direct naar inhoud van 5.4 Natuurwaarden
Plan: Dorp Hoenderloo
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1128-ont1

5.4 Natuurwaarden

5.4.1 Algemeen

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via enerzijds de gebiedsbescherming en anderzijds de soortenbescherming. De gebiedsbescherming is geregeld door de aanwijzing van Natura 2000 gebieden (geregeld in de Natuurbeschermingswet) en anderzijds de onderbrenging van de gebieden onder der Ecologische Hoofdstructuur (EHS), voortvloeiend uit de Wro en vastgelegd door de provincie. Soortenbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet. Bij bestemmingswijzigingen die ten kosten zouden gaan van natuurwaarden kunnen salderings-, herbegrenzing- of compensatieregelingen aan de orde zijn.

De soortbescherming is overal van toepassing; de gebiedsbescherming is beperkt tot die gebieden waaraan de status van Natura-2000 of EHS is gekoppeld. Delen van het plangebied vallen binnen het beschermde gebied Natura 2000 Veluwe. De dorpskern en de Achterkrim vallen er buiten, maar de terreinen rond de Hoenderloo Groep Apeldoorn/Miggelenberg en het meest oostelijk deel van de Achterkrim maken deel uit van Natura 2000. De delen die als Natura 2000 beschermd zijn vallen overwegend ook binnen de Ecologische Hoofdstructuur – categorie Natuur. De flanken van het dorp en de gehele Krim zijn aangemerkt als Ecologische Hoofdstructuur –categorie Verweving.

Voor het gebied is een recent ecologisch onderzoek beschikbaar, opgesteld mede ter onderbouwing van de mogelijke opstelling van een structuurvisie voor het dorp: “Ecologische Verkenning Structuurvisie Hoenderloo” (Altenburg en Wymenga, 2012). Daarin is verkend welke waarden er vanuit de gebiedsbescherming (Natura 2000 en EHS) alsook soortenbescherming (Flora en Faunawet) van belang zijn. Dit onderzoek levert goede inzichten voor het onderhavige bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. In principe zijn er in dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen opgenomen die er toe leiden dat er effecten kunnen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden of soorten. Voor het onderdeel van de Hoenderloo Groep zijn er aanpassingen in de bestemmingen doorgevoerd om er voor te zorgen dat mogelijke effecten worden voorkomen.

Afbeelding: Ligging Natura 2000 en habittattype 9120 in plangebied en locaties aangewezen soorten.


Binnen het plangebied is een deel aangegeven als habitattype 9201 Beukenbossen met Hulst. Dit type komt in het westelijk deel van het plangebied voor, aan de oostzijde van de Apeldoornse weg, deel uitmakend van de terreinen van de Hoenderloo Groep. Naast habitattypen zijn ook de habitat/vogelrichtlijnsoorten van belang: habitatsoorten (w.o. vliegend hert) zijn in het plangebied niet aangetroffen; de vogelrichtlijnsoorten wespendief en zwarte specht komen in de omgeving voor, maar nestplaatsen binnen het plangebied komen niet voor.


Met betrekking tot de EHS zijn vooral de omvang en kwaliteit van de landschapselementen, bospercelen, boomwallen, besloten graslanden, stille en donkere gebieden van belang en daarnaast ook het belang van die EHS voor soorten die beschermd worden door de Flora en faunawet (zie onder soortbescherming).


Als de belangrijkste waarden van het EHS-gebied zijn dan de bijzondere broedvogelpopulatie en het gebruik van het (kleinschalige) landschap door de das en door vleermuizen bepalend.

Ecologische Hoofdstructuur

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven ligt Hoenderloo in de provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Binnen de EHS wordt onderscheid gemaakt tussen natuur, verweving en verbindingszones. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt wordt het dorp omringd door EHS natuur.

Binnen de EHS geldt het nee-tenzij principe. Bestemmingswijzigingen zijn niet mogelijk als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen redelijke alternatieven zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang.

Afbeelding: Ligging EHS in en rond plangebied

EHS-natuur (donkergroen) en EHS-verweving (lichtgroen)

Uitvoerbaarheid gebiedsbescherming

In het bestemmingsplan zijn de bestaande natuurgebieden en landschapselementen als natuur- of groenvoorziening opgenomen en daarmee beschermd. Ook binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Maatschappelijk' is in de gewenste bescherming via de gebiedsaanduiding 'natuur en landschap' voorzien. Het bestemmingsplan zorgt er dan ook voor dat hier geen ontwikkelingen worden voorzien die tot effecten leiden; het karakter van het gebied en daarmee het functioneren van het gebied als leefgebied voor beschermde soorten blijft voortbestaan. Ontwikkelingen binnen zones rondom verblijfplaatsen (dassenburchten, vaste nestplaatsen) zijn in dit bestemmingsplan niet aan de orde.

