direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Barnewinkel naast 13
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1129-ont1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Ter plaatse van het plangebied, welke kadastraal bekend staat als Apeldoorn, sectie M, nummer 8074 zijn de volgende bodemonderzoek uitgevoerd:

  • Verkennnend bodemonderzoek Barnewinkel 13, Verhoeve Milieu, kenmerk 79575, d.d.14-02-2000 (bijlage 3);
  • Verkennend bodemonderzoek Barnewinkel ong., Verhoeve Milieu, kenmerk 180083, d.d. 20 augustus 2010 (bijlage 4);
  • Aanvulling op de conclusie van het verkennnend bodemonderzoek Barnewinkel ong.Verhoeve Milieu, kenmerk 180083-4373, d.d. 1 februari 2011 (Bijlage 5).

In het inventariserend bodemonderzoek van 2000 is in de bovengrond een lichte verontreiniging van PAK en minerale olie aangetoond. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK en minerale olie. Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel en het is licht verontreinigd met chroom, arseen, zink, koper, naftaleen, tolueen, xlenen en minerale olie.

Het verkennend bodemonderzoek uit augustus 2010 ter plaatse van het toekomstige bouwblok geeft de volgende resultaten. De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd voor de onderzochte stoffen. Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en is licht verontreinigd met barium. Visueel is er geen asbest in de bodem of op het maaiveld aangetroffen.

Omdat voor de matige nikkel verontreiniging in het grondwater geen bron is aan te wijzen en geen risico's (volksgezondheid en verspreiding) zijn, is een nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk voor de bestemmingsplanwijziging en de bouwvergunning.

Er zijn geen bezwaren voor de bestemmingsplan wijziging. De rapporten kunnen ook worden ingediend bij de bouwvergunning mits de rapporten dan niet ouder zijn dan vijf jaar en het bouwblok komt waar het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden in augustus 2010.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Voor de gewenste activiteit dient een (niet gecorrigeerde) milieuzone van 10 meter rondom de inrichtingsgrens aangehouden te worden. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de desbetreffende milieuzones per activiteit:

Milieu categorie   SBI-code ('93/'08)   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
1   74 / 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82   Overige zakelijke dienstverlening:
Kantoren  
0   0   10
-1 stap* 0.  
0  
* gecorrigeerd naar omgevingstype gemengd gebied.  

Aan de afstand van 10 meter tot milieugevoelige functies wordt voldaan.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen.

Dit bestemmingsplan heeft de betrekking op de realisatie van een kantoor. Een kantoorgebouw is geen geluidgevoelig object, maar op basis van jurisprudentie is inzicht in het akoestische klimaat wenselijk. Verder is de geluidsbelasting vanwege de nieuwe ontsluiting van het kantoor getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder.

Onderzoeksresultaten

In de rapportage d.d. 31-8-2010, opgesteld door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., is ten behoeve van het bestemmingsplan De Voorwaarts de geluidsbelasting van, onder andere, de nieuwe ontsluitingsweg van het gebied De Barnewinkel onderzocht (rapport V.2010.0507.00.R002, bijlage 6). Hierbij is rekening gehouden met het verkeer van een carpoolplaats, een transferium en eventuele toekomstige ontwikkelingen aansluitend aan het transferium. Uit de berekende geluidscontouren van deze nieuwe weg (zonder rekening te houden met de afscherming van het kantoorpand) blijkt dat de geluidsbelasting op de omliggende woningen in Groot Zonnehoeve ruimschoots beneden de voorkeurswaarde blijft. Het kantoor heeft voor enkele woningen in Groot Zonnehoeve een afschermende werking voor het geluid van met name de rijksweg A50.

Het kantoor is geprojecteerd binnen de geluidzone van de Zutphensestraat, rijksweg A50 en ook de nieuwe ontsluitingsweg (welke slechts deels geluidgezoneerd is) is van invloed op het kantoor. De geluidsbelasting op het nieuwe kantoor ten gevolge van de nieuwe weg, Zutphensestraat en de Rijksweg A50 bedraagt tussen 48 dB en 60 dB in de dagperiode (maatgevende periode voor kantoren). Ook zonder zeer ingrijpende gevelmaatregelen is een voor kantoren aanvaardbaar binnenniveau haalbaar. Bij de bouwvergunningaanvraag moet dit met een berekening worden aangetoond.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de Regeling "niet in betekenende mate bijdragen" zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

In de rapportage d.d. 31-8-2010, opgesteld door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., is ten behoeve van het bestemmingsplan De Voorwaarts de luchtkwaliteit onderzocht (rapport V.2010.0507.00.R001, bijlage 7). Hierbij zijn alle relevante ontwikkelingen in en rond het plangebied van De Voorwaarts integraal meegenomen. Wat betreft de Barnewinkel is rekening gehouden met het verkeer van een carpoolplaats, een transferium en eventuele toekomstige ontwikkelingen aansluitend aan het transferium. Op geen enkele locatie en in geen enkel toetsjaar in of in de nabijheid van het plangebied van De Voorwaarts of de Barnewinkel komen overschrijdingen van de grenswaarden voor. De kantoorontwikkeling valt bovendien onder een van de situaties zoals vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen” van de Wet milieubeheer en heeft zodoende een beperkt effect op de luchtkwaliteit.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteren het Bevi en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van het RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1, K2 en K3 vloeistoffen'. Er wordt gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen. De minister van VROM heeft geadviseerd om ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen al uit te gaan van het nieuwe toetsingskader van deze AMvB, in plaats van de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen'.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten

Bevi

In de directe omgeving van het plangebied zijn voor zover bekend geen bedrijven gelegen waarop het BEVI van toepassing is.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de directe omgeving van de planlocatie vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen over de Zutphensestraat en de rijksweg A50. Een reguliere spoorlijn waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden is niet in de directe omgeving van de planlocatie gelegen.

Op circa 330 meter van de planlocatie is de rijksweg A50 (autosnelweg) gelegen. De PR 10-6-contour op basis van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is niet aanwezig. Het gedeelte van de rijksweg A50 (autosnelweg) langs de planlocatie Barnewinkel wordt in het toekomstige beleid (Basisnet) waarschijnlijk aangemerkt als een route zonder veiligheidszone. Dit houdt in dat er geen PR-10-6-contour aanwezig is. De planlocatie is ook buiten het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter gelegen. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 200 meter. Het kantoor is buiten dit invloedsgebied gelegen.

De planlocatie is (gedeeltelijk) gelegen binnen het invloedsgebied van de Zutphensestraat. Over de Zutphensestraat vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats van met name LPG. Gelet op de bevindingen in de uitvoeringsnotitie verantwoording groepsrisico Apeldoorn, d.d. december 2009 geeft de hoeveelheid transport gevaarlijke stoffen in combinatie met het gewenste kantoor geen aanleiding om het groepsrisico nader te verantwoorden.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Binnen het plangebied ligt een aardgastransportleiding met een druk van 40 bar en een diameter van 12 inch. Gelet op de uitkomst van de QRA (zie advies Projectbureau externe veiligheid in bijlage 8) veroorzaakt de gewenste activiteit geen overschrijding van plaatsgebonden risico en het groepsrisico en is dus mogelijk.

Uit de berekening wordt het volgende geconcludeerd:

  • de contour voor het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar van de aardgastransportleiding is gelegen op de aardgastransportleiding;
  • het groepsrisico blijft onder 0,01 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wanneer het gebouw wordt geplaatst conform huidig bouwplan;
  • het groepsrisico blijft onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wanneer het gebouw tot op 5 meter afstand van de transportleiding wordt geplaatst.

Het kantoorgebouw wordt op een grotere afstand dan 5 meter van de buisleiding gebouwd, externe veiligheid is dus geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Belemmerde Strook

Los van de bebouwingsafstand en de PR 10-6-contour geldt voor de leiding een Belemmerde Strook (BS) van 4 meter aan weerszijden van de leiding.

Ter waarborging van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leiding(en), zijn onderstaande activiteiten in de BS niet toegestaan zonder voorafgaand overleg en schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder.

  • het oprichten van enig bouwwerk
  • het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting.
  • het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • het verrichten van grondroeractiviteiten (b.v. het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk; diepploegen;
  • het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • het indrijven van voorwerpen in de bodem.
5.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

Hoogspanningslijnen

Op 225 meter van het kantoor is een hoogspanningslijn aanwezig. De indicatieve zone bedraagt 80 aan weeszijden van de lijn. De berekende specifieke zone bedraagt 97 meter aan de westkant en 99 meter aan de oostkant van de lijn. Het gewenste kantoor ligt buiten deze zones. De aanwezigheid van de hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor de realisatie van een kantoor.

Zendmasten

De planlocatie is voor zover bekend niet gelegen binnen de veiligheidscontour van een zendmast.

5.1.8 Windmolens

Ten oosten van het plangebied worden op het bedrijventerrein Ecofactorij vijf windmolens gerealiseerd. Momenteel loopt de milieuvergunningprocedure. Het betreft een 5-tal Vestas V90 windmolens met een rotordiameter van 90 meter met drie rotorbladen. Op het breedste punt zijn de rotorbladen 3,5 meter breed. Voor de windmolens zijn in het kader van de Wm-vergunning- en bestemmingsplanprocedure geluid- en slagschaduwonderzoeken verricht.

Geluid

Het kantoor ligt in het gebied tussen de 48 en 53 dB-contour van het windmolenpark. Hiermee is de geluidsbelasting van het windmolenpark verwaarloosbaar ten opzichte van de geluidsbelasting van het wegverkeer. Daarnaast is het kantoor een beperkt geluidsgevoelig object en daarmee vormt het windmolenpark geen belemmering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1129-ont1_0008.jpg"

Figuur 8: ligging 48 en 53 dB (A)-contour

Slagschaduw

Schaduweffecten van een draaiende windturbine kunnen hinder veroorzaken bij mensen. De flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. In het slagschaduwonderzoek is een norm van 6 uur per jaar gehanteerd waarbij hinderlijke schaduw mag optreden bij gevoelige objecten. Het kantoor ligt buiten de contour van deze norm. Daarnaast vormen de gewenste activiteiten geen slagschaduwgevoelige objecten. Het toekomstige windmolenpark vormt geen belemmering en de slagschaduw is naar verwachting dus niet waarneembaar.