direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Laan van Spitsbergen 2
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1083-ont2

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Laan van Spitsbergen 2

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Op het perceel Laan van Spitsbergen 2 is sportpark Berg en Bos gelegen. Dat is de thuisbasis van voetbalvereniging AGOVV. Voorheen, vanaf 2003, was op het sportpark ook betaald voetbalorganisatie AGOVV Apeldoorn gevestigd. Ten einde de aanwezigheid van die organisatie beter en voor langere tijd mogelijk te maken, was een nieuw bestemmingsplan in procedure. Begin 2013 is die organisatie echter failliet gegaan. De genoemde procedure is daarop toen gestaakt.

Vervolgens heeft de gemeenteraad, om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen, op 14 februari 2013 een voorbereidingsbesluit genomen voor het sportpark. Met dat besluit heeft de gemeenteraad tevens verklaard dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid voor het sportpark. Daarnaast dient de gemeenteraad, op grond van de Wet ruimtelijke ordening, iedere 10 jaar opnieuw een bestemmingsplan voor een gebied vast te stellen. Ook aan die verplichting zal nog voldaan moeten worden, aangezien het geldende bestemmingsplan voor het sportpark uit 1994 dateert. Met dit bestemmingsplan wordt aan beide zaken uitvoering gegeven.

1.2 Ligging en begrenzing

Het sportpark vormt een overgang tussen de stad in het oosten en de bossen van de Veluwe in het westen. Het sportpark ligt aan de Laan van Spitsbergen, onderdeel van de hoofdwegenstructuur van de stad. Het plangebied beslaat het gehele sportpark en het direct omliggende bos. Kadastraal gaat het om de percelen die bekend zijn als gemeente Hoog Soeren, sectie S, nummers 967, 968, 969, 970, 1017 en 1018. De (voormalige) werf voor bosbeheer van de gemeente aan de Asselsestraat 328, gelegen op het perceel met nummer 1018, maakt geen onderdeel uit van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0001.jpg"

Figuur 1: Ligging binnen omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0002.jpg"

Figuur 2: Luchtfoto plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Apeldoorn-West. Dat plan is vastgesteld door de raad bij besluit van 24 maart 1994 met het nummer SO.ROV/46 en is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Gelderland bij besluit van 8 november 1994 met het nummer RG94.21291. Het sportpark heeft de bestemming Sportvoorzieningen. De omliggende gronden hebben de bestemming Bos met dagrecreatie. Een circa 30 meter brede strook ten noordoosten van het sportpark, langs de perceelsgrens, heeft de bestemming Beek. Daarmee is de ter plaatse aanwezige (spengkop van de) Badhuisspreng van een bestemming voorzien.

Gronden met de bestemming Sportvoorzieningen zijn bestemd voor 'sportvoorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen, waaronder niet begrepen een dienstwoning, en andere bouwwerken'. Buiten die omschrijving worden geen verder beperkingen aan het gebruik gesteld. Binnen de bestemming Sportvoorzieningen is op het perceel maximaal 1500 m² aan gebouwen toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, en tribunes stelt het geldende bestemmingsplan overigens geen maximale oppervlaktematen.

Op 26 juni 2008 is het ontwerpbestemmingsplan Apeldoorn-West, herziening AGOVV ter inzage gelegd. Dat is een partiële herziening van het bestemmingsplan Apeldoorn-West. Bedoeling van dat plan was middels een voorlopige bestemming te bewerkstellingen dat de bouwvergunning voor een aantal tijdelijke bouwwerken met ten hoogste 5 jaar kon worden verlengd, in afwachting van een nieuwe plek voor AGOVV Apeldoorn. Toen bleek dat een verplaatsing niet binnen afzienbare termijn haalbaar was, is de procedure van die partiële herziening niet doorgezet en is dat plan niet vastgesteld.

Nadat duidelijk was geworden dat AGOVV Apeldoorn mogelijk langer dan 5 jaar op het sportpark moest blijven, is op 8 december 2011 het eerste ontwerp van dit plan ter inzage gelegd. Dit plan was een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan en voorzag in een uitbreiding van de bebouwing op het sportpark. Dat met als doel een langer verblijf van de betaald voetbalorganisatie mogelijk te maken, zonder nog een eindmoment te kunnen benoemen. Nadat die organisatie begin 2013 failliet ging, is ook die procedure gestaakt.

Op 14 februari 2013 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor het sportpark. Hiermee heeft de raad besloten dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid voor het sportpark. Het geldende bestemmingsplan maakt namelijk talrijke functies mogelijk, zolang het maar om sportfuncties gaat. Dat kunnen ook functies zijn die naar de huidige inzichten ongewenst zijn, vooral in verband met te verwachten milieuhinder. Dat terwijl er voor de korte termijn geen zicht meer was op de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Om de introductie van nieuwe, mogelijk ongewenste sportfuncties, te voorkomen is het voorbereidingsbesluit genomen.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

De toelichting begint met een beschrijving van het relevante beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de ruimtelijke en functionele situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 worden de planologische visie en de te verwachten ontwikkelingen voor het plangebied omschreven. In hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

2 BELEIDSKADER

2.1 Streekplan Gelderland 2005

Het Streekplan Gelderland 2005 (vastgesteld op 29 juni 2005) is er op gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Naast het generieke beleid, het beleid dat geldt voor de gehele provincie, wordt in het streekplan dan ook uitvoerig ingegaan op het regiospecifieke beleid.

Generiek beleid

Hoofddoel van het streekplanbeleid is het scheppen van ruimte voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak. Om krachtige steden en vitale regio's te bevorderen zijn de belangrijkste uitgangspunten 'bundeling van verstedelijking aan/nabij infrastructuur' en het 'organiseren in stedelijke netwerken'. Bundelingsbeleid is een centraal uitgangspunt voor de wijze waarop in het Gelders ruimtelijk beleid wordt omgegaan met verstedelijking. Bundeling in Gelderland heeft met name de volgende doelen:

  • handhaving/versterking van de economische en culturele functie van de steden;
  • behoud/versterking van het draagvlak voor stedelijke voorzieningen;
  • optimale benutting van infrastructuur, kansen voor openbaar vervoer en fietsgebruik.

In het provinciaal beleid voor stedelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen bestaand bebouwd gebied en stedelijke uitbreiding. Het accent van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud van bestaand bebouwd gebied. Hiervoor zijn nodig:

  • een verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving en openbare ruimte door fysieke aanpassingen;
  • het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en -knelpunten door een duurzame planontwikkeling;
  • door kwalitatief woonbeleid bevorderen dat woonmilieus en de kwaliteit van de woningen aansluiten op de vraag van de inwoners;
  • intensivering van het stedelijk grondgebruik, maar wel met behoud van karakteristieke elementen en zorgvuldig omgaan met open ruimten daarbinnen.

De sociaal-culturele infrastructuur is een bepalende factor voor de kwaliteit van de samenleving. Uitgangspunt is om bij ruimtelijke inrichtingsplannen ook voorzieningen te realiseren die nodig zijn om een goede sociaal-culturele infrastructuur in stand te houden of op te bouwen. Functies moeten zo worden gesitueerd ten opzichte van aanwezige voorzieningen dat deze bereikbaar zijn en er voldoende draagvlak voor blijft bestaan.

Regiospecifiek beleid: de Stedendriehoek

Om de afstemming met regionale ontwikkelingen te optimaliseren is het streekplan mede gebaseerd op regionale structuurvisies die zijn aangeleverd door de Gelderse regio's. Voor de regio Stedendriehoek refereert het streekplan dan ook sterk aan de structuurvisie Ruimtelijk structuurbeeld 2030 stedelijk netwerk Stedendriehoek.

Voor het versterken van het regionaal stedelijk netwerk Stedendriehoek is bundeling het leidend principe. Dit houdt in dat het regionale programma voor wonen, werken en voorzieningen zoveel mogelijk gebundeld moet worden gerealiseerd binnen het stedelijk netwerk. Het regionale programma voor wonen en werken moet zoveel mogelijk gebundeld en gekoppeld aan knooppunten van infrastructuur worden gerealiseerd in het bundelingsgebied van de Stedendriehoek. Het aanbod van accommodaties van scholen, culturele-, zorg- en sportieve voorzieningen moet passen bij de vraag van mensen in de betreffende stedelijke kern.

Onderhavig plan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor een bestaande sportvoorziening die, op een goed bereikbare plek, 'tegen' de stad aan ligt. In de Streekplanuitwerking 'Zoekzones voor stedelijke functies en landschappelijke versterking' is het plangebied gezoneerd als bebouwd/stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0003.jpg"

Figuur 3: Uitsnede streekplankaart met het plangebied rood omkaderd.

2.2 Regionale Structuurvisie

De regio Stedendriehoek legt in de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 de gemeenschappelijke ambities vast voor het zogenoemde bundelingsgebied: het gebied rond Apeldoorn, Deventer en Zutphen en het daarbinnen gelegen middengebied. Het gaat om (grote delen van) het grondgebied van de volgende gemeenten: Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen. De structuurvisie laat zien hoe deze gemeenten samen streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. De structuurvisie is een richtinggevend kader voor beleid en uitvoering, waarin ‘samenhang’, ‘integraal’ en ‘ontwikkelen’ sleutelwoorden zijn. De Regionale Structuurvisie heeft de formele status van een Intergemeentelijk Structuurplan.

De Stedendriehoek zet in op het versterken van de recreatieve, toeristische kwaliteiten van het middengebied in de Stedendriehoek, waarbij de bijzondere landschappelijke en waterrijke kwaliteiten van het gebied grote mogelijkheden bieden voor gevarieerde recreatieve activiteiten. Van oudsher is de recreatie binnen de Stedendriehoek verbonden aan de bosrijke omgeving van het Centraal Veluws Massief, waarin in de loop van de laatste decennia op verschillende plekken recreatieparken tot ontwikkeling zijn gekomen. De Veluwezoom kent vanuit een rijke historische ontwikkeling allerlei buitenplaatsen en landgoederen, die een belangrijke cultuurhistorische betekenis geven aan het gebied. Aantrekkelijke voorzieningen dragen in belangrijke mate bij aan de sociale kwaliteit van de Stedendriehoek. Daarbij gaat het om voorzieningen op vele terreinen: onderwijs, werk en inkomen, zorg, welzijn, kunst, cultuur, sport en recreatie. Voorzieningen binnen de Stedendriehoek dienen voor iedereen goed bereikbaar te zijn.

Dit plan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor een bestaande sportvoorziening en past daarmee binnen de hiervoor beschreven uitgangspunten van de regionale structuurvisie.

2.3 Structuurvisie Apeldoorn

Voor het plangebied vormt op het gebied van de ruimtelijke ordening de gemeentelijke structuurvisie Buitenstad 2030 het integrale beleidskader. De structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en vervangt de structuurvisie voor het stedelijke gebied uit 2002.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. Door zo veel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare, krijgt Apeldoorn de ruimte zich te blijven ontwikkelen. Iedereen die een bijdrage kan leveren aan de Buitenstad Apeldoorn wordt uitgenodigd daaraan bij te dragen.

Ruimte bieden is niet vrijblijvend. Ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente; het beste van stad én landschap, het beste van modern én historisch, het beste van een centrale ligging én wonen in de luwte, het beste van bereikbaarheid én nabijheid, het beste van een solide én vernieuwende economie.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. Denk aan de beken, de sprengen, de enken, de fijnmazige voorzieningenstructuur, het Weteringengebied, de spoor- en snelwegen en de parken & lanen. Zij maken Apeldoorn tot Buitenstad. Het fundament van Apeldoorn wordt gekoesterd en versterkt. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0004.png" Figuur 5: essentie van de Buitenstad

2.4 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0005.png" 

figuur 5: kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Dit plangebied ziet niet op nieuwe ontwikkelingen die binnen de Groene Mal liggen. Wel grenst het plangebied aan een belangrijke lanenstructuur en ligt in het plangebied (een spengkop van de) de Badhuisspreng die onderdeel is van de Groene Mal. Dit plan voorziet echter in niet nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van die spreng.

2.5 Verkeersbeleid

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2010-2020. De doelstelling van de verkeersvisie is dat Apeldoorn een bereikbare gemeente moet zijn voor iedereen en voor elke vervoerswijze met goed toegankelijke infrastructuur waar u een keuze uit kan maken. Dit wordt bereikt door het autoverkeer op een beperkt aantal hoofdwegen te bundelen. De functie van de hoofdwegen is het bereikbaar houden van de bedrijventerreinen en de binnenstad en het bundelen van het autoverkeer zodat de tussenliggende verblijfsgebieden autoluw kunnen worden. Onder het net van de hoofdwegen zijn de verblijfsgebieden te vinden zijn waar de maximumsnelheid 30 km/h bedraagt. De gemeente Apeldoorn zal inzetten op het stimuleren van fietsen. Het aantal fietsdoorstroomassen wordt uitgebreid.

In de verkeersvisie is de Asselsestraat vanaf de kruising met de Laan van Spitsbergen, direct ten zuiden van het plangebied, aangewezen als bestaande doorstroomas voor fietsers. De Laan van Spitsbergen wordt in de verkeersvisie aangewezen als onderdeel van de hoofdwegenstructuur. Binnen die structuur is de Laan van Spitsbergen een onderdeel van het belangrijkste element: de Ring.

In de Parkeernota 1999, geactualiseerd in 2004, zijn parkeernormen voor woningen, bedrijven en diverse voorzieningen opgenomen.

2.6 Ontwikkelingsvisie Berg en Bos | Stadspark met allure

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft in haar vergadering van 10 april 2008 de Ontwikkelingsvisie Berg en Bos | Stadspark met allure vastgesteld. In deze visie staat de reconstructie van het gebied Berg en Bos centraal. Een van de belangrijke opgaven voor Berg en Bos is herstel en vernieuwing van het park. De uitgebreide cultuurhistorische analyse, verwoord in het rapport Cultuurhistorische waardebepaling Park Berg en Bos (SB4, januari 2006) vormt hiervoor de basis.

De bestaande en nieuwe functies worden gegroepeerd in een zone rond de vijver en sprengvallei. Naast het Kristalbad en Apenheul komt een nieuw cluster van speelwei, zwijnenwei en Veluwse wei. Daarachter liggen het klimbos en de wildbaan met sportpark Berg en Bos (AGOVV), en Stayokay. Voor deze voorzieningen wordt de oriëntatie en uitstraling naar het centrale deel verbeterd.

De route naar Apenheul wordt gewijzigd. Vanaf het grote parkeerterrein komt er een nieuwe route rechtsom de vijver via het nieuwe gebouw van de Staart naar de kassa's van Apenheul.

De vijver en omliggende oevers vormen het hart van het park. De nieuw te realiseren horeca krijgt een locatie in de hoek van de vijver.

Langs het centrale park loopt een aantal paden in diverse richtingen. Voor al deze paden worden eigen profielen opgesteld.

De J.C. Wilslaan, ter hoogte van dat parkeerterrein, wordt ingericht als verblijfsgebied.

De speelweide wordt opgewaardeerd naar een volwaardige openbare speelweide met voorzieningen voor verschillende leeftijden.

In het bosgebied zullen de veranderingen zich met name richten op natuurontwikkeling en het toegankelijk, herkenbaar en zichtbaar maken van de cultuurhistorische plekken. De bosweide behoudt zijn functie voor met name dagactiviteiten, waarbij de natuur de randvoorwaarden stelt. In het bos wordt de padenstructuur deels herzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0006.jpg"

Afbeelding 5: Kaart Ontwikkelingsvisie Berg en Bos | Stadspark met allure

Een van de uitgangspunten bij de reconstructie van Berg en Bos is een zonering van intensief (stadspark) naar extensief (natuurpark) gebruik. Dit uitgangspunt past binnen de gedachte van reconstructie waarbij duurzaamheid en natuurlijkheid een belangrijke rol spelen, maar is ook een uitvloeisel van de natuurwetgeving. Bij de inrichting van het park worden de volgende zones gehanteerd:

  • 1. zone intensief gebruik;
  • 2. zone matig intensief gebruik;
  • 3. zone extensief gebruik;
  • 4. zone bosweide

Zone intensief gebruik

Deze zone is bestemd voor intensievere vormen van natuur- en dagrecreatie. Het gebied ligt vrijwel geheel buiten Natura 2000 en de EHS. In dit gebied liggen onder meer het Boschbad, de Apenheul, het park met de vijver, sportpark Berg en Bos (AGOVV) en Stayokay. Ook passen hier het Natuurhuis, een volwaardige horeca en evenementen met een publiek karakter.

Zone matig intensief gebruik

De sprengvallei, het parkgebied ten zuiden van de Jubileumlaan, de speelweide en het Klimbos, samen met de Veluwse wei en het herten- en zwijnengebied vallen binnen deze zone. Dit gebied geldt als overgang naar het bos.

Zone extensief gebruik

Het extensieve gebied is bedoeld voor natuur en extensieve vormen van natuur en recreatie: wandelen en fietsen, met aandacht voor zichtbare elementen van cultuurhistorie en archeologie.

Zone bosweide

Voor de bosweide wordt voorgesteld met inachtneming van de uitkomsten van de natuurtoets heldere gebruiksvoorschriften op te stellen. Aan de hand daarvan kunnen evenementen op de bosweide worden behouden, maar kunnen tevens schaal, tijd, intensiteit, bezoekersaantallen, frequentie et cetera worden beperkt. Gebruik van de weide mag de uitkomsten van de natuurtoets niet bijten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0007.jpg"

Afbeelding 6: Zoneringskaart Ontwikkelingsvisie Berg en Bos | Stadspark met allure

2.7 Beheervisie Berg en Bos

De raad van de gemeente Apeldoorn heeft in 2008 de Beheervisie Berg en Bos vastgesteld. Deze visie bevat de hoofdlijnen voor het beheer van de bos- en natuurterreinen van Berg en Bos en is een uitwerking van het Ontwikkelingsplan Berg en Bos | Stadspark met allure. In de visie wordt het ontwikkelingsplan vertaald naar opgaven en, vervolgens, beheersconsequenties voor het park. De visie is tevens aangeboden aan de provincie Gelderland als input voor het beheerplan Veluwe in het kader van Natura 2000.

Vanuit het Ontwikkelingsplan Berg en Bos | Stadspark met allure worden de volgende opgaven onderscheiden:

  • het herstellen van de sprengvallei;
  • het verbeteren, herinrichten en aanvullen van natuurgerichte voorzieningen (overgangszone); daartoe behoren: de speelweide, het hertenbos, het zwijnenbos en de te realiseren voorzieningen klimbos en eventueel een Veluwse wei;
  • het behouden en versterken van de natuurwaarden van het bos (door vergroting van het aandeel inheems loofbos en omvorming van productiebos) en open terreinen (door herstel van open terreinen en realiseren van verbindingen) en natuurlijke overgangen daartussen;
  • het zichtbaar maken van sporen uit het Veluwse verleden;
  • het verbeteren van de wandel- en fietspadenstructuur, zo mogelijk aansluitend op zichtbaar gemaakte cultuurhistorisch interessante onderdelen;
  • landschappelijke verbetering van de Valkenberg en lanenstructuren.

De hieronder aangegeven opgaven liggen buiten het bereik van de beheervisie, tenzij er sprake is van een uitdrukkelijke relatie met het beheer van de natuurwaarden van het overige gebied:

  • het opknappen in stijl van met name het stadsparkdeel;
  • de innovatie van Apenheul en de realisatie van een Natuurhuis in het stadsparkdeel;
  • het verbeteren van de horecavoorzieningen;
  • het bieden van kleinschalig parkeren nabij Stayokay;
  • het bieden van een goede parkeeroplossing buiten het beheergebied.

In de beheervisie worden bovenstaande opgaven uitgewerkt op visieniveau waarbij de navolgende thematisering wordt gevolgd:

  • 1. Zonering
  • 2. Natuurontwikkeling nieuwe onderdelen
  • 3. Beheer bos- en natuurterrein
  • 4. Beheer van landschappelijke en cultuurhistorische elementen
2.7.1 Zonering

Een van de uitgangspunten bij de reconstructie van Berg en Bos is een zonering van intensief (stadspark) naar extensief (natuurpark) gebruik. De ingangen die voor de zonering zijn genomen zijn:

overgang stad-land

De intensievere delen dichter tegen de stad aan gesitueerd; van nature is er al sprake van een zonering; verder van de stad gelegen gebieden worden immers vaak al minder intensief gebruikt, wat bijvoorbeeld het voorkomen van wild op die plaatsen bevordert.

gebiedsbescherming

Alleen delen die buiten Natura 2000 zijn gesitueerd zijn in principe geschikt voor de intensieve dagrecreatieve activiteiten en voor voorzieningen die samenhangen met versterking met het stadspark-karakter. In deze zone worden de voorzieningen als Apenheul en horeca voorzien, alsook nieuwe voorzieningen als het Natuurhuis.

soortbescherming

Er is nagegaan welke soorten voorkomen in Berg en Bos en bij de uitwerking van de zonering is daarmee vooral rekening gehouden met de ligging van de overgangszone maar ook met de voorschriften voor gebruik van terreinen.

inpassing van bestaande voorzieningen

Bij de afronding van de zonering wordt ook gekeken naar een logische afronding en inpassing van bestaande voorzieningen.

Dit heeft geleid tot de volgende zonering:

Zone intensief gebruik

Deze zone is bestemd voor attracties en verwante voorzieningen en ligt vrijwel geheel buiten Natura 2000. Inbedding in natuurlijke en landschappelijke omgeving is een vereiste. Eventueel ook een vergroting van bouwmogelijkheden. De zone is geschikt voor ruimte voor de Apenheul, het Natuurhuis, sport in het groen en voor evenementen met intensiever karakter.

Zone dagrecreatief medegebruik

Deze zone is bestemd voor intensievere vormen van natuur- en lanschapsafhankelijke dagrecreatie en ligt binnen Natura 2000 en EHS, maar buiten de zone waarin zwaar beschermde soorten verblijfplaatsen hebben. Beperkte bouwmogelijkheden alleen als er geen effecten zijn op beschermde habitattypen en beschermde soorten. De zone is geschikt voor:

- klimbos, Veluwse weide;

- evenementen met een minder intensief karakter;

- optimalisering cultuurhistorische patronen;

- vergroting open terrein, mits natuurvriendelijk beheerd.

Zone extensief gebruik

Deze zone is bestemd voor extensieve vormen van natuur- en landschapsgebonden recreatievormen. Deze zone ligt binnen Natura 2000 en EHS en omvat ook gebieden waarin beschermde soorten verblijfplaatsen hebben. In deze zone worden geen bouwwerken gebouwd t.b.v. recreatieve activiteiten of voorzieningen. De zone is geschikt voor:

- wandel- en fietspaden;

- evenementen met beperkt karakter (in schaal, tijd, intensiteit, bezoekersaantallen, frequentie, duur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0008.jpg"

Afbeelding 7: Zonering recreatief gebruik (bron: Beheersvisie Berg en Bos)

Zone Bosweide

De bosweide ligt binnen de extensieve zone, in Natura 2000 gebied en de EHS. De bosweide is bijzonder omdat ze een grote open ruimte vormt binnen het bosgebied van de Veluwe en al decennialang als weide/gazon wordt beheerd. De bosweide wordt van oudsher gebruikt voor verschillende typen van activiteiten, waaronder ook de grotere evenementen. Het open terrein wordt gebruik als foerageergebied van de das, die er in de buurt zijn burchten heeft. Ook wilde zwijnen doen het gebied aan.

