direct naar inhoud van 5.2 Waterhuishouding
Plan: Dorp Uddel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1087-vas1

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Algemeen

Onder andere door de Nota Ruimte krijgt met name het waterbeleid een andere ori├źntatie van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Hiervoor is de watertoets in het leven geroepen.


In elke toelichting van een bestemmingsplan moet een waterhuishoudkundige paragraaf worden opgenomen. Met name belangrijk zijn de nieuwe ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan is grotendeels een conserverend beheerbestemmingsplan. Deze plannen hebben over het algemeen minder verstrekkende gevolgen voor de waterhuishouding. Voor de Aardhuis-woningbouwlocatie is in hoofdstuk 8 een aparte waterparagraaf opgenomen.

5.2.2 Beleid

Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Deze richtlijn heeft tot doel oppervlaktewater en grondwater kwalitatief en kwantitatief te beschermen en verbeteren. De richtlijn volgt de stroomgebiedsbenadering.

De hoofddoelen van de Kaderrichtlijn zijn:

  • het bereiken van een goede chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater;
  • het realiseren van een forse vermindering van lozingen en emissies naar het oppervlaktewater van stoffen die het milieu schaden;
  • het bewerkstelligen van een aanzienlijke vermindering van huidige en toekomstige verontreiniging van grondwater.

Sinds 1 november 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Het Waterplan Gelderland is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

Voor de realisatie van bepaalde waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.

5.2.3 Grondwater

Het dorp Uddel is gesitueerd midden op de Veluwe. Door de hoge ligging van het maaiveld is hier van nature sprake van diepe grondwaterstanden. De omgeving van Uddel vormt hierop een uitzondering door het voorkomen van ondiepe kleilagen. Hierdoor komen schijngrondwaterspiegels voor met name ten westen van de kern Uddel. Een gevolg hiervan is het voorkomen van ondiepe grondwaterstanden en meren midden op de Veluwe, zoals bv het Uddelermeer. In de kern van Uddel hebben deze schijnspiegels minder gevolgen. De grondwaterstand bevinden zich hier (muv de westelijke uitlopers van het dorp) op een diepte van meer dan 3 meter beneden maaiveld. Hierdoor is sprake van een permanente infiltratiesituatie.

Door klimaatveranderingen kunnen de grondwaterstanden op de Veluwe in de toekomst wel gaan stijgen. Door het ontbreken van een natuurlijk en kunstmatig ontwateringsysteem leidt dit tot stijgingen van de grondwaterstand van meer dan 50 centimeter (bron: Wateratlas provincie Gelderland). Bij grondwaterstanden dieper dan 3 meter minus maaiveld leidt dit niet tot nadelige consequenties voor bijvoorbeeld ruimtelijke ontwikkelingen.

5.2.4 Oppervlaktewater

In de kern van Uddel komt geen permanent oppervlaktewater voor. De enige wateropvang bestaat uit ontwatering- en zakgreppels, die gedurende een groot deel van het jaar geen water voeren. Hierdoor is er geen sprake is van nadelige effecten ten aanzien van de waterkwaliteit of kwelafhankelijke waternatuur.

5.2.5 Afvalwater

Nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. In Uddel ligt voornamelijk een rioolstelstel voor de opvang van vuilwater (zgn. DWA-stelsel).

Bij nieuwe plannen dient beoordeeld te worden of het bestaande rioolstelsel voldoende capaciteit heeft om de extra vuilwaterafvoer te verwerken.

5.2.6 Regenwater

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bij nieuwe stedelijke (her)ontwikkelingen de afvoer van hemelwater niet op de riolering aan te sluiten. In de Bouwverordening is bepaald dat het hemelwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein. Verhardingen van openbare wegen en terreinen dienen tevens aangesloten te worden op ondergronds infiltratievoorzieningen of voorzieningen voor regenwaterberging in de openbare ruimte (bv wadi's).