisicosituatie in het plangebied wordt beschouwd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet. De normering voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico sluit aan bij die in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

De normering voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico sluit aan bij die in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn
In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Voor de toepassing van dit EV-beleid onderscheidt de gemeente Apeldoorn vijf gebiedstypen: gemengd gebied, rustige woongebieden, bestaande bedrijventerreinen, nieuwe bedrijventerreinen en landelijk gebied.

Op het bestemmingsplangebied is het beleid voor het gebiedstype 'bestaande bedrijventerreinen' van toepassing. De volgende gebiedsspecifieke ambities zijn dan voor dit plan relevant:

  • a. Binnen een bestaande PR 10-6 contour wil de gemeente de mogelijkheid houden om af te wijken van de richtwaarde van het plaatsgebonden risico en nieuwe beperkt kwetsbare objecten gemotiveerd toe te staan. De gemeente wil de schaarse ruimte graag zo optimaal mogelijk benutten. De afwijking dient te voldoen aan bepaalde voorwaarden.
  • b. Toename van het groepsrisico door een structurele toename van het aantal personen in het invloedsgebied is wel toegestaan. De toename is uitsluitend verantwoord als wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden.
  • c. Voor toename van het groepsrisico door structurele toename van het aantal personen in het invloedsgebied geldt 3* de oriënterende waarde als grenswaarde. Deze toename dient verantwoord te worden.


Onderzoeksresultaten

Bevi
In de nabijheid van het plangebied is een lpg-tankstation gelegen aan de weg Kanaal Noord 360. Dit bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Bevi. Het lpg-vulpunt van het tankstation ligt tussen het kanaal en de weg. Er is daar een separate opstelplaats voor de tankauto, los van de doorgaande weg Kanaal Noord. De vergunde doorzet van het tankstation bedraagt 1.500 m3 per jaar. Het vulpunt heeft een plaatsgebonden risicocontour, PR 10-6, van 110 meter rondom en een invloedsgebied ten aanzien van het groepsrisico van 160 meter. Het vulpunt is op circa 100 meter van het plangebied gelegen. Het plangebied bevindt zicht dus gedeeltelijk binnen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico en gedeeltelijk binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van het Bevi-bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1117-vas1_0011.jpg"

Figuur 9: Contouren invloedsgebied lpg-vulpunt: rode lijn 100 m, groene lijn 130 m en blauwe lijn 160 m.

Het bestemmingsplan maakt de oprichting van ongeveer 40 m2 beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 mogelijk met een maximale hoogte van 14 m. In het geldende bestemmingsplan bedraagt het oppervlak beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 PR contour ongeveer 200 m2 met een onbeperkte maximale hoogte. Dat betekent dat dit bestemmingsplan een aanzienlijk afname van het aantal potentieel blootgestelden aan het risico bewerkstelligd dan in de bestaande situatie het geval is.

Ook het absolute aantal blootgestelden aan het risico dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt is gering. Volgens de richtlijnen kunnen de personendichtheden op industriegebieden sterk verschillen, maar een personendichtheid van ongeveer 80 personen / hectare wordt als ver bovengemiddeld gekwalificeerd. Uitgaande van die personendichtheid maakt dit bestemmingsplan de aanwezigheid van minder dan 1 (0,2) persoon binnen de 10-6 PR contour mogelijk. Als die persoon zich 24 uur per dag gedurende 365 dagen per jaar, binnen de 10-6PR contour zou bevinden dan zou die persoon een kans hebben van 1 op de miljoen om slachtoffer te kunnen worden van een ongewoon incident bij het lpg tankstation. Conclusie is dan ook dat het plaatsgebonden risico uiterst gering is en een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de bestaande bestemmingsplanmatig mogelijke situatie met zich meebrengt.

Net zoals in het geldende bestemmingsplan staat dit bestemmingsplan bebouwing toe binnen het invloedsgebied van het groepsrisico. Er mag van uit worden gegaan dat in het plangebied de oriënterende waarde niet wordt overschreden. De minimale afstand van mogelijke bebouwing tot het vulpunt van het lpg tankstation (iets meer dan 100 m) en de relatief lage personendichtheid die dit bestemmingsplan mogelijk maakt (80 personen per hectare, dus 0,01 personen per m2), rechtvaardigt dit uitgangspunt.

Het bouwvlak (waarmee de locatie wordt vastlegt waar bebouwing is toegestaan) in het geldende bestemmingsplan en in dit bestemmingsplan zijn nagenoeg gelijk van omvang en vorm. Verschillend is dat in het geldende bestemmingsplan 25% van het bouwvlak mag worden bebouwd en in dit bestemmingsplan 50%. Er zijn in dit plan dus meer personen mogelijk aanwezig dan in het geldende bestemmingsplan. Op basis van het mogelijk te bebouwen oppervlak binnen het invloedsgebied (ca. 3.000 m2), het hogere bebouwingspercentage (25%) en de te verwachten personendichtheid (0,01 personen / m2) gaat het om ongeveer 8 personen meer. Door deze zeer geringe toename van het aantal mogelijk aanwezige personen in het invloedsgebied en gezien de afstand van minimaal ongeveer 100 m tot het vulpunt, mag er van worden uitgegaan dat de hoogte van het groepsrisico hierdoor niet veranderd ten opzichte van die in het geldende bestemmingsplan.

Geconcludeerd mag worden dat aan de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt voldaan en dat er geen sprake is van toename van het groepsrisico ten opzichte van de bestaande situatie.

Gedurende onderhavige bestemmingsplanprocedure zijn de milieuregels voor het lpg tankstation gewijzigd. Die wijziging heeft ervoor gezorgd dat de lpg opslagtank(s) alleen mogen worden gevuld op tijden die zijn gelegen buiten de reguliere werktijden op het industrieterrein. Dit heeft een minimaliserend effect op het externe veiligheidsrisico in het plangebied.

Het bestemmingsplan (en het concrete ruimtelijk plan dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt), biedt voldoende mogelijkheden voor het inrichten van vluchtroutes met voldoende capaciteit, om het aantal blootgestelden aan een gevaareffect te minimaliseren. De potentieel aanwezigen in het invloedsgebied ten tijde van het optreden van een mogelijk incident, zijn de werknemers van de bedrijven en de klanten. De werknemers kunnen goed worden geïnstrueerd om bij een optredend incident de zelfredzaamheid van de werknemers en de klanten te kunnen optimaliseren.

Met bovengenoemde maatregelen is het externe veiligheidsrisico dat het bestemmingsplan (en het concrete plan) met zich meebrengt, zoveel mogelijk geminimaliseerd. Meer en verdergaande maatregelen zijn niet effectief te nemen zonder daarmee het ruimtelijk programma en de ruimtelijke hoofdstructuur van het concrete plan onevenredig te beïnvloeden.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
In de nabijheid van het plangebied bevindt zich de doorgaande transportroute N793 waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Naar aanleiding hiervan is door Aveco de Bondt een risicoberekening uitgevoerd naar de invloed van de beoogde ontwikkeling op het groepsrisico van de nabij gelegen weg. Hieruit komt het volgende naar voren:

  • Ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de N793 treedt geen plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 op. Geconcludeerd wordt dat het transport van gevaarlijke stoffen geen beperkingen oplegt aan de ontwikkeling van de planlocatie, ook niet bij mogelijke groei van het transport.
  • Het groepsrisico blijft zeer ruim onder de oriënterende waarden in zowel de huidige situatie, de planologisch mogelijke situatie en in de toekomst gewenste situatie. Er is wel sprake van een zeer geringe toename van het groepsrisico ten gevolge van de realisatie van met name de McDonald's.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.


Advies regionale brandweer
Ter optimalisering van de fysieke veiligheid wordt de regionale brandweer in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden:

  • tot bestrijding en de beperking van de omvang van de gevolgen van een incident, en
  • tot vergroting van de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied.


Veiligheidszone - lpg

Aangezien de realisatie van een fastfoodinrichting binnen het invloedsgebied van een lpg-vulpunt een verslechtering kan betekenen voor het groepsrisico is ervoor gekozen voor de gronden gelegen binnen de invloedsfeer van het vulpunt en welke op basis van dit bestemmingsplan gebruikt mogen worden voor een fastfoodrestaurant de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg' op te nemen. Op deze wijze is het oprichten van gebouwen ten behoeve van een fastfoodrestaurant binnen deze zone niet toegestaan. Zo wordt voorkomen dat het groepsrisico onverantwoord zal toenemen.

5.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

5.1.8 Geur

Uit een geuronderzoek is gebleken dat de locatie is gelegen binnen de 1 ge/m3 en de 3 ge/m3contouren van de nabijgelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI).

In het document "Industriële geur & Ruimtelijke ordening" (sept 2007) heeft de provincie een werkwijze opgenomen om geurknelpunten in de ruimtelijke ordening te voorkomen. In dat document is opgenomen dat nieuwe geurgevoelige objecten in de categorie Werken binnen de 1 ge/m3 en de 3 ge/m3 contour in principe zijn toegestaan, mits de ruimtelijke keuze voldoende is onderbouwd.

Onderzoeksresultaten

Aangezien de McDonald's vanwege haar aard en de omvang van de gebruikersgroep geurgevoelig is, is door Aveco de Bondt een notitie d.d 18 oktober 2010 opgesteld welke is toegevoegd als bijlage 5 bij de toelichting waarin onderbouwd wordt dat de beoogde ontwikkeling op het gebied van het aspect geur aanvaardbaar is.

Opgemerkt wordt dat een fastfoodrestaurant een ruimte is die lagere eisen stelt aan de milieukwaliteit dan een woning. Voor de bezoekers van het fastfoodrestaurant is het een ruimte waar men gedurende ongeveer een uur per bezoek eet en sociaal samenkomt. Geurhinder kan tot gevolg hebben dat het eten slecht smaakt en dat het sociaal samen zijn in een ontspannen sfeer, niet meer mogelijk is. De bezoekers kunnen dan gemakkelijk de ruimte verlaten en op zoek gaan naar een ander fastfoodrestaurant waar zij wel de gewenste activiteit ongestoord kunnen uitoefenen. De relatief korte verblijfsduur van bezoekers bij een fastfoodrestaurant ten opzichte van andere restauranttypen, is het meest relevante verschil wanneer gekeken wordt naar het aspect geur. De realisatie van een restauranttype waarbij de bezoekers langere tijd verblijven, zal wanneer gekeken wordt naar het aspect geur voor problemen kunnen zorgen. Gelet hierop wordt in onderhavig bestemmingsplan enkel de realisatie van een fastfoodrestaurant planologisch mogelijk gemaakt.

De werknemers van het fastfoodrestaurant verblijven ongeveer 40 uur per week in de ruimte. Voor hen betreft het een werksituatie. Een situatie waarin geconcentreerd arbeid wordt verricht en niet wordt gestreefd naar rust en ontspanning. Extreme geurhinder kan ook verstorend zijn voor activiteiten in een werksituatie, maar ter plaats van de beoogde McDonald's is de immissiewaarde vergelijkbaar met die van een woning op een bedrijventerrein, dus is van een extreme geursituatie geen sprake.

Geconcludeerd kan worden dat vanwege de ligging tussen de 1 ge/m3 en de 2 ge/m3 contour, de gewenste activiteiten en het gewenste gedrag in het plangebied en het klachtenpatroon in de omgeving van de RWZI, de geursituatie ter plekke het scheppen van een goed leefklimaat niet belemmerd. Het geurhinderniveau in het plangebied is dan ook ruimtelijk aanvaardbaar. Door in de bestemming de toe te laten horecafunctie te beperken tot een fastfoodrestaurant, is een langdurig verblijf van bezoekers niet te verwachten.