Voor het gebruik van de bosweide als evenemententerrein wordt gestreefd naar een gebruik dat de benutting als bijzonder evenemententerrein recht doet, de landschappelijke en belevingskwaliteiten benut en de natuurlijke kwaliteiten in acht neemt. Met een evenementenbeleid dat gericht is op benutting van de specifieke kwaliteiten, de aansluiting bij thema's van duurzaamheid, biodiversiteit, natuur en landschap en educatie op dit vlak, kan het evenemententerrein een bijzondere rol binnen het gehele concept van Berg en Bos vervullen.

Algemene uitgangspunten voor recreatief medegebruik:

  • activiteiten zijn gericht op beleving van natuur, natuurgerichte recreatie, kunst, cultuur en in algemene zin op beleving van de buitenruimte zonder daarbij onevenredige hinder op te roepen bij de in de natuur recreërende mensen en schade of hinder te veroorzaken aan natuur-, cultuur of landschappelijke waarden;
  • grootschaliger activiteiten, met grote bezoekersaantallen, worden beperkt gehouden (maximaal drie grootschaliger activiteiten en maximaal zes activiteiten op kleinere schaal);
  • de totale (gezamenlijke) duur van de activiteiten is voor de grotere activiteiten maximaal zes dagen en voor kleinere maximaal twintig dagen per jaar.
2.7.2 Natuurontwikkeling nieuwe onderdelen

In Berg en Bos is het op een aantal plaatsen mogelijk de natuurwaarden te versterken:

  • ontwikkeling overgangen (zoom/mantelvegetaties) bosweide;
  • ontwikkeling open terreinen tussen speelweide en bosweide (inclusief randvegetaties);
  • verschraling bermen Jubileumlaan;
  • herontwikkeling beekzone.
2.7.3 Beheer bos- en natuurterrein

Bosbeheer

Centraal staat natuurgericht bosbeheer. Kenmerkend hierbij is dat elk gebied zijn eigen bosontwikkeling kent: afhankelijk van bodem, voedselrijkdom, waterhuishouding, reliëf, et cetera.

Voor de Veluwe zijn dat vooral (natuurlijke) loofbossen: beukenbossen, wintereiken-beukenbossen, eikenbosssen (en elzen-essenbossen in beekdalen).

Ten behoeve van de beheervisie worden vier typen bos(beheer) onderscheiden:

  • multifunctioneel bos met hoofdaccent natuur;
  • multifunctioneel bos met accent natuur; jong inheems loofbos;
  • multifunctioneel bos met accent natuur; om te vormen productiebos;
  • multifunctioneel bos met accent houtproductie.

Multifunctioneel bos met hoofdaccent natuur

Het beheer is primair gericht op instandhouding en herstel van oud inheems loofbos. Bosbeheermaatregelen zijn gericht op vergroting van het aandeel dood hout en vergroting van de leeftijdsvariatie. Vanwege hun natuurlijke samenstelling en structuurvariatie hebben deze oude bossen een hoge belevingswaarde. Recreatief medegebruik is belangrijk waarbij uitgangspunt is dat het hoofdpaden- en lanenstelsel in stand wordt gehouden.

Multifunctioneel bos met accent natuur: jong inheems loofbos

Dit is oud grove dennenbos met veel spontane opslag van inheems loofhout. Het beheer is gericht op instandhouding en vergroting van het aandeel inheems loofhout met de daaraan gebonden natuurlijke kruidlaag. Binnen een periode van 10 jaar wordt het aandeel naaldhout en Amerikaanse eik in de boomlaag gereduceerd, zodat inheems loofhout circa 90% van de boomlaag vormt. Houtoogst vindt nog wel plaats, maar is ondergeschikt aan de natuurfunctie. Dit betekent dat gestreefd wordt naar vergroting van het aandeel dik dood hout. Verder is het beheer gericht op vergroting van de structuur- en leeftijdsvariatie van het bos. Vanwege hun natuurlijke samenstelling en structuurvariatie hebben deze bossen een hoge belevingswaarde. Recreatief medegebruik is belangrijk waarbij uitgangspunt is, dat het hoofdpaden- en lanenstelsel in stand wordt gehouden.

Multifunctioneel bos met accent natuur; om te vormen productiebos

Dit betreft productiebos bestaande uit naaldhout of productieloofhout met een eenzijdige leeftijdsopbouw, zoals beuken- of Amerikaanse eikenbos. Het beheer is erop gericht op deze bossen in een periode van 20 jaar om te vormen tot inheems loofbos Binnen de percelen met naaldhout en Amerikaanse eik wordt ernaar gestreefd het aandeel van deze exoten in de

boomlaag te reduceren tot maximaal 20%. De hoofdpaden- en lanenstructuur worden in stand gehouden ten behoeve van het recreatief medegebruik.

Multifunctioneel bos met accent houtproductie

Dit betreft de overige bospercelen in het gebied, veelal jong productiebos met naaldhout. Het hoofdaccent van het bosbeheer is hier gericht op houtproductie. Met het oog op het recreatief medegebruik en verhoging van de belevingswaarde en biodiversiteit wordt locaal via kleinschalige groepenkap geprobeerd de uniformiteit van deze bospercelen te doorbreken. De hoofdpaden- en lanenstructuur worden in stand gehouden ten behoeve van het recreatief medegebruik.

Open terreinen

Binnen Berg en Bos zijn verschillende open plekken aanwezig, zoals onder meer de bosweide. Door ze ecologisch met elkaar te verbinden ontstaan meer zichtlijnen in het gebied en worden ook de uitwisselings- en leefmogelijkheden van dieren, zoals dagvlinders en hagedissen vergroot. Verder zijn er ook enkele halfopen ruimten met een parkachtige structuur. Dit betreft de Leemkuil met daaromheen de voormalige Gelderse plantentuin in het zuidelijk deel van Berg en Bos, een pas aangelegd stobbenreservaat voor vliegend hert op een plek waar in 2006 een munitiedepot is opgeruimd en een bosperceel ten zuiden van de Julianatoren waarin de beschermde jeneverbes veel voorkomt. Het beheer is hier gericht op instandhouding van het halfopen parkachtig karakter.

Heide, heidetra's en heischrale graslanden

Het beheer is gericht op instandhouding en herstel van de aanwezige kleine heidevelden en heidetra's. Op de grens van Berg en Bos en Kroondomein wordt een grote heidetra aangelegd die ook als brandgang gaat functioneren.

Graslanden

De in Berg en Bos aanwezige graslanden, zoals de grote bosweide en de weide nabij het Herten- en Zwijnenbos, worden gebruikt voor meer intensieve dagrecreatie. Door extensiever beheer van enkele meters grenzen aan de bosrand wordt de belevingswaarde en de ecologische betekenis van de randen van enkele grotere grasvelden verhoogd.

Sprengvallei

Het beheer is hier gericht op een afwisselend terrein met hoge natuurlijkheid, met besloten en opener stukken alsook takkenhopen voor, onder andere, de ringslang. De recreatieve druk moet beperkt zijn langs de sprengzone; wandelroutes moeten daarop worden afgestemd.

2.7.4 Beheer van landschappelijke en cultuurhistorische elementen

De landschappelijke elementen die in Berg en Bos van belang zijn, zijn:

  • stervormig padenstructuur van de Valkenberg/Galgenberg;
  • de lanen;
  • zichtlijnen;
  • bijzondere bomen;
  • cultuurhistorische elementen.

Beheer van de Valkenberg/Galgenberg

Behoud en versterking van deze cultuurhistorisch prominente plek staat voorop. Ook het herstel van het uitzicht en het steviger verankeren van het sterpatroon in zijn omgeving is wenselijk. Nadere uitwerking volgt in het beheerplan.

Beheer van lanen

Vanuit het centrale park lopen een aantal lange lanen door in diverse richtingen. Deze lanen in het park zijn de lijnen van beweging en beleving in het park. De lijnen onderscheiden zich van elkaar, qua gebruik, het gebied waar ze door lopen en de profielen. Voor al deze lanen worden eigen profielen opgesteld. Nagegaan zal worden welke lanen expliciet als laan behouden dienen te blijven; dat betekent een extra beheersinspanning in het vrijhouden van de lanen van naastgelegen bebossing het onderhoud en evt. herstel en/of vernieuwing. Andere lanen zouden kunnen opgaan in de bosontwikkeling. Voor de locatie van lanen en de profielen zal er een ontwerpstudie volgen; het daarop af te stemmen beheer zal in de beheerplanning worden opgenomen.

Beheer van zichtlijnen

De Lange Kruisweg is een lange open ruimte in het bos, precies gelegen in het droge dal. Deze ruimte is vrij van laanbeplanting. Het openhouden van deze ruimte staat voorop.

Beheer van grafheuvels en leemkuil

Het beheer van deze elementen is als aangegeven onder het beheer van de open terreinen. De grafheuvels zullen worden beheerd als open terrein. Het vrijhouden van opslag dient enerzijds de herkenbaarheid van deze elementen, maar ook het behoud ervan. Als uitgangspunt voor de inpassing van landschappelijke en cultuurhistorische elementen gelden de aanbevelingen uit het rapport Cultuurhistorische waardebepaling Park Berg en Bos (SB4, januari 2006).

Beheer recreatieve elementen

Voor alle nieuwe recreatieve elementen in Berg en Bos geldt dat deze zullen moeten worden getoetst aan de integrale ontwikkeling van het park. Om dit mogelijk te maken dient een beeldkwaliteitplan te worden opgesteld.

Beheer en verplichtingen met betrekking tot beschermd gebied en soorten

De nadruk bij het beheer ligt op vergroting van de natuurlijkheid van bos- en open terreinen. Dat vergroot in zijn algemeenheid de mogelijkheden voor diverse soorten. Specifiek soortenbeheer wordt niet voorgestaan, maar er zal wel worden gelet op de eisen van bescherming. In combinatie met een natuurlijk beheer draagt ook de voorgestane zonering bij aan behoud en bescherming van soorten.

2.8 Nota I-Cultuur

De gemeenteraad van Apeldoorn heeft in maart 2006 de nota I-Cultuur vastgesteld. De nota kent 6 delen waarin ingegaan wordt op de termen inspireren, inventariseren, identificeren, instandhouden, informeren en investeren. Onderdeel van de nota zijn de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische beleidskaart.

2.8.1 Archeologische beleidskaart

De archeologische beleidskaart geeft inzicht in welke mate de kans bestaat om archeologische resten in de bodem aan te treffen. Afhankelijk van de afzonderlijke trefkansen is bepaald welk beleid van toepassing is bij bodemingrepen. Er is onderscheid gemaakt in:

  • hoge trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch onderzoek verplicht. Steven naar behoud van archeologische waarden
  • middelmatige trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is archeologisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de uitkomsten kan veldonderzoek verplicht worden. Streven naar behoud van archeologische waarden.
  • lage trefkans: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een archeologisch quickscan vereist. Afhankelijk van de resultaten wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Behoud van archeologische waarden wordt aanbevolen.
2.8.2 Cultuurhistorische beleidskaart

Op de cultuurhistorische beleidskaart staat aangegeven hoe de inbreng van cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke plannen gewenst is. Ook hier is een driedeling gemaakt, die er als volgt uitziet:/

  • hoge attentiewaarde: Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Streven naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische waarden.
  • gemiddelde attentiewaarde: Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Streven naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische waarden.
  • lage attentiewaarde: Bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quickscan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en versterken.

Het plangebied kent bijna geheel een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Langs de Badhuisspreng geldt een hoge archeologische verwachtingwaarde. Qua cultuurhistorie heeft het plangebied een gemiddelde attentiewaarde.

2.9 Waterbeleid

2.9.1 Europees beleid

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. De KRW geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kust-water en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat:

  • Aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed.
  • Verbetering van het aquatisch milieu wordt bereikt, onder andere door een forse vermindering van lozingen en emissies.
  • Duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn.
  • Er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Voor de KRW zijn ecologische èn fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang en/of het beschermingsniveau van het grondwater. De KRW heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor bijvoorbeeld riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid.

2.9.2 Nationaal beleid
2.9.2.1 Nationaal Waterplan 2009-2015

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding uit 1998 en hét rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Water krijgt een meer prominente rol bij de inrichting van Nederland. De beleidslijnen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water, die inspelen op de verwachte klimaatsveranderingen, zijn een belangrijke impuls voor de koers van het nieuwe waterbeleid. Het hoofdthema is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water. Tevens bevat het Nationaal Waterplan een eerste beleidsmatige uitwerking van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie.

2.9.2.2 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. In 2000 is de watertoets geïntroduceerd door de Commissie Waterbeheer 21e Eeuw en in 2001 vastgesteld door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Sinds 1 november 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

2.9.3 Provinciaal beleid
2.9.3.1 Waterplan Gelderland 2009-2015

Het Waterplan Gelderland is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermings- gebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Voor de realisatie van bepaalde waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.

2.9.3.2 Stroomgebiedsvisies

De provincie Gelderland heeft stroomgebiedsvisies opgesteld. Hierin wordt een indeling gehanteerd in meer en minder sturende wateropgaven voor de ruimtelijke inrichting van Gelderland. Hieronder is aangegeven welke wateropgaven als sturend en welke als mee-ordenend zijn aangemerkt.

Sturende wateropgaven

Dit zijn opgaven die alleen zijn op te lossen door er ruimte voor te reserveren en aan de bestemming water prioriteit te geven boven andere bestemmingen. Bij het combineren met andere functies geldt de noodzakelijke ruimte voor water minimaal als vertrekpunt.

Als sturende opgaven zijn aangemerkt:

  • Wateroverlast: ruimteclaim voor het regionaal systeem voor berging van water in verbrede waterlopen en in aan te wijzen bergingsgebieden.
  • Natuur: bescherming van waterlopen met hoge ecologische doelstelling (HEN) en de zogenaamde natte natuurparels en prioritaire gebieden, inclusief de daarbij behorende beïnvloedingsgebieden.
  • Drinkwater: bescherming van de 25-jaars grondwaterintrekgebieden.

Mee-ordenende wateropgaven

Voor deze opgaven bestaan meerdere alternatieven voor de invulling van de noodzakelijke ruimte voor water. De ruimte voor water is op creatieve wijze te combineren met andere bestemmingen in deze gebieden via meervoudig ruimtegebruik.

Mee-ordende wateropgaven zijn:

  • Wateroverlast: gebieden waar een toenemende kans op wateroverlast kan optreden door verandering in het grondwaterpeil. Dit speelt met name in de grondwaterfluctuatiezone.
  • Natuur: bescherming van waterlopen met een niet-prioritaire ecologische doelstelling (SED) en de stroomgebieden van de bovenlopen van de SED-wateren. Bescherming van de niet-prioritaire natte natuur, inclusief de daarbij behorende beïnvloedingsgebieden. Bescherming van de 'blauwe motoren' van het grondwatersysteem en bescherming van de herstelgebieden voor natte natuur.
  • Drinkwater: bescherming van oppervlaktewater voor drinkwaterwinning, de zoekgebieden voor drinkwaterwinning en de 100-jaars grondwaterintrekgebieden voor drinkwaterwinning.
2.9.4 Waterschapsbeleid

Waterschap Veluwe is in zijn beheersgebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding en de waterkering. Het Waterbeheerplan Veluwe geeft de strategische visie van het waterschap op de waterschapstaken, uitgewerkt in concrete doelen en een uitvoeringsstrategie. De doelen vloeien voort uit Europese, nationale en provinciale wet- en regelgeving. Zeven stroomgebiedsuitwerkingsplannen (SUP's) vormen het vertrekpunt van het nieuwe waterbeheerplan. Ze vormen de basis voor het beleid tot en met 2010. Het jaar 2015 is een markant ijkpunt. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel en in de Kaderrichtlijn Water is bepaald dat in dat jaar het watersysteem op orde moet zijn.

Voor Apeldoorn gelden vijf stroomgebiedsuitwerkingsplannen:

  • Apeldoorns Kanaal – Grift
  • Noordelijke IJsselvallei
  • Zuidelijke IJsselvallei
  • Harderwijk - Nunspeet
  • Ermelo - Putten.

