direct naar inhoud van 6.2 Landbouw
Plan: Wenum Wiesel en buitengebied
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1092-ont1

6.2 Landbouw

6.2.1 Agrarische bestemmingen

Het plangebied vervult van oorsprong een belangrijke agrarische functie. De landbouw staat echter niet op zichzelf als waarde binnen het plangebied: de samenhang met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden is minstens zo kenmerkend. Besloten is daarom aan delen van het plangebied de bestemming 'Agrarisch' te geven, en de specifieke waarden een gebiedsaanduiding te geven. Het gaat om terreinen met een agrarische gebruikswaarde die tevens bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden kennen.

6.2.2 Agrarische productietakken

Binnen de Agrarische bestemming zijn diverse vormen van agrarische bedrijvigheid toegestaan:

  • I. Grondgebonden veehouderij: veehouderij is de tak van landbouw waarbij men vee houdt voor het verkrijgen van melk, eieren, vlees of bont. Wanneer de productie hoofdzakelijk afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden, spreekt men van een grondgebonden veehouderij. Deze bedrijven hebben een agrarische bestemming gekregen. Grondgebonden bedrijven zijn voor hun bedrijfsvoering afhankelijk van het producerend vermogen van de grond, welk tot dat bedrijf behoort. Onder een grondgebonden veehouderij worden ook paardenhouderijbedrijven verstaan, die zich richten op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het fokken van paarden en/of pony's. Het gaat dan veelal om paardenfokkerijen, opfokbedrijven en stoeterijen. Deze paardenfokkerijen maken onderdeel uit van de agrarische bestemming en krijgen daarom geen aparte aanduiding op de verbeelding. In die gevallen dat er sprake is van een niet-agrarisch paardenbedrijf als hoofdactiviteit, is een bedrijfs- of recreatieve bestemming opgenomen.
  • II. Intensieve veehouderijen: Het betreft het houden van vee zoals dat in de Wet Milieubeheer staat aangegeven. Het gaat dan vooral om het houden van slacht-, fok-, of legdieren in gebouwen zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de grond als productiemiddel. Voor intensieve veehouderijen geldt het beleid zoals dat in het Reconstructieplan is opgenomen. Daarom hebben intensieve veehouderijen een functieaanduiding op de verbeelding gekregen.
  • III. Akkerbouw: Akkerbouw is het bedrijfsmatig (op commerciële basis) telen van gewassen. Het bedrijf is afhankelijk van de grond als productiefactor. Voorbeelden van akkerbouwgewassen zijn suikerbieten, aardappelen, graansoorten, snijmais, vezelvlas, koolzaad en cichorei. Voor akkerbouwbedrijven geldt hetzelfde beleid als voor grondgebonden veehouderijen.
  • IV. Tuinbouw, kwekerij en glastuinbouw: Tuinbouw en/of kwekerij is het bedrijfsmatig (op commerciële basis) telen van groenten, (sier)bloemen, -planten, -bomen, bollen of zaden. Binnen de vollegrondstuinbouw worden tuinbouwgewassen, groenten, snijbloemen, fruit of bloembollen buiten (in de volle grond) geteeld. Binnen de Agrarische bestemming worden nieuwe tuinbouwbedrijven niet als recht toegestaan, maar via een afwijkingsmogelijkheid. Bestaande bedrijven kunnen uiteraard voortbestaan.
    De groeiperiode van de gewassen bedraagt veelal meerdere jaren. Binnen één perceel kunnen dus zowel jong als verkooprijp materiaal staan. Dit kan, sterker dan bij akkerbouw, een zeer wisselend ruimtelijk beeld geven. Vanwege deze landschappelijke impact is een afwijkingsregeling opgenomen. Via de afwijking kunnen de gevolgen voor de aanwezige landschaps- en natuurwaarden worden afgewogen.
    In de glastuinbouw wordt in een kas geteeld. Het gaat dan vaak om de teelt van groenten, snijbloemen of potplanten. Voor glastuinbouwbedrijven geldt dat de landschappelijke impact groot is. Daarom is in het provinciale beleid opgenomen dat nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in principe alleen in concentratiegebieden is toegestaan (buiten het plangebied). Het bestemmingsplan maakt glastuinbouw niet mogelijk, dus ook niet nieuwvestiging of het doorgroeien van glastuinbouw als neventak naar hoofdtak. Het oprichten van een kas is alleen ter plaatse van de desbetreffende functieaanduiding toegestaan.
    Hoveniersbedrijven en tuincentra zijn géén agrarische bedrijven. Een hovenier is immers hoofdzakelijk bezig met het ontwerpen, aanleggen en onderhouden van tuinen. Een tuincentrum is vooral gericht op de verkoop van (elders gekweekt) plantmateriaal.
  • V. Intensieve kwekerij: Onder een intensieve kwekerij wordt een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan waar gewassen worden geteeld of dieren worden gekweekt (niet zijnde vee), waarbij nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt van daglicht. Voorbeelden hiervan zijn de kweek van champignons, witlof, vis, wormen en maden. Het bestemmingsplan maakt het oprichten van dergelijke bedrijven niet mogelijk, overeenkomstig de gemeentelijke standaard.
6.2.3 Reconstructieplan en intensieve veehouderij

Het Reconstructieplan Veluwe heeft voor wat betreft het aspect intensieve veehouderij een rechtstreekse doorwerking in het bestemmingsplan. Dit betekent dat alle veehouderijen met een intensieve hoofd- of neventak onder de regels van het Reconstructieplan vallen. De in het Reconstructieplan vastgelegde zonering (verwevingsgebied, extensiveringsgebied) is bepalend voor de regeling van intensieve veehouderij in het bestemmingsplan. Deze zonering wordt op de verbeelding weergegeven.

Op de verbeelding is in het verwevingsgebied en in het extensiveringsgebied aangegeven waar (in welke bouwvlakken) intensieve veehouderij plaatsvindt en is toegestaan. Dat zal gebeuren door het opnemen van de aanduiding 'intensieve veehouderij' in de betreffende bouwvlakken. In het extensiveringsgebied komen geen intensieve veehouderijen voor.

In figuur 6.1 is aangegeven welke regels in het bestemmingsplan voor intensieve veehouderijen zijn opgenomen.

Regeling intensieve veehouderij in bestemmingsplan   Verwevingsgebied  
Nieuwvestiging (op nieuw agrarisch bouwvlak)   Nee  
Hervestiging (op bestaand agrarisch bouwvlak met aanduiding iv)   Ja  
Hervestiging (op bestaand agrarisch bouwvlak zonder aanduiding iv)   Alleen via een wijzigingsbevoegdheid met nadere voorwaarden.  
Uitbreiding van de intensieve bedrijfsbebouwing (op bestaand agrarisch bouwvlak)   Alleen via een afwijkingsbevoegdheid met nadere voorwaarden.  
Vergroten bouwvlak   Alleen via een wijzigingsbevoegdheid met nadere voorwaarden (uitbreiding tot maximaal 1,5 ha).  

Figuur 6.1 - Regeling voor intensieve veehouderijen in het verwevingsgebied

6.2.4 Agrarische bouwvlakken
6.2.4.1 Wanneer een agrarisch bouwvlak?

Een agrarisch bouwvlak wordt opgenomen als er sprake is van agrarische activiteiten die bedrijfsmatig worden uitgeoefend. Het hobbymatig houden van een beperkte hoeveelheid vee is dus géén agrarisch bedrijf ('hobbyboeren'). Wanneer de agrarische activiteiten een omvang hebben van 20 nge (Nederlands Grootte Eenheid) of minder, is er sprake van het hobbymatig houden van vee. Een agrarische bestemming is dan niet (meer) passend. De hoofdfunctie is dan leidend voor de bestemmingslegging.

6.2.4.2 Nieuwe agrarische bouwvlakken (nieuwvestiging)

Het bestemmingsplan maakt het niet mogelijk dat agrarische bedrijven op nieuwe, nog onbebouwde locaties worden opgericht. Hier zijn verschillende redenen voor:

  • Wanneer een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf zich in het plangebied wil vestigen, is dit mogelijk op een reeds bestaand agrarisch bouwvlak (hervestiging). Uit ruimtelijk oogpunt is het gewenst zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande opstallen, zodat het buitengebied zo veel mogelijk onbebouwd blijft. Bovendien is het uit agrarisch oogpunt ook wenselijker dat een vrijkomend agrarisch bedrijf wordt benut voor de hervestiging van een agrarisch grondgebonden bedrijf, dan dat zich hier een nieuwe, mogelijk milieugevoelige functie vestigt.
  • Gelet op de beperkingen die het plangebied kent (bijvoorbeeld de nabijheid van het Natura 2000-gebied en de externe werking ervan) is het zeer onwaarschijnlijk dat nieuwe agrarische bedrijven zich in het plangebied willen vestigen.

6.2.4.3 Omvang agrarische bouwvlakken

Op de verbeelding zijn agrarische bouwvlakken opgenomen. Het bouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf is toegestaan binnen de op de kaart aangegeven agrarische bouwvlakken. In principe dient alle bebouwing en verharding, inclusief mestbassins, sleufsilo's, paardenbakken, opslag van kuilvoer en erfverharding, binnen het bestaande bouwvlak te worden gesitueerd. Voor de omvang van de agrarische bouwvlakken is aangesloten bij de vigerende bestemmingen.

Het vergroten van agrarische bouwvlakken is via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk tot maximaal 1,5 ha. Er zal dan aan diverse voorwaarden moeten worden voldaan, zoals:

  • dit moet aantoonbaar noodzakelijk zijn voor een doelmatige en duurzame agrarische bedrijfsvoering;
  • de omvang van het bedrijf bedraagt ten minste 70 nge.

Voor een volledig overzicht van alle voorwaarden zie artikel 3.8.

Het splitsen van een bouwvlak in twee aparte bouwvlakken is niet toegestaan. Een splitsing wordt gezien als het oprichten van een agrarisch bedrijf en zal daarmee aan alle voorwaarden voor nieuwvestiging moeten voldoen. Door splitsing niet mogelijk te maken wordt voorkomen dat mogelijkheden ontstaan om extra bedrijfswoningen op te richten die voor de agrarische bedrijfsvoering niet strikt noodzakelijk zijn. Wel is het mogelijk om met meerdere agrarische bedrijven één bouwvlak te gebruiken. Dit heeft geen invloed op de gebruiksmogelijkheden zoals deze op basis van het bestemmingsplan mogelijk zijn.

6.2.5 Bouwmogelijkheden
6.2.5.1 Agrarische bedrijfswoningen

Bij ieder agrarisch bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan met een maximale inhoudsmaat van 700 m³. Bouwvlakken waar geen bedrijfswoning aanwezig is en waar een nieuwe agrarische bedrijfswoning niet is toegestaan, zijn voorzien van een symbool. Bouwvlakken waar twee of meer bedrijfswoningen aanwezig zijn, worden tevens aangeduid met een symbool. Bijgebouwen bij de agrarische bedrijfswoning mogen maximaal 75 m² bedragen.

De huidige moderne bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf maakt een tweede agrarische bedrijfswoning steeds minder noodzakelijk. In de praktijk blijkt dat tweede agrarische bedrijfswoningen vaak van het bedrijf worden afgesplitst en in gebruik worden genomen als burgerwoning. Daarom zal het bestemmingsplan hier geen mogelijkheden voor bevatten. In specifieke uitzonderingssituaties zal een aparte planologisch procedure moeten worden gevolgd. Daarnaast is ook het beleid voor mantelzorg van toepassing, zoals in paragraaf 6.6.5is verwoord.

