direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Koningin Juliana Toren en parkeerterrein
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1183-ont1

TOELICHTING

1 Een nieuw bestemmingsplan voor Koningin Juliana Toren

1.1 Aanleiding en doelstelling

In het kader van de opgave om het gemeentelijk grondgebied van actuele bestemmingsplannen te voorzien is het bestemmingsplan 'Park Berg en Bos en omgeving' geactualiseerd. Het terrein van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren aan de Amersfoortseweg en het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan zijn destijds buiten deze integrale planherziening gehouden. Op dat moment was voor het pretpark een ambitieus Ontwikkelingsplan in voorbereiding, in voorbereiding dat zich richtte op nieuwe ontwikkelingen en de toekomst rond het pretpark. Ten behoeve van dat Ontwikkelingsplan zou tevens een milieu-effectrapport worden opgesteld om de gevolgen van die visie op natuur en de omgeving in kaart te brengen.

Aanvankelijk was het de bedoeling om de uitkomsten van de Ontwikkelingsplan, samen met de uitkomsten van het milieu-effectrapport, vast te leggen in een nieuw bestemmingsplan voor het pretpark. Daardoor zouden twee bestemmingsplannen ontstaan, elk met een eigen karakter:

  • een conserverend bestemmingsplan voor 'Park Berg en Bos en omgeving' en
  • een ontwikkelings-bestemmingsplan voor het Familiepretpark Koningin Juliana Toren.

Eind 2011 heeft de directie van het pretpark aangegeven aan het Ontwikkelingsplan vooralsnog geen verdere uitvoering te geven en de MER-procedure te staken. Reden hiervoor is dat de aandacht van de directie van het familiepretpark voor de middellange termijn uitgaat naar continuering van de bestaande bedrijfsvoering zonder het plegen van grootschalige investeringen.
Dit betekent dat de gemeente alsnog voor de opgave staat om voor het een nieuw bestemmingsplan op te stellen met een conserverend (beschrijvend) karakter.

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt beschouwd als één van de belangrijke toeristische dragers in de sector vrijetijdseconomie. Apeldoorn streeft ernaar een toeristisch toplandschap te zijn, daarbij is het familiepretpark een attractie van landelijk formaat. De gemeente kiest er dan ook voor om de bestaande dagattracties optimaal te faciliteren.

Dit bestemmingsplan beoogt een goede ruimtelijke onderlegger te zijn op basis waarvan het pretpark Koningin Juliana Toren een gezonde bedrijfsvoering kan blijven uitoefenen. Binnen die bedrijfsvoering moet het om economische redenen mogelijk zijn te ontwikkelen; een bedrijf en misschien wel helemaal een pretpark is nu eenmaal een dynamische onderneming, echter ontwikkeling en vernieuwing dienen plaats te vinden binnen de randvoorwaarden zoals die vanuit de omgeving (Natura 2000 en EHS) gelden.
Om de terreinen van een actuele en adequaat planologisch juridisch regime te voorzien, heeft de gemeente besloten voor de terreinen van de Koningin Juliana Toren een beschrijvend (conserverend) bestemmingsplan op te stellen. Dit bestemmingsplan ziet hierop toe en gaat uit van de bestaande situatie van het pretpark.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De ligging en omvang van het plangebied wordt feitelijk bepaald door de begrenzing van het omliggende in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Park Berg en Bos en omgeving'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0001.jpg"  

Afbeelding - Globale ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden:

  • het terrein van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt aan de noordkant grofweg begrensd door de Amersfoortseweg, en aan de westzijde door het terrein van de voormalige instelling voor jeugdzorg en de Put van Zevenhuizen. Aan de zuidzijde bevindt zich het wandelbos en de Wildernislaan. Aan de oostzijde bevindt zich op enige afstand de pompen van het waterwingebied;
  • het terrein van het voormalige motel Apeldoorn ligt ten westen aan de J.C. Wilslaan, op enige afstand van het pretpark.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren, met het naastgelegen parkeerterrein (P1) aan de Amersfoortseweg, had tot 1 juli 2013 op basis van het bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1947' de bestemming 'Bosterreinen'. Per genoemde datum zijn de rechtsgevolgen uit dit Uitbreidingsplan echter komen te vervallen. Ontwikkelingen op het pretpark zijn tot op heden telkens mogelijk gemaakt met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening c.q. de project-procedure. Het pretpark beschikt daarnaast over tal van toestemmingen vanuit de (destijds) Hinderwet en de Wet milieubeheer (vergunningen en meldingen); meer hierover in paragraaf 3.3.2 'Bestaand feitelijk en legaal gebruik'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0002.png"  

Afbeelding – Uitsnede 'Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1947'

Het aansluitende bosperceel ten zuiden van het pretpark heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Apeldoorn West' (1994) de bestemming 'Bos'. Het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan (P2) heeft de bestemming 'Natuurgebied' met de aanduiding (subbestemming) 'Horeca' annex 'bebouwing toegestaan'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0003.png"  

Afbeelding – Uitsnede Bestemmingsplan ‘Apeldoorn West’

Voor de betreffende gronden dient een integraal bestemmingsplan te worden opgesteld, voorzien van een actuele bestemmingsregeling rond bebouwing en gebruik.

1.4 Algemene uitgangspunten voor het bestemmingsplan

De Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeenteraad om voor het gehele grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan vergezeld te gaan van een toelichting.
De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening stellen eisen aan de vormgeving en inhoud van bestemmingsplannen. Deze eisen bepalen in grote mate de planopzet.

Het voorliggende bestemmingsplan 'Koningin Juliana Toren en parkeerterrein' is opgezet met inachtneming van deze eisen. Het wijst de bestemmingen aan voor de in het plangebied begrepen gronden en geeft, met het oog op die bestemmingen, planregels omtrent bebouwing en gebruik van de gronden en van de zich daar bevindende bouwwerken.

1.5 Werkwijze en opzet van het bestemmingsplan

De werkwijze bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt bepaald door de ruimtelijke dynamiek van een gebied en door de aanwezigheid van relevant beleid en regelgeving.

Het plangebied is, vanuit de ruimtelijke ordening bezien, een laag-dynamisch gebied, waarin de nadruk ligt op bescherming en behoud van de aanwezige waarden. Er is divers beleid vastgesteld en er is diverse sectorale wetgeving van toepassing die voor een groot deel de ruimtelijke ordening van het plangebied bepalen.

Op basis van deze situatie is de werkwijze bepaald. Gestart is met het inventariseren van de feitelijk bestaande situatie, het recht zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan en het geldend beleid en wetgeving. Een analyse is verricht naar de feitelijke situatie op basis van verleende rechten en luchtfoto's. Daarnaast zijn een ecologische toets en een analyse van de in het plangebied voorkomende cultuurhistorische en landschappelijke waarden uitgevoerd. Aan de hand van deze informatie zijn bestemmingen toegekend met de daarbij horende regels voor bebouwing en gebruik van de gronden in het plangebied.

Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft:

  • een samenvatting van het relevante beleid en de regelgeving (hoofdstuk 2);
  • een beschrijving van het plangebied als geheel (historie, ruimtelijke en functionele analyse, een beschrijving van de bestaande juridische situatie en visie, hoofdstuk 3);
  • een beschrijving van de planologische aspecten milieu, water, natuur, archeologie, cultuurhistorie en verkeer en parkeren (hoofdstuk 4);
  • een onderbouwing van de juridische planopzet met een beschrijving van de bestemmingen en aanduidingen (hoofdstuk 5);
  • inzicht in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (hoofdstuk 6).

1.6 Proces om te komen tot een nieuw bestemmingsplan

Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is uitgebreid gesproken met diverse betrokken partijen, zoals Gelderse Milieufederatie, Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn (SWMA), de provincie Gelderland, de wijkraad Berg en Bos en het Familiepretpark Koningin Juliana Toren. Het concept-bestemmingsplan wordt toegezonden:

  • de wijkraad Berg en Bos;
  • (vertegenwoordigers van) eigenaren en gebruikers van het plangebied: zoals de directie van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren, de provincie en het drinkwaterleidingbedrijf, de Gelderse Milieufederatie en de Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn (SWMA).

2 Beleidskader

2.1 Europees beleid

2.1.1 Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van belangrijke natuurgebieden. Het netwerk wordt beschermd door twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. In Nederland is de bescherming van speciale beschermingszones geregeld via de Natuurbeschermingswet 1998. Speciale beschermingszones worden aangewezen via aanwijzingsbesluiten waarin instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd, de doelen van de natuurbescherming voor het betreffende aangewezen gebied.

Betekenis voor het bestemmingsplan
De Veluwe, en daarmee ook een groot deel van het bestemmingsplangebied, is aangewezen als Natura 2000-gebied (ontwerpbesluit Veluwe, 2006). Voor alle Natura 2000-gebieden moet een beheerplan worden opgesteld. Het beheerplan beschrijft de huidige situatie van het gebied, geeft een visie op de gewenste ontwikkelingsmogelijkheden voor de lange termijn, beschrijft concrete maatregelen voor een periode van zes jaar en biedt het kader voor de vergunningverlening. Momenteel is het concept van het beheerplan Veluwe gereed. Naar verwachting vindt de definitieve aanwijzing van het gebied door de staatssecretaris van het Ministerie van EL&I, gevolgd door vaststelling van het beheerplan en inspraakprocedure dit jaar plaats.
Voor het terrein van het familiepretpark geldt echter de algemene exclaveringsformule. Dit houdt in dat het pretpark alsmede het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan niet tot het Natura 2000-gebied behoren (zie verder 2.3.4).

2.1.2 Kaderrichtlijn Water

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. De KRW geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat:

  • Aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed.
  • Verbetering van het aquatisch milieu wordt bereikt, onder andere door een forse vermindering van lozingen en emissies.
  • Duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn.
  • Er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Voor de KRW zijn ecologische èn fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang en/of het beschermingsniveau van het grondwater. De KRW heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor bijvoorbeeld riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk werkt aan eenvoudiger regelgeving en verwacht dat medeoverheden zich ook inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving.

Het Rijk formuleert voor de middellange termijn (2028) drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Van de nationale belangen die in de SVIR staan, is voor het plangebied nationaal belang 11 relevant (Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten). De Veluwe en daarmee een groot deel van het plangebied valt onder dit belang. De verantwoordelijkheid voor de uitwerking, begrenzing, realisatie en bescherming van het nationale natuurnetwerk is overgedragen aan de provincies.

De natuur in de EHS blijft goed beschermd met een 'nee, tenzij'-regime. Binnen de EHS zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken. De flexibiliteit in begrenzing en de mogelijkheden om ontwikkelingen toe te staan, die in het beleidskader Spelregels EHS zijn uitgewerkt (EHS-saldobenadering, herbegrenzen EHS, compensatie), blijven hierbij overeind.

2.2.2 Ecologische Hoofd Structuur

In de Nota Ruimte is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangewezen. Provincies dragen zorg voor de (netto-)begrenzing van de gebieden en de ruimtelijke bescherming. In zijn algemeenheid is het ruimtelijk beleid voor de EHS-gebieden, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (VHR-gebieden) en (overige) gebieden die onder de Natuurbeschermingswet 1998 vallen (NB-wetgebieden) gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het zogenoemde 'nee, tenzij'-regime.

Voor de EHS-gebieden geldt een 'nee, tenzij'-benadering die inhoudt dat nieuwe plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Voor VHR gebieden geldt een strenger afwegingskader: er dient sprake te zijn van "dwingende redenen van groot openbaar belang". Ook is in het VHR-afwegingskader de beoordeling van eventueel schadelijke effecten van bestaand gebruik strenger dan het geval is in het EHS-afwegingskader en is voor VHR-gebieden financiële compensatie niet mogelijk.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het plangebied ligt in de EHS Veluwe. Onderhavig plan dient met de doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur rekening te houden.

2.2.3 Nationaal landschap

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van nationale landschappen moeten behouden blijven, duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt. In samenhang hiermee zal de toeristisch-recreatieve betekenis moeten toenemen. Binnen nationale landschappen is daarom 'behoud door ontwikkeling' het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid. De landschappelijke kwaliteiten zijn medesturend voor de wijze waarop de gebiedsontwikkeling plaatsvindt. Uitgangspunt is dat de nationale landschappen zich sociaal-economisch voldoende moeten kunnen ontwikkelen, terwijl de bijzondere kwaliteiten van het gebied worden behouden of worden versterkt. In integrale uitvoeringsprogramma's voor de nationale landschappen is specifiek aandacht nodig voor grondgebonden landbouw, natuur, toerisme en recreatie.

De Veluwe is aangewezen als Nationaal Landschap. Als kernkwaliteiten van de Veluwe worden genoemd: het schaalcontrast van zeer open naar besloten, de actieve stuifzanden en de grote en aaneengeslotenheid van bos.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het plangebied ligt in Nationaal Landschap Veluwe. De landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten moeten behouden blijven en waar mogelijk versterkt.

2.2.4 Nationaal Waterplan 2009-2015

Het Nationaal Waterplan is hét rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Water krijgt een meer prominente rol bij de inrichting van Nederland. De beleidslijnen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water, die inspelen op de verwachte klimaatsveranderingen, zijn een belangrijke impuls voor de koers van het nieuwe waterbeleid. Het hoofdthema is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water.

2.2.5 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. In 2000 is de watertoets geïntroduceerd door de Commissie Waterbeheer 21e Eeuw en in 2001 vastgesteld door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

2.2.6 Beleidsbrief modernisering monumentenzorg

In november 2009 stemde de Tweede Kamer in met de beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg. Deze beleidsbrief geeft de nieuwe visie van het Rijk op de monumentenzorg weer. De nieuwe visie rust op drie pijlers:

  • 1. cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening;
  • 2. krachtiger en eenvoudige regels;
  • 3. herbestemmen van cultuurhistorisch waardevolle panden die hun functie verliezen.

Met de eerste pijler wordt ingezet op het bestemmingsplan als belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Een goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Cultuurhistorie is één van die belangen. Dit nieuwe beleid vormt een belangrijke aanvulling op de sectorale bescherming van monumenten. Op deze manier is een meer gebiedsgerichte benadering mogelijk. Op 1 januari 2012 heeft deze pijler geleid tot een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening. Vanaf die datum moet de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Betekenis voor het bestemmingsplan
De aanwezige cultuurhistorische waarden moeten expliciet worden meegenomen in de belangenafweging die in het kader van het bestemmingsplan wordt gemaakt.

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Streekplan Gelderland 2005 (provinciale structuurvisie)

De hoofddoelstelling van het Gelders ruimtelijk beleid voor de periode 2005-2015 is om de ruimtebehoefte zorgvuldig in regionaal verband te accommoderen en te bevorderen dat publieke (rijk, provincie, gemeenten, waterschappen) en private partijen de benodigde ruimte vinden, op een wijze die meervoudig ruimtegebruik stimuleert, duurzaam is en de regionale verscheidenheid versterkt, gebruik makend van de aanwezige identiteiten en ruimtelijke kenmerken.

Doelen die als uitwerking van de hoofddoelstelling worden gehanteerd zijn onder andere:

  • bevorderen van een duurzame toeristische-recreatieve sector in Gelderland met een bovengemiddelde groei,
  • de vitaliteit van het landelijk gebied en de leefbaarheid van daarin aanwezige kernen versterken,
  • de waardevolle landschappen verbeteren en de Ecologische Hoofd Structuur realiseren,
  • de watersystemen veilig en duurzaam afstemmen op de veranderende wateraan- en afvoer en de benodigde waterkwaliteit,
  • een gezonde en veilige milieu(basis)kwaliteit bewerkstelligen.

De provinciale ruimtelijke hoofdstructuur is tweeledig. Een deel dat betrekking heeft op de hoogdynamische functies en een deel dat betrekking heeft op functies en kwaliteiten die afhankelijk zijn van een lage ruimtelijke dynamiek. De gebieden waar laatstgenoemde functies zijn geconcentreerd zijn kwetsbaar voor intensieve vormen van ruimtegebruik. Deze gebieden zijn de EHS, waardevolle open gebieden en de gebieden waar meer ruimte voor water moet worden gecreëerd. Het provinciaal planologisch beleid is gericht op het vrijwaren van deze gebieden van intensieve gebruiksvormen. Dit deel van de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur wordt in de beleidskaart aangeduid met overwegend groene en blauwe tinten: het groenblauwe raamwerk.

Doel voor de gebieden binnen het groenblauwe raamwerk is het bieden van ruimte voor ecologische en hydrologische dynamiek en het beschermen van stilte, rust en milieukwaliteit. Behoud en ontwikkeling van het groenblauwe raamwerk staat voorop. Van provinciaal belang zijn daarbij onder andere de bescherming van ecologische kerngebieden en waardevolle open gebieden en de realisering van ecologische verbindingszones, die de ecologische kerngebieden verbinden.

De provinciale ruimtelijke hoofdstructuur is weergegeven op de Beleidskaart 'Ruimtelijke hoofdstructuur':

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0004.png"  

Afbeelding - Streekplankaart Gelderland

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het plangebied Koningin Juliana Toren ligt voor het grootste deel binnen het groenblauwe raamwerk: EHS Natuur. Het is EHS en Natura 2000-gebied. Alleen het stadsparkdeel valt buiten het Natura 2000-gebied. Het streekplanbeleid en de uitwerking Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse Ecologische Hoofdstructuur zijn van toepassing.
Onderhavig plan dient met de doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur rekening te houden.

Omgevingsvisie/-verordening Gelderland
De provincie Gelderland is bezig met een omgevingsvisie voor haar grondgebied, genaamd "Gelderland anders". De Gelderse omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. De Gelderse omgevingsvisie en de bijbehorende omgevingsverordening zijn op 14 januari 2014 door Gedeputeerde Staten van Gelderland vastgesteld.
Vaststelling van beiden door Provinciale Staten vindt naar verwachting later in 2014 plaats.

2.3.2 Ecologische Hoofd Structuur

In de nota Ruimte is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangewezen. Provincies dragen zorg voor de begrenzing van de gebieden en de ruimtelijke bescherming. De basis daarvoor ligt in het Streekplan (2005) en de provinciale Ruimtelijke Verordening. De Provinciale Staten hebben op 1 juli 2009 de grenzen van de ecologische hoofdstructuur (EHS) in het Streekplan opnieuw vastgesteld.

De EHS omvat in het algemeen de bestaande natuurgebieden met daartussen gebieden die zijn aangemerkt als EHS-verweving of EHS-verbinding. Het stelsel van de EHS is bedoeld om ontwikkeling en samenhang van de natuur en biodiversiteit te bevorderen. Grote delen van de Veluwe als Natura 2000 zijn aangewezen; deze natuurgebieden vallen tevens onder de EHS.

Binnen de EHS geldt de 'nee-tenzij'-benadering. Bestemmingsplanwijziging is niet mogelijk als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.

De toetsing van de EHS vindt plaats op basis van kernkwaliteiten en omgevingscondities. Dit is uitgewerkt in de Streekplanuitwerking “Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse Ecologische Hoofdstructuur (2006).

In 2014 zal het provinciale beleid worden herzien en is een Omgevingsvisie (die o.a. het Streekplan vervangt) in voorbereiding. Ook de Ruimtelijk Verordening zal worden vervangen door de Omgevingsverordening. Een en ander heeft ook relevantie voor de Ecologische hoofdstructuur. Hiervoor zal de EHS worden omgezet in een Gelders Natuur Netwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszones (GO). Wat betreft beschermingsniveau zal dat voor de EHS van het Natura 2000 gebied Veluwe geen betekenisvolle consequenties hebben; ook voor het GNN blijft het “nee-tenzij” regime van kracht.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het plangebied ligt in de EHS Natuur, zoals blijkt uit de volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0005.jpg"  

Afbeelding - Begrenzing Ecologische Hoofdstructuur in relatie tot plangebied
(bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/)

In het bestemmingsplan moet met de doelstellingen van de EHS rekening gehouden worden.

2.3.3 Ruimtelijke Verordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 15 december 2010 de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld. De Ruimtelijke Verordening Gelderland is gericht tot de gemeenten en bevat voorschriften waar bestemmingsplannen aan dienen te voldoen. Daarnaast bevat de Ruimtelijke Verordening Gelderland één onderwerp dat voor de burger direct bindend is, namelijk de regels voor nieuwvestiging en uitbreiding van solitaire glastuinbouwbedrijven.

Bij de totstandkoming van de Ruimtelijke Verordening Gelderland is het beleid uit het Streekplan 2005, streekplanuitwerkingen en streekplanherzieningen als uitgangspunt genomen. De verordening behelst slechts een juridische vertaling van dit beleid, hier is geen nieuw beleid aan toegevoegd. De onderwerpen die van provinciaal belang worden geacht en waarvoor regels in de verordening zijn opgenomen, zijn:

  • 1. verstedelijking;
  • 2. wonen;
  • 3. detailhandel;
  • 4. recreatiewoningen/-parken;
  • 5. glastuinbouw;
  • 6. waterwingebied;
  • 7. grondwaterbeschermingsgebied;
  • 8. oppervlaktewater ten behoeve van drinkwatervoorziening;
  • 9. Ecologische Hoofdstructuur (EHS);
  • 10. waardevol open gebied;
  • 11. nationaal landschap.

Betekenis voor het bestemmingsplan
Het plangebied ligt in de EHS, met de nadere specificatie EHS Natuur. Over de EHS bepaalt de Ruimtelijke Verordening het volgende: "In een bestemmingsplan worden in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied (...) significant worden aangetast.

In afwijking (daarvan) kunnen bestemmingen in EHS-gebied met de functie "Natuur", waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, worden toegestaan indien er geen reële alternatieven zijn, er sprake is van redenen van groot openbaar belang, de negatieve effecten door mitigatie zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat aan deze voorwaarden is voldaan en wordt tevens een verantwoording opgenomen omtrent de aard van de mitigerende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de wijze waarop de compensatie is verzekerd."

Het plangebied ligt tevens binnen het grondwaterbeschermingsgebied vanwege de waterwinlocatie aan de Amersfoortseweg. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt dat alleen bestemmingen worden toegestaan die geen hoger bodem- en/of grondwaterrisico met zich brengen dan de vigerende bestemming (stand-still-principe) dan wel bestemmingen die een verbetering ten opzichte van de bestaande bestemming betekenen (step forward-principe).

2.3.4 Natura 2000-gebied Veluwe

Alle landen van de EU hebben met elkaar afgesproken om het natuurlijk erfgoed van Europa te beschermen. Dit doen zij door Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Natura 2000 zorgt ervoor dat toekomstige generaties, of dat nu mensen, dieren of planten zijn, de vruchten van de unieke natuur kunnen blijven plukken. Voor een goede afweging tussen alle belangen in de Natura 2000-gebieden stelt de provincie Gelderland met betrokken partijen beheerplannen op.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0006.jpg"  

Afbeelding - Begrenzing Natura 2000-gebied De Veluwe in relatie tot het plangebied
(bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/)

Betekenis voor het bestemmingsplan
De Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het familiepretpark wordt aan alle zijden omringd door het Natura 2000-gebied Veluwe. Voor het terrein van het familiepretpark geldt echter de algemene exclaveringsformule. De Algemene exclaveringsformulering houdt in dat 'bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen maken geen deel uit van het aangewezen gebied, tenzij expliciet wel bij de aanwijzing betrokken'. Bebouwing, tuinen en erven alsmede bestaande verharding van parkeerterreinen worden in de definitieve besluiten mede op grond van kadastrale lijnen en bestemmingsplan zoveel mogelijk geëxclaveerd.
Dit houdt in dat het pretpark alsmede het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan niet tot het Natura 2000-gebied behoren.

2.3.5 Nationaal Landschap

De Rijksoverheid heeft twintig karakteristieke gebieden in Nederland aangewezen als Nationaal Landschap. Eén daarvan is de Veluwe. De provincie Gelderland streeft naar instandhouding en versterking van de bijzondere kenmerken van het landschap en naar het (nog) beter toegankelijk maken van de Nationale Landschappen voor inwoners en bezoekers.

Binnen de Nationale Landschappen geldt 'behoud door ontwikkeling'. Dit betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap. De komende jaren voert de provincie Gelderland samen met gemeenten, waterschappen en andere partijen projecten uit in de Nationale Landschappen. De projecten moeten het landschap en de cultuurhistorie verfraaien en de toegankelijkheid vergroten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0007.jpg"  

Afbeelding - Begrenzing Nationaal Landschap in relatie tot het plangebied
(bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/)

In juli 2007 is de streekplanuitwerking Nationale Landschappen en het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Veluwe vastgesteld. Met de streekplanuitwerking hebben de door de provincie nader gedetailleerde grenzen van de Nationale Landschappen in Gelderland de streekplanstatus gekregen.
In het uitvoeringsprogramma zijn de begrenzing, de kernkwaliteiten en een globale projectenlijst opgenomen.

2.3.6 Waterplan Gelderland 2009-2015

Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Voor de realisatie van bepaalde waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.

2.3.7 Stroomgebiedsvisies

De provincie Gelderland heeft stroomgebiedsvisies opgesteld. Hierin wordt een indeling gehanteerd in meer en minder sturende wateropgaven voor de ruimtelijke inrichting van Gelderland. Hieronder is aangegeven welke wateropgaven als sturend en welke als mee-ordenend zijn aangemerkt.

Sturende wateropgaven
Dit zijn opgaven die alleen zijn op te lossen door er ruimte voor te reserveren en aan de bestemming water prioriteit te geven boven andere bestemmingen. Bij het combineren met andere functies geldt de noodzakelijke ruimte voor water minimaal als vertrekpunt.

Als sturende opgaven zijn aangemerkt:

  • Wateroverlast: ruimteclaim voor het regionaal systeem voor berging van water in verbrede waterlopen en in aan te wijzen bergingsgebieden.
  • Natuur: bescherming van waterlopen met hoge ecologische doelstelling (HEN) en de zogenaamde natte natuurparels en prioritaire gebieden, inclusief de daarbij behorende beïnvloedingsgebieden.
  • Drinkwater: bescherming van de 25-jaars grondwaterintrekgebieden.

Mee-ordenende wateropgaven
Voor deze opgaven bestaan meerdere alternatieven voor de invulling van de noodzakelijke ruimte voor water. De ruimte voor water is op creatieve wijze te combineren met andere bestemmingen in deze gebieden via meervoudig ruimtegebruik.

Mee-ordende wateropgaven zijn:

  • Wateroverlast: gebieden waar een toenemende kans op wateroverlast kan optreden door verandering in het grondwaterpeil. Dit speelt met name in de grondwaterfluctuatiezone.
  • Natuur: bescherming van waterlopen met een niet-prioritaire ecologische doelstelling (SED) en de stroomgebieden van de bovenlopen van de SED-wateren. Bescherming van de niet-prioritaire natte natuur, inclusief de daarbij behorende beïnvloedingsgebieden. Bescherming van de 'blauwe motoren' van het grondwatersysteem en bescherming van de herstelgebieden voor natte natuur.
  • Drinkwater: bescherming van oppervlaktewater voor drinkwaterwinning, de zoekgebieden voor drinkwaterwinning en de 100-jaars grondwaterintrekgebieden voor drinkwaterwinning.

2.4 Regionaal beleid

De Regionale Structuurvisie De Voorlanden van de regio Stedendriehoek maakt samen met de al eerder vastgestelde visie voor het bundelingsgebied (grofweg het gebied binnen de lijn Apeldoorn, Deventer en Zutphen) het ruimtelijk beleid voor de regio 'compleet'. Samen vormen ze de visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van dit gebied tot 2030, en vormen daarmee een richtinggevend kader voor beleid en uitvoering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0008.png"  

Afbeelding - Beleidskaart regionale structuurvisie

Deze visie over De Voorlanden richt zich op het versterken en uitbouwen van de kwaliteiten van natuur en landschap, de gevarieerde en hoogwaardige woon- en werkomgeving, de sterke landbouw en het toeristisch profiel van het landelijk gebied van de regio Stedendriehoek. Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling vormt één van de strategische keuzes voor de regio.

De grote variatie aan hoogwaardige landschappen vormt de schatkamer van de Stedendriehoek. Met een versterkte inzet van bestaande beleidsmiddelen voor water, natuur en landschap kan dat worden gewaarborgd. De verschillende kwaliteiten van de landschappen in De Voorlanden leveren ook aantrekkelijke milieus voor wonen en (nieuwe) bedrijvigheid en zijn aangrijpingspunt voor versterking van het toeristische profiel.

Toerisme en recreatie vormt één van de pijlers onder de economie van De Voorlanden. Ingezet wordt op het verbeteren van de toeristische bereikbaarheid door combinatie van aantrekkelijke routes met toeristische uitvalsbases in enkele kernen en langs de snelwegen. Ook wordt de ontwikkeling van cultuurtoerisme beoogd. De kanalen en sprengen, de stoomspoorlijn en de vele landgoederen en cultuurlandschappen bieden daarvoor kansen. Initiatieven die passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van De Voorlanden worden gefaciliteerd. Hoogwaardig, samenhangend en kleinschalig zijn daarbij de trefwoorden.

2.5 Waterschapsbeleid

Waterschap Veluwe is in zijn beheersgebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding en de waterkering. Voor Waterschap Veluwe liggen de komende jaren belangrijke wateropgaven te wachten. Deze opgaven komen voort uit de effecten van klimaatverandering: extreem natte en droge perioden. Veiligheid tegen hoge (rivier)afvoer moet zijn gewaarborgd en het aanwezige oppervlaktewater moet schoon en gezond zijn. De verschillende functies in het beheergebied (wonen, werken, landbouw en natuur) vragen om een specifiek waterbeheer. Waterschap Veluwe tracht alle functies van een zo goed mogelijk waterbeheer te voorzien.

Op 22 december 2009 is het nieuwe Waterbeheersplan Veluwe 2010-2015 (WBP) vastgesteld en met ingang 2010 is dit van kracht. Het jaar 2015 is een markant ijkpunt. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel en in de Kaderrichtlijn Water is bepaald dat in dat jaar het watersysteem op orde moet zijn.

In het Waterbeheersplan Veluwe 2010-2015 staan de doelen beschreven. Kortom: wat gaat het waterschap waar doen, op welke manier en wanneer? De doelen in de plannen vloeien voort uit Europese, Nationale en provinciale wet-, regelgeving en beleid. In totaal worden negen hoofddoelen onderscheiden:

  • Doel 1: Veilige dijken;
  • Doel 2: Gewenste grond- en oppervlaktewaterstanden;
  • Doel 3: Vermindering wateroverlast en water voor droge tijden;
  • Doel 4: Goede onderhoudssituatie;
  • Doel 5: Herstel en behoud van bijzondere natuur;
  • Doel 6: Goede waterkwaliteit;
  • Doel 7: Stedelijk waterbeheer;
  • Doel 8: Transport en zuivering van afvalwater;
  • Doel 9: Brede kijk.

De maatregelen die Waterschap Veluwe moet nemen om de gestelde doelen te halen, hebben bijna allemaal één ding met elkaar gemeen: er is ruimte voor nodig. Waterschap Veluwe wil er in de planperiode voor zorgen dat het watersysteem voldoende ruimte krijgt en dat, waar nodig, deze ruimte ook planologisch veiliggesteld wordt. Dit moet gebeuren door overleg met de betrokken partijen en mede-overheden in de deelstroomgebieden.

2.6 Gemeentelijk beleid

2.6.1 Structuurvisie 2030 Buitenstad Apeldoorn biedt ruimte

De structuurvisie ‘Apeldoorn biedt ruimte’ (november 2012) geeft een doorkijk tot 2030 en vervangt de structuurvisie voor het stedelijke gebied uit 2002 en de structuurvisie voor het landelijk gebied uit 1993. Daarmee ontstaat één structuurvisie voor Apeldoorn, voor zowel stad als land

In de nieuwe structuurvisie wordt geconstateerd dat de tijden zijn veranderd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie wordt dan ook zoveel mogelijk (beleids-)ruimte geboden aan het onvoorspelbare. Hierdoor krijgt Apeldoorn de ruimte om zich te blijven ontwikkelen. Daarbij wordt zoveel mogelijk voortgebouwd op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In Apeldoorn wordt steeds gezocht naar het beste van twee werelden. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen de kwaliteiten samen.
De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. Daarbij kan worden gedacht aan de Veluwe, de beken, sprengen en enken, de fijnmazige voorzieningenstructuur, het Weteringengebied, de spoor- en snelwegen en de parken & lanen. Zij maken Apeldoorn tot Buitenstad.

Ten aanzien van de Veluwe wordt gemeld dat het niet alleen het hoogst gewaardeerde landschap van Nederland biedt, maar dat het ook de meest bekende toeristische regio van ons land is. De Veluwe is ook al decennialang het meest populaire vakantiegebied van Nederland. Met zijn vele attracties, campings en bungalowparken vormt Apeldoorn binnen de Veluwe het belangrijkste concentratiepunt. Die positie is sterk, maar niet onbedreigd. De welvarende en uiterst mobiele toerist stelt namelijk steeds hogere eisen aan de kwaliteit van zowel de verblijfsaccommodatie als de toeristische attractie. Meer behoefte aan rust, zorg en comfort gaan daarbij samen met een toenemende behoefte aan spectaculair en avontuurlijk vermaak. Zonder vernieuwing van het aanbod loopt de Veluwe de kans om in deze markt achter te blijven. Het streven is om het toeristische aanbod op de Veluwe bij de tijd te houden en de kwaliteit ervan te verhogen. In deze structuurvisie wordt daarom ingezet op:

  • het vernieuwen en verbreden van het aanbod aan toeristisch recreatieve voorzieningen en verblijfsaccommodaties;
  • het versterken van de samenhang tussen de aangeboden toeristisch recreatieve voorzieningen (arrangementen), ook in regionaal verband (Veluwe, Stedendriehoek).'
2.6.2 Strategisch economische beleidsvisie Apeldoorn 2000 – 2020

In dit document (SEBA) staan de belangrijkste uitgangspunten en ambities voor het economische beleid van Apeldoorn tot 2020. Deze beleidsvisie vormt het kader waaraan concrete projecten en nieuwe initiatieven worden getoetst.
Apeldoorn kiest ervoor zich te ontwikkelen als een stad met een brede economische basis en een evenwichtig opgebouwde werkgelegenheid. Dit betekent dat Apeldoorn wil beschikken over voldoende en gevarieerde locaties voor bedrijven, kantoren, detailhandel, toerisme/recreatie en leisurevoorzieningen. Ook wil Apeldoorn er voor zorgen dat kernsectoren als maakindustrie, zorg, IT en vrijetijdseconomie zich goed kunnen blijven ontwikkelen.

De gemeente heeft 18 concrete activiteiten en projecten vastgesteld op verschillende economische terreinen; kantoren en bedrijven, wijkeconomie, zorgsector, detailhandel en horeca, toerisme en recreatie, plattelands-ontwikkeling en -economie, arbeidsmarkt en relatiebeheer.
Voor het plangebied is met name toerisme en recreatie van belang.

2.6.3 Ontmoeten in Apeldoorn, Uitvoeringskaders Toerisme en Recreatie 2004 - 2007

De koers en ambities uit de SEBA zijn in dit uitvoeringskader concreet vertaald naar de sector Toerisme en recreatie. Het imago van Apeldoorn blijkt in belangrijke mate en op een positieve manier te leunen op de grote dagattracties.
Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren is één van de toeristische dragers in de sector vrijetijdseconomie. In dit economisch uitvoeringskader kiest de gemeente er voor om bestaande dagattracties optimaal te faciliteren.

2.6.4 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van hemelwater en het creëren van waterberging in beekzones.
Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

2.6.5 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2011 – 2015 (GRP) is in 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven.
De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt is concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de betreffende planperiode.

2.6.6 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0009.png"  

Afbeelding - De Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de directe woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

2.6.7 Verkeersbeleid

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2010 – 2020 (vastgesteld juli 2009). Hierin heeft de gemeente een aantal doelen vastgesteld. De gemeente wil de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid behouden en liefst nog vergroten. Enerzijds zijn dit doelen die zijn uitgedrukt in cijfers, anderzijds zijn dit doelen in de vorm van ervaringen van bewoners en gebruikers.

De gemeente faciliteert alle vervoerswijzen en probeert de kennis van de reiziger over de verschillende mogelijkheden te vergroten. Het doel voor verkeersveiligheid is een reductie van 35% van het aantal ongevallen in 2020 ten opzichte van 2002. Om dit doel te bereiken wordt ingezet op het veiliger en herkenbaarder maken van de infrastructuur en gedragsbeïnvloeding van de verkeersdeelnemers.

Het autoverkeer wordt gebundeld op hoofdwegen. De hoofdwegen verbinden stadsdelen met elkaar, met de snelwegen en met de rest van de wereld. Woongebieden worden ingericht als verblijfsgebieden, met een maximum snelheid van 30 km per uur. Daar moet de overlast van autoverkeer zo veel mogelijk worden beperkt.

De gemeente streeft goede voetgangersvoorzieningen na. Bij het station en in de binnenstad worden speciale veilige voorzieningen voor voetgangers aangeboden. Op andere plaatsen wordt een basisniveau aan voorzieningen aangeboden. De gemeente blijft inzetten op goede fietsenstallingen en fietsdoorstroomassen: snelle aantrekkelijke fietsroutes, waar je als fietser snel, comfortabel en veilig kunt fietsen. Alle inwoners van Apeldoorn moeten gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. De bus speelt hierin een belangrijke rol. De bussen sluiten aan op de treinen van de Nederlandse Spoorwegen. De taxibus wordt ingezet als aanvulling op de behoeften van de gebruiker.

Er worden drie categorieën hoofdwegen onderscheiden: de Ring; de radialen en de centrumring; de overige hoofdwegen. De Ring is de belangrijkste verdeler van het verkeer in de stad. Het autoverkeer krijgt hier de hoogste prioriteit. De radialen en de centrumring hebben als doel het bieden van een snelle route naar en om het centrum heen, met name om de parkeergarages snel te kunnen bereiken en verlaten. Naast de hoofdwegen zijn er de verblijfsgebieden. In verblijfsgebieden wordt voornamelijk gewoond. Gemengde functies hebben hier een plek: verkeer, spelende kinderen, fietser en voetgangers. In het buitengebied wordt het verkeer ook gebundeld op een aantal hoofdwegen waar een maximum snelheid geldt van 80 km per uur. De verblijfsgebieden in het buitengebied worden autoluw ingericht met een maximumsnelheid van 60 km per uur.

De parkeernormen zijn vastgesteld in de Parkeernota (geactualiseerd oktober 2004). De gemeente stelt geen maximum aan het aantal parkeerplaatsen bij woningen, de parkeernorm geeft aan wat in ieder geval aangelegd moet worden. Op bedrijventerreinen wordt de parkeernorm gehanteerd als minimumnorm, met een maximaal toegestane overschrijding van 10%.

2.6.8 Gemeentelijke monumentenverordening 2012

De Monumentenverordening 2012 is op 20 september 2012 vastgesteld door de gemeenteraad van Apeldoorn en is op 20 december 2012 in werking getreden. De Monumentenverordening 2012 regelt zaken met betrekking tot rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden, gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en archeologische terreinen.

2.6.9 Nota I-cultuur

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart.

Archeologische beleidskaart
De archeologische beleidskaart doet op perceelsniveau een uitspraak over de trefkans van archeologische resten. De trefkans kent drie gradaties:

  • Hoge trefkans:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud van archeologische waarden.
  • Gemiddelde trefkans:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch bureauonderzoek verplicht, afhankelijk van de uitkomsten kan veldonderzoek verplicht worden. Gestreefd wordt naar behoud van archeologische waarden.
  • Lage trefkans:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is een archeologische quick-scan vereist, afhankelijk van de resultaten wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Behoud van archeologische waarden wordt aanbevolen.

Cultuurhistorische beleidskaart
Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Gemiddelde attentiewaarde:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
  • Lage attentiewaarde:
    bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota I-cultuur is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

Navolgend is een uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart opgenomen. Voor zowel het terrein van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren aan de Amersfoortseweg, als voor het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan (P2), geldt een gemiddelde attentiewaarde (geel). Het gebied ten noorden van de Amersfoortseweg heeft een hoge attentiewaarde (rood). Binnen het bestemmingsplangebied liggen rijksmonumenten (blauw monumentenschild). De Amersfoortseweg en de J.C. Wilslaan staan op de cultuurhistorische beleidskaart aangeduid als gewaardeerde wegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0010.png"  

Afbeelding Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

Voor het gebied waarbinnen het Familiepretpark Koningin Juliana Toren en het parkeerterrein langs de J.C. Wilslaan (P2) vallen zijn de aanwezige cultuurhistorische waarden in het kader van dit bestemmingsplan in kaart gebracht. In paragraaf 3.1 wordt een korte beschrijving gegeven van de ontwikkelingsgeschiedenis van beide locaties. Paragraaf 4.6 bevat een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Alleen die elementen en gebiedskarakteristieken die hoog gewaardeerd zijn, worden via dit bestemmingsplan beschermd.

2.6.10 Implementatienotitie modernisering monumentenzorg

Naar aanleiding van de beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg van het Rijk heeft de gemeenteraad op 16 februari 2012 de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie constateert de raad dat er in Apeldoorn al veel gebeurt op het gebied van bescherming van cultuurhistorie. De iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Naast deze iconen zijn er ook nog andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten. In de notitie heeft de raad bepaald dat de beeldbepalende panden buiten de beschermde stads- en dorpsgezichten via het bestemmingsplan worden beschermd.
Dit wordt gedaan door de betreffende panden -na een zorgvuldig selectieproces- aan te duiden als 'karakteristiek' en ze in de regels onder andere door een sloopvergunningstelsel te beschermen. Deze regeling wordt alleen toegepast voor de karakteristieke panden die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn.

2.6.11 Welstandsbeleid

Welstandsnota
Het welstandsbeleid in Apeldoorn vindt zijn wettelijke basis in de woningwet. De woningwet bepaalt dat iedere gemeente een door de raad vast te stellen welstandskader moet opstellen om bouwplannen (omgevingsvergunningen) aan te toetsen.
In Apeldoorn is daartoe in 2004 de kadernota “over welstand gesproken” vastgesteld. In deze nota wordt voor ieder perceel in Apeldoorn één welstandsthema en één welstandsniveau aangewezen. Het niveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied geeft, waarbij de niveaus variëren van zwaar tot welstandsvrij. Het thema wordt bepaald door de bouwstijl of bouwperiode van de bebouwing.
In het bestemmingsplan wordt het specifieke karakter van het gebied geregeld voor zover dit gaat om bebouwingsregels en gebruik. Het welstandsbeleid is hierop aanvullend en heeft betrekking op situering, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaalgebruik.

In 2009 is deze nota herijkt “Naar minder strikt welstand”, gericht op deregulering van ruimtelijke eisen aan bouwplannen.

Kookboek
De manier waarop in beleid en houding omgegaan wordt met ruimtelijke kwaliteit is in de afgelopen jaren verschoven van 'bepalend en reactief' naar 'uitnodigend en inspirerend'. Het ruimtelijk beleid van de gemeente Apeldoorn maakt een transitie door van 'toelatingsplanologie' naar 'uitnodigingsplanologie'. Deze transitie maakt ook dat de producten die gemaakt worden anders van vorm en inhoud worden in het kader van het welstandsbeleid.
Er zijn inmiddels twee “kookboeken” verschenen, door de raad bekrachtigt als inspirerende handreikingen ruimtelijke kwaliteit. De kookboeken reiken 'ingrediënten' aan waarmee iedereen die in het fysieke domein actief is (burgers, ondernemers, ontwikkelaars) kan gaan 'koken'. De nadruk ligt op uitnodigen en inspireren vanuit de kwaliteiten die er in het landschap, dorpen aanwezig zijn.

Het kookboek voor het landschap (2011) heeft betrekking op het plangebied van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren, dat valt in het landschap 'Veluwe'.

Beeldkwaliteitplan en de Handreikingen ruimtelijke kwaliteit
Het welstandsbeleid is ook verder ontwikkeld op de nieuwe leest van deregulering en inspiratie. Er worden gebiedsgerichte Beeldkwaliteitplannen gemaakt. Hierin wordt per gebied handreikingen gegeven om te komen tot plannen die goed passen in de omgeving (“wat kunt u doen om de kwaliteit van uw leefomgeving te behouden of te verbeteren?”). Deze handreikingen verschillen met het Kookboek door het schaalniveau.

Er wordt voor Apeldoorn West een Beeldkwaliteitplan opgesteld, waarin het Familiepretpark Koningin Juliana Toren zal worden meegenomen.

3 Ruimtelijke analyse en visie

3.1 Historie

3.1.1 Korte geschiedenis van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren is een klein pretpark, gelegen aan de westzijde van Apeldoorn, gelegen aan de Amersfoortseweg.

In 1910 werd de Prinses Juliana Toren voor het eerst geopend aan de Amersfoortsche Straatweg. Aanvankelijk ging het om een stenen uitkijktoren met een overdekt houten terras waar de bezoekers een drankje konden nuttigen na een bezoek aan de toren. De uitkijktoren werd vernoemd naar het prinsesje dat net één jaar was geworden. Vanaf de Prinses Juliana Toren had men ruim uitzicht over de uitgestrekte bossen en heidevelden van de Veluwe. Het stond bekend als het hoogste punt van Gelderland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0011.jpg"  

Afbeelding - Sfeerbeelden Juliana Toren uit het verleden

Al snel werd het overdekte terras voorzien van wanden, waardoor men ook uit de wind zat. Vanaf dat moment groeide de locatie aan de Amersfoortseweg uit tot een attractiepunt (Belvedère), bestaande uit de uitkijktoren, een restaurant en een speeltuin. Er werden steeds meer attracties gerealiseerd, zoals een beeldengalerij, een spiegelzaal, een hertenkamp, een glijbaan, een dwaaltuin en een grot.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het park door de Duitsers opgeëist. Ze maakten van het complex een kantooropslagruimte en een paardenstalling. De naam van de toren werd veranderd in 'Julia Toren'. De toren werd door de Duitse soldaten gebruikt als uitkijkpost. Door de Duitsers is de uitkijktoren met een extra verdieping opgehoogd. Na de oorlog werd de oorspronkelijke naam van de toren weer in ere hersteld. Vanaf 1950 nam het aantal attracties toe.
Even verderop lag onderaan de berg langs de Amersfoortseweg het pretpark 'Prins Bernard Dal'. Midden jaren '60 moest het pretpark ruimte maken voor de uitbreiding van het waterwingebied. Het pretpark 'Prins Bernard Dal' werd samengevoegd met het Familiepretpark Koningin Juliana Toren op de huidige locatie aan de Amersfoortseweg. De attracties van Prins Bernard Dal werden bergopwaarts vervoerd.

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren is vanaf de oprichting in eigendom van de familie Kreekel. De familie Kreekel heeft het familiepretpark ontwikkeld tot in de huidige aard en omvang. Door de jaren heen zijn er meer attracties bijgekomen en is het park met de tijd mee gegaan. De uitstraling van de attracties is in de loop der jaren veranderd; de attracties zijn namelijk groter en complexer geworden. Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren richt zich nog steeds op jonge kinderen met hun ouders. Tegenwoordig is het familiepretpark een van de bekende toeristische attracties op de Veluwe die bezoekers trekken uit het hele land.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0012.jpg"  

Afbeelding - Sfeerbeelden Koningin Juliana Toren vandaag de dag

Door het succes van het pretpark nam het aantal bezoekers toe. Dit leidde aan het einde van de eeuw tot een steeds groter wordend parkeerprobleem. Tussen de gemeente en de directie van het pretpark is in 1999 een convenant afgesloten om de parkeerproblematiek rond het familiepretpark tot een definitieve oplossing te brengen, hetgeen leidde tot aankoop door de Koningin Juliana Toren van het voormalige motelterrein aan de J.C. Wilslaan. Dit terrein fungeert sinds vele jaren als 2de parkeerterrein (P2) voor het pretpark.

Het (overloop)parkeerterrein (P2) aan de J.C. Wilslaan maakte in de Tweede Wereldoorlog deel uit van een groter munitiedepot. Na de oorlog is het terrein opnieuw ingericht. Hierbij is bos gekapt en is zand verplaatst om ruimte te maken voor de bouw van een motel en tankstation. Het motel Apeldoorn is door brand verwoest. Het braakliggende terrein is rond het eind van de vorige eeuw door het familiepretpark aangekocht.

3.1.2 Ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis

Natuurlijk reliëf
De stuwwal waarop beide gedeelten van het plangebied zijn gelegen, werd in de voorlaatste ijstijd (Saalien) gevormd. Tijdens deze koude periode werden oudere rivierafzettingen door uitlopers van de landijsmassa uit Scandinavië opgestuwd. Gedurende de laatste ijstijd (Weichselien) bereikte het landijs Nederland niet. Wel was de gemiddelde temperatuur in het Midden- en Laat Weichselien extreem laag, waardoor vegetatie nagenoeg ontbrak. De wisseling van de seizoenen leidde tot het deels ontdooien van de bovengrond, waardoor smeltwaterstroompjes ontstonden. Door erosie werden dalen uitgesleten in de stuwwalhellingen.

Blijkens de geomorfologische kaart 1:15.000 (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2006) komt ter plaatse van het terrein van het pretpark een dalvormige laagte voor, die op deze wijze is ontstaan. Dit dal heeft aan weerszijden steile hellingen. Op onderstaande kaartfragment van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is zichtbaar dat dit erosiedal doorloopt tot het parkeerterrein langs de J.C. Wilslaan (P2). Door afgraving van gronden op het perceel dat zich tussen het pretpark en de (overloop)parkeerterrein (P2) bevindt, is het natuurlijk reliëf plaatselijk verstoord. Ook op het terrein van het pretpark zijn de hoogteverschillen door ophoging van de gronden in het dal minder uitgesproken, dan in de directe omgeving. Op het kaartfragment is tevens zichtbaar, dat het parkeerterrein langs de J.C. Wilslaan kunstmatig is verhoogd, waardoor ook op deze plek het natuurlijk reliëf plaatselijk is verstoord.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0013.jpg"  

Afbeelding - Kaartfragment van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN).
De begrenzing van het bestemmingsplangebied is met een witte stippellijn aangegeven. Door beide gedeelten van het plangebied loopt het droge dal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0014.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0015.png"  

Afbeelding - (links): Ansichtkaart van het erosiedal (CODA Archief, identificatienummer GA-000397); (rechts): Het erosiedal ten oosten van het plangebied

Cultuurlandschap
Navolgende afbeelding toont een fragment van de kadasterkaart van omstreeks 1832. Op deze kaart zijn de huidige perceelgrenzen (groene lijnen) en de bestaande bebouwing geprojecteerd. De beide gedeelten van het plangebied zijn met een rode stippellijn aangegeven.
Uit deze vergelijking blijkt dat dit gebied ten zuiden van de Amersfoortseweg aan het begin van de 19de eeuw nog niet opgedeeld was in afzonderlijke percelen. Door het gebied liepen verscheidene paden die elkaar kruisten ten zuiden van de plek, waar zich thans het pand Amersfoortseweg 41a bevindt. Een bijzondere structuur was de rechte weg (thans niet meer aanwezig) die onderdeel uitmaakte van een stervormig stelsel, waarvan de Galgenberg het middelpunt vormde. Dit stelsel werd aan het begin van de 19de eeuw aangelegd en stond via de huidige Valkenbergslaan in directe verbinding met Paleis Het Loo. Slechts de Amersfoortseweg was aan het begin van de 19de eeuw reeds aanwezig als verharde weg. Het kaarsrechte wegtracé maakte onderdeel uit van de straatweg van Amersfoort naar Deventer, die in 1808/1809 in opdracht van Koning Lodewijk Napoleon werd aangelegd. Kenmerkend voor deze weg zijn het rechte beloop, het brede profiel en de met eiken beplante wallen die aan weerszijden zijn opgeworpen, en die mede bedoeld waren om overstuiving van de weg tegen te gaan. De J.C. Wilslaan was destijds nog niet aanwezig, ook niet als onverhard pad over de toenmalige heidegronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0016.jpg"  

Afbeelding - Projectie van de huidige perceelsgrenzen (groene lijnen) op de kadasterkaart van omstreeks 1832.
De begrenzing van het bestemmingsplangebied is met een rode stippellijn aangegeven. Met een gele stippellijn is de rechte weg weergegeven die onderdeel uitmaakte van het stervormig stelsel, waarvan de Galgenberg het middelpunt vormde.

De gronden van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren waren aan het begin van de 19de eeuw nog in gebruik als heide. Ter plaatse van het huidige parkeerterrein aan de J.C Wilslaan (P2) bevond zich hakhout: beplanting die vroeger voor de winning van geriefhout diende. Beide terreinen maakten onderdeel uit van het Loosche Veld. Dit uitgestrekte gebied, dat bestond uit weide, heide en laagveen, werd sinds de middeleeuwen gezamenlijk geëxploiteerd door boeren van de Noord-Apeldoornse mark. Die mark bestond uit de buurtschappen Het Loo en Veldhuizen, het bijbehorende akkerareaal en meerdere gemeenschappelijke velden. De scheidingslijn (markegrens) tussen de Noord-Apeldoornse mark en Order mark wordt tegenwoordig nog gemarkeerd door de Wildernislaan. Deze laan loopt langs het bosperceel ten zuiden van het pretpark.

De situatie veranderde in het laatste kwart van de 19de eeuw, mede als gevolg van de opheffing van de marken. De in 1886 opgesteld Markenwet maakte het mogelijk de voormalige gemene gronden te verkopen. Op de Topografisch Militaire Kaart van 1890 is zichtbaar dat het gebied tussen de Amersfoortseweg en de oude markegrens in deze periode opgedeeld werd in afzonderlijke kavels. Na de uitgifte van de gronden werd het merendeel van de kavels beplant. Ook werd langs de oude markegrens de Wildernislaan aangelegd. Navolgend kaartfragment toont de inrichting van het gebied tussen de Amersfoortseweg en de Wildernislaan omstreeks 1920. De omgeving van de Prinses Juliana Toren was destijds reeds grotendeels bebost. Ten zuiden van de Prinses Juliana Toren lag een strook dennenbos.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0017.jpg"  

Afbeelding - Kaart uit het eerste kwart van de twintigste eeuw

Ruimtelijke ontwikkelingen op het terrein van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren

Rond 1900 bevond zich op de locatie van het huidige pretpark de uitspanning 'Berg en Dal'. De toenmalige eigenaar, de heer Middelink liet in 1910 als extra attractie een stenen uitkijktoren (belvedère) bouwen. Aan de oostzijde van deze uitkijktoren, die vernoemd werd naar prinses Juliana die in 1909 was geboren, stond een aanbouw die in gebruik was als uitspanning (restaurant).

In de loop der jaren werden diverse attracties aan het pretpark toegevoegd. Aan het einde van de jaren '20 van de vorige eeuw werden een grot (Fingal's grot) en een doolhof (ook wel dwaaltuin genoemd) aangelegd. In de grot kwam een kamer, waarin een Veluws interieur werd nagemaakt. In deze kamer zat een boerengezin aan tafel (familie Heetmeijer). Een ondergrondse gang leidde van de grot naar het hart van het doolhof. Behalve de uitkijktoren, de grot en het doolhof waren voor de Tweede Wereldoorlog onder meer een galerij met wassen beelden, een spiegelzaal, een grote spiraalvormige glijbaan, een hertenkamp en een roetsjbaan aanwezig. Ten oosten van het pretpark bevond zich reeds in de jaren '20 een parkeerterrein, waar de autobussen werden geparkeerd, die de bezoekers naar het pretpark vervoerden.

Na de Tweede Wereldoorlog is het pretpark gemoderniseerd, waarbij een groot deel van de oude attracties geleidelijk is vervangen. Bekende naoorlogse attracties waren een vijver met motorbootjes en een miniatuur autoracebaan. Ook de eetzaal aan de westzijde van de toren, werd in de jaren '40 van de vorige eeuw vernieuwd. Later is dit gebouw gedeeltelijk omgevormd tot entreegebouw, waarbij aan de zijde van de Amersfoortseweg bebouwing is toegevoegd.
De poffertjeskraam is één van de oudere gebouwen die op het terrein gehandhaafd is gebleven. Dit gebouw dateert vermoedelijk uit de periode 1910 - 1920 en behoorde bij het terras dat aan de zijde van de Amersfoortseweg lag. Een ander bijzonder element vormt de carrousel uit 1887, die in 1990 op het terrein is geplaatst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0018.jpg"  

Afbeelding – De poffertjeskraam is één van de oudere gebouwen op het terrein

Het parkeerterrein naast het pretpark is in de tweede helft van de 20ste eeuw aan de oostzijde uitgebreid. In tegenstelling tot het oorspronkelijk gedeelte, staan op dit nieuwe gedeelte van het parkeerterrein bomen. De aanwezige beplanting is van belang, temeer vanwege de bijdrage die het levert aan de geleidelijke overgang van het pretpark naar het omliggende bos.

Onderstaande luchtfoto's laten zien dat langs de Amersfoortseweg omstreeks het midden van de jaren '80 beplanting is verwijderd. Tot die tijd werd de eikenlaan alleen ter hoogte van de toegangspoort voor de toren en de toerit naar het parkeerterrein onderbroken. Nadien is de beplanting over een grote lengte verdwenen. Ook op het terrein van het pretpark is de beplanting in de tweede helft van de 20ste eeuw verwijderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0019.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0020.png"  

Afbeelding - (rechts): Luchtfoto van het pretpark uit 1983; (links): Luchtfoto van het pretpark uit 1998

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0021.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0022.png"  

Afbeelding - (rechts): foto van de voorzijde van het pretpark uit 1959; (links): huidige situatie langs de Amersfoortseweg

Het doolhof (monument-nummer 514478) is in verloop van tijd verdwenen. Slechts de trap die zich bevond in het hart van het doolhof, en die de toegang vormt tot de ondergrondse gang die leidt naar de koepelvormige grot, is thans nog aanwezig. Op de plek van het verdwenen doolhof staat op dit moment een tent, waarin onder meer een klim- en klauterkooi en simulator zijn ondergebracht.

Ruimtelijke ontwikkelingen op het terrein van parkeerterrein P2
Op de plek van parkeerterrein (P2) van de Koningin Juliana Toren stond Motel Apeldoorn. Het motel werd op 15 juni 1959 officieel geopend. In die jaren vormde de Amersfoortseweg de belangrijkste verkeersverbinding tussen Apeldoorn en Amersfoort.
Het motelcomplex kenmerkte zich door een stijl en ruimtelijke inrichting die kenmerkend is voor de wederopbouwperiode. Aan de voorzijde van het complex bevonden zich de receptie met naastgelegen winkel en een eetzaal. Gasten konden tussen deze bebouwing doorrijden en de auto parkeren bij hun kamer. De parkeergelegenheden waren overdekt. Het dak van de vier geschakelde, eenlaags gebouwen waarin de vertrekken waren ondergebracht, liep als overkapping door. Langs de J.C. Wilslaan stond een benzinestation. Het motel en het benzinestation werden in 1997 afgebroken.
Tegenwoordig herinneren de wegverharding op het parkeerterrein, enkele bomen en de begrenzing en het reliëf van dit terrein nog aan de vroegere inrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0023.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0024.png"  

Afbeelding - (links): benzinestation bij Motel Apeldoorn (CODA Archief, collectie JosPé, identificatienummer GA-022419, datering 1950-960); (rechts): parkeergelegenheid achter Motel Apeldoorn (CODA Archief, collectie JosPé, identificatienummer GA_0222421, datering 1950-1960)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0025.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0026.png"  

Afbeelding - (links): luchtfoto van Motel Apeldoorn en het naastgelegen benzinestation (CODA Archief, identificatienummer GA-002903, datering 7 januari 1985); (rechts): de huidige inrichting van het terrein

3.2 Ruimtelijke en functionele analyse

Het pretpark is gelegen op de oostelijke helling van de grote stuwwal van de Veluwe. Het gebied vormt de overgang tussen het bosgebied van de Veluwe aan de westzijde en de bebouwing van Apeldoorn aan de oostzijde. De Veluwe is het grootste vrijwel aaneengesloten bos- en heidegebied van Nederland. Het landschap wordt gekenmerkt door de ligging tegen de stuwwal en bestaat uit bosgebied, afgewisseld door enkele open heidegebieden. Het overgrote deel van het bosgebied bestaat uit naaldhoutbossen.

De unieke groene entree van Apeldoorn
Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren ligt aan een van de belangrijkste toegangswegen van Apeldoorn. Via de Amersfoortseweg de stad in rijden is een bijzondere beleving. Deze entree maakt meteen het imago van Apeldoorn als stad op de Veluwe, als Buitenstad, waar. Aan deze kant ligt Apeldoorn haast 'verscholen' in het bos.

Aankomend over de met bos geflankeerde Amersfoortseweg opent het blikveld zich vrij plotseling en komt men bij de kruising met de Jachtlaan (bij de Naald) echt de stad binnen. De grens waar de Veluwe eindigt en de stad begint is eenduidig.
Voordat Apeldoorn zich vanuit de Veluwe aftekent zijn er al enkele 'aanwijzingen' dat de stad dichtbij is. De Koningin Julianatoren (rijksmonument) steekt boven de bomen uit als een voorpost van de stad. Vervolgens wordt de entree van Paleis het Loo zichtbaar.

Familiepretpark Koningin Juliana Toren
De directe omgeving van het pretpark bestaat voornamelijk uit bos. Het bij het pretpark behorende wandelbos strekt zich uit tot de Wildernislaan. Ten zuidoosten van het pretpark bevindt zich op circa 500 m de woonwijk Berg en Bos. Op grotere afstand (circa 1 km) bevindt zich de (woon)bebouwing aan de Amersfoortseweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0027.jpg"  

Afbeelding – Familiepretpark Koning Juliana Toren

Het bebouwde/verharde terrein van het familiepretpark heeft een omvang van ruim 2 ha. Het pretpark heeft haar centrale entree aan de Amersfoortseweg, waar zich ook het restaurant bevindt. Het terrein wordt verder gekenmerkt door een sterk aflopend maaiveld. Het pretpark bestaat uit:

  • diverse openlucht attracties, zoals het reuzenrad, de achtbaan en helikopterbaan;
  • diverse speeltuintoestellen;
  • diverse horecagelegenheden (naast het restaurant), zoals een kiosk en een verkooppunt voor ijs.
afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0028.png"  

Afbeelding – Overzicht aanwezige attracties in het park (bron: www.julianatoren.nl)

Vanwege de ligging op de helling van de stuwwal wordt het gebied gekenmerkt door een geaccidenteerd maaiveld. In navolgende afbeelding zijn voor verschillende locaties het hoogteprofielen ten opzichte van NAP aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0029.jpg"  

Afbeelding - Hoogteprofielen

Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat er op het terrein sprake is van behoorlijke hoogteverschillen. De onderlinge verschillen kunnen oplopen tot wel 4 m. Ter hoogte van de Juliana toren is de hoogte vastgesteld op 53,2 m +NAP.

De hoogteverschillen in het terrein hebben consequenties voor het bepalen van de juiste bouwhoogte. Bepalend daarbij is vanaf welk punt (peil) er gemeten moet worden ter bepaling van die bouwhoogte. In paragraaf 5.3.1 van hoofdstuk 5 'Juridische planopzet' wordt nader ingegaan over deze wijze van meten aan de hand van dwarsprofielen.

Op het terrein aan de Amersfoortseweg heeft het pretpark beschikking over een parkeerterrein (P1) met in totaal 300 - 350 parkeerplaatsen. Een deel van het parkeerterrein is verhard (grind en asfalt) en wordt ook gebruikt voor de afhandeling van autobussen; het oostelijk deel van de parkeerplaats is onverhard en gelegen onder de bestaande bomen.
Wanneer het parkeerterrein vol is worden de bezoekers door medewerkers en bewegwijzering doorverwezen naar het tweede parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan.

Parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan
Aan de J.C. Wilslaan bevindt zich het tweede (overloop)parkeerterrein (P2) van het familiepretpark.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0030.jpg"  

Afbeelding – Parkeerterrein J.C. Wilslaan (P2)

Het onbeboste deel is in gebruik genomen als parkeerterrein. Het terrein is ingericht ten behoeve van een eenvoudige verkeersregeling op het terrein. De rest van het perceel is bos.
De bezoekers die aan de J.C. Wilslaan parkeren worden met een pendelbus naar en van het familiepretpark vervoerd of lopen op eigen gelegenheid (door het bos en/of over het fietspad langs de Amersfoortseweg) naar de centrale entree. De parkeerplaatsen tezamen (P1 + P2) hebben in principe voldoende capaciteit om in de reguliere parkeerbehoefte te voorzien.

Het parkeerterrein (P2) is onderdeel geweest van een grootschalige munitiesanering op de Veluwe. Tijdens dit saneringsproject zijn delen van dit terrein de afgelopen jaren afgesloten wegens ruimingswerkzaamheden. Deze ruimingswerkzaamheden zijn in het voorjaar van 2014 afgerond. De te verrichten herinrichtingswerkzaamheden van het parkeerterrein zijn voor Koningin Juliana Toren aanleiding geweest om te komen tot een ruimtelijke en functionele upgrading van dit parkeerterrein en het uiterlijk aanzien vanaf de J.C. Wilslaan.

De aanleg van een functionele halfverharding leidt tot een efficiënter ruimtegebruik en meer parkeerplaatsen. Hierdoor is het nu mogelijk om het berm-parkeren op piek dagen te faciliteren op het terrein zelf. De afhandeling van de tourbussen geschiedt in de nieuwe situatie op de reeds aanwezige verharde tussenstrook bij de ingang, waardoor extra parkeerruimte wordt gecreëerd op het terrein.
Een aan de functie ondersteunend bescheiden entreegebouw zal bijdragen aan de herkenbaarheid vanaf de J.C. Wilslaan. Het gebouw huisvest een kassaruimte, toiletgroepen, een portiersruimte en een kleine kiosk. Ten behoeve van het onderhoud van het terrein zal er ook een kleine opslagruimte voor materiaal worden gebouwd. Tot slot wordt langs de J.C. Wilslaan voorzien in de realisatie van een abri.

3.3 Analyse bestaande situatie - Visie

3.3.1 Algemeen

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt beschouwd als één van de belangrijke toeristische dragers in de sector vrijetijdseconomie. Apeldoorn streeft ernaar een toeristisch toplandschap te zijn, daarbij is het familiepretpark een attractie van landelijk formaat. De gemeente kiest er dan ook voor om de bestaande dagattracties optimaal te faciliteren.

Dit bestemmingsplan beoogt een goede ruimtelijke onderlegger te zijn op basis waarvan het Familiepretpark Koningin Juliana Toren een gezonde bedrijfsvoering kan blijven uitoefenen. Binnen die bedrijfsvoering moet het om economische redenen mogelijk zijn te ontwikkelen; een bedrijf en misschien wel helemaal een pretpark is nu eenmaal een dynamische onderneming, echter ontwikkeling en vernieuwing dienen plaats te vinden binnen de randvoorwaarden zoals die vanuit de omgeving (Natura 2000 en EHS) gelden.

Zoals uit de cultuurhistorische analyse blijkt kent het pretpark op de planlocatie een lange voorgeschiedenis. Sprake is van bestaande rechten. Sprake is – zoals gezegd - ook van een bijzondere omgeving door de ligging in het Centraal Veluws Natuurgebied en de relevante wettelijke en beleidskaders Een analyse rond Natura 2000 en EHS vindt plaats in paragraaf 4.4 'Natuur'.

3.3.2 Bestaand feitelijk en legaal gebruik

Op deze plaats wordt ingegaan op de historie van de activiteit: het bestaande gebruik van het gebied als pretparkterrein, de verleende rechten en de bezoekersaantallen. Op basis daarvan kunnen uitgangspunten worden geformuleerd en wordt vervolgens aangegeven hoe de planologisch juridische vertaling (regeling) eruit komt te zien (paragraaf Visie):

  • Vergunde situatie (geldende rechten)
    De juridisch planologische situatie is diffuus en gedateerd. Tot 1 juni 2013 gold op basis van het 'Uitbreidingsplan In Hoofdzaken 1947' ter plaatse van het pretpark de bestemming 'Bos'. Dit Uitbreidingsplan is niet meer rechtsgeldig. Dat wil geenszins suggereren dat thans sprake is van een illegale situatie. Uit de cultuurhistorische beschrijving blijkt dat sedert vele jaren ter plaatse een pretpark is gevestigd. Voor de gebouwen en de attracties zijn in het verleden bouwvergunningen verleend.
    Ook beschikt de Familiepretpark Koningin Juliana Toren over verleende toestemmingen op grond van de Hinderwet en de Wet Milieubeheer. Het gaat hier dan om meldingen en vergunningen.

    Op basis hiervan kan de conclusie worden getrokken dat sprake is van een bestaande legale situatie. Zo blijkt onder meer uit de verleende algehele revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer uit 1997 dat sprake is van het oprichten en in stand houden van een familiepretpark. Uit de bij deze vergunning behorende inrichtingstekening blijkt dat tot de inrichting het gehele terrein van het pretpark behoort.
  • Feitelijk aanwezige situatie
    Ook uit de luchtfoto analyse blijkt dat sprake is van een langdurig aanwezig gebruik van het park en de parkeerterreinen.
afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0031.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0032.png"  

Afbeelding - (rechts): Luchtfoto van het pretpark uit 1983; (links): Luchtfoto van het pretpark uit 1998

De bezoekersaantallen
Onderzoek is gedaan naar de bezoekersaantallen. Dit om inzicht te krijgen in het aantal bezoekers door de jaren heen.
Uit de gegevens van Familiepretpark Koningin Juliana Toren blijkt dat het pretpark sinds 2007 te kampen heeft met een dalende trend in bezoekersaantallen. In 5 jaar tijd (van 2007 tot 2012) is het aantal bezoekers verminderd met circa 100.000. Ondanks dat toename van attracties in aantal en de vernieuwing ervan daalt het aantal bezoekers over de gehele periode.
De dalende trend is gelijkmatig met 10.000 tot 20.000 bezoekers per jaar en heeft als voornaamste oorzaak de sinds de economische crisis veranderde markt van de dagrecreatieve sector.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0033.jpg"  

Afbeelding - Overzicht van bezoekersaantallen 1996 - 2013

Uit de tabel blijkt dat over de afgelopen periode het jaar 2007, met 530.000 bezoekers, een piekjaar is geweest.

Resumerend
Vanwege de ligging binnen het Natura 2000-gebied is het van belang dat het pretpark wat betreft oppervlakte of bezoekersaantallen niet structureel wordt uitgebreid maar dat het streven primair gericht is op bestendiging van de bestaande omvang. Dit is ook het doel van het bestemmingsplan, te weten het vastleggen van de bestaande situatie (conserverend).

Uit het voorgaande 'Overzicht van bezoekersaantallen 1996 - 2013' blijkt dat op basis van de bestaande vergunde situatie een bezoekersaantal van 530.000 personen per jaar mogelijk is. Dit bezoekersaantal wordt als maximum in de planregels vastgelegd.

3.3.3 Bebouwingsstructuur voor het park - vertaling in bestemmingsplan

Uitgegaan wordt van een conserverend en beschrijvend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt de bestaande situatie planologisch vastgelegd. Het betreft hier een sinds vele jaren bestaande situatie (al meer dan 100 jaar). Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt, voor wat betreft het attractiegedeelte (tot en met het picknickbos), in dit bestemmingsplan ingepast binnen de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' en daarmee in overeenstemming gebracht met het huidige gebruik.
Het voorliggende bestemmingsplan biedt mogelijkheden om op het (verharde) terrein van het pretpark nieuwe (overdekte) bebouwing te realiseren: daarvan wordt een positief effect verwacht omdat dat zal leiden tot vermindering van eventuele verstoring. Ter hoogte van het picknickbos is geen bebouwing toegestaan.

Het wandelbos valt buiten het bestemmingsplan voor Koningin Juliana Toren en wordt geregeld binnen de natuurbestemming in het aansluitende bestemmingsplan 'Park Berg en Bos en omgeving'.

Ten aanzien van het beplante gedeelte parkeerterrein aan de Amersfoortseweg (het gedeelte onder bomen) is sprake van parkeren in het bos.
Voor het terrein aan de J.C. Wilslaan wordt uitgegaan van de bestaande situatie. Dit betekent handhaven van de huidige parkeerruimte op het open voormalige motelterrein. De bestaande bouwmogelijkheid voor een motel op deze locatie komt in dit bestemmingsplan te vervallen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0034.png"  

Afbeelding - Bebouwingsmogelijkheden familiepretpark

Voor de bebouwingsmogelijkheden van het pretpark wordt in het bestemmingsplan een onderscheid gemaakt in meerdere deelgebieden:

  • 1. Bestaande bebouwing op het voorterrein langs de Amersfoortseweg
    De groene entree van de stad is de belangrijkste kwaliteit om te waarborgen voor de toekomst. Bebouwing op het voorterrein dient zodanig te worden gepositioneerd dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het gebied niet door nieuwe bebouwing bedreigd worden.
    In het bestemmingsplan wordt daarom geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt dichter op de weg dan de bestaande bebouwing. De gebouwen op het voorterrein worden in het bestemmingsplan beperkt tot de bestaande ligging en bouwhoogte. Op deze wijze blijft de uitkijktoren, als grootste uithangbord en icoon van het pretpark, goed zichtbaar. De toren dient als markering dat de stad Apeldoorn genaderd wordt.
  • 2. Ruime bouwmogelijkheden bij bestaande bebouwingsconcentratie
    Achter het voorterrein, in aansluiting op de bestaande bebouwingsconcentratie, worden ruimere bouwmogelijkheden geboden voor overdekte attracties. Door de stevige bosbeplanting rondom de Koningin Juliana Toren blijft de ruimtelijke impact van de bebouwing beperkt.
    Omdat het terrein wordt gekenmerkt door een sterk aflopend maaiveld wordt voor de overdekte attracties (gebouwen) uitgegaan van een gefixeerd peil. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de daken van de diverse overdekte attracties onderling verbonden kunnen worden en begaanbaar worden voor bezoekers. Voor het gefixeerde peil wordt uitgegaan van het voorterrein ter hoogte van de Juliana toren (53,2 m +NAP). Op het dak van de verschillende gebouwen worden speeltoestellen toegestaan.
  • 3. Minder bebouwingsmogelijkheden richting het bos
    Verder in de richting van het bos nemen de bebouwingsmogelijkheden af. Het gaat daarbij om incidentele bebouwing ten behoeve van attracties of horecapunten. De bouwhoogte wordt lager en wordt gemeten vanaf het aansluitende maaiveld, met andere woorden de bebouwing gaat met het aflopende maaiveld mee naar beneden.
  • 4. Afbakening grens tussen pretpark en bos
    Op de achtergrens van het pretpark loopt het verharde park over in het onverharde wandelbos. Het bestaande picknickbos vormt de grens tussen het pretpark en het aansluitende bos. Hier worden in het bestemmingsplan géén bebouwing en/of attracties gefaciliteerd zodat de overgang naar het aangelegen bos helder en strikt is. Het gebruik als picknickbos met speeltoestellen wordt wel toegestaan. Het wandelbos valt buiten dit bestemmingsplan.

Op de verbeelding en in de regels wordt een en ander nader uitgewerkt.

3.3.4 Het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan

Op grond van het geldende bestemmingsplan 'Apeldoorn West' geldt hier de bestemming 'Bos' met de aanduiding Horeca. Ingevolge dit bestemmingsplan mag ter plaatse 3000 m2 aan bebouwing plaatsvinden. Deze bebouwingsregeling wordt in dit bestemmingsplan vervangen door een parkeerbestemming op dat deel wat thans ook als parkeerterrein in gebruik is.

Slechts een beperkt bouwdeel komt terug in de regels in de vorm van in maat en schaal bescheiden entreegebouw. Dit hangt samen met de kwaliteitsimpuls die de Familiepretpark Koningin Juliana Toren wenst te geven aan dit terrein en de herinrichting ervan.

4 Planologische aspecten

4.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is de feitelijke situatie rond het Familiepretpark Koningin Juliana Toren beschreven vanuit de historie en de verkregen rechten. In dit hoofdstuk wordt de geformuleerde bebouwingstructuur, zoals is beschreven in paragraaf 3.3, beoordeeld aan de hand van de relevante onderzoekskaders. Aandacht wordt besteed aan milieu (4.2), waterhuishouding (4.3), natuur (4.4), archeologie (4.5), cultuurhistorie (4.6) alsmede verkeer en parkeren (4.7).

4.2 Milieu

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan Koningin Juliana Toren en parkeerterrein is een beheerplan. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Voor dit bestemmingsplan is het daarom niet nodig onderzoek uit te voeren en wordt volstaan met een beschrijving van de milieuaspecten.

4.2.1 Milieueffectrapportage

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten: de vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het bestemmingsplan staat een activiteit toe die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., te weten 'themapark'.
Het betreft een conserverend plan zonder extra uitbreidingsmogelijkheden. Het plan legt enkel de bestaande feitelijke en planologische situatie opnieuw vast, waardoor er geen veranderingen qua invloed op het milieu zullen ontstaan. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak bestaat om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op te stellen.

4.2.2 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar. Het onderhavige bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, echter dient in verband met de ligging van het plangebied binnen grond- en drinkwaterbeschermingsgebied de milieugevolgen van de aanwezige parkeerterreinen beschouwd worden.

Onderzoeksresultaten
In de bijlagen is een technische analyse van de bodemsituatie opgenomen (zie Bijlage 1). Het rapport gaat in op de bodemsituatie ter hoogte van de parkeerterreinen aan de Amersfoortseweg en de J.C. Wilslaan.

Uit het rapport valt op te maken dat de aanwezigheid van de parkeerplaatsen en de invloed daarvan op de ondergrond nihil en/of verwaarloosbaar zijn. Met het rapport is aangetoond dat de gebruik van de gronden voor parkeerdoeleinden geen negatieve gevolgen hebben voor het grond- en drinkwater in de ondergrond. Het grond- en drinkwater is dermate diep gelegen dat een mogelijke calamiteit op de parkeerterreinen geen directe invloed zal hebben op de kwaliteit.

De aanwezige vervuiling welke zijn aangetroffen op het terrein aan de J.C. Wilslaan zijn toe te schrijven aan het in het verleden afgebrande motel dat zich op deze locatie bevond en zijn niet afkomstig van de auto's en of autobussen.

Geconcludeerd mag worden dat met een juiste instructie en training van het personeel, het intern toezicht, tijdige signalering van calamiteiten, in combinatie met inhuur van een deskundige partij die in het geval van een calamiteit kan worden ingezet om de bron van bodemverontreiniging weg te kunnen nemen een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd kan worden. Inmiddels heeft de Koningin Juliana Toren incidentenmanagement vorm gegeven om adequaat te kunnen handelen bij calamiteiten.

4.2.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.
Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer:

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied  
1   10 m  
2   30 m  
3.1   50 m  
3.2   100 m  
4.1   200 m  
4.2   300 m  
5.1   500 m  
5.2   700 m  
5.3   1.000 m  
6   1.500 m  

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten.

Onderzocht zijn zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten
Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren is gelegen in een bosrijke omgeving en nabij de Amersfoortseweg welke een belangrijke ontsluitingsweg vormt van en naar Apeldoorn. De wijk Berg en Bos is op ruim 500 m gelegen van het pretpark. Derhalve kan het omgevingstype het best beschreven worden als 'rustig buitengebied'. Het toepassen van een reducerende stap inzake de aan te houden milieuzones tussen het pretpark en omliggende milieugevoelige objecten is niet aan de orde.

De huidige activiteit op de planlocatie is een pretpark met bijbehorende parkeerterreinen. De geldende afstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voor deze activiteiten zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Milieu-
categorie  
SBI-code 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
4.2   9321   Vaste kermis e.d.; pretparken   30   10   300   10  
2   5221.1   Autoparkeerplaatsen   10   0   30   0  

De geldende afstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voor deze activiteiten zijn respectievelijk 300 meter en 30 meter.

Het bestemmingsplan gaat uit van een beschrijving van de bestaande situatie (conserverend). Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. Wel wordt het in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk gemaakt om delen van het park te overkappen binnen de bestaande contour van het park. Het overkappen van attracties heeft een positief effect op de geluidsoverdracht naar de omgeving.

Het milieutoezicht door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel op het aspect geluid leert dat het Familiepretpark Koningin Juliana Toren in de achterliggende wijk voldoet aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.
Vanwege het lage achtergrondniveau dat heerst in de wijk Berg en Bos zijn de activiteiten van het pretpark op sommige dagen, vaak afhankelijk van de weersomstandigheden, wel merkbaar.

4.2.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van diverse wegen. Indien een bestemmingsplan de vestiging van nieuwe geluidgevoelige objecten dan wel het aanleggen van nieuwe (spoor-)wegen of industriegebieden mogelijk maakt, dient volgens de Wet geluidhinder onderzocht te worden of de geluidgrenswaarden niet overschreden worden.

Onderzoeksresultaten
Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van Amersfoortseweg en de J.C. Wilslaan. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen aangelegd. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

4.2.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Onderzoeksresultaten
Dit bestemmingsplan is conserverend van aard: het legt de bestaande situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een toename van de bezoekersaantallen zullen zich niet voordoen. Het bestemmingsplan stelt hieraan een bovengrens gebaseerd op het maximum aantal bezoekers van de afgelopen 10 jaar, uitgaande van de bestaande vergunde rechten.
Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het daarom niet nodig de luchtkwaliteit te onderzoeken. Er wordt immers voldaan aan artikel 5.16 lid b Wm: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.
Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd:

  • het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour);
  • het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt, afhankelijk van de ontwikkeling, een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn
In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Als voorwaarde geldt wel dat de PR-contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten:

  • Bedrijven
    In de nabijheid van het plangebied van Bestemmingsplan Koningin Juliana Toren bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi.
  • Buisleidingen
    In de nabijheid van het Plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen die vallen onder de werkingssfeer van het Bevb.
  • Transport gevaarlijke stoffen
    In de directe omgeving van het plangebied is de Amersfoortseweg gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Gelet op de bevindingen in de Nota Milieu-veiligheid, d.d. december 2011 geeft de hoeveelheid transport gevaarlijke stoffen in combinatie met de personendichtheid geen aanleiding om het groepsrisico nader te verantwoorden.
4.2.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

Onderzoeksresultaten
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.2.8 Kabels en leidingen

In het plangebied is een ondergrondse hoogspanningsleiding aanwezig die van belang zijn voor het bestemmingsplan. Deze ondergrondse hoogspanningskabel is in het vigerende bestemmingsplan al ingetekend en zal nu opnieuw op de verbeelding worden opgenomen met een dubbelbestemming Leiding - Hoogspanning.

4.3 Waterhuishouding

4.3.1 Algemeen

De watertoets is ingesteld om het aspect water in een vroeg stadium mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is wettelijk verplicht en heeft als doel om gezamenlijk met de waterbeheerders de waterhuishoudkundige doelstellingen in een zo vroeg mogelijk stadium in ruimtelijke ontwikkelingen op te nemen. De gemaakte afspraken worden in de waterparagraaf van het bestemmingsplan opgenomen.

De beide terreinen liggen buiten de bebouwde kom van Apeldoorn in het bosgebied van de Veluwe. Het plangebied ligt niet in een Keurzone van een watergang. Het plangebied ligt niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland heeft aangegeven.

Beide terreinen zijn gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied van de drinkwaterwinning aan de Amersfoortseweg. Grondwaterbeschermingsgebieden hebben tot doel de winning van drinkwater naar de toekomst veilig te stellen. In deze gebieden wordt het grondwater tussen één en 25 jaar opgepompt en behandeld tot drinkwater. In deze gebieden gelden daarom verboden ten aanzien van de toepassing, opslag of transport van schadelijke stoffen en boringen en/of grondwerkzaamheden. Daarnaast gelden er belemmeringen voor de realisatie van nieuwe functies (onder andere voor bouwwerken). Voor bepaalde activiteiten of functies is een provinciale ontheffing mogelijk.

4.3.2 Grondwater

Het plangebied ligt buiten de provinciale grondwaterfluctuatiezone en westelijk van de drinkwaterwinning Amersfoortseweg. De drinkwaterwinning is van invloed op de grondwaterstanden in de omgeving en ook op beide plangebieden.
Langs de Amersfoortseweg ter hoogte van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren bevindt zich een peilbuis uit het gemeentelijk grondwatermeetnet. Vanaf 1996 tot 2002 zijn hier grondwaterstanden gemeten van meer dan 30 meter minus maaiveld.

Rond het waterwinbedrijf is een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied gelegen (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0035.jpg"  

Afbeelding - Ligging winputten, waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied drinkwaterwinning Amersfoortseweg – Apeldoorn

Het is verboden in waterwingebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen:

  • schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren dan wel op of in de bodem te brengen;
  • constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
  • een lozing in de bodem uit te voeren;
  • voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater aan te leggen of te hebben

Provincie is een Gebiedsdossier aan het voorbereiden (eindconcept).

Grondwaterbeschermende maatregelen
Naar aanleiding van de op het parkeerterrein aan de J.C. Wilslaan uitgevoerde werkzaamheden in het kader van de munitieruiming is de indeling van het parkeerterrein gewijzigd en is besloten een half verharding toe te passen.
Vanwege de munitieruiming heeft divers grondverzet plaatsgevonden. Hierbij zijn in het verleden ontstane verontreinigingen afkomstig van het voormalige motel van de locatie verwijderd. Op de bodem wordt een laag gebroken puin toegepast, waarop vervolgens gedeeltelijk klinkerverharding en deels grondverharding worden aangebracht. Door het toepassen van deze halfverhardingen wordt voorkomen dat hemelwater naar één of meerdere punten afvloeit en wordt bereikt dat hemelwater ter plaatse van de bodem infiltreert.

Door het gebruik van het terrein zal de bodemopbouw in de loop der tijd meer verdicht worden, waardoor hemelwater langer in deze lagen zal blijven, zodat de emissiekans van een eventuele verontreiniging naar de ondergrond en uiteindelijk het grondwater wordt verkleind.
Daarnaast zijn door het opstellen van een incidentenmanagementprotocol voldoende maatregelen genomen om adequaat te kunnen handelen bij een calamiteit. Meer hierover is opgenomen in de bijlage 'Technische onderbouwing parkeerplaats J.C. Wilslaan d.d. 28 februari 2014' (zie Bijlage 1).

4.3.3 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

In het plangebied zelf komt geen oppervlaktewater of waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet rechtstreeks geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

4.3.4 Afvoer van hemelwater

In de Bouwverordening is bepaald dat in het buitengebied het hemelwater dat afkomstig is van daken en verhardingen niet aangesloten mag worden op de riolering en in de bodem moet worden geïnfiltreerd op eigen terrein. Voor beide terreinen is het verhard oppervlak niet aangesloten op de riolering. Ook voor nieuwe ontwikkelingen geldt een verbod op het aansluiten van hemelwater op de riolering.

De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen.

4.3.5 Afvoer van afvalwater

De vuilwaterafvoer van het pretpark is aangesloten op de vuilwaterriolering van de gemeente Apeldoorn.

4.3.6 Watertoets

Het plangebied kent geen inliggend oppervlaktewater. Het plangebied ligt wel in een grondwaterbeschermingsgebied.
Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Voor het plan geldt het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

4.3.7 Vooroverleg

Het bestemmingsplan Koningin Juliana Toren en parkeerterrein wordt in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan het Waterschap Veluwe. De reactie van het waterschap wordt, indien noodzakelijk, verwerkt in deze waterparagraaf.

4.4 Natuur

4.4.1 Wet- en regelgeving

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en in voorkomende gevallen de Boswet.

Soortbescherming
Op grond van de Flora- en faunawet (verder: Ffw) is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen.

De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Het gevolg is onder andere dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten voorkomen worden. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen zijn op grond van de Flora- en faunawet verboden. Hiervoor zijn van belang de artikelen 8 t/m 12 Ffw waarin onder andere de vernieling en beschadiging van beschermde planten en het doden, verwonden, vangen, verontrusten en verstoren van diersoorten en hun verblijfplaatsen is verboden.

Op grond van artikel 75 Ffw kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AMvB (het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet) gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid.

  • Algemene soorten
    Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de artikelen 8 t/m 12 Ffw. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.
  • Overige soorten
    De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort'.
  • Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75 Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt het van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn wordt geen ontheffing verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de soorten van bijlage 1 geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen verstorende werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een ontheffing is verkregen. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • 1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; en
    • 2. er is geen alternatief; en
    • 3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.

Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Voor verstoring van vogels en vogelnesten door ruimtelijke ontwikkelingen kan geen ontheffing worden verleend. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, volksgezondheid en openbare veiligheid. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.

Gebiedsbescherming
Naast de soortbescherming wordt de gebiedsbescherming geregeld binnen de Natuurbeschermingswet (in de Natura 2000-gebieden) en binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Bescherming van bos is aan de orde als bestemmingen van bestaand bos worden gewijzigd. Het plangebied ligt in zowel het Natura 2000 gebied alsook de Ecologische Hoofdstructuur. Zie daarvoor ook de kaartweergaven in paragraaf 2.3.2 en 2.3.4.

Het bestemmingsplan is daarom te beoordelen op zowel de mogelijke effecten op de gebiedsbescherming als de soortbescherming.

4.4.2 Bescherming van natuurwaarden en de onderzoeksresultaten

Zoals al in hoofdstuk 1 aangegeven is het voorliggende bestemmingsplan een conserverend bestemmingsplan, in die zin dat er geen ruimtelijke ontwikkellingen mogelijk worden gemaakt buiten de bestaande in gebruik zijnde contouren van het bestaande pretpark.

In 2009 is in verband met een ruimtelijke ontwikkelingswens een mer-procedure gestart. De ontwikkeling is echter niet verder geconcretiseerd en ook niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Onderdelen uit het verrichte onderzoek uit 2009 zijn wel van toepassing op dit bestemmingsplan, daar waar het bijvoorbeeld gaat om de realisatie van attracties binnen het bestaande pretpark. Om deze reden kan gebruik gemaakt worden van de informatie in het mer-rapport. Voor de volledigheid is het rapport van de mer-procedure (Oriëntatiefase uitbreiding Koningin Juliana Toren, Arcadis, 2009) als achtergrondinformatie en vertrekpunt opgenomen in de voor dit bestemmingsplan opgestelde aanvullende natuurtoets (de Natuurtoets Picknickbos Koningin Julianatoren, BRO, 2014) .

In de eerdere toets (Arcadis, 2009) is nagegaan of de volgende aspecten van invloed konden zijn op de gebiedsbescherming vanuit Natura 2000:

  • uitbreiding parkeervoorzieningen op de locatie J.C. Wilslaan;
  • realisatie en gebruik van een smalspoorverbinding tussen parkeerterrein en attractieterrein;
  • de realisatie van overdekte attracties;
  • het treffen van grondwaterbeschermende maatregelen.

In deze rapportage werd geconcludeerd dat ten aanzien van de realisatie en het gebruik van de smalspoorverbinding significant negatieve effecten niet werden uitgesloten. Voor de uitbreiding van de parkeervoorziening aan de J.C. Wilslaan zouden enige negatieve effecten kunnen optreden maar significante effecten werden niet verwacht.
Voor de overige maatregelen, de realisatie van de overdekte attracties en de grondwaterbeschermende maatregelen werd geconcludeerd dat daar geen negatieve effecten op het Natura 2000 gebied uitgaan.
Het niet kunnen uitsluiten van significant negatieve effecten en de eis die daaruit voortvloeit om de ontwikkeling via een Passende Beoordeling te laten toetsen heeft er mede toe geleid dat de plannen met betrekking tot uitbreiding parkeerterreinen en de realisatie van een smalspoorverbinding niet verder zijn gebracht. Het uitbreiden van parkeerplaatsen, het realiseren van een smalspoorverbinding en het treffen van grondwaterbeschermende maatregelen zijn in dit bestemmingsplan dan ook niet meer aan de orde.

Het huidige bestemmingsplan gaat derhalve niet verder dan het planologisch vastleggen van:

  • het bestaande attractieterrein;
  • het bestaande picknickbos (met speeltoestellen);
  • de bestaande parkeergelegenheid direct ten oosten van het attractieterrein (P1);
  • de bestaande parkeergelegenheid ter plaatse van de J.C. Wilslaan (P2).

Daarbij is bovendien geen planologische ruimte meer geboden voor de eerdere bebouwingsregeling ten behoeve van de horeca ter plekke van het plandeel aan de J.C. Wilslaan met een bebouwingsmogelijkheid van 3.000 m2 (zie ook paragraaf 3.3.4). Dit al sinds jaar en dag in gebruik zijnde bestaande (overloop)parkeerterrein wordt, voor zover het het open terreindeel betreft, als duurzame parkeerlocatie bestemd (met een veel bescheidener van omvang parkeergerelateerde bebouwing) waarbij het overige deel als natuurbestemming zal gaan gelden.

Het inperken van de bestemming tot de bestaande contouren van het attractieterrein en het vastleggen van de bestaande parkeergelegenheden zonder het overnemen van horeca- en uitgebreide bouwbestemmingen aan de J.C. Wilslaan zorgen ervoor dat het bestemmingsplan zodanig is opgezet dat effecten op natuur op voorhand zoveel mogelijk worden uitgesloten.

In de eerder genoemde Oriëntatietoets is reeds beoordeeld dat het realiseren van (overdekte) attracties binnen het attractieterrein niet tot effecten leidt.

Het bestemmen van het picknickbos (het aan de zuidzijde van het attractieterrein grenzende gebiedsdeel) tot de bestemming Cultuur en ontspanning (zonder facilitering van bebouwing) is aanvullend getoetst, omdat dit deel feitelijk buiten het bestaande attractieterrein is gelegen en niet eerder is onderzocht in het kader van de mer-procedure in 2009.

De mogelijke effecten van het bestemmen van het picknickbos zijn getoetst en gerapporteerd in de Natuurtoets Picknickbos Koningin Julianatoren (BRO, 2014). De conclusies van het hierboven genoemde, met inbegrip van de resultaten van de toetsing zijn als volgt:

Gebiedsbescherming: Natura 2000
Voor het huidige bestemmingsplan wordt uitgegaan van een conserverende bestemming. Dat wil zeggen dat er bouwmogelijkheden worden gefaciliteerd binnen de bestaande contouren van het attractieterrein. Voor het pretpark geldt dat het terrein zelf is geëxclaveerd van Natura 2000. Interne effecten zijn daar daarom niet aan de orde. In de Oriëntatietoets is reeds gesteld dat er ook geen externe effecten mee zijn gemoeid. Eerder zullen overdekte bouwwerken leiden tot een verminderd extern effect.
Het faciliteren van bebouwingsmogelijkheden is bedoeld om het pretpark de flexibiliteit te geven om binnen de bestaande contouren (en bebouwingsvoorwaarden) gebouwen en attracties te kunnen realiseren om de bezoekersaantallen op peil te houden. Het trekken van extra aantallen bezoekers is evenwel niet het doel van het pretpark en ook niet in lijn met de capaciteit van het terrein en parkeergelegenheden. Om te voorkomen dat de bij de huidige bedrijfsvoering voorkomende bezoekersaantallen worden overschreden (en daarmee ook de verkeersstromen en eventuele daaraan verbonden effecten) wordt het bezoekersaantal gemaximeerd in de planregels.
Daarmee wordt voorkomen dat de planologische ruimte benut zou kunnen worden voor een ander bedrijfsvoering die gepaard zou kunnen gaan met een grotere toestroom van bezoekers.

In de toetsing ten aanzien van het picknickbos (zuidelijk deel pretpark) wordt geconcludeerd dat er ter plekke geen oppervlakteverlies van habitattypen optreedt en dat daarnaast de leefgebieden van aangewezen soorten geen aantasting ondervinden. Enerzijds omdat het betreffende gebied geen verblijfplaatsen van de soorten wespendief en zwarte specht omvat en daar evenmin geschikt voor is en anderzijds omdat er geen sprake zal zijn van een zodanig verstoring ten opzichte van de referentiesituatie dat daarmee het leefgebied wordt aangetast.

Ter plekke van het terrein dat in gebruik is als parkeervoorziening aan de J.C. Wilslaan zal de (bestaande) bestemming als motelterrein worden omgezet naar een bestemming parkeergelegenheid, waarbij deze beperkt wordt tot het open terrein, daar waar deze zich in de huidige situatie al bevindt; deze parkeersituatie is te karakteriseren als bestaand gebruik. Het omliggende deel zal worden bestemd als natuur. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.

Samenvattend
Het bestemmingsplan levert geen strijdigheid op met het beleid ten aanzien van Natura 2000.

Gebiedsbescherming: EHS
De genoemde terreinen zijn opgenomen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Er is echter geen sprake van een verslechtering van de situatie omdat het gebruik ter plekke van pretpark en parkeergelegenheid zich sinds jaar en dag voordoet en wezenlijke waarden, gekoppeld aan de EHS, ter plekke dan ook niet voorkomen.
Wel is het picknickbos te zien als een ontwikkeling binnen bestaand bosgebied. Bij toetsing op de kernkwaliteiten wordt geconstateerd dat er slechts sprake is van beperkte negatieve effecten die zijn toe te schrijven aan areaalvermindering.

Omdat er sprake is van een ondergeschikte uitbreiding van een bestaande functie in de ecologische hoofdstructuur, is de ontwikkeling niet als een significante aantasting te beschouwen. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 18.1 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland.

Ter compensatie wordt een compensatieverplichting opgenomen. Die verplichting wordt via een op te leggen financiële compensatie geregeld, waarbij de overgenomen compensatieverplichting zal worden voldaan binnen het groene raamwerk, de Groene Mal van Apeldoorn.

Samenvattend
De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het EHS-beleid zoals vastgelegd door de provincie.

Soortenbescherming (Flora- en faunawet)
De strikte conserverende bestemming zal evenmin leiden tot een mogelijk conflict met de soortenbescherming. Wijzigingen in bebouwingen zullen zich alleen ter plekke van de huidige, als pretpark in gebruik zijnde terreindelen, kunnen voordoen. Daar bevinden zich geen locatiegebonden natuurwaarden, met uitzondering van het voorkomen van vleermuizen in de (als monument aangewezen) bunker. Eventuele wijzigingen daarin zullen (al dan niet via een bouwvergunning) gebonden zijn aan de werking van de Flora- en faunawet. Wel zouden wijzigingen in verlichting of verstoring mogelijke effecten op de (directe) omgeving kunnen hebben. Wezenlijke uitbreiding van de huidige verlichtings- of geluidsniveaus wordt niet voorzien.

Ter plekke van het picknickbos zijn geen vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde diersoorten geconstateerd. Wel zal het gebied een (beperkte) betekenis hebben als onderdeel van het leefgebied van das, boommarter, wild zwijn en eekhoorn. Voor deze soorten heeft het gebied vrijwel geen betekenis vanwege de ongeschiktheid als voedselterrein; in de nabijheid zijn bovendien voldoende voedselbronnen aanwezig. Voor vleermuizen heeft het terreintje evenmin betekenis; het functioneert niet als verblijf- of foerageergebied en het biedt ook geen migratiemogelijkheden. Voor diverse andere kleinere zoogdieren, als egels en muizensoorten zal het gebied een marginale betekenis hebben; die soorten vallen buiten de ontheffingsplicht.
In het bosgebiedje zullen diverse (bos)vogelsoorten voorkomen. Binnen het plangebied zijn geen meldingen van vaste verblijfplaatsen. Voor de overige vogels geldt dat verstoring tijdens het broedseizoen verboden is. Verwijderen van bomen zal dan ook alleen buiten de broedperioden kunnen plaatsvinden.

Het gebiedje biedt verder geen enkel geschikt biotoop voor amfibieën, reptielen en vissen; deze zijn in de omgeving wel aanwezig. Ook de geschiktheid als biotoop voor het beschermde Vliegend hert is uit te sluiten, vanwege het ontbreken van oude eiken(stoven).
Ten slotte zijn er ter plekke ook geen beschermde plantensoorten te verwachten.

Samenvattend
Vanuit de soortenbescherming c.q. de Flora- en faunawet zijn geen effecten te voorzien die in de weg zouden kunnen staan aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.4.3 Toelichting per bestemming

Per relevante bestemming volgt een korte toelichting op de consequenties ten aanzien van de natuuraspecten.

4.4.3.1 Bestemming 'Cultuur en ontspanning – Pretpark'

Onderscheidend onder deze bestemming zijn nog de aanduidingen 'parkeerterrein' (functieaanduiding) en 'overige zone - overgangsgebied' (gebiedsaanduiding):

  • a. Bestemming 'Cultuur en ontspanning – Pretpark'
    De bestaande contouren van het pretpark zijn onder hoofdbestemming gebracht. Dit betreft de zones 1 t/m 3 zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.2). Voor die zones gelden verschillende bouwvoorschriften. Het gaat om het deel dat geëxclaveerd is van Natura 2000 (dat wil zeggen geen deel uitmaakt van Natura 2000 op grond van bestaande bebouwing). Interne effecten op Natura 2000 zijn daarmee uitgesloten. Externe effecten worden niet voorzien.
    Er is een vigerende milieuvergunning voor dit terreindeel, de bouwmogelijkheden voorzien in eventuele overdekking van attracties, zodat extra verstoring niet verwacht kan worden. Dit gebiedsdeel kent ook geen waarden op grond van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
  • b. Bestemming 'Cultuur en ontspanning – Pretpark' met functieaanduiding 'parkeerterrein'
    Ook dit deel is geëxclaveerd van Natura 2000 op basis van het bestaand voorkomen van verharding. Het bestemmen tot parkeerterrein binnen de hoofdbestemming leidt niet tot aantasting van Natura 2000, EHS of eventueel voorkomende soorten.
    Er zijn geen gebouwen en overkappingen mogelijk binnen deze bestemming.
  • c. Bestemming 'Cultuur en ontspanning – Pretpark', met gebiedsaanduiding 'overige zone - overgangsgebied'
    Dit deel komt overeen met zone 4 zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.2. Dit betreft het picknickbos. Dit onderdeel is expliciet getoetst op mogelijke effecten op natuurwaarden (gebieds- en soortbescherming).
    Effecten op habitattypen zijn er niet vanwege het ontbreken van die habitattypen ter plekke. Effecten op aangewezen soorten zijn er niet vanwege het ontbreken van geschikt biotoop ter plekke voor die soorten. Verstoring van die soorten valt evenmin te voorzien omdat dit gebiedsdeel aanpalend aan de attractie ligt. Extra verstoring moet evenwel voorkomen worden; in dit gebiedsdeel kunnen dan ook uitsluitend speeltoestellen worden gerealiseerd; attracties en gebouwen zijn er uitgesloten.
    Het betreffende gebiedsdeel maakt deel uit van de EHS, met uitzondering van een (beperkte) areaalvermindering zijn de effecten beperkt. Op grond van het feit dat het gaat om een ondergeschikte uitbreiding van een bestaande functie, wordt het effect van de bestemming niet als significant beschouwd. Wel dient het betreffende areaal gecompenseerd te worden. Dit gebeurt via een financiële compensatie, waarmee de gemeente de compensatieplicht overneemt en zal uitvoeren binnen de Groene Mal van Apeldoorn.
4.4.3.2 Bestemming 'Verkeer – parkeerterrein'

Deze bestemming geldt voor het voormalige motelterrein, gelegen aan de J.C. Wilslaan, ter plaatse van het gebiedsdeel dat, na de brand en sloop van het motel, als parkeerplaats in gebruik is genomen. Op grond van de exclaveringsformule behoort dit deel niet tot Natura 2000.

Op grond van de nieuwe bestemming zijn de eerder toegestane bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van horeca-activiteiten met een omvang van 3.000 m2 vervallen met bijbehorend bouwvlak. Negatieve (externe) effecten van het opnieuw in gebruik nemen van dit terrein als een dergelijke voorziening worden daarmee voorkomen.
Ter plaatse zijn wel enige voorzieningen mogelijk in de vorm van kassaruimte, sanitairgebouw, portiersruimte en kiosk alsook overkappingen en abri's, uitsluitend ter plaatse van de daarvoor geldende specifieke aanduidingen. De totale oppervlakte daarvan bedraagt bijna 400 m2. Deze voorzieningen zijn daarmee dienend aan de parkeervoorziening en geen op zich staande voorzieningen in recreatieve zin. Externe effecten vanwege extra bezoekersdruk zijn daardoor niet aan de orde.

4.4.3.3 Bestemming Natuur

Onderscheidend binnen deze bestemming is de functieaanduiding 'parkeerterrein'.

  • a. Bestemming 'Natuur'
    Het gehele bosgebied aan de J.C. Wilslaan, met uitzondering van het bestaande parkeergedeelte (zie onder 4.4.3.2), is en blijft onder de bestemming Natuur gelegen. De bestaande natuurwaarden worden daarmee in acht genomen en verzekerd en er zijn planologisch geen effecten aan de orde.
  • b. Bestemming 'Natuur' met functieaanduiding 'parkeerterrein'
    Deze bestemming geldt voor de terreindelen waar bestaand parkeren onder de bomen plaatsvindt. Dit geldt voor het gebiedsdeel ten oosten van het parkeerdeel (P1) dat onder de Bestemming 'Cultuur en ontspanning' is gelegen en voor een beperkt deel dat aanpalend aan de bestemming 'Verkeer- parkeerterrein' is gelegen (P2). Er zijn geen veranderingen ten opzichte van het bestaande gebruik. Ter plaatse mag niet worden gebouwd.
    Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of het verrichten van werkzaamheden, zoals het aanbrengen van verharding of egaliseren, is een aanlegvergunning nodig (zie artikel 16 planregels).

4.5 Archeologie

In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aangetroffen. Wel heeft het plangebied een middelhoge (geel) tot hoge (oranje) archeologische verwachtingswaarde. Deze worden op de verbeelding aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0036.jpg"  

Afbeelding - uitsnede van archeologische waardenkaart

Door de voorgenomen activiteiten kunnen archeologische verwachtingswaarden worden aangetast. In de planregels worden de randvoorwaarden geformuleerd op basis waarvan werkzaamheden plaats kunnen vinden.

4.6 Cultuurhistorie

Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten

Op het terrein van het Koningin Juliana Toren is een aantal rijksmonumenten benoemd, te weten de uitzichttoren, het doolhof (niet meer aanwezig) en de grot (Amersfoortseweg 35). Het naastgelegen gebouw van de instelling voor jeugdzorg (Amersfoortseweg 37) is aangewezen als gemeentelijk monument.

Uit het monumentenregister van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) blijkt, dat de uitzichttoren, de grot en het doolhof in februari 2000 zijn aangewezen als rijksbeschermd monument. Voor deze drie objecten gezamenlijk, is destijds een redengevende beschrijving opgesteld. Deze redengevende beschrijving is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

In het gedeelte van de redengevende beschrijving dat betrekking heeft op de uitzichttoren (monumentnummer 514477) wordt aangegeven, dat de toren behalve vanwege de architectuurhistorische en cultuurhistorische waarden, van belang is vanwege de stedenbouwkundige waarde:

'Van stedenbouwkundige waarde als karakteristiek en sterk beeldbepalend element aan de zuidzijde van de Amersfoortseweg. De toren vervult hier een opvallende symboolfunctie en is van grote afstand zichtbaar. Er is sprake van een ensemblewaarde met het aan de voet van de toren gelegen doolhof en de grot.”

De uitzichttoren vormt een herkenbare landmark aan de noordwestelijke zijde van de stad Apeldoorn. Het behoud van de zichtbaarheid van dit object vanaf de Amersfoortseweg is derhalve een belangrijk uitgangspunt.

De grot (monumentnummer 514479) is via de onderaardse gang te bereiken. Bovengronds is de grot te herkennen aan een betonnen koepel met een doorsnede van ca. zes meter en een hoogte van ongeveer 2,5 meter. Aan één zijde is een nieuwe entreepartij aangebracht waarin een trap naar beneden voert. Deze entreepartij valt niet onder de bescherming. Aan de binnenzijde is de koepel groter en is een grotachtig uiterlijk geconstrueerd. Het daglicht wordt gefilterd door 'brokken' gekleurd glas in de koepel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0037.png"  

Afbeelding - De betonnen koepel van de grot, gezien vanaf het maaiveld.
De grot is aangewezen als rijksmonument

Overige cultuurhistorische waarden
Behalve de rijksmonumenten die voorkomen op het terrein van het pretpark, zijn de cultuurhistorisch waarden verbonden met de aanwezige stedenbouwkundige, landschappelijke en aardkundige waarden. Relevant zijn enkele waardevolle landschappelijke objecten, de ligging van het pretpark langs de Amersfoortseweg, het groene, informele karakter van de parkeerterrein naast het pretpark en het natuurlijk reliëf dat verband houdt met de aanwezigheid van het droge dal.

In en rond het plangebied zijn cultuurhistorische objecten aanwezig. De grafheuvel ten zuiden van de Wildernislaan, het oude walletje op de grens tussen hei en bos en een aantal oude paden zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Het oude walletje heeft een beperkte lokale waarde. De waardevolle elementen zijn weergegeven in navolgende afbeelding. De plannen voor het parkeerterrein en het pretpark hebben geen consequenties voor de waardevolle objecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0038.jpg"  

Afbeelding - Locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen en bouwwerken

Ten aanzien van de ligging langs de Amersfoortseweg geldt, dat de zichtbaarheid van de monumentale uitkijktoren een belangrijk stedenbouwkundig uitgangspunt vormt. Zoals in de visie voor het plangebied naar voren komt (zie paragraaf 3.3.), worden de gebouwen op het voorterrein in het bestemmingsplan beperkt tot de bestaande ligging en bouwhoogte. Op deze wijze blijft de uitkijktoren, als grootste uithangbord en icoon van het pretpark, goed zichtbaar. De Koningin Julianatoren richt zich op verbetering van het uiterlijk aanzien van het park als visitekaartje waarbij nadrukkelijker aandacht uitgaat naar de historische context. In dat verband wordt vermeld dat de Koningin Juliana Toren streeft naar herstel van het doolhof in oorspronkelijke vorm als attractie op het dak van het hoofdgebouw.

Met betrekking tot de landschappelijke waarden geldt, dat het groene karakter van het meest oostelijke gedeelte van het parkeerterrein bij het pretpark (P1) van belang is. Door de aanwezige beplanting is sprake van een landschappelijke overgang naar het omliggende bosgebied. De regeling in het bestemmingsplan is er op gericht het groene karakter te behouden (bestemming 'Natuur').

Door de ligging van het plangebied in en nabij een droog dal, is er sprake van aardkundige waarden. Zoals in paragraaf 3.1.2 toegelicht, is het natuurlijk reliëf ter plaatse van het terrein van het pretpark reeds verstoord door ophoging van gronden. Voor dit gedeelte van het droge dal wordt derhalve geen specifieke regeling opgenomen, die gericht is op het behoud van het natuurlijk reliëf. Indirect zijn de aanwezige aardkundige waarden evenwel ten dele beschermd door een omgevingsvergunningsplicht, die gekoppeld is aan de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie Hoog' en 'Waarde – Archeologie Middelhoog'. Dit geldt eveneens voor de gronden binnen het plangebied, die onderdeel uitmaken van de parkeerterrein nabij het pretpark en het parkeerterrein langs de J.C Wilslaan (P2).
Behalve de archeologische dubbelbestemming, is voor het grootste deel van deze terreinen de bestemming 'Natuur' van kracht. Ook voor deze bestemming is een omgevingsvergunning opgenomen. Daarvoor geldt dat bij het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden over een oppervlakte van meer dan 500 m2, mede beoordeeld wordt of de aanwezige hoogteverschillen blijven behouden en/of de cultuurhistorische waarden, waaronder de aardkundige waarden, blijven behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0039.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0040.png"  

Afbeelding - Overgang van de parkeerterrein naar het naastgelegen droge dal

4.7 Verkeer en parkeren

Het plangebied is voor gemotoriseerd verkeer ontsloten vanaf Amersfoortseweg en de J.C. Wilslaan. Parkeerplaatsen liggen in het plangebied. De capaciteit van deze parkeergelegenheid is voldoende voor normaal gebruik. Het familiepretpark heeft in een goed jaar 5 tot 10 hoogtijdagen die vooral vallen op Pasen, Pinksteren, Hemelvaartsdag, een incidentele fraaie zondag in april of mei en in mindere mate in het vakantieseizoen. Op een topdag parkeren nu circa 1.200 auto's bij de pretpark (P1), op de parkeerplaats (P2) en in de bermen langs de J.C. Wilslaan.
Gezien de ligging van het gebied in EHS en Natura 2000-gebied zal binnen het plangebied geen extra parkeerruimte worden toegevoegd. Door een optimaler ruimtegebruik wordt de parkeercapaciteit van het terrein aan de Wilslaan met circa 200 parkeerplaatsen vergroot, waarmee het parkeren in de bermen van de Wilslaan en de Amersfoortseweg op piek dagen tot het verleden behoort.

Voor gemotoriseerde bezoekers wordt het gebied ontsloten vanaf de Amersfoortseweg. Amersfoortseweg, Zwolseweg en Loolaan zijn belangrijke aanvoerroutes voor gemotoriseerd verkeer. De capaciteit van deze wegen is voldoende voor normaal gebruik. Op topdagen en bij evenementen, met name wanneer deze samenvallen met evenementen en hoogtijdagen bij een van de andere attracties in Apeldoorn Noord-West loopt het verkeer soms vast.

Het parkeren en het verkeer tijdens evenementen heeft de aandacht van de gemeente. Samen met de andere attracties en de betrokken wijkraden wordt gezocht naar oplossingen. In het kader van de evenementenvergunning worden doorgaans afspraken gemaakt met de organisator van het evenement over het regelen van verkeer en parkeren, zoals de inzet van verkeersbegeleiders, parkeren op andere locaties met pendelbussen et cetera. Dit ligt echter buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan.

Het plangebied is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Vanaf het NS-station Apeldoorn doen twee buslijnen het plangebied aan: een stadslijn met op werkdagen een kwartiersdienst en een regionale lijn met op werkdagen een halfuursdienst. In de zomermaanden rijdt ook nog een speciale lijn rechtstreeks naar het Familiepretpark Koningin Juliana Toren.

5 Juridische planopzet

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planologische aspecten. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt.
Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gekozen bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de verbeelding beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. Daarbij wordt uitgebreid stilgestaan bij de bebouwingsregeling.
In paragraaf 5.5 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Koningin Juliana Toren en parkeerterrein is een beheerplan, waarin de bestaande situatie en het geldende recht uitgangspunt zijn voor de wijze van bestemmen. Daarmee wordt bedoeld dat de bestaande situatie is vastgelegd en is voorzien van een actuele regeling en dat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt.

Er is gekozen voor een vrij gedetailleerde bestemmingssystematiek. De ligging van de gebouwen en de maatvoering ervan is strak vastgelegd op de plankaart. De verschillende functies zijn daarbij op perceelsniveau voorzien van een passende bestemming met zo nodig een aanduiding voor specifieke gebouwen en gebruiksvormen. Er is, waar mogelijk, gestreefd naar een uniforme manier van bestemmen, zodat vergelijkbare planologische mogelijkheden gelden voor vergelijkbare situaties.

Voor de regels en de verbeelding is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.3 Bestemmingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0041.jpg"  

Afbeelding - Bestemmingen

5.3.1 Cultuur en ontspanning

Voor het familiepretpark wordt voor het grootste deel uitgegaan van de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark', zoals ook gebruikt in het bestemmingsplan 'Park Berg en Bos en omgeving' voor de Apenheul. Binnen deze bestemming wordt ruimte geboden aan de aanwezige openlucht-attracties (bouwwerken zoals het reuzenrad, de achtbaan en de helikopterbaan), de speeltoestellen, de hoofdgebouwen, horecagelegenheden en het verharde parkeerterrein aan de Amersfoortseweg. De picknick-locatie achter op het terrein valt binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark'.

In de volgende sub-paragrafen wordt nader ingegaan op de bestaande situatie, de aanwezige bebouwing en de wijze van meten.

5.3.1.1 Bestaande situatie

Aanwezige bebouwing
Op het terrein is veel bebouwing aanwezig. Uit onderstaande afbeelding wordt duidelijk dat het merendeel van de bebouwing zich concentreert rondom de uitkijktoren en de entree aan de zijde van de Amersfoortseweg. De oppervlaktematen staan in de navolgende afbeelding weergegeven; de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen (en overkappingen) bedraagt bijna 4.400 m² (te weten 4.368 m²). De hoogte van de verschillende gebouwen varieert. Een belangrijke reden zijn de hoogteverschillen in het maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0042.png"  

Afbeelding – Overzicht aanwezige bebouwing (incl oppervlaktematen)

De verschillende (openlucht) attracties zijn verspreid over het pretpark. Ook hier varieert de bouwhoogte. De overwegende maximale hoogte wordt geschat op maximaal 15 m. De hoogte van de draaimolen wordt geschat op ongeveer 23 m.

Geaccidenteerd maaiveld
Het terrein van het pretpark, op de helling van de stuwwal, is zeer heuvelachtig. In navolgende afbeelding is voor verschillende locaties het hoogteprofiel ten opzichte van NAP aangeduid. De hoogteverschillen op het terrein lopen op tot wel 4 m. Ter hoogte van de Koningin Julianatoren is de hoogte vastgesteld op 53,2 m +NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0043.png"  

Afbeelding - Hoogteprofielen

5.3.1.2 Het nieuwe bestemmingsplan

Het Familiepretpark Koningin Juliana Toren wordt voor wat betreft het attractiegedeelte (tot en met het picknickbos) in dit bestemmingsplan ingepast binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark' en daarmee in overeenstemming gebracht met het huidige gebruik. Binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark' worden de gronden bestemd voor:

  • familiepretpark met:
    - ondersteunende horeca;
    - ondersteunende detailhandel;
    - ondersteunende kantoren;
  • speelplaatsen;
  • parkeerterrein (ter plaatse van de aanduiding 'parkeren');
  • bos- en natuurgebied en extensieve recreatie (ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - overgangszone');
  • groenvoorzieningen;

met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

Het picknickbos van het familiepretpark valt binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark' met de aanduiding 'overige zone - overgangsgebied'. Hier is geen bebouwing met gebouwen toegestaan en onder voorwaarden verharding.
Voor het parkeerterrein (P1) aan de Amersfoortseweg wordt in het bestemmingsplan een 'knip' gemaakt:

  • het verharde deel van het parkeerterrein valt binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning - Pretpark' met de aanduiding 'parkeerterrein (p)';
  • het onverharde deel van parkeerterrein (onder de bomen) is bestemd als 'Natuur'. Binnen deze natuurbestemming is het 'parkeerterrein (p)' eveneens aangeduid.

Eenzelfde 'knip' wordt ook gemaakt voor het parkeerterrein (P2) aan de J.C. Wilslaan:

  • het terrein dat na de brand en sloop van het motel in gebruik is genomen als parkeerterrein valt binnen de bestemming 'Verkeer - Parkeerterrein' met de aanduiding 'parkeren (p)';
  • het onverharde deel van parkeerterrein (onder de bomen) is ook hier bestemd als 'Natuur'. Binnen deze natuurbestemming is het 'parkeerterrein (p)' eveneens aangeduid.
afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0044.jpg"  

Afbeelding – Bestemmingen 'Cultuur en ontspanning - Pretpark' en 'Natuur'

In het bestemmingsplan wordt een flexibele regeling opgenomen waarbinnen aan vernieuwing en aanpassing van het pretpark meegewerkt kan worden zonder dat dit leidt tot een toename van bezoekersaantallen.

Bebouwingsregeling

Het nieuwe bestemmingsplan biedt mogelijkheden om op bepaalde locaties op het terrein van het pretpark nieuwe bebouwing of vervanging te realiseren. Er is daarvoor een regeling opgesteld in overeenstemming met de vier zones, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3 'Bebouwingsstructuur voor het park - vertaling in bestemmingsplan'. Daarbij is rekening gehouden met de impact van de bebouwing op de omgeving, maar ook met de wensen en mogelijkheden van het pretpark.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0045.png"  

Afbeelding – Vertaling van bebouwingsmogelijkheden naar juridische verbeelding (met genummerde deelgebieden)

Hieronder zijn de vier zones beschreven:

  • Zone 1: Bestaande bebouwing op het voorterrein langs de Amersfoortseweg
    De groene entree van de stad is de belangrijkste kwaliteit om te waarborgen voor de toekomst. De cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het gebied moeten niet door nieuwe bebouwing bedreigd worden.
    In het bestemmingsplan wordt daarom geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt anders dan de bestaande bebouwing. De gebouwen op het voorterrein worden in het bestemmingsplan beperkt tot het bestaande bouwvlak met de bestaande bouwhoogte. Op het voorterrein zijn buiten de bouwvlakken wel attracties toegestaan (i.c. bouwwerken geen gebouwen zijnde).
    De bestaande bebouwing en overkappingen op het voorterrein hebben strakke bouwvlakken gekregen, met bijbehorende bouwmaten. De individuele bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. Op deze wijze blijft de uitkijktoren, als grootste uithangbord en icoon van het pretpark, goed zichtbaar. De toren dient als markering dat de stad Apeldoorn genaderd wordt.
  • Zone 2: Ruime bouwmogelijkheden bij bestaande bebouwingsconcentratie
    Achter het voorterrein, in aansluiting op de bestaande bebouwingsconcentratie, worden ruime bouwmogelijkheden geboden voor overdekte attracties. Er kan in deze zone 100% worden gebouwd, tot een hoogte van 9 m. Door de stevige bosbeplanting rondom het Familiepretpark Koningin Juliana Toren blijft de ruimtelijke impact van de bebouwing beperkt.
    Uitgangspunt is dat de daken van de diverse overdekte attracties onderling verbonden kunnen worden en begaanbaar worden voor bezoekers. Op het dak van de verschillende gebouwen worden speeltoestellen mogelijk gemaakt. De hoogte van het dak wordt dus afgestemd op de bestaande dakhoogte van de aanpalende bebouwing. Dit betekent dat de hoogte niet vanaf het lokale maaiveld wordt gemeten, maar ten opzichte van een vast punt voor heel zone 2, zodat de daklijn overal op dezelfde (absolute) hoogte is gelegen.
    Doordat het terrein in deze zone afloopt kan er dus vanaf maaiveld gerekend in feite hoger (dieper) worden gebouwd, dan het aantal meters dat in de verbeelding is aangegeven (zie verder 'definiëring peilen').
  • Zone 3: Minder bebouwingsmogelijkheden richting het bos
    Verder naar achteren en naar de westkant in het park wordt ook de mogelijkheid geboden bebouwing toe te voegen. Dit kan echter niet voor 100%, zoals in zone 2, maar voor maximaal 25%. Het gaat in deze zone om kleinschaliger bebouwing ten behoeve van speeltoestellen, attracties en/of horecapunten. De maximale bouwhoogte (6 m) is lager dan in zone 2.
    In deze zone wordt, in tegenstelling tot zone 2, gemeten vanaf het aansluitende maaiveld, met andere woorden de bebouwing gaat met het aflopende maaiveld mee naar beneden.
  • Zone 4: Afbakening grens tussen pretpark en bos
    Op de achtergrens van het pretpark loopt het verharde park over in het onverharde wandelbos. Het bestaande picknickbos vormt de grens tussen het pretpark en het aansluitende bos. Hier wordt in het bestemmingsplan alleen speeltoestellen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals hekwerken toegestaan. Op deze manier is de overgang naar het aangelegen bos helder en strikt is. Het gebruik als picknickbos wordt wel toegestaan. Het wandelbos valt buiten dit bestemmingsplan.

Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Onder 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde' worden onder andere de openlucht-attracties en speeltoestellen verstaan, maar ook meubilair, vlaggenmasten en terreinafscheidingen. De oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is niet gemaximeerd in een bebouwingspercentage.

In zone 2 en 3 is de hoogte gemaximeerd tot 15 m, met vier hoogte-accenten van 23 m. Dit is op dit moment het reuzenrad. Middels een afwijking zijn er meerdere accenten mogelijk, wanneer dat, vanwege het geaccidenteerde terrein (dat om sommige plekken meters lager ligt dan op andere plekken) landschappelijk inpasbaar is. Dit is een afweging met als criterium de zichtbaarheid en de hoogteverhouding tot de omringende boomkruinen. Het uitgangspunt is dat er geen significante aantasting ontstaat van het bosbeeld.
Op het dak van de overdekte attracties in zone 2 kunnen speeltoestellen worden gerealiseerd (specifieke bouwaanduiding - speeltoestellen op het dak). De maximum bouwhoogte van 6 m wordt gemeten vanaf de bovenzijde van het betreffende dak.

In zone 1 zijn attractietoestellen toegestaan; in zone 4 zijn uitsluitend speeltoestellen toegestaan. Wat onder attractietoestellen wordt verstaan en wat onder speeltoestellen is in de begripsbepalingen van de planregels omschreven.

Op het verharde deel van de parkeerplaats (P1) zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot maximaal 3 m. Voor terreinafscheidingen en meubilair zijn aparte hoogtematen opgenomen in de planregels.

Definiëring peilen
De hoogte van gebouwen en bouwwerken worden gemeten vanaf peil. Om in het bestemmingsplan een hoogtemaat te kunnen vastleggen moet eerst helder worden gedefinieerd vanaf welk peil gemeten wordt. In de begripsomschrijving is een definitie opgenomen van het begrip 'peil'. Het peil wordt normaal gesproken gemeten vanaf het, aan het bouwwerk, aansluitende maaiveld.

In dit plan wordt voor een gedeelte van het terrein (zone 2) gemeten vanaf een vast (gefixeerd) peil. Voor de bestaande en voor nieuwe gebouwen die geconcentreerd worden rondom de Uitkijktoren (deelgebied 2) geldt als uitgangspunt dat de daken onderling met elkaar verbonden moeten kunnen worden.
Ter hoogte van deelgebied 2 is sprake van een sterk aflopen maaiveld (bijna 4 m). Door te werken met een vast peil is het mogelijk het dak-niveau continue te maken terwijl het maaiveld, af- of oploopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0046.jpg"  

Afbeelding – Schematisch overzicht van het maaiveldverloop ter hoogte van deelgebied 2

Het vaste (gefixeerde) peil wordt op de afbeelding aangegeven met de aanduiding 'maximum hoogteligging vlak (m)'. Ter plaatse van deze aanduiding wordt de bouwhoogte van gebouwen gemeten vanaf de in dat vlak aangegeven hoogte boven NAP.
Het gekozen (gefixeerde) peil komt overeen met de hoogte van het maaiveld op het voorterrein ter hoogte van het voorplein voor de uitkijktoren. Uit opmeting blijkt dat het gefixeerde peil is vastgesteld op 53,2 m + NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0047.png"  

Afbeelding – peil wordt gefixeerd op 'maximum hoogteligging vlak (m)'

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0048.png"  

Afbeelding – ligging van de aanduiding 'maximum hoogteligging vlak (m)'

In de andere zones (zone 1, 3 en 4) wordt de bouwhoogte, zoals gebruikelijk, vanaf het aansluitende maaiveld gerekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0049.jpg"  

Afbeelding – peil gemeten vanaf aansluitende maaiveldhoogte

5.3.2 Natuur

Het onverharde parkeerterrein (P1) onder de bomen aan de Amersfoortseweg alsmede een groot deel van de gronden aan de J.C. Wilslaan zijn bestemd als 'Natuur'. Op deze manier wordt op een logische wijze aangesloten op de natuurbestemming uit het omringende bestemmingsplan 'Park Berg en Bos en omgeving'.

De onverharde parkeerterreinen onder de bomen aan de Amersfoortseweg (P1) en aan de J.C. Wilslaan (P2) zijn op de verbeelding specifiek aangeduid. Ter plaatse mag niet worden gebouwd. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of het verrichten van werkzaamheden, zoals het aanbrengen van verharding of egaliseren, is een aanlegvergunning nodig.

5.3.3 Verkeer - Parkeerterrein

Het verharde parkeerterrein (P2) aan de J.C. Wilslaan is bestemd als 'Verkeer - Parkeerterrein'. Op het terrein is een bouwvlak aangegeven. Binnen dit bouwvlak is een gebouw mogelijk ten behoeve van kassa's, toiletruimtes, wachtruimtes en een kleine kiosk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0050.jpg"  

Afbeelding – Bestemmingen 'Verkeer - Parkeerterrein' en 'Natuur'

Daarnaast is het mogelijk een opslagruimte te realiseren ten behoeve van het noodzakelijke onderhoud. Buiten het bouwvlak is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkapping' opgenomen. Binnen deze aanduiding zijn naast andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ook overkappingen toegestaan.

5.4 Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1183-ont1_0051.jpg"  

Afbeelding - gebruikte dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen

5.4.1 Waarde - Archeologie hoog en Waarde - Archeologie middelhoog

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als gebied met hoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie hoog gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als gebied met middelhoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie middelhoog gekregen.
Voor beide bestemmingen geldt dat bij het indienen van een bouwaanvraag voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (hoog) respectievelijk 100 m2 (middelhoog) tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Als uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren. Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden geldt in beide bestemmingen een omgevingsvergunning vereiste voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.4.2 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Het gehele plangebied ligt binnen het grondwaterbeschermingsgebied. In de planregels zijn bepalingen opgenomen gericht op de bescherming van de grondwaterkwaliteit in de vorm van bijzondere bebouwings-, gebruiks- en/of verbodsbepalingen en een omgevingsvergunningenplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden (artikel 11).

5.4.3 Overige zone - overgangsgebied

In het picknickbos zijn geen gebouwen en attracties toegestaan, wel speeltoestellen en onder voorwaarden verharding.

5.5 Algemene regels en overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) zijn regels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 9 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. In lid 9.1 is onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 10 staan de algemene gebruiksregels. In lid 10.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. Onderdeel g hiervan verdient bespreking. De archeologische beleidskaart geeft voor het gehele grondgebied van Apeldoorn aan hoe hoog de trefkans op archeologische resten per gebied is. Gebieden met een hoge trefkans hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie hoog gekregen, gebieden waar die trefkans middelhoog is hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie middelhoog gekregen. De overige gebieden, waar de trefkans op archeologische resten laag is, hebben geen dubbelbestemming gekregen. Daarvoor geldt onderdeel h van de Algemene gebruiksregels. Daarin is bepaald dat het verstoren van archeologische waarden in die gebieden door het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden over een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 en dieper dan 0,50 meter onder maaiveld in strijd is met de bestemming, tenzij uit archeologisch onderzoek is gebleken dat die waarden niet onevenredig worden verstoord. Indien de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bij voorbeeld eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren. In lid 10.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

In artikel 14 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Artikel 15 ten slotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

6.1 Inspraak en vooroverleg

Het voorontwerp van bestemmingsplan 'Koningin Juliana Toren en parkeerterrein' zal conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor vooroverleg worden gezonden naar de betreffende instanties. Daarnaast zal het voorontwerp overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage worden gelegd, waarbij de mogelijkheid wordt geboden om inspraakreacties in te dienen.

In aanloop van het opstellen van het voorontwerpbestemmingsplan is overleg gevoerd met de provincie, Gelderse Milieufederatie, Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn (SWMA) en de wijkraad Berg en Bos.
Vanzelfsprekend is ook de Familiepretpark Koningin Juliana Toren nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van dit plan.

Na inspraak en vooroverleg zal het plan de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. De resultaten van deze procedures zullen te zijner tijd in deze toelichting worden vermeld

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is een beheergericht bestemmingsplan, waarin bestaande situatie en geldend recht zoveel als mogelijk zijn overgenomen. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen in opgenomen.
In paragraaf 4.4.2 en 4.4.3 is aangegeven dat het picknickbos een ondergeschikte uitbreiding is binnen bestaand bos. Via een af te sluiten anterieure overeenkomst (financiële compensatie) neemt de gemeente de compensatieplicht van het Familiepretpark Koningin Juliana Toren over en zal deze uitvoeren binnen de Groene Mal van Apeldoorn.

Het bestemmingsplan heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. Er is geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro waarvoor de kosten van grondexploitatie te verhalen zijn. Het is daarom ook niet nodig een exploitatieplan vast te stellen.