direct naar inhoud van 4.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Binnenstad Zuid-Oost
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1110-von1

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk wordt de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

4.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Binnen de plangrenzen is vanaf 1991 tot heden een grote hoeveelheid aan bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt dat in het onverdachte deel van het plangebied sprake is van een heterogeen licht tot sterk diffuus met zware metalen en PAK verontreinigde laag met een maximale dikte van 1,5 m. Daarnaast is sprake van grond- en grondwaterverontreinigingen als gevolg van (voormalige) bedrijfsactiviteiten. Voorbeelden hiervan zijn de voormalige Nettenfabriek (Spoorstraat 29) en de firma Talens (Sophialaan 46).

Uit de bodemonderzoeken voor de nog niet gerealiseerde locaties en de mogelijke ontwikkelingslokaties blijkt het volgende.

  • Appartementen Sophiaplein 1 t/m 49 en Stationsstraat 2 t/m 14
    Ter plaatse van beide locaties zijn in 2008 (Sophiaplein) en 2007 (Stationstraat) bodemonderzoeken uitgevoerd. De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde bestemmingen. Voor deze locaties gelden geen aanvullende eisen.
  • Gebied tussen Stationsstraat, Stationsplein en Hoofdstraat (Crescent West)
    Ter plaatse en in de omgeving van deze locatie zijn diverse onderzoeken en saneringen uitgevoerd. Ter plaatse van het voormalige perceel Stationsplein 3 is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met VOCL in het grondwater. In 2009 heeft de provincie Gelderland ingestemd met het deelsaneringsplan. De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde bestemming. Voor deze locatie gelden geen aanvullende eisen. Tijdens de realisatiefase dient men rekening te houden met de eis vanuit de Wet bodembescherming dat de grondwaterverontreiniging niet verspreid mag worden.
  • Niet-gerealiseerde bestemming Kantoor tussen Molendwarsstraat en Stationsplein
    Ter plaatse van de niet-gerealiseerde bestemming Kantoor naast de Belastingdienst is een sanering van grond en grondwater uitgevoerd. Deze is in 2004 afgerond. De gegevens zijn verouderd. Bij de gemeente zijn geen gegevens bekend dat er calamiteiten hebben plaatsgevonden op het perceel. Voor het bestemmingsplan is de kwaliteit van de bodem voldoende bepaald. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zal een actualisatieonderzoek uitgevoerd moeten worden volgens het protocol NEN 5740.
  • Plandeel langs Molenstraat-Centrum (tussen Veldhuisstraat en Kanaal Noord) en Kanaal-Noord (ten noorden van Kanaal Noord 23).
    Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat op een aantal percelen sprake is van sterke verontreiniging met zware metalen en PAK in de bovengrond. Ook kan worden geconcludeerd dat de risico's van de saneringskosten beperkt zullen zijn. Deze ontwikkeling is niet opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan. Indien de ontwikkeling later juridisch-planologisch mogelijk gemaakt wordt (al dan niet in het ontwerp bestemmingsplan), zal voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zal een actueel bodemonderzoek, uitgevoerd volgens de dan geldende richtlijnen, moeten worden uitgevoerd.
  • Het perceel Spoorstraat 27/29 heeft in de nu nog geldende Bebouwingsvoorschriften Kern een zodanig ruime bestemming dat er nagenoeg geen beperkingen aan de toegelaten vormen van gebruik zijn gesteld. Daardoor is er een ruim scala aan gebruiksvormen toegestaan. Voorheen was hier de Nettenfabriek gevestigd. Het gebouw wordt nu al voor andere functies gebruikt en dat zal in de toekomst nog meer het geval worden.
    In het verleden zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd op de locatie. Daaruit blijkt dat sprake is van sterke verontreinigingen met minerale olie, VOCL's en aromaten in grond en grondwater. De provincie Gelderland heeft vastgesteld dat de omvang van de verontreiniging in onvoldoende mate is vastgesteld. Er dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden, dat met een melding op grond van artikel 29 Wbb bij de provincie Gelderland ingediend moet worden. Dan kan formeel worden vastgesteld of sprake is van een spoedeisend geval van verontreiniging of niet en welke maatregelen de huidige eigenaar dient te nemen. In 2010 is een binnenluchtonderzoek op de locatie zelf uitgevoerd, om te toetsen of er sprake was van uitdamping van de VOCL's naar de gebruiksruimtes. Dit bleek niet het geval. Indien in het bestemmingsplan functies worden toegestaan waarbij mensen langdurig in het gebouw verblijven, zoals bij wonen en onderwijs, moet opnieuw bepaald worden of er risico's voor de gezondheid optreden. Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd en daarom zijn functies waarbij mensen langdurig in het gebouw verblijven in het voorontwerp van het bestemmingsplan nog niet toegelaten, met uitzondering van het deel van het gebouw waar de Fotovakschool is gevestigd. Het onderzoek moet aantonen of dat in het ontwerp wel in het gehele bestemmingsvlak mogelijk zal zijn.

Voor het overige geldt dat er sprake is van een conserverend bestemmingsplan. Er is dus in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen nader bodemonderzoek vereist.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de (agrarische) geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Het plangebied kan worden gekarakteriseerd als gebied waar veel functiemenging plaatsvindt. Er is sprake van een verhoogd achtergrondniveau door de aanwezigheid van doorgaande wegen, het spoor en diverse grotere bedrijven. Het plangebied wordt doorsneden door de Molenstraat-Centrum en ten oosten van het plangebied ligt de Burgemeester Jhr. Quarles van Uffordlaan. De aanwezigheid van het busstation zorgt voor veel busverkeer in en door het plangebied. Aan de zuidkant van het plangebied ligt het spoortraject Amersfoort-Deventer. Ook bevinden zich verschillende grotere bedrijven in het plangebied. Van oudsher is hier al menging van woon- en werkfuncties aanwezig. Voortzetting daarvan wordt wenselijk geacht.

Vanwege de gebiedstypering gebied met functiemenging is het mogelijk om voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan voor een rustige woonwijk wordt geadviseerd. Gezien het karakter van het gebied en de toekomstige ontwikkeling van het gebied naar een gebied met een menging van functies maar ook een toename van het aantal woningen is er hier voor gekozen alleen voor het milieuaspect geluid een afstandscorrectie toe te passen.

In het bestemmingsplan is dit vertaald door in de vlakken met de bestemmingen Bedrijf en Gemengd bij recht bedrijfstypen toe te laten die vallen onder milieucategorie 1 en 2, waarbij wordt verwezen naar de Lijst van toegelaten bedrijfstypen. In deze Lijst van toegelaten bedrijfstypen zijn alle in de bestemming Bedrijf thuishorende bedrijfstypen van milieucategorie 1 opgenomen. Ook staan er op deze lijst die bedrijfstypen van milieucategorie 2 met uitsluitend voor het aspect geluid een afstand van 30 meter; voor de overige aspecten hebben ze een adviesafstand van 10 meter.

Daar waar een bedrijf in een hogere milieucategorie aanwezig is dat niet naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven in de milieucategorie die op grond van de richtafstand toegelaten kan worden, is met een aanduiding aangegeven dat naast die op grond van de richtafstanden toelaatbare categorie bedrijven ook het aanwezige bedrijfstype is toegelaten. Dit heeft tot gevolg dat het bestaande legaal aanwezige bedrijfstype kan worden voortgezet maar niet kan worden omgezet in een ander bedrijfstype met een hogere milieucategorie dan ter plaatse aanvaardbaar is. De bestaande bedrijvigheid is bij de vergunningverlening getoetst aan de op dat moment geldende milieuwetgeving en derhalve op deze locatie aanvaardbaar.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van diverse wegen en spoorlijnen.

Doorwerking op het plangebied

Het voorontwerpbestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of bedrijventerreinen aangelegd. De mogelijkheid bestaat dat in het ontwerp van het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen. Dat is alleen mogelijk wanneer de uitvoerbaarheid is aangetoond. In dat kader zal dan ook akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de grenswaarden voor de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Apeldoorn al jaren voldaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse monitoringsrapporten over luchtkwaliteit.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • 1. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • 2. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • 3. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen') zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan c.q. het verlenen van een omgevingsvergunning voor een projectafwijking in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.

Doorwerking op het plangebied

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard: het legt de bestaande situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het daarom niet nodig de luchtkwaliteit te onderzoeken. Er wordt immers voldaan aan artikel 5.16 lid b Wm: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.

De mogelijkheid bestaat dat in het ontwerp van het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen. Dat is alleen mogelijk wanneer de uitvoerbaarheid is aangetoond. In dat kader zal dan ook luchtkwaliteitsonderzoek worden uitgevoerd.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteren het Bevi en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, inclusief de wijziging van 15 december 2009, te worden gehanteerd. Daarnaast wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit transportroutes externe veiligheid) die het uitvloeisel worden van het zogeheten Basisnet. Het Besluit transportroutes externe veiligheid zal naar verwachting op 1 juli 2012 in werking treden.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten

Bevi

In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee Bevi-inrichtingen:

  • Shell, Laan van de mensenrechten 555, benzineservicestation met LPG, PR 10-6bedraagt 45 meter;
  • Ter Hoeven BV, Molenmakershoek 28, opslaggebouw, PR 10-6 bedraagt 50 meter.

Het plangebied bevindt zich niet binnen de 10-6-contouren van de beide bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1110-von1_0019.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1110-von1_0020.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1110-von1_0021.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1110-von1_0022.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1110-von1_0023.png"
Figuur 14 Risicokaart Apeldoorn  

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de gemeente Apeldoorn is geen speciale route voor gevaarlijke stoffen aangewezen. Over het spoortraject Amersfoort-Deventer dat grenst aan het zuidelijk deel van het plangebied, vindt transport van gevaarlijke stoffen per spoor plaats. Het invloedsgebied voor het zogenoemde groepsrisico (200 meter) is over dit plangebied gelegen.

Dit bestemmingsplan is een conserverend plan, de eventueel mogelijke ontwikkelingen waren reeds voorzien in het vorige bestemmingsplan of zijn reeds feitelijke situaties. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe ontwikkelingen toe in de nabijheid van de spoorlijn. PM gemeente: externe veiligheidsberekening volgt

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

Onderhavig bestemmingsplan is conserverend van aard, er worden dus geen nieuwe risicobronnen toegevoegd.

4.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van het voormalige ministerie VROM (thans: Infrastructuur en Milieu (I&M)) heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied, Binnenstad Zuid-Oost, bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.1.1 tot en met 4.1.7. De conclusie is dat het kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.