5.4.2 Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet (verder: Ffw) is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. De wet kent een algemene zorgplicht, omvat daarnaast een reeks van verbodsbepalingen en heeft een groot aantal soorten (verdeeld over verschillende categorieën) als beschermd aangewezen.


De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Het gevolg is onder andere dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.


Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding van soorten voorkomen worden. Een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen zijn op grond van de Flora- en faunawet verboden. Hiervoor zijn van belang de artikelen 8 t/m 12 Ffw waarin onder andere de vernieling en beschadiging van beschermde planten en het doden, verwonden, vangen, verontrusten en verstoren van diersoorten en hun verblijfplaatsen is verboden.


Op grond van artikel 75 Ffw kunnen ontheffingen van de verboden worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AMvB (het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet) gelden enkele vrijstellingen van het verbod. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing of vrijstelling hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen. Hierbij wordt volgens de wettelijke kaders onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid.


- Algemene soorten

Voor de algemene soorten die zijn genoemd in tabel 1 bij de AMvB geldt de lichtste vorm van bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de artikelen 8 t/m 12 Ffw. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.


- Overige soorten

De overige soorten, genoemd in tabel 2 bij de AMvB, genieten een zwaardere bescherming. Voor deze soorten geldt voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort'.


- Soorten genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn en bijlage 1 AMvB ex artikel 75


Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AMvB ex artikel 75 Ffw geldt de zwaarste bescherming. Het hangt het van de precieze aard van de werkzaamheden en van de betrokken soort(en) af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of dat een ontheffing noodzakelijk is. Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn wordt geen ontheffing verleend bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de soorten van bijlage 1 geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen verstorende werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een ontheffing is verkregen. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:

1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; en
2. er is geen alternatief; en
3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.


Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën. Voor verstoring van vogels en vogelnesten door ruimtelijke ontwikkelingen kan geen ontheffing worden verleend. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, volksgezondheid en openbare veiligheid. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. Voor de overige vogelsoorten geldt dat verstoring van broedende exemplaren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli.

5.4.3 Gebiedsbescherming

5.4.3.1 Natuurbeschermingswet (Natura 2000)

Binnen Natura 2000 zijn de beschermde gebieden vanuit de (Europese) Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn opgenomen. Voor het Natura 2000-gebied de Veluwe is een ontwerp-besluit opgesteld. Binnen het ontwerpbesluit is voor 17 habitattypen, 7 habitatsoorten en 10 vogelsoorten een instandhoudingsdoel opgesteld. Plannen en activiteiten worden vooral op die instandhoudingsdoelen getoetst. Voor het gebied is een Beheerplan in voorbereiding.


Met betrekking tot Natura 2000 is nagegaan welke beschermde habitattypen en -soorten voorkomen binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1128-ont1_0030.png"

Afbeelding: Ligging Natura 2000 en habittattype 9120 in plangebied en locaties aangewezen soorten.


Binnen het plangebied is een deel aangegeven als habitattype 9201 Beukenbossen met Hulst. Dit type komt in het westelijk deel van het plangebied voor, aan de oostzijde van de Apeldoornse weg, deel uitmakend van de terreinen van de Hoenderloo Groep. Naast habitattypen zijn ook de habitat/vogelrichtlijnsoorten van belang: habitatsoorten (w.o. vliegend hert) zijn in het plangebied niet aangetroffen; de vogelrichtlijnsoorten wespendief en zwarte specht komen in de omgeving voor, maar nestplaatsen binnen het plangebied komen niet voor.

5.4.3.2 Ecologische Hoofdstructuur

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven ligt Hoenderloo in de provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Binnen de EHS wordt onderscheid gemaakt tussen natuur, verweving en verbindingszones. Daarnaast geldt binnen de EHS geldt het nee-tenzij principe. Bestemmingswijzigingen zijn niet mogelijk als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen redelijke alternatieven zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang.


De EHS in het streekplan opgenomen en in de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgelegd. Er is een streekplanuitwerking waarin de kernkwaliteiten en omgevingscondities zijn aangegeven. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt wordt het dorp omringd door EHS natuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1128-ont1_0031.png"

Afbeelding: Ligging EHS in en rond plangebied

5.4.4 Uitvoerbaarheid van bestemmingsplan vanuit natuurwaarden en regelgeving

Onderhavig bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe (bouw)ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Voor ingrepen in het landschap geldt een omgevingsvergunningstelsel. Vergunningen worden alleen worden verleend wanner de uitvoerbaarheid, onder andere op het aspect natuur, vaststaat.


Soortbescherming

In het kader van het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die op voorhand getoetst moeten worden op de consequenties voor de soortbescherming. Bestaande bestemmingen worden in het bestemmingsplan overgenomen (of geactualiseerd). Groene bestemmingen worden gehandhaafd. Voor zover (vergunningsplichtige) activiteiten plaatsvinden binnen de bestemmingsaanduidingen zijn ze onderdeel van het omgevingsvergunningstelstel en kan een nadere toetsing op de aspecten van de Ffwet aan de orde zijn.


Met de bos/natuur- en laanbestemmingen is ook het ecologisch functioneren van het gebied voor beschermd soorten zo goed als mogelijk veiliggesteld. Grote bosstructuren en (oude) lanen blijven behouden zodat het leefgebied van waargenomen soorten (o.a. eekhoorn, bosuil, grote bonte specht, bonte vliegenvangers) behouden blijft. Ook voor vleermuizen geldt dat zo het leefgebied beter beschermd is.


Het bestemmingsplan kent geen strijdigheden ten aanzien van de soortbescherming.


Gebiedsbescherming

Ten aanzien van de gebiedsbescherming geldt een afweging die per gebiedsdeel anders is. Daarom worden hieronder de gebiedsdelen het dorp, de Krim en de Hoenderloo Groep afzonderlijk behandeld.


Het dorp

Het dorp valt zowel buiten de Natura-2000 begrenzing alsook buiten de Ecologische Hoofdstructuur. Er worden geen ontwikkelingen in het dorp voorzien die een extern effect zouden kunnen hebben op de Natura-2000 doelen. Van invloed op de EHS is in het geheel geen sprake


De Krim

De Krim valt overwegend buiten de Natura-2000 begrenzing maar maakt wel deel uit van de EHS (verweving). Er zijn geen ontwikkelingen binnen de Krim die een extern effect zouden kunnen hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden. Wat betreft de EHS-verweving geldt een "nee-tenzij" maar ontwikkelingen die daaronder zouden vallen worden niet in dit bestemmingsplan opgenomen.


De Hoenderloo Groep

De Hoenderloo Groep valt voor een groot deel binnen Natura 2000 én binnen de EHS. Voor de Hoenderloo Groep gold een omvangrijk areaal met de bestemming Maatschappelijke Doeleinden (MD) waarbinnen bouwmogelijkheden (10%) golden.


Voor het terrein van de Hoenderloo Groep Apeldoorn was in het (vigerende) bestemmingsplan een bestemming Maatschappelijke Doeleinden opgenomen met een ruime bebouwingsmarge. Van een (volledige) invulling van de bebouwingsmogelijkheden binnen het areaal MD, dat onder Natura en EHS 2000 is gerangschikt, zijn negatieve effecten op de gebieds- en soortbescherming niet uit te sluiten.


Er is daarom voor gekozen om een deel van de MD-bestemming te wijzigen in een bestemming Natuur. Daardoor is te voorkomen dat er aantasting van de instandhoudingsdoeleinden plaatsvindt, in het bijzonder van het als zodanig aangeduide habitattype (H9120). Ook andere bosjes op andere locaties binnen de (oude) MD-bestemming die gelijken op dan wel zich kunnen ontwikkelen tot bostypen als Beukenbos met Hulst zijn veiliggesteld. Daarnaast zijn de laanstructuren binnen het gebied zijn expliciet beschermd zodat ook mogelijke/potentiële verblijfplaatsen van holenbroeders en vleermuizen behouden blijven.


De maatschappelijke bestemming is nu meer geconcentreerd en geclusterd in enkele concentratiegebieden, met name ter plekke van en rondom bestaande erven, tuinen en verhardingen (met verhoogde bebouwingspercentages).


Met betrekking tot de EHS geldt dat bovenstaande bestemmingsverschuiving alleen gunstige effecten heeft. Er zal een uitbreiding van de oppervlakte met de bestemming Natuur onder de EHS plaatsvinden. Een verhoogd bouwpercentage binnen de MD-bestemming heeft geen effect op de EHS.


Concluderend kan worden gesteld dat het bestemmingsplan geen effecten heeft op de Natura-doelen waarbij de bestemmingsverschuiving zelfs zorgt voor een duurzame veiligstelling. Voor de gebiedsbescherming via de EHS geldt eveneens een positief resultaat.