direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Beekbergen en Lieren
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1090-von1

5.1 Milieuaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.1 Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Nieuwe ontwikkelingen

Ter plaatse van de nieuwe ontwikkelingen zijn, met uitzondering van het coöperatieterrein, geen verontreinigingen bekend (Bodematlas provincie Gelderland). Bij het opstellen van een wijzigingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwbouwlocatie, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

5.1.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van een gebied met functiemenging kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gebied met functiemenging is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het gebied met functiemenging. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kennen de gebieden met functiemenging al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 m voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 m en de richtafstand van 100 m voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 m. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd. De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gebied met functiemenging  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gebied met functiemenging. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar of zelfs aaneengebouwd of in het zelfde pand zijn of kunnen worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- of wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere leefbaarheid en/of levendigheid tot stand te brengen.

Er worden voor dit bestemmingsplan twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gebied met functiemenging'.

Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar hiermee is een 'rustig buitengebied'. Dit geldt feitelijk voor de planmatige uitbreidingen van Beekbergen.

Een 'gebied met functiemenging' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het dorpshart van Beekbergen is een dergelijk gebied waar sprake is van een grote menging van functies. Het gebied aan de Dorpstraat tussen Arnhemseweg en Loenenseweg wordt dan ook aangewezen als gebied met functiemenging in het kader van de milieuzonering. Daarmee ontstaat er meer ruimte voor het naast elkaar bestaan van verschillende functies met een beperkte milieuhinder. Dit doet recht aan de bestaande situatie ter plaatse (zie kaart Milieuzonering). Een lijst met in de dorpen voorkomende bedrijven is toegevoegd in bijlage A.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1090-von1_0026.png"

Kaart Milieuzonering: typologie gebieden.

Nieuwe ontwikkelingen

Bij het opstellen van een wijzigingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwbouwlocatie zal gekeken worden naar de milieuzonering in de omgeving en de invloed daarvan op de nieuwe locatie. Op voorhand liggen er voor de aangewezen locaties geen onoverkomelijke belemmeringen.

5.1.3 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van diverse wegen en een spoorlijn.

Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidszone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidszone, met uitzondering van:

- wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;

- wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 km per uur.

De omvang van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidszone, moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Indien de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is, dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingsgronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Binnen Beekbergen zijn de Arnhemseweg, de Dorpstraat (ten oosten van de kruising met de Loenenseweg) en de Loenenseweg wegen met een geluidszone (200 meter). Lieren kent geen wegen met een geluidszone. Ten noorden van beide dorpen is op enige afstand de rijksweg A1 gelegen. Deze weg heeft een geluidszone van 400 meter.

Spoorweglawaai

Op grond van de Wgh hebben spoorlijnen van rechtswege een geluidszone. De spoorlijn Apeldoorn-Dieren heeft een geluidszone van 100 m aan weerszijden van de baan. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen zo'n geluidszone, moeten terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde woningen (en andere geluidsgevoelige bestemmingen) de grenswaarden uit het Besluit geluidhinder spoorwegen in acht worden genomen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Voor spoorwegen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. De 55 dB(A) lijn ligt globaal op 25 m van de spoorlijn. Indien de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 68 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn hieraan stel, is dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingsgronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Nieuwe ontwikkelingen

Om de uitvoerbaarheid van de nieuwbouwlocaties aan te tonen dient bij de uitwerking van elk van deze locaties een geluidsonderzoek plaats te vinden. Mocht dit gedurende de voorbereiding van dit plan zijn, dan worden de resultaten ervan verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

5.1.4 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van de mens en het milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van verkeer.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.

Nieuwe ontwikkelingen

Dit bestemmingsplan is met name conserverend van aard: het legt de bestaande situatie vast. Voor die gevallen zal de luchtkwaliteit niet verslechteren. Het bestemmingsplan is gedeeltelijk ook ontwikkelend van aard. Bij de ontwikkeling van de nieuwbouwlocaties kan mogelijk wel sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is dan noodzakelijk

5.1.5 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.


Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteert het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. De contour waarbij deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt, geldt hierbij als grens- of richtwaarde.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Er wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Risicosituatie plangebied Beekbergen en Lieren wat betreft bedrijven

LPG-tankstation Assies

Op Dorpstraat 193 te Beekbergen is het LPG-tankstation Assies gevestigd. Dit bedrijf valt onder het Bevi. Het bedrijf is een categoriaal bedrijf, zoals bedoeld in het Bevi, waarvoor vaste afstanden gelden op basis van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het tankstation heeft een vergunning voor een doorzet van 1000 m3 LPG per jaar. Voor nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van een LPG-tankstation gelden ten aanzien van het plaatsgebonden risico (PR) de afstanden uit tabel 1 van bijlage 1 van het Revi. Hieruit blijkt dat bij een LPG-doorzet tot 1000 m3 per jaar rekening gehouden moet worden met een PR 10-6- contour (plaatsgebonden risico) van 45 meter rondom het LPG-vulpunt, 25 meter rondom het middelpunt van de ondergrondse LPG-tank en 15 meter rondom de LPG-afleverzuil. Deze contouren zullen worden opgenomen op de plankaart. Hierbinnen mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden geprojecteerd.

Ten aanzien van de bestaande (beperkt) kwetsbare objecten geldt in het kader van vergunningverlening een toetsingsafstand van 35 meter rondom het vulpunt in plaats van 45 meter. Binnen deze afstand zijn geen gevoelige objecten van derden gelegen.

Ten aanzien van het groepsrisico geldt een invloedsgebied van 150 meter rondom het LPG-vulpunt. In de huidige situatie ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Als binnen dit invloedsgebied van 150 meter nieuwe ontwikkelingen gewenst zijn, dient (de invloed op) het groepsrisico te worden bepaald en te worden verantwoord.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1090-von1_0027.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1090-von1_0028.png"

Figuur links: 45- en 150 meter rondom het LPG-vulpunt; Figuur rechts 15-, 25- en 35-meter rondom resp. LPG-afleverzuil, LPG-tank en LPG-vulpunt

Vuurwerkopslag Tullekensmolenweg 94

Op de Tullekensmolenweg 94 bevindt zich een bouwmarkt/tuincentrum voor klussen, tuin en dier. Tevens is er opslag van vuurwerk toegestaan van meer dan 10.000 kg.

Dit bedrijf valt niet onder het Bevi, maar wel onder het Vuurwerkbesluit. In dit besluit zijn ook veiligheidsafstanden opgenomen. Voor de volledigheid worden deze afstanden ook in deze paragraaf vermeld.

Op grond van het Vuurwerkbesluit dienen bepaalde afstanden vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats tot de dichtstbijgelegenwoning van derden of een ander gevoelig object te worden aangehouden. Voor de vuurwerkopslag aan de Tullekensmolenweg gelden de volgende veiligheidsafstanden:

Veiligheidsafstanden op grond van voorschrift 1.3 van Bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit

  voorwaartse richting   zijwaartse richting   achterwaartse richting  
bewaarplaats   20 meter   ---   ---  
bufferbewaarplaats   33 meter   25 meter   6 meter  

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1090-von1_0029.jpg"

Ligging bewaarplaats en bufferbewaarplaats van consumentenvuurwerk aan de Tullekensmolenweg 94

Binnen deze veiligheidsafstanden zijn geen gevoelige objecten gelegen. Bij nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van de vuurwerkopslag dient rekening te worden gehouden met deze veiligheidsafstanden.

Buisleidingen

In en in de nabijheid van het plangebied Beekbergen-Lieren bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Transport gevaarlijke stoffen

In en in de nabijheid van het plangebied Beekbergen-Lieren bevinden zich twee provinciale wegen waarover (beperkt) transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het gaat om de Arnhemseweg (N788) en de Loenenseweg (N786) en de tussengelegen Dorpstraat en Kerkweg. Daarnaast vindt aanvoer van LPG, benzine en diesel plaats naar het LPG-tankstation aan de Dorpstraat 193 te Beekbergen. Deze wegen hebben geen 10-6plaatsgebonden risico contour. Het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen ligt onder de oriëntatiewaarde. Als er binnen 200 meter van deze wegen nieuwe ontwikkelingen gewenst zijn, dient het groepsrisico te worden bepaald en mogelijk (o.a. afhankelijk van de hoogte) te worden verantwoord.

5.1.6 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen een de 0,4 microTesla (µT) magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen (0-15 jaar). Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT – zone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen.

Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In het plangebied is ten oosten van Beekbergen een bovengrondse hoogspanningslijn aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1090-von1_0030.jpg"

Ligging bovengrondse hoogspanningslijn Beekbergen

In 2007 heeft de Kema berekeningen uitgevoerd voor heel Apeldoorn om zo de specifieke 0,4 µT magneetveldzones van de bovengrondse hoogspanninglijnen in beeld te brengen. Deze berekeningen zijn vastgelegd in het rapport “Totaaloverzicht 0,4 micro-Tesla magnetische veldsterkte contour rond de hoogspanningslijnen binnen gemeente Apeldoorn”, d.d. 26 september 2007. De specifieke 0,4 µT magneetveldzone is, conform de door het RIVM voorgeschreven berekeningsmethodiek, bepaald op basis van 50% van de ontwerpbelasting van de 150 kV lijnen.

Uit de berekeningen blijkt dat voor de hoogspanningslijn in Beekbergen de grens van de specifieke 0,4 µT magneetveldzone op 38,5 meter ter weerszijden van het hart van de lijn ligt. Deze zone is, zoals hierboven is vermeld, gebaseerd op de maximale belasting die toegestaan is. Feitelijk gaat door de betreffende hoogspanningslijn veel minder stroom dan mogelijk is. Dit betekent dus dat in de praktijk de 0,4 µT magneetveldzone veel kleiner is dan de berekende specifieke zone. De Kema heeft in 2007 ook deze feitelijke 0,4 µT magneetveldzone berekend. De grens van de feitelijke 0,4 µT magneetveldzone ligt aan de westkant van de lijn op 23 meter en voor de oostkant van de lijn op 22 meter.

Bij nieuwe ontwikkelingen dient in geval van realisatie van gevoelige bestemmingen rekening te worden gehouden met de magneetveldzone op basis van 50% van de ontwerpbelasting. In dit geval dus met een zone van 38,5 meter ter weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn.