direct naar inhoud van 3.1 Historie
Plan: De Parken, Indische Buurt en Beekpark
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1131-ont1

3.1 Historie

De Stad Apeldoorn

In de 13e en 14e eeuw was Apeldoorn al een kerkdorp. De Veluwe werd in de Middeleeuwen doorsneden door handelsroutes, waarbij Apeldoorn als vergaderplaats heeft gefungeerd vanwege de centrale ligging. Apeldoorn ligt op de oostflank van een stuwwal, op de grens van hoog en laag/droog en nat. Deze situatie was ideaal voor de ontwikkeling van een landbouwcultuur met een goede watervoorziening. Op grond van de ligging kon Apeldoorn worden gerangschikt onder de zogenaamde flankesdorpen. De boerderijen waren dicht bij elkaar rondom een brink gebouwd met daaromheen het bouwland.

Vanaf 1590 is een sprengenstelsel aangelegd ten behoeve van onder andere de papierfabricage. De stedelijke ontwikkeling werd rond 1810 aangezet. Deze ontwikkeling kwam tot stand door het initiatief van koning Willem I om Het Loo als residentiële buitenplaats te kiezen. In 1840 werd door de opkomende nijverheid en industrialisatie in Apeldoorn het sprengenstelsel verbeterd. Rond 1850 kenmerkte Apeldoorn zich door lintbebouwing in noord-zuidrichting langs de Dorpsstraat (de huidige Hoofdstraat). In het noorden leidde dit lint naar één van de assen van paleis Het Loo, in het zuiden kreeg dit lint een vervolg in de weg naar Arnhem.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1131-ont1_0010.jpg"

Apeldoorn rond 1850

De Parken

De villawijk De Parken werd aangelegd in het gebied tussen het oude dorp Apeldoorn en het in opdracht van stadhouder-koning Willem III (1650-1702) gebouwde paleis Het Loo. Het villagebied De Parken vindt zijn oorsprong in 1874 toen de welgestelde steenfabrikant H.C. van der Houven van Oordt (1837-1901) het tussen Het Loo en Apeldoorn gelegen landgoed De Pasch aankocht, om er een wandelpark met villabebouwing te ontwikkelen. Na het Oranjepark zijn later nog twee parken aangelegd; het Wilhelminapark (ca 1890) en het Prinsenpark (1909).

De ontwikkeling van het beschermd stadsgezicht De Parken moet gezien worden in het kader van de sterke toename van het aantal welgestelden dat in de loop van de 19de eeuw een woonplaats zocht buiten de dichtbevolkte, grauwe stadskernen. Vóór de aanleg van de villawijk De Parken behoorde het grootste deel van het gebied bij het landgoed De Pasch en het uit de eerste helft van de 19de eeuw daterende landgoed De Vlijt, later omgedoopt in Maria's Lust of Marialust. Behalve uit de huizen en de daaromheen gelegen tuinen bestonden de landgoederen uit akkers, weiden en beboste percelen. De villawijk werd aangelegd binnen het kader van een aantal bestaande doorgaande en locale wegen, waarbij elementen en structuren van de oude landgoederen (Marialust/De Vlijt, De Pasch) in het plan werden geïntegreerd of omgevormd. De belangrijkste van die veel oudere wegen zijn de Deventerstraat (de oude weg van Apeldoorn naar Zutphen en Deventer) en de Loolaan. De Loolaan werd in 1739 als eerste laan van het monumentale assenstelsel vanuit het Loo aangelegd door Willem IV en was gericht op de oude Mariakerk op het Raadhuisplein. Ook de Koninginnelaan en de Loseweg zijn oude structuren. Het merendeel van de bebouwing is tussen 1890 en 1940 gerealiseerd.

In het kielzog van de villawijk ontwikkelde zich noordwestelijk van de wijk, tussen de Loolaan en de Koninginnelaan op de oude Loosche Enk een eenvoudiger woonbuurt. Het bestaande wegenpatroon bleef daarbij gehandhaafd. Nog op de midden 19de-eeuwse kaarten van Apeldoorn zijn deze prestedelijke structuren duidelijk aanwezig: een netwerk van langgerekte, globaal van het zuiden naar het noorden lopende wegen (Loseweg, Piet Joubertstraat, Kweekweg-Korteweg, Koninginnelaan) en enkele dwarsverbindingen, zoals de Langeweg en de Hogeweg). Bovendien zijn nog enkele nieuwe straten toegevoegd aan het bestaande patroon (Tulpenlaan, Julianalaan). Dit gebied dankt haar karakteristieke, dorpse sfeer vooral aan de typische bebouwing; eenvoudige vrijstaande woonhuizen, die in architectonisch opzicht een zekere afspiegeling van de rijkdom en overdaad in De Parken vertonen. Typerend is het domineren van de vrij spitse zadeldaken of mansardedaken met de nokrichting min of meer loodrecht op de straat. Doordat de tuinen klein zijn, de kavels smal en het verkeer in de smalle profielen geen ruimte laat voor bomen, ogen de straten zeker in vergelijking met andere delen van de wijk enigszins stenig.

In de wijk De Parken ligt een tweetal waterlopen: de Grift en de Badhuisspreng. De Grift werd in de 14de eeuw gegraven om het gebied in noordelijke richting af te wateren. Dit kanaal, dat van de 14de eeuw gegraven om het gebied in noordelijke richting af te wateren. Dit kanaal, dat van oudsher een recht beloop had, werd gevoed door beken die vanaf de stuwwal in oostelijke richting stroomden. In 1434 werd langs de Grift, nabij het terrein van de voormalige gemeentewerf, een watermolen gebouwd. Tegen deze papiermolen werd in de 17de eeuw een kopermolen aangebouwd. In het eerste kwart van de 19de eeuw kocht Jan Hendrik Ameshoff de inmiddels tot papierfabriek 'De Vlijt' omgevormde molen. Op het gelijknamige landgoed liet hij een landhuis bouwen, dat later de naam 'Marialust' kreeg. Hoewel de inrichting omstreeks 1950 sterk is gewijzigd, onder meer door het vergraven van de Grift en de aanleg van nieuwe op de Engelse landschapsstijl geïnspireerde paden, is de historische relatie tussen de waterloop, het verdwenen molencomplex en het landhuis nog herkenbaar in de ruimtelijke structuur. Vanuit cultuurhistorisch perspectief vormt de Grift een belangrijke ruimtelijke drager van de stedenbouwkundige structuur.

De Badhuisspreng is een sprengbeek die ontspringt in de wijk Berg en Bos. In de Franse Tijd werd deze waterloop gegraven, als werkverschaffing en om bluswater naar het centrum van Apeldoorn te voeren. De beek voedde de vijvers die onderdeel uitmaakten van de tuin van landgoed Marialust, zoals begin 19de eeuw in Engelse landschapsstijl aangelegd. De huidige vijvers in het Wilhelminapark vormen hiervan een restant. Ook de vijvers van het Prinsenpark zijn aangelegd langs het tracé van een inmiddels ver-dwenen sprengbeek. Het gedeelte van de Badhuisspreng dat het beloop van de Mees-ter van Rhemenslaan volgt, is in de tweede helft van de vorige eeuw overkluisd en derhalve thans niet zichtbaar.

Indische Buurt

De ontwikkeling van de Indische Buurt vond vooral plaats op het oude akkerland van de zogenoemde Nieuwe Enk. De Nieuwe Enk is in gebruik genomen toen er meer landbouwgrond nodig was. Het gebied ten noorden van de tegenwoordige Sprengenweg werd toen ontgonnen. Geleidelijk ontstond een strokenverkaveling, die zich uitstrekte vanaf ongeveer de Loolaan tot de Schuttersweg en vanaf de Sprengenweg tot aan ongeveer de Heuvellaan. Na het midden van de 19de eeuw kwamen de enkgronden vrij voor woningbouw. Zo ontstond de Indische Buurt, die in het begin van de 20ste eeuw werd volgebouwd. Bij de aanleg is voor een groot deel uitgegaan van reeds bestaande wegen en verkavelingsstructuren. Parallel aan de bestaande Badhuisweg kwamen enkele nieuwe straten te liggen, waaronder de Gardenierslaan, de Billitonlaan en de in het deelgebied liggende Hoogakkerlaan.

Op de hoek van de Sprengenweg en de Koning Lodewijklaan is in 1886 een gemeentelijk ziekenhuis geopend, het latere Julianaziekenhuis. Inmiddels is het ziekenhuis gesloopt. In de rand van de tuinaanleg is een deel van het tracé van de Badhuisspreng opgenomen. De Badhuisspreng is een spreng die oorspronkelijk het badhuis voedde. Dit badhuis stond op de hoek Sprengenweg en de voormalige Badhuisweg (nu Beekpark genoemd).

Beekpark

In Beekpark concentreerde de bebouwing zich lange tijd langs de Dorpsstraat en de Asselsestraat, de oude uitvalsweg naar het westen. Behalve lintbebouwing was er enige verspreid liggende bebouwing. Het gebied lag direct langs de oostelijke rand van de Apeldoornse Enk en al vrij snel buiten het dorpscentrum begon hier het buitengebied. Langs de enk ontwikkelden zich diverse bescheiden woonwijkjes met dicht opeen staande kleine middenstandswoningen en arbeidershuizen, onder meer langs de Roggestraat. Bovendien ontstonden er kleine bedrijfspanden en langs de Asselsestraat en de Nieuwstraat kwamen steeds meer winkels.

Het tegenwoordige Caterplein dateert voor het merendeel uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Dit is terug te zien aan diverse karakteristieke winkel- en horecapanden die dateren uit deze tijd. Tenslotte, net als rondom het Caterplein bleef ook langs de Asselsestraat het historische karakter vrij goed intact. Hier is een afwisseling te zien van winkelpanden uit verschillende periodes en enkele tot winkels getransformeerde villaatjes uit omstreeks 1880.

Aan het eind van de 20e eeuw transformeerde het gebied tot een cultuurkwartier door de bouw van een bibliotheek en een Huis voor Schone Kunsten met onder andere een cultuureducatiecentrum en een poppodium. Daarnaast zijn een brandweerkazerne en een politiebureau in het gebied te vinden. Aan het begin van deze eeuw werd het cultuurkwartier aangevuld met een museum/gemeentearchief (CODA), met de transformatie van het bestaande ACEC-gebouw tot bedrijfsverzamelgebouw op het gebied van kunst en cultuur en met een recent geopend bioscoopcomplex.

Aan het eind van de 20e eeuw en begin deze eeuw is er veel woningbouw gerealiseerd in het gebied. De appartementencomplexen aan het Beekpark en de Vosselmanstraat en de woningen aan de Librije en de Roggestraat dateren uit deze periode.