direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Meervelderweg 52 Uddel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1191-ont1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Meervelderweg 52 Uddel

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Aan de Meervelderweg 52 in Uddel is een tuincentrum gevestigd, met daarbij een caravanstalling. De eigenaar is voornemens over te gaan tot een herinrichting van het perceel. Daarbij wil hij de caravanstalling verwijderen. De bouwmogelijkheden die daarbij 'vrijkomen' wil hij gaan benutten voor een uitbreiding van het tuincentrum. Gelijktijdig wil hij de inrichting van de buitenruimte van het tuincentrum verbeteren en een bedrijfswoning realiseren.

1.2 Ligging en begrenzing

Het perceel is gelegen in het westelijke buitengebied van de gemeente Apeldoorn in het gebied dat de Agrarische Enclave wordt genoemd. Dat is een relatief groot, overwegend agrarisch gebied binnen het massief van de Veluwe. Het perceel maakt onderdeel uit van het buurtschap Meerveld. Het perceel ligt hemelsbreed ruim een kilometer ten zuiden van het dorp Uddel. Het plangebied ligt aan de Meervelderweg, de doorgaande weg tussen Harderwijk en de afslag Kootwijk van de rijksweg A1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0001.png"

Figuur 1: Ligging in omgeving

Het plangebied wordt gevormd door het genoemde perceel, de Meervelderweg 52 in Uddel. Kadastraal is dit perceel bekend als gemeente Apeldoorn, sectie A, nummers 5207, 6328 en 7211

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0002.png"

Figuur 2: luchtfoto omgeving met het plangebied globaal, rood omkaderd

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Agrarische Enclave. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 13 juni 2013.

Het aanwezige bedrijfsterrein heeft de bestemming Bedrijf. Voor het aanwezige tuincentrum geldt de aanduiding 'tuincentrum'. In de aanwezige caravanstalling wordt voorzien middels de aanduiding 'caravanstalling'. Beide aanduidingen overlappen elkaar niet. Voor de situering van de gebouwen is een bouwvlak aangegeven. De oppervlakte van de gebouwen mag bij recht niet meer bedragen dan 110% van het bestaande oppervlak. De aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' regelt dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan. Voor een gedeelte van de grond tussen het bouwvlak en de openbare weg, wordt middels een aanduiding, een showruimte voor tuinhuizen geregeld. In afwijking van de regel dat gebouwen binnen het bouwvlak gesitueerd moeten worden, zijn hier gebouwen in de vorm van showmodellen toegestaan.

Het resterende gedeelte van het plangebied betreft onbebouwde, agrarische grond. Dit heeft de bestemming Agrarisch. Daarmee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor agrarisch bedrijven.

De bouwvoornemens van de eigenaar passen op verschillende onderdelen niet in het geldende bestemmingsplan. Dat bestemmingsplan voorziet niet in het gebruiken van de grond van de caravanstalling voor een tuincentrum. Daarnaast is de beoogde uitbreiding van het tuincentrum deels buiten het aangegeven bouwvlak geprojecteerd. Tevens een uitbreiding van het bedrijfsterrein op de agrarisch grond voorzien, terwijl een deel van de grond voor de te verwijderen caravanstalling een agrarisch gebruik krijgt. Ook wordt niet in de gewenste bedrijfswoning voorzien. Derhalve is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0003.png"

Figuur 3: uitsnede plankaart geldend bestemmingsplan

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

De toelichting begint met een beschrijving van het relevante beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de bestaande situatie in het plangebied beschreven. In het volgende hoofdstuk wordt de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

2 BELEIDSKADER

2.1 Streekplan Gelderland 2005

Het Streekplan Gelderland 2005 (vastgesteld op 29 juni 2005) is er op gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan.

In het Streekplan is het plangebied gezoneerd als Multifunctioneel Platteland. Binnen het generieke beleid is de verdere invulling van het ruimtelijke beleid vooral de verantwoordelijkheid van de verschillende gemeenten.

Binnen het generieke beleid wordt terughoudend omgegaan met de uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Aanwezige bedrijven kunnen met maximaal 20% uitbreiding tot een maximum van in totaal 375 m². Afwijkingen van deze regel zullen goed onderbouwd moeten worden. Daarbij wordt ondermeer gekeken of het mogelijk is het betreffende bedrijf te verplaatsen naar een regulier bedrijventerrein. Dit uitgangspunt is in de Ruimtelijk Verordening Gelderland vastgelegd.

In dit geval gaat het echter om het herschikken van bestaande mogelijkheden voor bedrijfsgebouwen. Strijdigheid met het aangehaalde, provinciale beleid is dan ook niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0004.png"

Figuur 4: EHS met in rood omkaderd het plangebied

2.2 Structuurvisie Apeldoorn 2030

Voor het plangebied vormt op het gebied van de ruimtelijke ordening de gemeentelijke structuurvisie Buitenstad 2030 het integrale beleidskader. De structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en vervangt de structuurvisie voor het stedelijke gebied uit 2002.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. Door zo veel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare, krijgt Apeldoorn de ruimte zich te blijven ontwikkelen. Iedereen die een bijdrage kan leveren aan de Buitenstad Apeldoorn wordt uitgenodigd daaraan bij te dragen.

Ruimte bieden is niet vrijblijvend. Ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente; het beste van stad én landschap, het beste van modern én historisch, het beste van een centrale ligging én wonen in de luwte, het beste van bereikbaarheid én nabijheid, het beste van een solide én vernieuwende economie.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. Denk aan de Veluwe (waar het plangebied middenin ligt), de beken, sprengen en enken, de fijnmazige voorzieningenstructuur, het Weteringengebied, de spoor- en snelwegen en de parken & lanen. Zij maken Apeldoorn tot Buitenstad. Het fundament van Apeldoorn wordt gekoesterd en versterkt. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie.

In het fundament zijn de kernkwaliteiten van de Buitenstad samengebracht. Die kwaliteiten worden in bestemmingsplannen verankerd. Vanwege hun betekenis voor Apeldoorn als geheel investeren de gemeente in het op kwaliteit houden van het fundament (beheer) en zal dat waar mogelijk ook doen bij het uitbouwen ervan (ontwikkeling), bijvoorbeeld door het herstel van beken en sprengen en het versterken van de gebruikswaarde van het weteringenlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0005.png"

Figuur 4: essentie van de Buitenstad

3 BESTAANDE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

Meerveld, waar het plangebied binnen ligt, is een oude nederzetting. Door een gunstige hoogteligging werd hier relatief vroeg, vanaf de 11e eeuw, tot de ontginning van woeste gronden overgegaan. Zo ontstond, doorlopend tot in de 19e eeuw, een relatief fors complex van bouwlanden: een enk. Op de historische kaart van omstreeks 1900 is die enk goed terug te zien. Ook is op die kaart te zien dat het plangebied vlak buiten de nederzetting lag, in onontgonnen heidegebied. In de eerste helft van de 20ste eeuw is dit gebied ontgonnen. Ter plekke van het plangebied kwam een akker te liggen, terwijl direct ten zuiden en iets verder ten oosten bossen werden geplant. Net na het midden van de 20ste eeuw werden in het plangebied aan de weg een woning en kalverstal gebouwd. Later werden er meer stallen gebouw, waaronder rond 1980 het gebouw dat thans als caravanstalling dienst doet. Eind 20ste eeuw werd hier een tuincentrum gevestigd, waarvan de bebouwing in verschillende fasen is uitgebreid tot de huidige omvang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0006.png"

Figuur 5: topografische kaart van omstreeks 1900

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Omgeving

Buurtschap Meerveld is in hoofdzaak gelegen aan de doorgaande weg tussen Harderwijk en Kootwijk, de Meervelderweg, en de min of meer parallel daaraan gelegen Buurtweg. Het buurtschap wordt gevormd door diverse burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven, die veelal nog actief zijn. Ten westen van het buurtschap ligt de Meerveldse Enk. De aanwezige openheid met licht reliëf, afgebakend door het buurtschap en bospercelen, vormt hier de belangrijkste landschappelijke kwaliteit. De enk is ingericht met akkers, grasland en enkele kwekerijen. Ten oosten van de Meervelderweg liggen nog enkele zogenoemde huiskampen. Dat zijn met groensingels omzoomde akkers, die onderdeel uitmaakte van het oorspronkelijk landbouwsysteem van Meerveld.

De bebouwing van het buurtschap is geclusterd in en om de driehoek Meerveldeweg-Buurtweg-Kampweg en bestaat uit een combinatie van agrarische bebouwing en diverse woningen. De erven zijn onregelmatig verspreid, soms zijn tussenruimtes aanwezig in de vorm van kleine weilanden, in andere gevallen grenzen de erven aan elkaar. De burgerwoningen zijn vaak op de dichtstbijzijnde weg georiënteerd. De agrarische erven zijn gericht op de omliggende gronden. Op de erven is de bebouwing meestal onregelmatig verspreid: met wisselende posities en kaprichting rondom de woning. Een typering die eigen is aan een enkenlandschap.

Naast een onregelmatig opgebouwd cluster van bebouwing draagt de aanwezige beplanting bij aan de ruimtelijke typering van een buurtschap. Langs de wegen zijn veel hoge, opgaande beplantingen aanwezig, het meest in de vorm van rijen zomereiken. Verder zijn veel erven van opgaande beplanting voorzien.

Plangebied

Het perceel Meervelderweg 52 ligt in het zuidoostelijke deel van het buurtschap, ten oosten van de Meervelderweg. Direct ten zuiden van het plangebied gaat het landschap over in een boslandschap. Ten oosten van het plangebied ligt agrarische grond, met landschappelijk gezien een grootschalig karakter. Ten noorden van het plangebied liggen twee, voormalige huiskampen en, direct aan de Meervelderweg, een burgerwoning.

In het oostelijke deel van het plangebied is het tuincentrum aanwezig. Het tuincentrum betreft een gebouw dat bestaat uit 6 geschakelde volumes: één bouwlaag met flauwe kappen, grotendeels opgetrokken uit glas en staal. De kappen staan parallel aan de verkaveling en daarmee vrijwel haaks op de Meervelderweg. Het gaat om een gebouw dat circa 1 hectare aan oppervlak beslaat. Met die maat en door de functie betreft het een sterk afwijkend element in het buurtschap. Dit wordt versterkt door de breedte van de voorgevel, circa 90 meter. In de directe omgeving is het tuincentrum dan ook een in het oogspringend element. In de wijdere omgeving zorgen de groenelementen op de omliggende percelen ervoor dat het gebouw niet overheersend is.

Tussen de openbare weg en het gebouw is een parkeerterrein aanwezig. Dit is deels half verhard en deels onverhard. Op dit terrein is tevens een fontein aanwezig, waaraan het tuincentrum zijn naam dankt. Te midden van het parkeerterrein staat een nutsvoorziening in de vorm van een klein gebouw. Tussen het gebouw en de zuidelijke plangrens is een onoverdekte verkoopruimte aanwezig. Hier staan blokhutten en dergelijke tentoongesteld.

Achter het gebouw van het tuincentrum is expeditieruimte aanwezig voor het tuincentrum, evenals caravanstalling. De caravanstalling betreft een volume van geschakelde, voormalige veestallen. Dit gebouw maakt een vervallen indruk. Voor het overige betreft het plangebied agrarische grond.

Opgaande groenelementen zijn in het plangebied praktisch afwezig. Alleen langs de zuid- en de oostzijde van het onoverdekte verkoopterrein zijn rijen met gebiedsvreemde beplanting aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0007.png"

Figuur 6: luchtfoto

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0008.png"

Figuur 7: tuincentrum gezien vanaf de Meervelderweg

In het bestemmingsplan Agrarische Enclave is de beoogde structuur van het landschap toegelicht. Het plangebied valt binnen het landschapstype ‘kamerstructurenlandschap’. Het kamerstructurenlandschap is een ‘nieuw’ landschapstype dat voortbouwt op de kenmerken van de jonge heideontginningen en biedt een landschappelijk raamwerk voor de huidige ruimtelijke dynamiek in agrarisch gebieden. Streven met dit ruimtelijke beeld van groene kamers is om ordening terug te brengen in verrommelde gebieden. Door het aanplanten van kavelgrenzen en wegen krijgt de aanwezige bebouwing een achtergrond en ontstaat er een sterk landschappelijk raamwerk welke de nieuwe en toekomstige bebouwing landschappelijk in past.

3.3 Archeologie

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Apeldoorn ligt het plangebied in een zone met deels een middelhoge verwachtingswaarde en deels een hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachting is grotendeels gebaseerd op het landschap en op bekende archeologische waarden uit de omgeving. Vanwege deze archeologische achtergrond zal een archeologisch onderzoek nodig zijn om te bepalen of er daadwerkelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn en in hoeverre deze door de ontwikkelingen zullen worden verstoord.

3.4 Cultuurhistorie

Het plangebied ligt tegen de oude landbouwgronden van Meerveld. In de Cultuurhistorische Analyse die van het bestemmingsplangebied Agrarische Enclave is gemaakt in 2010, worden die oude landbouwgronden en de buurtschap gewaardeerd als landschap van hoge waarde en wordt het buurtschap daarnaast gewaardeerd als historische stedenbouwkundig ensemble van hoge waarde. Het plangebied zelf krijgt een positieve waarde en de Meervelderweg wordt gewaardeerd als structuur van middelhoge waarde. In het plangebied zijn geen bijzondere, cultuurhistorische waarden aanwezig. Voor het buurtschap Meerveld geldt de aanbeveling deze vooral haar landelijke karakter te laten behouden. Toevoegen van bebouwing langs de wegen, waardoor de linten worden verdicht, is daarom in principe niet wenselijk vanuit het perspectief van het waardevolle cultuurlandschap.

3.5 Verkeer en vervoer

Het plangebied wordt ontsloten via de Meervelderweg. Dat is de doorgaande weg tussen Harderwijk en de afslag Kootwijk van de rijksweg A1.

3.6 Kabels en leidingen

In het plangebeid zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee spbij ecifiek rekening gehouden dient te worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

 

4 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE OPZET

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied. (korte samenvatting hoofdstuk)

4.1 Functionele opzet

Het gebouw van de caravanstalling is in een bouwvallig staat. Het gebouw is aan vervanging toe. De caravanstalling is echter niet meer dan bijzaak voor de eigenaar. De eigenaar richt zich vooral op de (verdere) ontwikkeling van het tuincentrum. Dat ondermeer door aanwezige buitenopslag van goederen zoveel mogelijk naar binnen te brengen en door de hoeveelheid onoverdekte verkoopruimte te beperken. Dat komt de aantrekkelijkheid van het bedrijf ten goede. Daarom heeft hij het voornemen om de caravanstalling plaats te laten maken voor een uitbreiding van het tuincentrum. Gevolg is een herschikking van de gebouwen op het perceel en daarmee van de bouwmogelijkheden.

In het geldende bouwvlak is nu circa 16.250 m2 aan gebouwen toegestaan. Daarvan is circa 1,1 hectare voor het tuincentrum bedoeld, wat nu ook grotendeels aanwezig is. De rest van de bouwmogelijkheden is voor de caravanstalling. In de nieuwe situatie worden de bouwmogelijkheden grotendeels benut voor een uitbreiding van het gebouw van het tuincentrum in zuidelijk richting. Het huidige stramien van het gebouw kan dan worden doorgezet. Functioneel betreft dit het overkappen van bestaande verkoopruimte en daarmee is er geen toename van (vierkante meters voor) detailhandel. Daarnaast zal het bestaande gebouw aan de oostzijde worden uitgebreid ten gunste van aanvullende opslagruimte voor het bedrijf.

Met het verdwijnen van de caravanstalling komt veel ruimte vrij. Deels zal dit een agrarische bestemming krijgen. Het resterende deel en de grond ten zuiden daarvan worden gebruikt om de logistiek van het bedrijf te verbeteren. Het bedrijf kan hierdoor de aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens beter op eigen terrein kwijt. In de huidige situatie is dat nu niet altijd mogelijk. Daarnaast is hier in een overloopterrein voorzien voor het parkeren op de drukkere dagen voor het tuincentrum. Weer ten zuiden daarvan is de bedrijfswoning gedacht, in de zuidoostelijke hoek van het plangebied.

4.2 Noodzaak bedrijfswoning

Het tuincentrum beschikt nu niet over een bedrijfswoning. Dat terwijl het bedrijf een dergelijke woning wel noodzakelijk acht voor haar bedrijfsvoering in verband met kunnen houden van toezicht. Om dat aan te tonen heeft VanWestreenen B.V. een onderbouwing opgesteld. Die onderbouwing is als bijlage 1 van de Bijlagen bij de toelichting. Uit de onderbouwing blijkt dat het tuincentrum een specialistisch en volwaardig bedrijf is. Het bedrijf legt zich toe op een aantal specifieke onderdelen van het gebruikelijke assortiment van een tuincentrum; zoals spa's, tuinhuizen, tuinmeubilair en sauna's. Vanwege deze specialisatie verzorgt het bedrijf ook zijn eigen import. Dat zorgt voor werkzaamheden buiten de reguliere werktijden. Daarnaast is de strategie gericht op het continueren en verder ontwikkelen van de bedrijfsvoering. De aard en omvang van het bedrijf maken dat de constante aandacht van de bedrijfsleider nodig is. Vanuit een woning buiten het terrein is dat niet adequaat realiseerbaar. Derhalve is een bedrijfswoning nodig.

4.3 Ruimtelijke opzet

4.3.1 Algemeen

Met de uitbreiding van het tuincentrum, wordt de voorgevel van het gebouw verder verbreed. Dit zorgt op zichzelf niet voor een verbetering van de inpassing van het bedrijf in de omgeving. Daar staat echter een forse, ruimtelijke winst tegenover doordat de caravanstalling verdwijnt. Het perceel gaat daardoor minder ver het landschap 'insteken' en de gebouwen worden meer geconcentreerd op het perceel. Gelijktijdig wordt de sloop en nieuwbouw aangegrepen voor een aanmerkelijke verbetering van de groene, landschappelijke inpassing van het perceel.

Aan de zuidzijde van het plangebied zorgt het daar aanwezige bosperceel reeds voor de landschappelijke inbedding van het tuincentrum. Die inbedding wordt compleet gemaakt door langs de noordzijde en oostzijde van het perceel een nieuwe houtsingel aan te planten. De hier gewenste kamerstructuur van het landschap kan zo worden bereikt. Aan de noordkant gaat de singel aansluiten op de beplanting bij de woning aan de Meervelderweg 56. Voor het overige is de aandacht vooral gericht op het voorterrein. Doel daarvoor is het terrein meer een aanblik te geven die past in de omgeving. Per saldo leidt de voorgenomen nieuwbouw tot een aanmerkelijke verbetering van de landschappelijke kwaliteit ter plekke.

4.3.2 Bebouwing

Met de uitbreiding van het tuincentrum worden drie geschakelde volumes, van een bouwlaag met kap, aan het tuincentrum toegevoegd. Door de voorgevel van de uitbreiding enigszins terug te leggen (ten opzichte van de weg) wordt voorkomen dat de huidige, relatief zeer lange voorgevel verder verlengd wordt. Ook blijft daarmee vanaf de weg meer zicht bestaan op het zuidelijk gelegen bosperceel, wat een groene aanblik ten goede komt. De achtergevel komt wel gelijk te liggen met de bestaande achtergevel. De uitbreiding betreft circa 5.500 m². Daarnaast is aan de achterzijde van het huidige gebouw een uitbreiding voorzien van circa 750 m². Dit betreft opslagruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0009.png"

Figuur 8: inrichtingsplan

4.3.3 Voorterrein

De uitbreidingen vormen aanleiding om de inrichting van het voorterrein te verbeteren. Het huidige voorterrein voldoet niet aan de gewenste uitstraling en ambities van het tuincentrum en sluit moeizaam aan bij de kwaliteiten van de omgeving. Het terrein is nu open met vooraan de weg een cirkelvormige toegangsweg met daarlangs parkeerplaatsen en daarop een fontein. De verharding bestaat uit rode mijnsplit welke veelvuldig onderhoud vergt. Op dagen met veel bezoekers wordt er geparkeerd op het grasveld ten zuiden van de cirkelvormige toegangsweg. Op het voorterrein staan bolcatalpa’s welke geen recht doen aan de uitstraling van het pand én het omliggende landschap.

Door de herinrichting zal het huidige voorterrein minder parkeercapaciteit krijgen. Dit wordt opgelost door overloopparkeren aan de achterzijde van het pand. Voor de nieuwe situatie is het bovenstaand inrichtingsplan gemaakt. Het nieuwe entreegebied vormt een loper vanaf de parkeerplaats tot de hoofdingang van het gebouw en heeft een hoogwaardige uitstraling. De loper onderscheidt zich van de ontsluitingsweg door te kiezen voor een ander materiaal met een iets lichtere kleurnuance. Midden in de loper liggen twee langgerekte vijverpartijen die de bezoeker het gebouw binnen leiden. Het entreegebied is tevens verblijfsgebied. De loper wordt aan twee zijden geflankeerd door brede groenstroken De groenstroken bestaan uit een smalle strook gazon met daarnaast een golvend vak van eenvoudige en groenblijvende lage grassen met solitaire groepen van hogere siergrassen. De ontsluitingsweg wordt uitgevoerd in asfalt met in de toplaag een grote hoeveelheid steenslag. De ruimte rond het nutsgebouw rond het voorterrein wordt op eenzelfde wijze ingericht als de groenstroken in het entreegebied.

De parkeerplaatsen krijgen een afmeting van 3,5 x 5 meter zodat comfortabel in en uit gereden kan worden. De parkeerplaatsen krijgen een functionele materialisering van gebakken straatbaksteen. Het volledige voorterrein krijgt een ingetogen groene uitstraling. Op het voorterrein worden circa 31 eiken geplant. Het gaat om zomereiken, afgewisseld met scharlaken eiken, om te zorgen voor een kleine verbijzondering. Het entreegebied blijft nagenoeg vrij van bomen om het zicht op de hoofdingang te borgen.

De parkeerplaatsen worden van elkaar gescheiden door hagen van Fagus sylvatica (Gewone beuk). De hagen die loodrecht op het gebouw staan bestaan uit een dubbele rij. De blokhagen met bomen krijgen de afmeting van één parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1191-ont1_0010.png"

Figuur 9: inrichtingsplan voorterrein

4.3.4 Achterterrein

De inrichting van het nieuwe achterterrein wordt functioneel. Een deel van de ruimte van de te slopen caravanstalling wordt gebruikt als stallings- en manoeveerruimte voor de aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens. Parkeerproblemen die in de huidige situatie ontstaan, als meerdere vrachtwagens zich gelijktijdig meldden om geladen of gelost te worden, behoren dan tot het verleden. Daarnaast kan deze ruimte gebruikt worden voor het parkeren door bezoekers als het voorterrein vol is.

Voor de drukkere dagen is ten zuiden van de nieuwe verkeersruimte, een overloop-parkeerplaats voorzien. Dit betreft een onverhard terrein, een grasveld. Weer ten zuiden daarvan is de bedrijfswoning gedacht. Dit betreft een vrijstaande woning met bijgebouw, met daaromheen een tuin. De landschappelijke inpassing daarvan krijgt gestalte door verspreid in de tuin bomen aan te planten.

4.4 Verkeersontsluiting en parkeren

In de nieuwe situatie zal de ontsluiting ongewijzigd blijven: via de Meervelderweg. In de vorige paragraaf is reeds op de parkeeroplossing ingegaan. Hiermee wordt in voldoende parkeerplaatsen voorzien.

5 UITVOERBAARHEID

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Op basis van het historisch bodembestand, het bedrijven-/tankenbestand en het bodeminformatiesysteem is de locatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er zijn daardoor geen bezwaren voor een bestemmingsplanwijziging.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

De planlocatie ligt nabij de Meervelderweg, welke een 50 dB(A) geluidzone heeft. Deze zone ligt over de planlocatie. Voor de betreffende planlocatie kan dus een correctie ten opzichte van het referentie-omgevingstype “rustige woonwijk” uitgevoerd worden voor het aspect geluid. Het verzoek betreft hier een zowel milieubelastende (tuincentrum) als milieugevoelige (bedrijfswoning) functie. Er is hier dus sprake van zowel inwaartse als uitwaartse milieuzonering.

Inwaartse zonering

Gelet op de beoogde ligging van de bedrijfswoning buiten de milieuzones van de kalverenhouderij aan de Buurtweg 21 en het gasdrukmeet- en regelstation op het perceel zelf, zijn er geen knelpunten ten aanzien van de inwaartse zonering.

Uitwaartse zonering

Voor de gewenste activiteit op de planlocatie geldt een aan te houden milieuzone van 10 meter. De naastgelegen woningen Meervelderweg 56 en 44 bevinden zich buiten de geldende milieuzone.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedssfeer van een verkeersweg. Derhalve wordt alleen wegverkeerslawaai beschouwd.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.

Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat daarvoor een grond aanwezig is. Die gronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Apeldoorn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

In de rapportage d.d. 8 april 2014, opgesteld door Het GeluidBuro en opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting op de nieuwe bedrijfswoning ten gevolge van de Meervelderweg berekend. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op alle gevels beneden de voorkeursgrenswaarde blijft.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan beoogt de herschikking van bedrijfsbebouwing op een perceel en de toevoeging van een (bedrijfs)woning. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een zekere maatschappelijke ontwrichting ten gevolge van een calamiteit. Indien een ontwikkeling een toename van het groepsriscio mogelijk maakt geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het zogeheten Basisnet. Het Besluit transportroutes externe veiligheid zal naar verwachting op 1 juli 2012 in werking treden.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten

Risicobedrijven

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi of bedrijven die anderszins een veiligheidscontour bezitten die over het plangebied is gelegen. Risicobedrijven vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Het plangebied ligt nabij de doorgaande route provinciale weg N302 en de provincie heeft in haar Externe Veiligheidsonderzoek naar de provinciale wegen uit 2011 geconstateerd dat de N302 geen relevant EV-risico herbergt en een verantwoording van het groepsrisico bij kleine ontwikkelingen niet noodzakelijk is.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

5.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

5.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 5.1.1 tot en met 5.1.7. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Algemeen

Het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 4 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in het streekplan heeft aangegeven.

5.2.2 Grondwater

Het gebied ligt niet in de in het streekplan vastgelegde grondwaterfluctuatiezone. Uit gegevens van peilbuizen in de omgeving blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied meer dan 6 meter onder maaiveld ligt. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend. Door de ontwikkeling zal grondwater in dit plangebied geen overlast veroorzaken en niet structureel afgevoerd worden. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

5.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In en om het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

5.2.4 Afvoer van hemelwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is.

Het buitengebied is voorzien van drukriolering. De aanwezige bebouwing is aangesloten op de drukriolering. Op de drukriolering mag geen hemelwater worden aangesloten. De drukriolering heeft naar verwachting voldoende capaciteit om het afvalwater van het totale nieuwe bouwplan af te voeren.

Het regenwater van de daken en percelen moet conform de regelgeving uit de Bouwverordening en de huidige situatie op het eigen perceel worden verwerkt. Dit kan door infiltratie in de bodem via een bovengrondse voorziening (greppel, wadi, sloot). Eventueel kan ook een ondergrondse infiltratievoorziening worden toegepast.

Voor de nieuwbouw mag géén gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen die het hemelwater kunnen verontreinigen. Voorbeelden zijn zink en koper.

5.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

5.2.6 Watertoets

Uit het voorgaande blijkt dat het plan geen wezenlijk negatieve effecten heeft op de waterhuishouding. In verband met de omvang van de voorgenomen bouwwerkzaamheden in het plangebied is vooroverleg gevoerd met het waterschap. De resultaten hiervan zijn in deze paragraaf en de planregels verwerkt.

5.3 Natuurwaarden

5.3.1 Algemeen

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de provinciale richtlijn voor Bos- en natuurcompensatie.

Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet (verder: Ffw) is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen.

De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Het gevolg is onder andere dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten voorkomen worden. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen zijn op grond van de Flora- en faunawet verboden. Hiervoor zijn van belang de artikelen 8 t/m 12 Ffw waarin onder andere de vernieling en beschadiging van beschermde planten en het doden, verwonden, vangen, verontrusten en verstoren van diersoorten en hun verblijfplaatsen is verboden.

Op grond van artikel 75 Ffw kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AMvB (het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet) gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid.

  • Algemene soorten
    Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de artikelen 8 t/m 12 Ffw. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.
  • Overige soorten
    De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort'.
  • Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75
    Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt het van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn wordt geen ontheffing verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de soorten van bijlage 1 geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen verstorende werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een ontheffing is verkregen. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • 1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; en
    • 2. er is geen alternatief; en
    • 3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.

Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Voor verstoring van vogels en vogelnesten door ruimtelijke ontwikkelingen kan geen ontheffing worden verleend. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, volksgezondheid en openbare veiligheid. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.

Gebiedsbescherming

Naast de soortbescherming wordt de gebiedsbescherming geregeld binnen de Natuurbeschermingswet (in de Natura 2000-gebieden) en binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Bescherming van bos is aan de orde als bestemmingen van bestaand bos worden gewijzigd.

Bos- en natuurcompensatie

Bos en natuur worden ook beschermd door de Boswet en de provinciale richtlijn Bos- en natuurcompensatie uit 1998, die is gericht op de instandhouding van het bos- en natuurareaal in de provincie Gelderland. Voor gronden met de hoofd- of medebestemming 'Bos' en 'Natuur' die in het kader van ruimtelijke planvorming wordt aangetast, gelden bepaalde compensatieregels. Deze compensatie is afhankelijk van de vervangbaarheid van de aan te tasten natuur of de leeftijd van het te kappen bos. Bij bos jonger dan 25 jaar geldt een compensatie van 120%; voor bos van 25 tot 100 jaar 130% en voor bos ouder dan 100 jaar, 140%. Voor gronden binnen de bebouwde kom die volgens de criteria van de Boswet herplantplichtig zijn (bosjes van minimaal 10 are of 20 bomen in rijbeplanting) geldt eveneens de compensatieverplichting vanuit de richtlijn.

In de richtlijn is bepaald dat er in principe fysieke compensatie plaatsvindt: als natuur of bos moet plaatsmaken voor andere vormen van ruimtegebruik moet er op een andere plek natuur of bos voor terugkomen. Er moet dan gelijktijdig met het bestemmingsplan ten gevolge waarvan bos of natuur verdwijnt, een nieuw aan te leggen natuur- of bosgebied worden bestemd, hetzij in het eigen plangebied, hetzij in een ander plangebied. Slechts wanneer fysieke compensatie niet of maar gedeeltelijk mogelijk is dan wel onaanvaardbare vertraging voor het project oplevert, mag financieel gecompenseerd worden. In het geval van financiële compensatie dient die compensatie gelijktijdig met het vaststellen van het bestemmingsplan geregeld te zijn. Dat kan door het vastleggen van een privaatrechtelijke overeenkomst met een initiatiefnemer maar ook door het instellen van een gemeentelijk groenfonds dat is gericht op natuur- en boscompensatie.

De gemeente hanteert daarbij de Groene Kluis, waarin de financiële vergoeding van compensatieverplichtingen gericht worden ingezet op compensatie van de arealen bos of natuur en daarmee op versterking van de Groene Mal.

5.3.2 Onderzoeksresultaten

Voor de ontwikkeling heeft Hamabest Ecologie B.V. een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting . Hieruit volgt dat beschermde natuurwaarden de realisatie van dit bestemmingsplan niet in de weg staan.

5.4 Archeologie

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek. Dit onderzoek is 4 van de Bijlagen bij de toelichting . Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in het gedeelte van het plangebied waar bouwwerkzaamheden gepland zijn, geen archeologische waarden te verwachten zijn.

Voor het overige deel van het plangebied geldt vooralsnog deels een middelhoge en deels een hoge archeologische verwachting. Dit leidt tot opname in de plankaart van de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie middelhoog respectievelijk Waarde - Archeologie hoog.

5.5 Cultuurhistorie

In het plangebied zijn geen bijzondere, cultuurhistorische waarden of monumenten aanwezig. Het landschap van het plangebied en naaste omgeving is een jonge heideontginning uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Direct ten westen en noordwesten van het plangebied zijn er wel aanmerkelijk cultuurhistorische waarden te vinden. In de Cultuurhistorische Analyse (CHA) van de Agrarische Enclave uit 2010 is de Meervelderweg gewaardeerd als structuur van middelhoge waarde. Het buurtschap Meerveld, gelegen aan de tegenoverliggende zijde van de Meervelderweg en de oudere kampontginning ten noorden van het tuincentrum zijn in de CHA hoog gewaardeerd. Voor het buurtschap Meerveld geldt de aanbeveling deze vooral haar landelijke karakter te laten behouden. Toevoegen van bebouwing langs de wegen, waardoor de linten worden verdicht, is daarom in principe niet wenselijk vanuit het perspectief van het waardevolle cultuurlandschap. Alleen een goede landschappelijke inpassing, waardoor de omvang van het gebouw minstens ten dele aan het oog onttrokken wordt door streekeigen beplanting, kan dit compenseren.

5.6 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer is op 3 april 2014 een anterieure overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening gesloten. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemers de kosten die gemeente maakt ter uitvoering van zijn initiatief voor hun rekening komen. Alle met deze planwijziging samenhangende kosten komen dus ten laste van de initiatiefnemer. Deze wijziging heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen. Er behoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

6 JURIDISCHE PLANOPZET

6.1 Inleiding

In hoofdstuk 4 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 5 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 6.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 6.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 6.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

6.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Meervelderweg 52 Uddel is een ontwikkelingsplan, waarin de toekomstige situatie uitgangspunt is voor de wijze van bestemmen.

6.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.


Agrarisch

Een deel van de caravanstalling wordt niet bij het terrein van het tuincentrum getrokken. Dat deel krijgt een agrarisch gebruik en wordt bij de aangrenzende akker getrokken. Met de bestemming Agrarisch wordt hierin voorzien.

Groen - Landschapselement

Met de bestemming Groen - Landschapselemant krijgt de nieuwe groensingel langs de noordzijde en de oostzijde van het uitgebreide tuincentrum planologische bescherming.

Bedrijf

De bestemming Bedrijf is de doorzetting van de geldende bestemming voor het perceel. Vervolgens is deze bestemming aangepast op de nieuwe situatie:

  • Het bouwvlak is aangepast;
  • De functieaanduiding 'caravanstalling' is komen te vervallen. De functieaanduiding 'tuincentrum' geldt nu voor het hele bestemmingsvlak;
  • Het toegestane maximum oppervlak aan gebouwen in het bouwvlak is omgezet in een absoluut getal, 16.250 m², wat met een aanduiding op de plankaart is aangegeven;
  • In de bijzondere bouwregels voor gebouwen is aangegeven dat voor het bepalen van het oppervlak alle gebouwen op het perceel meegeteld moeten worden en tevens de gebouwen binnen de bestemming Agrarisch. De sloop van de caravanstalling wordt zo gewaarborgd;
  • De aanduiding 'zonder bedrijfswoning' is komen te vervallen;
  • Met de aanduiding 'bedrijfswoning' wordt in de gewenste bedrijfswoning voorzien en wordt tevens de plek van die woning aangegeven;
  • De specifieke regeling voor tuinhuizen e.d. buiten het bouwvlak is niet langer nodig en komt daarom niet terug in dit plan;
  • In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren en instandhouden van een groensingel in de bestemming Groen-Landschapselement en van het inrichtingsplan voor het voorterrein van het tuincentrum.

Waarde - Archeologie hoog en Waarde - Archeologie middelhoog

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als gebied met hoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie hoog gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als gebied met middelhoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie middelhoog gekregen. Dit geldt alleen voor de gedeeltes van het plangebied waarvoor, in het kader van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Voor beide bestemmingen geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (hoog) respectievelijk 100 m2 (middelhoog) tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Als uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren. Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt in beide bestemmingen dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

6.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) zijn regels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 9 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. In lid 9.1 is onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Lid 9.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, uiteraard mits ze hoger worden gebouwd dan de ter plaatse aangegeven maximale goothoogte.

In artikel 10 staan de algemene gebruiksregels. In lid 10.1 en in lid 10.2 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In beide leden is een strafbepaling opgenomen. Daarmee is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

In artikel 12 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 13 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

7 INSPRAAK EN OVERLEG

7.1 Inspraak

Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde heeft geen voorontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het concept van dit bestemmingsplan is voorbesproken met de provincie Gelderland. Daaruit is gebleken dat de provincie Gelderland het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor dit plan niet nodig achtte. Het plan is niet toegezonden aan de Rijksoverheid aangezien met dit plan geen nationale belangen in het geding zijn. In paragraaf 5.2 is reeds ingegaan op het vooroverleg met het waterschap.

7.3 Totstandkoming plan

P.M.