direct naar inhoud van 2.6 Gemeentelijk beleid
Plan: Wenum Wiesel en buitengebied
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1092-ont1

2.6 Gemeentelijk beleid

2.6.1 Structuurplan Landelijk Gebied

In het gemeentelijk Structuurplan Landelijk Gebied (SLG) uit maart 1994 worden (ruimtelijk) relevante sector- en facetbelangen afgewogen, waarbij tevens de gevolgen voor de langere termijn worden aangegeven (tot 2015).

Gelet op de ouderdom van het structuurplan is deze niet meer actueel. De gemeente zal een nieuwe structuurvisie gaan ontwikkelen. Het landelijk gebied zal hier onderdeel van gaan uitmaken.

2.6.2 De Groene Mal

Het gemeentelijke groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1092-ont1_0004.png" Figuur 2.3 - De Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat vooral in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de directe woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijk gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem evenals het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

2.6.3 Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019

In januari 2010 hebben GS het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (verder: KWP3) vastgesteld. Het voorgaande KWP2 (2005-2014) was in formele zin een uitwerking ex artikel 4a, lid 10, Wet op de Ruimtelijke Ordening van het Streekplan Gelderland 2005. Sinds 1 juli 2008 is de WRO vervangen door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van het overgangsrecht is het Streekplan Gelderland 2005 gelijkgesteld met de in de Wro bedoelde verplichte provinciale structuurvisie. Op deze zelfde grond maakt het KWP3 – als opvolging van het KWP2 - deel uit van deze structuurvisie.

Het KWP3 heeft als doel het woningaanbod op regionaal niveau, zowel kwantitatief als kwalitatief, zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte aan woningen. Het beschrijft per regio de programmatische opgave op basis van de geconstateerde regionale woningbehoefte en is daarmee het richtpunt voor woningbouwbeleid van gemeenten in de regio.

De woningbehoefte in Gelderland blijkt voor de periode 2010 tot en met 2019 lager uit te komen dan in de periode 2005 tot en met 2014. Voor het KWP3 staat als doelstelling om in 2020 een woningtekort van 0 % te hebben. Het afsprakenkader KWP3 wordt door de provincie overeengekomen met zowel de gemeenten als de woningcorporaties in de regio Stedendriehoek. Uit het referentiekader blijkt dat er in de Stedendriehoek vooral een grote behoefte is aan goedkope huurwoningen en middeldure koopwoningen. Tevens is er een grote vraag naar nultredenwoningen.

Het referentiekader geeft voor het Gelderse deel van de Stedendriehoek een bruto aantal toe te voegen woningen in de periode 2010 t/m 2019 van circa 10.000 woningen, op basis van een geschatte onttrekking van circa 1.800 woningen in dezelfde periode. Netto gaat het om een uitbreiding van de woningvoorraad van circa 8.500 woningen.

Met een woningbouwprogramma van bijna 21.000 nieuwbouwwoningen voor de hele regio voor de periode tot en met 2019 is er sprake van een overprogrammering aan nieuwbouw. De overprogrammering heeft niet zozeer betrekking op de eerstvolgende jaren, maar loopt op naarmate verder weg in de tijd gekeken wordt. De regio herkent zich in de cijfers in het referentiekader en in de berekende overmaat aan plancapaciteit. Voor de jaren tot 2015 is er sprake van een gezonde overmaat. In de Nederlandse ontwikkelpraktijk gaat men er op basis van ervaringscijfers vanuit dat 30 % overcapaciteit gezond is in verband met flexibiliteit en planuitval. De provincie draagt dit standpunt ook uit. Op langere termijn, de jaren 2015- 2030, is de overmaat groter.

Vooralsnog moet ook gezorgd worden voor voldoende productie aan nieuwe woningen. Er is nog steeds sprake van een woningtekort.

Voor het Gelderse deel van de regio Stedendriehoek betreft het afsprakenkader met name de volgende onderwerpen:

  • a. aantal nieuw te bouwen woningen
    Afsprakenkader tussen provincie, gemeenten en corporaties is dat in de periode 2010 t/m 2019 in de regio Stedendriehoek 8.500 woningen netto aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Het betreft hier de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen en de woningcorporaties die in deze gemeenten actief zijn.
  • b. verhouding huur-koop
    Het referentiekader geeft aan dat er behoefte is aan uitbreiding van de voorraad huurwoningen met 12 % van 8.500, ofwel bijna 1.000 huurwoningen. Dit impliceert dat voor zover huurwoningen worden verkocht of gesloopt deze tevens worden vervangen. Lettend op de plannen voor sloop en verkoop zal dan van de circa 10.000 (bruto) nieuw te bouwen woningen ongeveer 44 % een huurwoning moeten zijn, ofwel ruim 4.400 woningen.
  • c. betaalbare segmenten
    Gemeenten en woningcorporaties zullen er naar streven om een groter aandeel betaalbare woningen in de nieuwbouw te realiseren dan op 1 januari 2009 in de planning was opgenomen: ambitie-indicatie voor de regio, conform het bruto referentiekader, circa 42 % van de bruto opgave aan nieuw te bouwen woningen.
  • d. aandeel nultreden
    Gemeenten en woningcorporaties geven in de regionale woningbouwprogrammering aan de hand van de definitie van 'nultredenwoning' aan welk aandeel in de voorgenomen nieuwbouw en de voorgenomen aanpassing van bestaande woningen daadwerkelijk aan de definitie van ouderenwoning/ nultredenwoning voldoet.
  • e. woningbouw korte termijn
    De gemeenten en de in de regio werkzame woningcorporaties spannen zich gezamenlijk in met de provincie om een lijst van uit te voeren projecten op te stellen, die als basis zal dienen voor de minimaal te realiseren woningbouw voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Deze lijst zal als bijlage aan het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 worden toegevoegd.

Het KWP3 geeft alleen een referentie- en afsprakenkader aan op regionaal niveau. Als vervolg op het KWP3 is begin 2010 een traject gestart om het woonprogramma kwantitatief en kwalitatief binnenregionaal te verdelen over de gemeenten. Dit traject, dat moet leiden tot een regionaal woningbouwprogramma met het KWP3 als richtpunt, is nog niet afgerond.

2.6.4 Strategische economische beleidsvisie Apeldoorn 2000-2020

In dit document staan de belangrijkste uitgangspunten en ambities voor het economische beleid van Apeldoorn tot 2020. Voor verschillende economische sectoren zijn gedetailleerde uitvoeringsplannen gemaakt. Als ambitie kiest Apeldoorn voor verdere economische ontwikkeling. Speerpunten zijn:

  • een evenwichtige economische basis behouden;
  • de productiestructuur verbreden (clusterspecialisatie);
  • de kwaliteit van toerisme en recreatie verbeteren;
  • de binnenstad en vier wijkcentra versterken;
  • de plattelandseconomie verstevigen.
2.6.5 Verkeersbeleid

Het gemeentelijke verkeersbeleid is vastgelegd in de 'Verkeerskaart' van 1999 en de actualisatie hiervan (augustus 2004). Voor verschillende facetten zijn deelnota's uitgewerkt en vastgesteld. In juli 2009 is de Verkeersvisie 2010 – 2020 vastgesteld. In de Verkeersvisie wordt geconstateerd dat zowel integrale trends (vergrijzing, afnemende bevolkingsgroei, klimaat) als binnen de mobiliteitssector (voertuigtechnologie, gebruikersinformatie) het speelveld veranderen. De rol van de auto in de maatschappij is en blijft echter niet weg te denken. De Verkeersvisie formuleert op basis hiervan een aantal uitgangspunten.

Apeldoorn wil voor alle modaliteiten bereikbaar en bereisbaar zijn op een veilige en efficiënte manier. Tegelijkertijd wil Apeldoorn de negatieve effecten beperken. Bij mobiliteit is qua organisatie samenwerking geboden tussen overheidslagen en tussen aangrenzende beleidsvelden binnen de ruimtelijke ordening. Door een optimaal afgestemd aanbod en heldere voorlichting kan iedereen hier een bewuste keuze in maken. In de Verkeersvisie wordt als doel gesteld het huidige niveau van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid te behouden en liefst nog te vergroten. Uitgangspunten zijn per modaliteit optimaal faciliteren, autoverkeer bundelen op hoofdwegen en het slim verdelen en gebruiken van de bestaande ruimte.

Conform de duurzaam veilige aanpak zijn gemeentebreed alle nog niet genoemde wegen binnen de komgrenzen onderdeel van een verblijfsgebied, met een richtsnelheid van 30 km/uur. Voor het gebied rond de dorpen wordt vanuit dezelfde filosofie gestreefd naar een regime van 60 km/uur.

In de Parkeernota 1999, geactualiseerd in 2004, zijn parkeernormen voor woningen, bedrijven en diverse voorzieningen opgenomen, die bij nieuwe ontwikkelingen in acht genomen moeten worden.

2.6.6 Waterbeleid

Sinds 1 november 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2005 is 'Werken aan water', het Apeldoorns waterplan 2005 - 2015, vastgesteld. Het waterplan beschrijft de visie van de Apeldoornse waterpartners Vitens, Waterschap Veluwe en gemeente op water in de stad en de dorpen. Het plan stelt de kaders voor het onderhoud en voor toekomstige plannen met water. Tevens dient het plan als basis voor communicatie en als toetsingskader voor de watertoets.

De hoofdlijnen van het waterplan zijn:

  • afkoppelen en bergen
    Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzone naast iedere beek. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.
  • herstel van beken en sprengen
    Het beken- en sprengensysteem in het stedelijk gebied van de stad en de dorpen wordt hersteld. De naast de beek liggende waterbergingen krijgen ook een recreatieve functie voor wandelaars en fietsers. De cultuurhistorische waarde van de beken wordt hersteld en de hoge natuurwaarde wordt beschermd. Het sprengenwater wordt verzameld in de Grift en kan ten noorden van Apeldoorn geïnfiltreerd worden op de Veluwe voor drinkwaterbereiding.
  • saneren en beheersen van verontreinigd diep grondwater
    Het verontreinigde diepe grondwater wordt gesaneerd en beheerst. Dit water, samen met grondwater dat vrijkomt bij het bestrijden van wateroverlast, wordt zo veel mogelijk benut. De prioriteitsvolgorde daarbij is: eerst aanwenden voor duurzame energie, vervolgens als voeding naar de beken, daarna naar het kanaal, en tot slot is het bestemd voor infiltratie voor de drinkwaterbereiding. Hiertoe wordt een grondwaterbank in het leven geroepen.
2.6.7 Beleidsvisie externe veiligheid

De gemeente Apeldoorn wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Apeldoorn het externe veiligheidsbeleid geformuleerd.

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico's doen zich zowel voor bij risicovolle inrichtingen als rondom transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota's, onder andere in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Invulling geven aan deze wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Apeldoorn aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen, bij het nemen van besluiten.

Voor het plaatsgebonden risico in bestaande situaties geldt, dat deze moet voldoen aan de wettelijke grenswaarden.

In de bestaande situatie zijn er geen overschrijdingen van de oriënterende waarde van het groepsrisico aanwezig. Toename van de personendichtheid groter dan 1 x oriënterende waarde wordt voorkomen; opvullen van de personendichtheid tot 1 x oriënterende waarde is toegestaan.

De uitgangspunten voor het basisniveau externe veiligheid voor nieuwe situaties in woon- en gemengde gebieden zijn dat de realisering van een risicobron met externe veiligheidsconsequenties niet mogelijk is. De realisatie van een beperkt kwetsbaar object is gemotiveerd mogelijk tot 1x de oriënterende waarde.

2.6.8 Duurzaamheidsbeleid

De uitgangspunten van duurzame ontwikkeling binnen de Gemeente Apeldoorn zijn vastgelegd in de nota's 'Apeldoorn ontwikkelt Duurzaam, Aanpasbaar en Flexibel' (DAF-nota) en 'Apeldoorn Duurzaam, zo doen we dat hier', in de Woonvisie 2010, in het MOP 2005-2009 en in diverse collegebesluiten, waaronder die over het BANS-klimaatprogramma. De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Apeldoorn zijn hoog. Een belangrijk uitgangspunt bij deze duurzame ontwikkeling vormt het besluit van de gemeenteraad om als stad energieneutraal te zijn in 2020.

Bij de uitvoering van het duurzaamheidsbeleid wordt onder andere gestreefd naar een optimale energie-infrastructuur, waarbij duurzame bronnen als wind- en zonne-energie en bodemwarmte zoveel mogelijk worden benut. Daarnaast worden nieuwe energiebesparende technieken ingezet. Het herstellen van de natuurlijke waterhuishouding van stad en landschap, onder meer door het vasthouden van (regen)water in het stedelijk gebied, is eveneens van belang.

De uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer zijn vastgelegd in de in 2005 vastgestelde nota 'Werken aan water; Apeldoorns waterplan 2005-2015'. Dit waterplan zal ook als basis dienen voor de voor veel ruimtelijke projecten wettelijk verplichte watertoets.

In het Bouwbesluit zijn eisen geformuleerd met betrekking tot energie en binnenmilieu, zoals de energieprestatienormering. Andere wettelijke instrumenten zijn de Wet milieubeheer en de Bouwverordening.

Maatregels die een duidelijke relatie hebben met ruimtelijke ordening, zoals dichtheden, zongerichte oriëntatie van kavels en de hoeveelheden groen, open water en verhard oppervlak, kunnen worden opgenomen in bestemmingsplannen. De ambities van de gemeente Apeldoorn reiken echter verder dan het wettelijke vangnet.

2.6.9 Geurbeleid

Het geurbeleid van de gemeente Apeldoorn komt tot uiting in de ‘Handreiking geurbeleid en milieuvergunningen’ (maart 2004) en de ‘Beleidsnotitie Industrieel Geurbeleid Apeldoorn’ (april 2004).

Een nieuwe woonlocatie, of een anderszins geurgevoelige bestemming, kan op een zodanige afstand van stankbronnen (en andersom) worden gepland, dat geen of slechts acceptabele mate van hinder te verwachten is. Indicaties voor aan te houden afstanden met betrekking tot een bedrijventerrein zijn onder meer te ontlenen aan vergelijkbare activiteiten of bedrijven uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In bijzondere situaties kan maatwerk nodig zijn, waarbij diverse vormen van geuronderzoek kunnen worden uitgevoerd. Van de VNG-publicatie mag slechts worden afgeweken indien dit niet leidt tot een milieuhygiënisch onwenselijke situatie. Gezien het type bedrijven dat in Apeldoorn is gevestigd, evenals het aantal ontvangen klachten omtrent stankoverlast, is een lokaal gemeentelijk geurbeleid slechts voor een handvol bedrijven van toepassing. Als voorbeeld kan worden gedacht aan enkele bedrijven in Apeldoorn die vallen in de branche kunststofverwerkende industrie.

2.6.10 Beleidsvisie Cultuurhistorie

Beleidsbrief modernisering monumentenzorg

De modernisering van de monumentenzorg is verwoord in een brief van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009). De modernisering is gestoeld op drie pijlers:

  • 1. borging van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening;
  • 2. krachtiger en eenvoudiger sectorale regelgeving;
  • 3. en het bevorderen van herbestemming.

De cultuurhistorie wordt verankerd in de ruimtelijke ordening. De tijd is voorbij dat ruimtelijke plannen worden gemaakt zonder dat wordt nagedacht over wat de betekenis is van een plek, over wat zich daar heeft afgespeeld, hoe daar mensen hebben gewoond en gewerkt, en wat daarvan zichtbaar moet blijven in de ruimte.

Enerzijds wordt een deel van de sectorale regelgeving overbodig, omdat er veel in de ruimtelijke ordening geregeld zal worden. Anderzijds zal de sectorale energie anders ingezet moeten worden. Daar waar procedures geen of slechts een geringe meerwaarde leveren voor het monument, maar wel een aanzienlijke last zijn voor de eigenaar, zal flink worden ingegrepen. Dit betekent dat er minder en eenvoudiger procedures komen.

De nota I-cultuur

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart.

Archeologische beleidskaart

Op de archeologische beleidskaart staan bekende archeologische vindplaatsen en terreinen waarbij reeds is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Daarnaast is het gehele grondgebied van de gemeente Apeldoorn verdeeld in zones met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachtingswaarde. Deze verdeling is gebaseerd op onder andere bodemkundige, geo(morfo)logische, archeologische en historische kaarten en kennis.

Deze verwachtingswaarden geven geen feitelijke vindplaatsen weer, maar de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats bij het uitvoeren van bodemingrepen. Concreet betekent dit dat de kans op het aantreffen van archeologische sporen en/of vondsten binnen een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde wel aanwezig is, maar dat deze kans veel kleiner is dan binnen een zone met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Het verschil in de zogenaamde trefkans heeft ertoe geleid dat er verschillende grenzen van bodemingrepen zijn opgesteld, waarbij het uitvoeren van archeologisch onderzoek nodig is. Deze grenswaarden zien er als volgt uit:

  • Hoge archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan 50 m2en dieper dan 50 cm.
  • Hoge archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan 50 m²  en dieper dan 35 cm.
  • Middelhoge archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan
    100 m2 en dieper dan 50 cm.
  • Middelhoge archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan
    100 m2 en dieper dan 35 cm.
  • Lage archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm.
  • Lage archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2en dieper dan 35 cm.

De archeologische beleidskaart zal, in overeenstemming met de Apeldoornse standaardregels, worden doorvertaald naar bestemmingen en planregels.

Cultuurhistorische beleidskaart

Op deze kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Bij een hoge attentiewaarde geldt het streven naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht.
  • Bij een gemiddelde attentiewaarde geldt het streven naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht.
  • Bij een lage attentiewaarde wordt aanbevolen om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en/of versterken. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quickscan naar objecten verplicht.

Bij toekomstige ontwikkelingen kan op grond van de attentiewaarde specifieker onderzoek vereist zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1092-ont1_0005.png" Figuur 2.4 - Cultuurhistorische beleidskaart (Bron: www.apeldoorn.nl)

Het bestemmingsplan Wenum Wiesel en buitengebied ligt in een zone met zowel hoge, middelhoge als lage attentiewaarden op de beleidskaart. Op basis daarvan is een cultuurhistorische analyse gemaakt (CHA).

In de nota is vastgelegd dat gebieden met een hoge attentiewaarde een beschermende regeling in het bestemmingsplan krijgen.

2.6.11 Cultuurhistorische analyse Wenum Wiesel

In opdracht van de gemeente Apeldoorn is begin 2010 een cultuurhistorische analyse opgesteld van het plangebied. Het project is uitgevoerd door Het Landschap in samenwerking met BBA en Vista landscape en urban design. In het onderzoek zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen, structuren en ensembles geïnventariseerd en zijn aanbevelingen gedaan voor het behoud en de ontwikkeling van de aangetroffen waarden.

Geconcludeerd kan worden dat het plangebied een waardevol cultuurlandschap bevat, dat is opgebouwd uit verschillende lagen, die allemaal hun eigen stempel op het gebied hebben gedrukt. De belangrijkste hiervan zijn het natuurlijk substraat (reliëf, bodem, waterhuishouding), de prehistorie, de middeleeuwse ontginningen, de watermolens en sprengen, de landgoederen en buitenplaatsen, de ontginningen uit de 19de eeuw en de ontwikkelingen in de 20ste eeuw. In de komende decennia zal het gebied te maken krijgen met natuurontwikkeling, veranderd landbouwkundig gebruik, toename van het recreatief medegebruik en woningbouw. Deze ontwikkelingen bieden goede kansen voor het versterken van de essentiële landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied.

2.6.12 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing.

Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juli 2004 de kadernota 'Over welstand geschreven' vastgesteld. De nota geeft de kaders voor het welstandsbeleid. Hiermee worden bouwplannen getoetst aan redelijke eisen van welstand, om de fraaie leefomgeving in de stad te behouden en te versterken.

Niet voor elke gebied in Apeldoorn gelden gelijke welstandseisen. Voor grote delen van Apeldoorn is een welstandsthema en een welstandsniveau vastgesteld. Het niveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied geeft, waarbij de niveaus variëren van zwaar tot welstandsvrij. Het thema wordt bepaald door de bouwstijl of bouwperiode van de bebouwing.

In het bestemmingsplan wordt het specifieke karakter van het gebied geregeld voor zover dit gaat om bebouwingsregels en gebruik. Het welstandsbeleid is hierop aanvullend en heeft betrekking op situering, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaalgebruik.

Voor het plangebied zal gebiedsgericht welstandbeleid worden opgesteld. Het streven is om hier in het najaar van het jaar 2011 een start mee te maken.

2.6.13 Nota Kampeerbeleid Apeldoorn

Recreatie en toerisme zijn beeld bepalende sectoren in de Apeldoornse economie, de gemeente kent een zeer brede variatie aan toeristische activiteiten. De sector is zeer positief voor de leefbaarheid van kleine dorpen. Het biedt werk aan mensen, is mede drager voor het voorzieningenniveau en zorgt voor nieuwe investeringen. Zeker in agrarische gebieden is het een alternatief voor ondernemers die de agrarische bedrijfsvoering beëindigen, danwel willen verbreden. De gemeente hecht er dus veel waarde aan ontwikkelingsmogelijkheden hieromtrent te bieden en geeft met het (nog vast te stellen) kader ruimte voor nieuwe initiatieven.

In de Nota Kampeerbeleid Apeldoorn uit 2010 heeft de gemeente beleid geformuleerd voor de verschillende vormen van kamperen. Het betreft kampeerterreinen, kleinschalig kamperen, natuurkampeerterreinen, verenigingskamperen of groepskamperen, vrij kamperen en kamperen voor eigen gebruik, paalkamperen en Gereguleerde Overnachtings Plaatsen. Het beleid gaat onder andere in op de omvang van de recreatieve eenheden. Voor zover mogelijk dienen deze normen in het bestemmingsplannen te worden opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1092-ont1_0006.png" Figuur 2.5 - Recreatieve zonering uit Nota Kampeerbeleid Apeldoorn

Voor de zonering van de kleinschalige en deels reguliere kampeerterreinen is uitgegaan van een onderverdeling in twee zones:

'Nee, tenzij' zone

De 'nee, tenzij' zone bestaat uit de volgende gebieden:

  • Natura 2000-gebieden;
  • EHS-gebieden;
  • aangewezen enkgebieden, waaronder Enk Wiesel en Enk Wenum;
  • aangewezen beekzones en dalen (HEN- en SED-wateren), tot 15 m (HEN-norm) aan weerszijden uit de beek in beekdal, rekening houden met de karakteristieke landschappelijke kwaliteiten van het beekdal;
  • beschermde dorpsgezichten, waaronder Wiesel.

De zonering heeft betrekking op nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande reguliere en kleinschalige kampeerterreinen. In de 'nee, tenzij' zone wordt geen nieuwvestiging of uitbreiding toegestaan, tenzij er grote natuurlijke en/of landschappelijke meerwaarden worden bereikt, passend in een gebiedsgerichte ontwikkeling. Voor de reguliere kampeerterreinen geldt in de eerste plaats het Groei en Krimp beleid. Dit betekent dat in Krimpgebied geen nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande terreinen mogelijk is. Ontwikkelingen zijn enkel mogelijk binnen het zoekgebied recreatiecluster. Deze cluster ligt niet in het plangebied.

'Ja mits' zone

Ontwikkeling van het kleinschalig kamperen is onder voorwaarden mogelijk in de 'ja, mits' zone door middel van ontheffingen tot maximaal zes terreinen per deelgebied (Uddel, Wenum en Wiesel, Broekland en Woudhuis, het Woud, Beekbergen en Loenen). Voor de nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande reguliere kampeerterreinen zijn geen specifieke (ontwikkelings)gebieden aangewezen. Hiervoor zal altijd een individuele, specifieke afweging plaatsvinden.

2.6.14 Notitie Woningsplitsing in het Buitengebied

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2006 een beleidsnotitie “Woningsplitsing in het Buitengebied” vastgesteld. Splitsen leidt tot efficiënt gebruik van de bestaande oppervlakte/inhoud van woningen en maakt bijvoorbeeld het geheel zelfstandig wonen van kinderen bij ouders (of andersom) mogelijk. Wel geldt dat gesplitste woningen tezamen de maximale toegestane inhoud of oppervlakte van één woning niet mogen overschrijden. Voorts ontstaat er geen groter recht op oppervlakte aan bijgebouwen. Het karakter van de woning als één woning en samenhangende bouwmassa dient behouden te blijven en de extra woning mag geen belemmering vormen voor naastgelegen (niet-) agrarische bedrijven.

2.6.15 Notitie Paardenbakken, Stapmolens (en Lichtmasten)

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2006 een beleidsnotitie inzake paardenbakken, stapmolens (en lichtmasten) vastgesteld. Binnen de woonbestemmingen is een paardenbak juridisch vaak wel toegestaan, maar praktisch vaak onmogelijk. Buiten die vlakken is een paardenbak strijdig met de bestemming (dat geldt voor veel bestaande paardenbakken). De beleidsnotitie maakt een paardenbak buiten de woonbestemming ook mogelijk. Hierbij geldt een afstand tot andere woningen van 50 m. Voorts dient de gehele bak zich binnen een afstand van 75 m van de woning te bevinden. Voor stapmolens en lichtmasten geldt een maximale hoogte van 2 m.

De bestaande paardenbakken en lichtmasten worden als gegeven aanvaard (ook wanneer deze strijdig zijn met het nieuwe beleid), met uitzondering van paardenbakken waar handhavingsprocedures voor zijn gestart.

2.6.16 Stad & Land in Apeldoorn

De startnotitie is vastgesteld door de Raad van Apeldoorn op 17 december 2009. In deze startnotitie hanteert het College een Leidmotief: de relatie tussen de stad en het landelijk gebied wordt gekenmerkt door twee tegengestelde begrippen: contrast en verbinding. Concreet betekent dit dat de verdichting van Apeldoorn vooral in het stadscentrum wordt gerealiseerd. Maar daarbuiten wordt vooral het groene en luchtige karakter van Apeldoorn versterkt. Kortom: laat zien dat er een verschil is tussen stad en land, maar zoek ook voortdurend de verbinding door middel van groenstructuren, routes en een ontspannen overgang tussen de wijken en het landelijk gebied.

2.6.17 Groot Apeldoorns Landschaps Kookboek

In het Groot Apeldoorns Landschap Kookboek is onderstaande landschapsvisie opgenomen (zie figuur 2.6).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1092-ont1_0007.png"

Figuur 2.6 - Landschapsvisie

De visie is opgebouwd uit verschillende landschappelijke eenheden. Voor het bestemmingsplangebied zijn de volgende eenheden van belang:

  • Enken: Deze worden open gehouden. Dorpen en bosrand moeten niet aan elkaar groeien. De enkwallen zullen opgewaardeerd worden.
  • Beekdalen: De beekdalen zullen open worden gehouden en toegankelijk worden gemaakt. De continuïteit wordt gewaarborgd. De randen naast de beekdalen kunnen verdicht worden.
  • Kampenlandschap: De essen worden open gehouden. De lage delen tussen de essen verdichten, onder andere met wegbeplanting.
  • Broeklanden: Ook de broeklanden worden open gehouden, aan de randen van het kampenlandschap is verdichting passend.
  • Kamerstructuren: De wegen en kavelgrenzen beplanten.
  • Veluwe: Streven naar een aangesloten natuurgebied door 'onthekken'.
  • Het kanaal en de weteringen: Indien hier geen paden aanwezig zijn, worden deze toegevoegd. Het gewenste beplantingspatroon is afhankelijk van de locatie.
2.6.18 Gevolgen gemeentelijk beleid voor bestemmingsplan
  • Het bestemmingsplan dient de aanwezige natuur in het plangebied te beschermen.
  • De recreatieve sector moet de ruimte krijgen om zich kwalitatief te kunnen ontwikkelen.
  • Ontwikkeling van kleinschalig kamperen is binnen de aangewezen gebieden onder voorwaarden mogelijk. Dit zal door middel van een ontheffingsbevoegdheid in de planregels worden geregeld.
  • De beken en sprengen in het plangebied dienen te worden beschermd en waar mogelijk te worden versterkt.
  • Het bestemmingsplan zal in het kader van de externe veiligheid moeten voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt binnen zoneringen van gevaarlijke inrichtingen en buisleidingen.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen van gevoelige bestemmingen (in het kader van de Wet geurhinder) dient rekening gehouden te worden met geurhinder van agrarische bedrijven.
  • De verschillende archeologische verwachtingswaarden voor het plangebied zullen moeten worden doorvertaald in het bestemmingsplan. Hieraan worden specifieke voorwaarden gekoppeld in relatie tot de mate van verwachting en de toegestane ingrepen. Aantasting van de verwachtingswaarden wordt voorkomen door middel van een aanlegvergunningstelsel.
  • Cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en gebieden worden in het bestemmingsplan beschermd.
  • Waardevolle enken, essen, broeklanden en beekdalen dienen hun kenmerkende openheid te behouden.