Waterschap Veluwe maakt in de stroomgebiedsuitwerkingsplannen kenbaar waar werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. In ieder stroomgebiedsuitwerkingsplan staan de doelen beschreven voor het betreffende deelstroomgebied, alsmede de bijbehorende soorten maatregelen. Kortom: wat gaat het waterschap waar doen, op welke manier en wanneer? Het opstellen van de stroomgebiedsuitwerkingsplannen heeft plaatsgevonden samen met inwoners, mede-overheden en belangenorganisaties. De doelen in de plannen vloeien voort uit Europese, Nationale en provinciale wet-, regelgeving en beleid.

De soorten maatregelen om deze doelen te bereiken zijn in de stroomgebiedsuitwerkingsplannen genoemd; ze zijn echter nog niet concreet. Ze geven een indicatie over hoe en wanneer Waterschap Veluwe de doelen wil bereiken. Hierbij is een mate van flexibiliteit gewenst. Over deze soorten maatregelen en de uitvoeringsperiode is inspraak geweest

2.9.5 Gemeentelijk beleid
2.9.5.1 Gemeentelijk Waterplan Apeldoorn

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Het Waterplan is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De hoofdlijnen van het waterplan zijn:

Afkoppelen en bergen

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzone naast iedere beek. Deze zones richten de gemeente en het waterschap in voor waterberging waar dat maar mogelijk is. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Herstel van beken en sprengen

Gemeente en waterschap herstellen het beken- en sprengensysteem in het stedelijk gebied van de stad en de dorpen. De naast de beek liggende waterbergingen krijgen een recreatieve functie voor wandelaars en fietsers. Gemeente en waterschap gaan samen de cultuurhistorische waarde van de beken herstellen en de hoge natuurwaarden beschermen. Het sprengenwater wordt verzameld in de beek de Grift en kan ten noorden van Apeldoorn geïnfiltreerd worden op de Veluwe voor drinkwaterbereiding.

Saneren verontreinigd diep grondwater

Het verontreinigde grondwater wil de gemeente saneren en beheersen. Het beheersen wil zij doen door grondwater dat vrijkomt bij het bestrijden van wateroverlast aan te wenden voor duurzame energie. Bijvoorbeeld door het water te gebruiken bij koude/warmteopslag of –ontrekking. Vervolgens gaat het water naar de beken, daarna naar het kanaal en tot slot is het bestemd voor de infiltratie voor de drinkwaterbereiding bij Vitens.

Saneren verontreinigde waterbodems

Een deel van de watergangen en vijvers is verontreinigd met bagger. De waterdiepte en waterkwaliteit worden hierdoor nadelig beïnvloed. De komende jaren tot 2012 wordt deze baggerlaag gesaneerd. Het waterschap voert het werk uit en werkt hierbij samen met de gemeente.

2.9.5.2 Gemeentelijk Rioleringsplan Apeldoorn

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2006 – 2010 (GRP), dat in 2005 door de gemeenteraad vastgesteld, is aangegeven hoe de gemeente Apeldoorn voor de planperiode het beheer en onderhoud van de riolering vormgeeft. Naast de reguliere onderhouds- en vervangingsopgave vanuit de Wet milieubeheer is het ambitieniveau Actief Duurzamer uit het Waterplan uitgangspunt voor het beleid. In het GRP is aangegeven welke maatregelen worden uitgevoerd, wat de kosten zijn en hoe de kosten gedekt worden.

Voor de planperiode van het GRP zijn de volgende maatregelen voorzien:

  • Afkoppelen regenwater bij herstructurering.
  • Afkoppelen regenwater autonoom (bij voorbeeld bij rioolvervangingen).
  • Voldoende waterberging in beekzones en afvoer via beken.
  • Maatregelen voortvloeiend uit de basisinspanning en het waterkwaliteitsspoor.
  • Baggeren van vervuilde waterbodems.
  • Inlopen achterstand vervanging riolering.

2.10 Welstandsnota

Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing.

Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juli 2004 de kadernota 'Over welstand geschreven' vastgesteld. De nota geeft de kaders voor het welstandsbeleid. Hiermee worden bouwplannen getoetst aan redelijke eisen van welstand, om de fraaie leefomgeving in de stad te behouden en te versterken.

In deze nota wordt voor ieder perceel in Apeldoorn één welstandsthema en één welstandsniveau aangewezen. Het niveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied geeft, waarbij de niveaus variëren van zwaar tot welstandsvrij. Het thema wordt bepaald door de bouwstijl of bouwperiode van de bebouwing. In het bestemmingsplan wordt het specifieke karakter van het gebied geregeld voor zover dit gaat om bebouwingsregels en gebruik. Het welstandsbeleid is hierop aanvullend en heeft betrekking op situering, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaalgebruik.

Voor het plangebied geldt het normale welstandsniveau en het welstandsthema Sport en recreatie. Voor de zone tussen het sportpark en de Laan van Spitsbergen geldt het welstandsniveau Zwaar. Binnen de voorwaarden die deze typeringen met zich meebrengen zal de realisatie van de nieuwe gebouwen in het plangebied plaats vinden. In het kader van dit plan wordt geen specifiek, gebiedsgericht welstandsbeleid ontwikkeld.

2.11 Kookboek

De manier waarop in beleid en houding omgegaan wordt met ruimtelijke kwaliteit is in de afgelopen jaren verschoven van bepalend en reactief naar uitnodigend en inspirerend. Het ruimtelijk beleid van de gemeente Apeldoorn maakt een transitie door van toelatingsplanologie naar uitnodigingsplanologie. Deze transitie heeft maakt ook dat de producten die gemaakt worden anders van vorm en inhoud worden in het kader van het welstandsbeleid. Er zijn twee “kookboeken” verschenen, door de raad bekrachtigt als inspirerende handreikingen ruimtelijke kwaliteit. Deze kookboeken voor het landschap (2011) en voor dorpen (2012) reiken “ingrediënten” aan waarmee iedereen die in het fysieke domein actief is (burgers, ondernemers, ontwikkelaars) kan gaan “koken”. De nadruk ligt op uitnodigen en inspireren vanuit de kwaliteiten die er in het landschap, dorpen aanwezig zijn. Op dit moment wordt gewerkt aan het Kookboek voor de stad.

3 BESTAANDE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

Op de topografische kaart van 1900 is te zien hoe het plangebied nog geheel werd benut voor bos en op ruime afstand is gelegen van de stad Apeldoorn. Met daartussen nog het akkerbouwcomplex de Apeldoornse Enk, die in de afgelopen honderd jaar geleidelijk geheel is bebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0009.jpg"

Figuur 6: Topografische kaar van omstreeks 1900

Sinds 1917 is de Gemeente Apeldoorn eigenaar van het voormalige landgoed Berg en Bosch. Hoewel het gebied van ongeveer 525 hectare destijds werd aangekocht voor stadsuitbreiding en hiervoor door landschapsarchitect K.C. van Nes een exploitatie- en verkavelingsplan werd opgesteld, waarvan het wegenstelsel grotendeels is aangelegd, raakte slechts een klein deel van het terrein daadwerkelijk bebouwd. Een gebied van ruim 267 hectare ging dienen als gemeentelijk wandelgebied en kreeg de naam Natuurpark Berg en Bos.

In de jaren 30 van de twintigste eeuw werd dit natuurpark verfraaid met een grote Bosvijver en een diep ingegraven Sprengvallei. Aangrenzend werd het Kristalbad aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog bood het park plaats aan tal van evenementen en attracties waaronder bloemenfestijnen in 1948 en 1952 en vanaf 1971 de grote publiekstrekker apenpark Apenheul.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0010.jpg"

Figuur 7: Ontwerp van de Bosvijver en de Sprengvallei, 1932

Op 25 februari 1913 werd voetbalvereniging AGOSV (Apeldoornse GeheelOnthoudersvoetbalvereniging 'Steeds Voorwaarts') opgericht, een voetbalclub speciaal voor geheelonthouders. Later werdt de naam verandert in Apeldoornse GeheelOnthouders VoetbalVereniging. Weer later, in 1919, werd het geheelonthoudersprincipe verlaten en gingen de vijf letter staan voor Alleen Gezamenlijk Oefenen Voert Verder.

De club groeide gestaag en en in 1921 verhuisde de vereniging naar de huidige locatie in het, toen nieuwe, sportpark Berg en Bos. In 1925 werd de huidige tribune ten westen van het hoofdveld in gebruik genomen. De ruimtelijke opzet is nadien nauwelijks veranderd. Omgeven door bos liggen los van elkaar een viertal sportvelden. Wel heeft de stad zich nadien uitgebreid tot aan de perceelsgrenzen van het sportpark.

In 1925 wist de club door te dringen tot een van de twee gewestelijke hoofdklasses. Halverwege die jaren vijftig ging die klasse over in een competitie voor betaald voetbal. In het betaalde voetbal wist AGOVV tot 1971 te blijven. Na een lange periode in het amateurvoetbal trad AGOVV Apeldoorn in 2003 weer toe tot het betaalde voetbal. Later, in 2013, ging de betaald voetbalorganisatie failliet. Sindsdien is het sportpark weer alleen de thuisbasis van amateurvereniging AGOVV.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0011.jpg"

Figuur 8: Luchtfoto van het plangebied uit 1938

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied ligt in de overgang tussen de stad en de bossen van de Veluwe en is gelegen aan de Laan van Spitsbergen, een belangrijke ontsluitingsweg. Direct ten oosten van het plangebied komt die weg samen met andere hoofdontsluitingswegen: Jachtlaan en John F. Kennedylaan. Ook de J.C. Wilslaan, een wijkontsluitingsweg, haakt daar op de Laan van Spitsbergen aan. Ten oosten van het plangebied zijn groene, ruim opgezette woonwijken te vinden, met langs de John F. Kennedylaan een kantorenpark.

Binnen die overgangszone zijn diverse, recreatieve functies te vinden. Langs de J.C. Wilslaan ligt op enige afstand van het plangebied apenpark Apenheul en natuurpark Berg en Bos, met daarbij een groot parkeerterrein. Ten zuidwesten van het plangebied is sportveldencomplex het Ordenbos gelegen. Dat is de thuisbasis van diverse sportverenigingen.

Langs de J.C. Wilslaan is een rij vrijstaande woningen aanwezig, waarvan de achtererfgrenzen tegen het plangebied liggen. Voor het overige wordt het plangebied omgeven door bospercelen. Daarbinnen is ten zuiden van het plangebied een (voormalige) locatie van het gemeentelijke bosbeheer aanwezig en een hostel (aan de Asselsestraat 330).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0012.jpg"

Figuur 9: Ligging binnen directe omgeving

De hoofdopzet van het plangebied wordt gevormd door vier sportvelden in een bosrijke omgeving. De velden liggen op enige afstand van elkaar, 20 tot 80 meter, en volgen qua lengterichting individueel de dichtstbijzijnde openbare weg. In het bos tussen de twee noordelijke velden is nog een klein speelveeld aanwezig (voor 4-tegen-4 wedstrijden).

Het hoofdveld is het meest oostelijk gelegen veld. Hieromheen zijn diverse voorzieningen gesitueerd die functioneel bij een dergelijk wedstrijdveld horen. Het gaat dan om een monumentale tribune, parkeerplaatsen, stallingsruimte voor fietsen, een clubhuis, kantoorruimte, lichtmasten, een businessruimte en diverse andere bouwwerken met een ondersteunde functie. De monumentale hoofdtribune en het monumentale spelershome zijn gelegen aan de westzijde van het hoofdveld. De zuidzijde is praktisch onbebouwd. Momenteel is rondom het hoofdveld circa 1100 m² aan (vergunde) gebouwen aanwezig.

Langs de noord- en oostzijde van het hoofdveld zijn op het moment van schrijven ook tribunes aanwezig, die dateren uit de tijd dat er betaald voetbal werd gespeeld op het sportpark. Van deze tribunes is de (tijdelijke) omgevingsvergunning verlopen. Uit dit bestemmingsplan zal (mede) moeten blijken in hoeverre die tribunes opnieuw vergund kunnen worden. Hetzelfde geldt voor een aantal van de aanwezige lichtmasten, een kantoorunit en een drietal kleine verkooppunten.

De parkeerplaatsen zijn gelegen langs de Laan van Spitsbergen en direct ten noorden van het hoofdveld. Wanneer deze plaatsen vol zijn, geschiedt het parkeren op het grote parkeerterrein bij (natuur)park Berg en Bos. Daarvandaan gaan de bezoekers te voet richting het sportpark.

In de strook tussen de genoemde woningen aan de J.C. Wilslaan en het sportpark loopt de Badhuisspreng. Deze wordt gevoegd door een klein meer, die gelegen is tussen het plangebied en de Apenheul. Daarvandaan loopt deze spreng, via het plangebied oostwaarts richting het centrum van Apeldoorn, door een kunstmatige vallei met steile hellingen. Door de ligging tussen de bomen en achter de bebouwing van de J.C. Wilslaan, heeft de sprengvallei een verborgen karakter.

Ten zuidwesten van het sportpark is een hoge mast aanwezig voor de telecommunicatie.

3.3 Groenstructuur

Het plangebied kent een sterke groenstructuur. Te midden van bos, liggen vier sportvelden. Dit bos sluit aan bij het (bos)massief van de Veluwe. De Laan van Spitsbergen, een belangrijke laan in de groenstructuur van de stad, vormt de scheiding tussen dat bos en de stad. Het bos bestaat uit een mengeling van loof- en naaldbomen. Deze bosrijke omgeving is een unieke setting voor een voetbalvereniging. Mede gezien de historie ervan, is dat een behoudenswaardige kwaliteit.

3.4 Natuurwaarden

Op het sportpark (binnen het hekwerk) zijn beperkte natuurwaarden aanwezig. Het bos tussen de twee noordelijke velden betreft een douglasbos met een ouderdom van 90 jaar. Het is een productiebos dat niet tot een beschermd habitattype behoort. Nabij het zuidwestelijk sportterrein is een open bosrand aanwezig. Een klein deel van het terrein, in de zuidoosthoek, bestaat uit beukenbos van circa 70 jaar oud. Het sportpark wordt nagenoeg alleen gebruikt door algemeen voorkomende diersoorten. Hetgeen verklaarbaar is door het intensieve gebruik van de velden.

Buiten het hekwerk zijn de natuurwaarden hoger. Tussen het sportpark en Groenoordlaan is oud gemengd bos (circa 90 jaar) aanwezig met grove den, berk, beuk en Amerikaanse eik met bosbes en vossebes in ondergroei. Dit bos behoort door groot aandeel grove den en Amerikaanse eik niet tot een beschermd habitattype. Het bosgebied wordt gebruikt door diverse, beschermde soorten zoals: boomklever, grote bonte specht, eekhoorn en boommarter. Ook rondom de Badhuisspreng is waardevolle natuur aanwezig. Enkele bijburchten van de das zijn buiten het hekwerk, op circa 300 meter afstand, aanwezig.

3.5 Verkeer en vervoer

Het sportpark is direct ontsloten op de Laan van Spitsbergen. De Laan van Spitsbergen maakt onderdeel uit van de hoofdwegenstructuur van Apeldoorn. De Laan van Spitsbergen haakt in het zuiden aan op de Europaweg, die richting een afslag van de A1 voert. Richting het noorden, via de Jachtlaan en bedrijventerrein Noordoostpoort is een afslag van de A50 snel en eenvoudig bereikbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0013.jpg"

Figuur 10: Ligging plangebied (oranje kader) binnen wegenstructuur van Apeldoorn.

Per openbaar vervoer is het sportpark per (stads)bus te bereiken vanaf het treinstation in het centrum van Apeldoorn. Langs de John F. Kennedylaan is, ter hoogte van de kruising met de Waltersingel, een bushalte aanwezig. Die halte ligt op enkele minuten loopafstand van het sportpark.