6.2.5.2 Agrarische bedrijfsgebouwen en voorzieningen

Agrarische bedrijfsgebouwen moeten binnen het agrarisch bouwvlak worden opgericht. Wel dient men over een omgevingsvergunning te beschikken. Ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering worden ook voedersilo's binnen het bouwvlak bij recht toegestaan. Voor de maatvoering wordt aangesloten bij de Apeldoornse standaardregels.

Uit de PlanMER is gebleken dat er beperkingen moeten worden opgelegd aan de uitbreidingsmogelijkheden van de veestapel (zowel intensief als grondgebonden veehouderijen).

Voor intensieve veehouderijen geldt dat uitsluitend de bestaande oppervlakte aan bebouwing, die binnen een bouwvlak voor de intensieve veehouderij als stalruimte in gebruik is, voor de intensieve veehouderij gebruikt mag worden (specifieke gebruiksregel).

Voor grondgebonden veehouderijen geldt dat uitsluitend de bestaande oppervlakte aan bebouwing, die binnen een bouwvlak voor een grondgebonden veehouderij als stalruimte in gebruik is, voor de grondgebonden veehouderij mag worden gebruikt (specifieke gebruiksregel).

Via een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om de bestaande oppervlakte aan bebouwing bij veehouderijen te vergroten, mits aan diverse voorwaarden wordt voldaan.

In het bestemmingsplan is voorzien in een regeling voor teeltondersteunende voorzieningen. Binnen het agrarisch bouwvlak zijn deze rechtstreeks toegestaan. Buiten het agrarisch bouwvlak zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan. Dit omdat permanente voorzieningen in principe binnen het agrarisch bouwvlak dienen te worden opgericht en permanente voorzieningen in strijd zijn met de landschappelijke waarden.

Samengevat komt het beleid voor teeltondersteunende voorzieningen op het volgende neer:

Teeltondersteunende voorzieningen   Agrarisch  
1. Permanent:    
- Binnen agr. bouwvlak   Ja  
- Buiten agr. bouwvlak   Nee  
2. Tijdelijk: af    
- Binnen agr. bouwvlak   Ja  
- Buiten agr. bouwvlak tot 1,5 m hoog   Ja  
- Buiten agr. bouwvlak vanaf 1,5 m hoog   Via afwijking  

Figuur 6.2 - Regeling teeltondersteunende voorzieningen

Omdat tijdelijk teeltondersteunende voorzieningen niet permanent aanwezig zijn (maximaal een aaneengesloten gebruik van 3 maanden per jaar) en deze tot een hoogte van 1,5 m doorzichten niet aantasten, kunnen deze worden toegestaan. Als het om hogere tijdelijke voorzieningen gaat, ligt dit genuanceerder en kan dit via een afwijkingsbevoegdheid worden getoetst op de gevolgen voor de landschappelijke waarden.

In ruimtelijk opzicht kan het oprichten van een rijhal (binnenrijbak) grote consequenties hebben. Het gaat hierbij om forse gebouwen die goed ingepast moeten worden in het landschap. Daarom is het bouwen van een rijhal bij een agrarisch paardenbedrijf (paardenfokkerij) niet als recht toegestaan, maar is dit via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk. Als voorwaarden voor de afwijkingsbevoegdheid geldt onder andere dat de noodzaak door middel van een bedrijfsplan moet worden aangetoond. Horeca-activiteiten zijn bij paardenfokkerijen niet toegestaan.

6.2.6 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven

Van oudsher zijn agrarische bedrijven gericht op het verkrijgen van een gezinsinkomen door middel van de teelt van gewassen en/of het houden van vee. De laatste jaren richten agrarische bedrijven zich in toenemende mate ook op andere dan deze reguliere agrarische activiteiten. Te denken valt aan bed & breakfast, een boerderijwinkel of verhuur van fietsen. Ook kan het gaan om de levering van 'groene' en 'blauwe' diensten ten gunste van natuur en waterbeheer. Tevens wordt met deze nieuwe activiteiten ingespeeld op veranderende wensen van de consument. Dit wordt ook wel landbouw met verbrede doelstelling genoemd en vormt een wezenlijk onderdeel van plattelandsvernieuwing. Door deze verbreding kan de sociaal-economische basis van de agrarische sector en van het buitengebied over het algemeen worden versterkt.

