direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Dorpstraat 25 Beekbergen
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1096-onh1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Onderzoeksresultaten bodem

Een verkennend bodemonderzoek d.d. november 2009, opgesteld door BOOT Milieuconsult is opgenomen in Bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting. Hieruit blijkt dat er weliswaar een lichte verontreiniging van de bodem geconstateerd is, deze is dermate gering dat deze geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik als bedrijfspand.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand.

De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Daarnaast bestaat gemengd gebied. De onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Er is onderzoek gedaan naar de feitelijke invloed van de concrete gevestigde en te vestigen milieubelastende functies alsmede naar de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden. De locatie waar de uitbreiding wordt voorzien, bevindt zich aan de achterzijde van de supermarkt. Dit gebied wordt aangemerkt als rustige woonwijk. Dit betekent dat geen correctie kan plaatsvinden. In dit geval is sprake van een milieubelastende functie. Er is alleen sprake van uitwaartse zonering.

Op basis van de eerder genoemde VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geldt voor supermarkten een te hanteren afstand van 10 meter voor wat betreft de aspecten geluid en veiligheid. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op 12 meter van de beoogde uitbreiding. Voor wat betreft dit aspect is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen, een spoorlijn of een industrieterrein. Akoestisch onderzoek op deze onderdelen is niet nodig.

In de nieuwe situatie zal het laden en lossen verplaatst worden naar de oostkant van het gebouw. Door de verplaatsing zou overlast kunnen ontstaan op naastgelegen woningen. Voldaan moet worden aan de relevante bepalingen uit het Activiteitenbesluit. In de rapportage d.d. 22 september 2010, opgesteld door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu BV en opgenomen in Bijlage 3 van de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van het laden en lossen berekend. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd.

Uit het onderzoek is gebleken dat ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus wordt voldaan aan het activiteitenbesluit. Wat betreft de maximale geluidniveau's wordt in eerste instantie in de nachtperiode niet voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. De overschrijding wordt veroorzaakt door een broodwagen die tussen 6.00 en 7.00 uur brood komt leveren Dit als gevolg van de remontluchting van de vrachtauto, het dichtslaan van het portier en het aanleveren van rolcontainers.

Deze overschrijding kan met het treffen van organisatorische maatregelen worden opgelost: de broodwagen kan worden gelost na 7.00 of de broodwagen kan worden gelost aan de achterzijde.

Het equivalente geluidniveau vanwege de verkeersaantrekkende werking bedraagt tijdens de maatgevende bedrijfssituatie op de gevels van naastliggende woningen ten hoogste 52, 47 en 34 dB(A) in respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt de voorkeurswaarde met 2 dB overschreden. Deze geringe overschrijding wordt acceptabel geacht omdat de parkeerbewegingen niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie.

5.1.5 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. Gezien de geringe omvang van het bouwplan kan worden geconcludeerd dat hiervan sprake is. Er is dan ook geen onderzoek uitgevoerd.

5.1.6 Externe veiligheid

Er zijn op het gebied van externe veiligheid geen relevante aspecten te melden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. In Apeldoorn zijn geen speciale routes voor gevaarlijke stoffen aangewezen. In verband met de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over spoorlijnen en wegen, is door Royal Haskoning onderzoek uitgevoerd naar het zogenoemde plaatsgebonden risico en het groepsrisico langs transportroutes in Apeldoorn. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport Veilig langs transportassen d.d. 14 januari 2003. Daaruit blijkt dat het aspect externe veiligheid voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen zowel over de spoorlijn als over de wegen nabij het plangebied geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen.