direct naar inhoud van 4.2 Waterhuishouding
Plan: Arnhemseweg-Radiumweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1188-ont1

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

De locatie aan Arnhemseweg en hoek Aluminiumweg ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en ook niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in het streekplan heeft aangegeven. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- of onttrekkingszone.

4.2.2 Grondwater

Het gebied ligt in de in het streekplan vastgelegde grondwaterfluctuatiezone. . Uit het klimaatmodel voor de Veluwe van Provincie Gelderland blijkt dat in en rond het plangebied in de toekomst een stijging van de gemiddelde grondwaterstanden van circa 20 cm te verwachten is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1188-ont1_0014.png"

Afbeelding x: Toename grondwaterstanden volgens Klimaatmodel (blauw 10-20 cm, paars 20-30 cm)

Het maaiveldniveau in het plangebied varieert van circa NAP +18,85 m in het noorden van het plangebied tot NAP +19,20 m in het zuiden. Op basis van gegevens van peilbuizen in de omgeving zijn de laagste grondwaterstanden ingeschat op circa NAP +14,75 m en de hoogste grondwaterstanden op NAP +15,75 m. De verwachte hoogste grondwaterstanden liggen dus meer dan 3,0 m onder het maaiveld. Ook met de stijging volgens het klimaatmodel worden geen grondwaterproblemen verwacht.

Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend. Door de ontwikkeling van het perceel zal grondwater in dit plangebied geen overlast veroorzaken en niet structureel afgevoerd worden. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

4.2.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Er ligt geen oppervlaktewater in de directe nabijheid van het plangebied. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal dan ook niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

4.2.4 Afvoer van hemel- en afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is.

Rondom het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel waarmee zowel huishoudelijk afvalwater (vuilwater) als hemelwater wordt afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken. Het stelsel in de Radiumweg ten westen en in de Plutoniumweg ten noorden van het plangebied heeft voornamelijk een inzamelende functie. De grotere riolen in de Arnhemseweg (in het oosten) en de Aluminiumweg (in het zuiden) hebben voornamelijk een transportfunctie.

Het vuilwater vanuit het plangebied mag worden aangesloten op de riolering in de Radiumweg of in de Plutoniumweg. Aansluiting op het stelsel in de Arnhemseweg of in de Aluminiumweg is alleen toegestaan wanneer het vuilwater via een leiding in het plangebied wordt verzameld en op slechts één put van het bestaande stelsel wordt aangesloten. Het aanbrengen van huisaansluitingen op deze grote riolen is niet toegestaan. Het bestaande openbare rioolstelsel nabij het plangebied heeft voldoende capaciteit voor de extra vuilwaterafvoer van dit bouwplan.

Sinds de introductie van het vernieuwde waterbeleid hanteert de gemeente bij nieuwbouwplannen en herstructureringsprojecten het principe dat hemelwater niet via de bestaande riolering mag worden afgevoerd. Voor dit project worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Al het hemelwater afkomstig van daken en terreinverhardingen wordt geïnfiltreerd in de bodem of geborgen op het terrein, bijvoorbeeld door toepassing van infiltratiegreppels of wadi's, ondergrondse infiltratievoorzieningen, waterdoorlatende verhardingen of vijvers.
  • Voor hemelwater afkomstig van afvoerende verharde oppervlakken dient een hemelwatervoorziening ter grootte van minimaal 20 mm per afvoerende m² verharding aangelegd te worden.

Indien er grotere buien vallen moeten de infiltratie- of bergingsvoorzieningen bovengronds kunnen overlopen naar openbaar gebied. Hier dient met de hoogteligging van het ontwerp rekening mee gehouden te worden. Overlopend water mag geen wateroverlast buiten het plangebied veroorzaken. De uiteindelijke keuzes dienen met de gemeente te worden afgestemd.

De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen om te voorkomen dat de bodem verontreinigd raakt door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen. Voorbeelden van uitlogende materialen zijn zink en koper.

4.2.5 Watertoets

Het plan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan het Waterschap Veluwe. Het Waterschap stemt in met de hiervoor beschreven principes en deze waterparagraaf.