direct naar inhoud van 2.6 Detailhandelsvisie
Plan: Bestemmingsplan De Voorwaarts
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1035-ont1

2.6 Detailhandelsvisie

In 2003 is de Detailhandelsvisie 'Een boodschap voor iedereen' vastgesteld. Het belangrijkste doel van de detailhandelsvisie is te komen tot een sterke en evenwichtige detailhandelsstructuur, zowel vanuit het oogpunt van de consument (het verzorgingsniveau) als vanuit de optiek van het bedrijfsleven (het economische functioneren). De visie beoogt daarmee het bepalende beleid te zijn voor de uitwerking van (deel)plannen op wijk- en buurtniveau en voor het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen. Verder is de visie het toetsingskader voor, onder meer door de markt, ingediende plannen.
In de nota is een aantal uitgangspunten geformuleerd. Essentie is dat binnen de mogelijkheden die de gemeentelijke overheid daarvoor heeft, wordt gekozen voor het handhaven en versterken van een fijnmazige structuur van de detailhandel op buurtniveau in plaats van deze op te heffen ofwel opschaling. Dit betekent het behoud van winkelcentra op buurtniveau.
Op basis van de kaderstellende uitgangspunten, aandachtspunten en een (indicatieve) berekening van de potentiële marktruimte kan per stadsdeel een dagelijkse voorzieningenstructuur op hoofdlijnen worden opgesteld.
Het Apeldoorns beleid is gebaseerd op de volgende 4 locatie-typen.

Winkelcentra met een buurt/wijkfunctie:
Deze wijkwinkelcentra zijn gericht op de dagelijkse aankopen, vooral food, met daarnaast een basispakket aan niet-dagelijkse winkels zoals bloemen/planten en huishoudelijk.
Ruimtelijk-economisch worden deze centra gekenmerkt door fijnmazigheid, hoogfrequent bezoek,korte verblijfsduur en zijn afhankelijk van zowel lopende en fietsende consumenten als van consumenten die met de auto en het openbaar vervoer komen. Er is sprake van een redelijk frequente distributie (aan- en afvoer). Het betreft veelal kleinschalige artikelen in panden variërend van 50 tot ca 2.500 m².
Het centrum voor recreatief winkelen:
Hier gaat het vooral om de niet-dagelijkse winkels. Het winkelgedrag is gericht op kijken, vergelijken, verblijven, impulsaankopen etc. in combinatie met daghoreca, cultuur en een hoogwaardig verblijfsgebied. Het winkelbezoek is van een redelijke duur, recreatief en /ontspannend en een gemiddelde frequentie. Het betreft de binnenstad van Apeldoorn. Zowel bereikbaar per fiets en OV als per auto. Er is sprake van mengvormen van kleinschalige specialiteiten tot grootschalige warenhuizen. Er is geen grootschalige clustervorming maar juist de synergie tussen specialiteiten en massa. Er wordt gestreefd naar aaneengesloten winkelcircuits met tevens enkele grootschalige trekkers als ankerpunten binnen dit circuit. Het betreffen veel kleinschalige artikelen, waarbij emotie (kijken, proberen, vergelijken) en impuls (verleiding, marketing, sfeer) een grote rol spelen. Ruimtelijke kwaliteit en zaken als sfeer leggen restricties op aan distributie (laden/lossen).
Cluster(s) voor doelgerichte aankopen (PDV-clusters):
Deze clusters zijn gericht op goederen die veelal volumineus zijn: goederen voor “in- en om het huis” zoals meubels, doe-het-zelf, woninginrichting, tuin, fiets. Een stedelijk – of stadsdeelverzorgende functie met een “middle of the road” branchering. Deze branchering is complementair aan binnenstad en wijkwinkelcentra. De consument is bereid er een (korte, 5-10 km) afstand voor af te leggen, veelal met de auto. Lage tot gemiddelde frequentie. Doelgericht, efficiënt, weinig afhankelijk van sfeer.
Cluster voor grootschalige winkels (GDV-cluster) met een regionale verzorgingsfunctie:
Apeldoorn heeft als grotere regiogemeente de ambitie om op winkelgebied iets bijzonders te bieden, met een regionale uitstraling. Het betreffen winkels die door hun schaal/omvang een groot verzorgingsbereik hebben en die vooral doelgericht bezocht worden. Qua branchering sluit het met name aan op “in- en om het huis”, met een regionale aantrekkingskracht en een kwaliteit die gemiddeld tot hoog is (regionale ambitie). Lage frequentie, vooral met de auto. Volumineus karakter van zowel de artikelen als van de winkels. Hoge afhankelijkheid van auto-bereikbaarheid en frequent-volumineus laden-lossen.

Nieuw beleid
In de Koersbepaling Winkelontwikkeling Apeldoorn is besloten om de beleidskaders (verwoord in de detailhandelsvisie “Een boodschap voor iedereen” 2003) op een aantal punten aan te scherpen. Een onderdeel van deze kaders is het perifere detailhandelsbeleid.
De gemeenteraad heeft op 24 april 2008 bij de genoemde koersbepaling het volgende besloten:
“heroriëntatie op aantal en omvang PDV-locaties en de gewenste omvang van de GDV-locatie Voorwaarts”. In de detailhandelsvisie wordt gesproken over 4 locaties voor Perifere Detailhandel (PDV). Gelet op de hiervoor aangestipte concentratieopgave en de behoefte aan krachtige en stevige clusters, kan dit aantal wijzigen. Concrete ruimtelijke en markttechnische mogelijkheden moeten de komende periode uitwijzen of en in welke mate dit noodzakelijk is. Tevens moet, binnen deze concentratieopgave, de gewenste omvang van het GDV-cluster De Voorwaarts nader bepaald worden (nu: 12.000 m² b.v.o.).”

Aansluitend op deze koersbepaling is in februari 2010 de notitie "Perifere en grootschalige detailhandel gemeente Apeldoorn Herijking van beleid" vastgesteld.
Deze nota wordt gezien als een kader voor ontwikkelingen op het gebied van perifere en grootschalige detailhandel. Als ambitie wordt uitgesproken dat Apeldoorn als grotere regiogemeente een perifeer winkelgebied wil ontwikkelen met een regionale uitstraling. Het gaat dan om winkels die vooral door hun schaal/omvang een groot verzorgingsbereik hebben en die veelal doelgericht bezocht worden (GDV).
Randvoorwaarden voor een succesvol regionaal grootschalig cluster zijn:

  • Complementair aan binnenstad en wijkwinkelcentra (beperking branchering);
  • Strategische ligging in verzorgingsgebied (Apeldoorn+ regio);
  • Herkenbaarheid;
  • Kritische massa (omvang, minimaal ca. 20.000 m² wvo);
  • Onderscheidende kwaliteit (regionaal);
  • Goede bereikbaarheid (auto, fiets en openbaar vervoer).

Het winkelprogramma in het bestemmingsplan De Voorwaarts dat eerder in procedure is geweest, omvat tot dan 12.000 m² b.v.o. grootschalige detailhandel.
Hoewel op zichzelf levensvatbaar, is dit te gering om de ambitie om een echt regionaal GDV-cluster te zijn, waar te maken. Vandaar dat het ambitieniveau van de gemeente is bijgesteld en besloten is om in te zetten op een stevige cluster van grootschalige winkels met een minimale oppervlakte van 20.000 m² winkelvloeroppervlakte.
Om het grootschalige karakter binnen dit cluster te waarborgen moet een minimale oppervlakte-eis van 1.500 m² b.v.o. aangehouden worden. Tevens moeten restricties ingebouwd worden om dagelijkse winkels en meer recreatieve winkels tegen te gaan (complementariteit) en in te zetten op volumineuze artikelen (o.a. meubels, fietsen, sport/kamperen, bruin- en witgoed. Artikelen die over het algemeen doelgericht en gebruikmakend van de auto worden gekocht. Daarnaast is het wenselijk dat er synergie komt tussen het grootschalige cluster en de bestaande gespecialiseerde meubelboulevard (combinatiegedrag).
De volgende ruimtelijke relevante factoren voor het onderscheid tussen de clusters grootschalige winkels en de winkelcentra met een buurt/wijkfunctie en de centrumwinkels zijn aan de orde:
De aard van de artikelen is veelal volumineus, wat zowel afhankelijkheid van autobereikbaarheid tot gevolg heeft als volumineus laden-lossen (grote vrachtwagen-combinaties). Ook dit maakt vestiging in de fijnmazige binnenstad lastig.

  • De regionale aantrekkingskracht rust zowel op individuele (unieke) grootschalige formules als op de synergie tussen deze grootschalige aanbieders: deze clustervorming is in deze omvang niet te realiseren in de fijnmazige binnenstad en noopt tot meer perifere ligging.
  • De Voorwaarts wordt ingevuld met een type winkelformule dat de voortdurende neiging heeft tot opschaling: wanneer hier duurzaam en toekomstbestendig mee moet worden omgegaan, betekent dit dat er strategische expansieruimte aanwezig moet zijn. Ook dit is lastig te realiseren in de fijnmazige binnensteden en legitimeert vestiging op De Voorwaarts.
  • De Voorwaarts wordt een locatie die efficiënt wordt ingericht voor doelgerichte aankopen: veel ruimte voor parkeren, laden-lossen, minder aandacht voor zaken als sfeer, verblijfskwaliteit openbare ruimte, etc. Daarmee een duidelijk ruimtelijk onderscheid t.o.v. de binnenstad waar juist zaken als sfeer, inrichting, verblijfskwaliteit belangrijke factoren zijn, soms deels ten koste gaan van parkeergemak (langere loopafstanden en hoger tarieven) en laad-losmogelijkheden (venstertijden). Deze verschillen in ruimtelijke investeringen maken ook een verschil in branchering logisch: winkels die het meer moeten hebben van emotie/sfeer en verblijfskwaliteit (zoals mode, luxe-artikelen, warenhuis) vinden een plek in de binnenstad, terwijl doelgericht winkelen in vooral volumineuze artikelen op de meer “grootschalige” locatie zijn plek vindt.
  • De ruimtelijke relevantie om detailhandel in dagelijkse of semi-dagelijkse artikelen uit te sluiten op De Voorwaarts heeft haar grondslag in de ontwrichtende werking die dat kan hebben: indien dit wordt toegestaan op deze volumineuze locatie, kan er een dermate groot cluster van bijv. supermarkt/versspecialisten/huishoudelijke artikelen ontstaan, waardoor een deel van de wijk- en buurtwinkelcentra kunnen “omvallen”, hetgeen de keuzevrijheid van de consument aantast. Deze wijk- en buurtcentra zijn immers de belangrijkste voorkeur voor de consumenten in de wijken, en hebben een omvang die ver beneden de omvang van het grootschalige cluster liggen. Tevens zijn deze wijkwinkelcentra belangrijke centra voor ontmoeting en sociale activiteiten. Afbrokkeling van die structuur betekent derhalve ook afbrokkeling van de leefbaarheid.

Naar de haalbaarheid en wenselijkheid van de plannen heeft BRO onderzoek verricht.
Dit onderzoek van BRO is een verdieping op het onderzoek naar de mogelijkheden voor perifere en grootschalige detailhandel uit 2008. Dit laatste rapport uit 2008 is als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.
In het onderzoek uit oktober 2010, dat als Bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen, wordt op basis van landelijke voorbeelden ingegaan op de functionele invullingmogelijkheden en de mogelijke effecten op de Apeldoornse detailhandelsstructuur. Daarbij is tevens de marktruimte betrokken.
In het rapport wordt geconstateerd dat uit de landelijke ontwikkelingen van de megastores blijkt dat de belangrijkste (ruimtelijke) succesfactoren zijn een goede bereikbaarheid (met de auto), voldoende parkeerplaatsen maar vooral ook de omvang van de cluster. Ook de keuzemogelijkheden voor de consument dragen bij aan een goed functioneren.
Deze belangrijke ruimtelijke randvoorwaarden en de voorgestelde omvang kunnen vooral in de periferie worden geboden.
Perifere winkels worden voornamelijk doelgericht bezocht waarbij de bereikbaarheid een kernbegrip is en waar gemak en efficiëntie voorop staan. Dit in tegenstelling tot het recreatief winkelen waarbij aspecten als verblijven, beleven kijken en vergelijken heel belangrijk zijn.
Kortom er zijn verschillen in koopgedrag tussen beide vormen van winkelen.
Het is dan ook van belang dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dit onderscheid moet worden gemaakt.
Zoals aangegeven gaat het doelgericht aankopen gepaard met goede bereikbaarheid/parkeren en dat er planologische ruimte is voor een groot megacluster.
Beleidsmatig bezien is het van belang dat het recreatieve winkelen vanuit een/ het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit in het winkelcentrum van Apeldoorn geconcentreerd blijft en wordt versterkt. Daarom is het onderscheid recreatief en doelgericht winkelen ruimtelijk relevant en worden in het bestemmingsplan een aantal branches uitgesloten. Niet vanwege het reguleren van de concurrentieverhoudingen maar om te voorkomen dat zich winkels kunnen gaan vestigen die beleidsmatig gezien in het centrum thuishoren.
In de rapportage van BRO van oktober 2010 wordt ondermeer het volgende geconcludeerd:

  • De realisatie van een winkelcluster van een dergelijke omvang is distributie-planologisch verantwoord;
  • De ontwikkeling past binnen het landelijke beeld ten aanzien van PDV/GDV-clusters en -ontwikkelingen en binnen het gemeentelijk beleid;
  • Er is distributieve ruimte in meerdere onderzochte branches;
  • De realisatie van een cluster van voldoende omvang kan bovendien een stimulans betekenen voor verplaatsingen;
  • In enkele branches waar theoretisch geen of weinig marktruimte te bereken is, is er wel sprake van een mogelijke kwalitatieve versterking in de vorm van ontbrekende bijzondere formules, specialisaties of marktsegmenten;
  • Zo er al bestaand winkelaanbod verdwijnt als gevolg van de realisatie van De Voorwaarts, dan zijn de effecten op de Apeldoornse winkelstructuur als geheel zeer beperkt. Van duurzame ontwrichting zal geen sprake zijn, vooropgesteld dat het programma geen branches omvat die essentieel zijn voor het functioneren van de overige reguliere winkelcentra (zoals dagelijkse artikelen).

Het onderzoekbureau stelt vast dat fase 1 goed te onderbouwen is en dat een eventuele latere uitbreiding gekoppeld moet worden aan een nadere onderbouwing. Gelet op deze aanbeveling is fase 2 niet bij recht in het bestemmingsplan geregeld maar via een wijzigingsbevoegdheid.