Een neventak hoeft niet per definitie agrarisch gelieerd te zijn. Een neventak kan voor de agrariër een welkome aanvulling betekenen op het inkomen en hem zo in staat stellen om de agrarische activiteiten (de kernactiviteiten) voort te zetten.

Nevenactiviteiten die kleinschalig zijn en geen wezenlijke effecten op de omgeving hebben, kunnen rechtstreeks worden toegelaten. Het gaat daarbij om de volgende activiteiten (tot een vloeroppervlak van maximaal 75 m2), binnen bestaande agrarische bouwvlakken:

  • (agrarisch) natuurbeheer;
  • opslag- en stallingbedrijven;
  • atelier, tentoonstellingsruimte, bezoekerscentrum, cursusruimte, galerie;
  • zorgboerderij (als nevenactiviteit, de hoofdfunctie blijft dus agrarisch!);
  • vervaardigen en verkopen van streekeigen agrarische producten (bijvoorbeeld wijn, zuivel, honing);
  • agrarisch verwante bedrijvigheid tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (paardenpension, hoefsmid, rietdekker, veehandel);
  • zakelijke dienstverlening (adviesbureau, computerservice);
  • dagrecreatieve voorzieningen (recreatief rustpunt, fietsverhuur, speeltuin);
  • verblijfsrecreatieve voorzieningen, bed & breakfast (maximaal drie eenheden van maximaal 25 m2 elk);
  • en overige functies die hieraan ruimtelijk, functioneel en milieuhygiënisch gelijkgesteld kunnen worden.

Van overige nevenactiviteiten kan niet bij voorbaat worden gesteld dat deze geen wezenlijk effect op de omgeving hebben. Daarom wordt voor deze nevenactiviteiten een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Aan deze afwijking worden onder meer de volgende voorwaarden verbonden:

  • de hoofdtak dient agrarisch te blijven;
  • de neventak mag niet meer dan 25% van het vloeroppervlak van de hoofdfunctie in beslag nemen, met een maximum van 350 m2;
  • er mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking ontstaan;
  • de belangen van de omliggende functies mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • in het geval van dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten mag de nevenactiviteit mag niet meer dan 75 m vanaf de rand van het agrarisch bouwvlak plaatsvinden;
  • er moet worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing;
6.2.7 Hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB)

Daarnaast zullen er in het plangebied ook situaties voorkomen waarin agrarische bedrijven zullen stoppen. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen raken hun agrarische functie kwijt. Met deze vrijkomende bedrijfsgebouwen (functieverandering) kan als volgt worden omgegaan:

  • de gebouwen komen beschikbaar voor hergebruik door een andere, niet-agrarische functie
  • de gebouwen worden gesloopt, wanneer er een aanzienlijke hoeveelheid bebouwing wordt gesloopt kan hier een nieuwe burgerwoning voor in de plaats worden opgericht.

Voor de Stedendriehoek is hier beleid voor opgesteld in de nota 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' (2008), zie ook paragraaf 2.5.2. In dit bestemmingsplan wordt op het beleid uit deze nota aangesloten. Dit betekent dat wanneer de gemeente verzoeken voor functieverandering krijgt, en de gemeente hier in aan wil meewerken, deze verzoeken een eigen (buitenplanse) procedure zullen doorlopen. Voor het initiatief wordt dan een eigen bestemmingsplan opgesteld. Hiervoor is gekozen omdat het veelal om maatwerk gaat: medewerking hangt af van het bouwvoornemen, de gebiedstypologie, de aanwezige natuur- en landschapswaarden, etc.