3.6 Archeologie

Het plangebied ligt op de glooiing van een stuwwal, op de meer hooggelegen (podzol)gronden. Daarnaast doorkruist een spreng het plangebied. Beide zaken zijn aanwijzingen voor vroege, menselijke activiteiten in het gebied. Het plangebied kent daarom een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en een hoge verwachtingswaarde ter plaatse van de spreng.

Binnen het plangebied is één archeologische vondst bekend. Het gaat om een grafheuvel die dateert uit periode tussen het Laat Neolithicum en de Midden Bronstijd. Dit betreft een relatief oude melding, waar verder nauwelijks documentatie over beschikbaar is. Deze grafheveul was aanwezig op de plek waar nu het clubgebouw staat, ten noordwesten van het hoofdveld. Deze grafheuvel is nu dan ook niet meer herkenbaar in het veld.

3.7 Cultuurhistorie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie is de beschreven ruimtelijke hoofdopzet van het plangebied waardevol, met de sprengvallei, in het noordoosten, de vier verspreid in het bos gelegen sportvelden, de padenstructuur en de groenelementen. Deze opzet vormt van oorsprong onderdeel van het park Berg en Bos, dat dateert uit 1919-1940. Daarnaast zijn er enkele waardevolle gebouwen en elementen, die zijn benoemd tot gemeentelijk monument. Het betreft de historische tribune bij het hoofdveld met talud, uit 1925; een kleedlokaal (thans spelershome) uit 1932; en een glas-in-loodraam met herinneringsplaquette in het clubgebouw, uit de jaren 50 van de twintigste eeuw.

3.8 Kabels en leidingen

Het plangebied wordt niet doorkruist door kabels en/of leidingen waar specifiek rekening mee gehouden dient te worden bij nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen.

3.9 Huidige gebruiker

De huidige gebruiker is voetbalvereniging AGOVV. Deze vereniging is eigenaar van de velden de bouwwerken daaromheen en een gedeelte van de gronden rondom het hoofdveld. De overige gronden betreffen gemeente-eigendom. De vereniging wenst het huidige gebruik van het sportpark te continueren. Daarnaast wil de vereniging een grotere bijdrage leveren aan de maatschappij, door het sportpark voor meer te gebruiken of te laten gebruiken dan alleen voetbal. Dit gaat onder de vlag van breedtesport en maatschappelijke verantwoord ondernemen. Meer concreet komt dit er op neer dat de vereniging ruimte wil kunnen bieden aan maatschappelijke en culture functies die gebruik maken van de faciliteiten op het sportpark.

Ook op sportief gebied wenst de vereniging de activiteiten naar een hoger niveau te tillen. De ambitie van de vereniging is om het hoogste niveau binnen het amateurvoetbal te bereiken. Om deze ambitie mede gestalte te geven organiseert de vereniging jaarlijks nationale en internationale toernooien. Ook wil de vereniging jaarlijks een of meerder voetbalevenementen organiseren, zoals voetbalwedstijden met gerenomeerde clubs. Een (nieuwe) terugkeer naar het betaalde voetbal behoort in het geheel niet tot de ambitie van de vereniging.

In de visie van de vereniging hoort bij het realiseren van de beschreven doelstellingen en ambitie een geschikte accomodatie. Met de aanwezige, maar meer niet-vergunde tribunes is voor de vereniging een geschikte accomodatie aanwezig. De vereniging wil deze tribunes dan ook graag laten staan danwel in ieder geval de mogelijkheid behouden om tribunes te kunnen realiseren. Inclusief de monumentale tribune gaat het in totaal om 3.250 zitplaatsen.
Verder heeft de vereniging het voornemen om een deel van de gebouwen op het sportpark mede te laten gebruiken voor binnensporten. Gedacht moet dan worden aan sporten die normaliter niet buiten worden beoefend, zoals biljart, dammen en bridge.

4 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE VISIE

Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke en functionele visie op het sportpark weer. Met de bestaande situatie als vertrekpunt, wordt de kijk op de (mogelijke) ruimtelijke ontwikkelingen op het sportpark voor de komende jaren geschetst. Die visie dient als basis voor de opgestelde planregeling.

4.1 Behoud van kwaliteiten

Het sportpark is een unieke plek. Een bosrijke omgeving vormt al bijna een eeuw de thuislocatie van een voetbalvereniging. Deze locatie ligt goed ontsloten aan de hoofdwegenstructuur, aan de rand van de stad. Het sportpark omvat bijzondere, ruimtelijke kwaliteiten die bescherming behoeven. Gelijktijdig zijn toereikende bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gebruiker een pré. Op die wijze kan een duurzaam gebruik van het sportpark gestimuleerd wordt.

Hoofddoelstelling van dit bestemmingsplan is het behouden van deze bijzondere entourage in Apeldoorn voor sportbeoefening.

4.2 Functionele koers

Enerzijds liggen in de omgeving van het sportpark enkele rustige woonbuurten. Anderszijds zijn enkele, drukke, doorgaande wegen aanwezig, evenals diverse publiekstrekkers. Daarnaast is de opzet van het sportpark, zowel in ruimtelijk als in cultuurhistorisch opzicht, waardevol.

In lijn met het voorbereidingsbesluit voor het sportpark, is gekozen voor het inperken van de mogelijke sportfuncties. Het geldende bestemmingsplan maakte in principe alle sportfuncties mogelijk, in dit plan is dat teruggebracht tot veldsporten. Dat is waar de huidige opzet van het sportpark op gerealiseerd is. Op die wijze biedt de beoogde inperking dan ook een goede borging van het behoud van die opzet. Gelijktijdig wordt hiermee rekenschap gegeven aan de belangen van omwonenenden. De vestiging van (mogelijke) milieuhinderlijke sportfuncties wordt niet langer mogelijk gemaakt. Evenementen blijven beperkt tot die evenementen die direct verband houden met de toegestane vorm van sportbeoefening.

Hierbij is ten opzichte van het huidige gebruik, voetbal, bewust gekozen voor een veralgemenisering tot veldsporten. De ruimtelijke impact van voetbal is niet anders dan andere veldsporten, zoals hockey, rugby of korfbal.

Gelijktijdig is, naar aanleiding van de wens daartoe van de huidige gebruiker, bezien of een verbreding van de mogelijke functies op het sportpark mogelijk is. Gelet op de bovenstaande uitgangspunten kan dit alleen in beperkte mate. Het zou dan om medegebruik moeten gaan van de aanwezige voorzieningen die onder de noemer 'veldsporten'. Een zelfstandig gebruik hiervoor zou alleen een ondergeschikt deel van de toegestane gebouwen betreffen. In paragraaf 4.5 wordt dit nader uitgewerkt.

4.3 Ruimtelijke koers

Belangrijk, ruimtelijk kenmerk van het sportpark is de ligging van de vier velden te midden van bospercelen. Ook op het sportpark zelf is bosgrond aanwezig, die bijdraagt aan de ruimtelijke karakteristiek. Functioneel gaat het om bosgrond die hoort bij het sportpark. Daarbinnen zijn diverse paden aanwezig, die de vier speelvelden met elkaar verbinden. De hoofdmoot van het bos op het sportpark ligt tussen de westelijke en de oostelijke velden.

In de bestaande situatie zijn de gebouwen en bouwwerken geconcentreerd rondom het hoofdveld. Ruimtelijk gezien is deze situering logisch en wenselijk. Bij de andere velden, die verder van de stad af liggen, is bebouwing praktisch afwezig. Daarom is in dit plan gekozen van het formaliseren van de concentratie van de bebouwing rondom het hoofdveld. Dat zal gebeuren door een bouwvlak aan te geven.

Met het continueringen van de bestaande functie, wordt ook uitgegaan van het doorzetten van de bestaande bouwmogelijkheden. Die bouwmogelijkheden zijn toereikend. Dit plan maakt 1500 m² aan gebouwen mogelijk, met een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 8 meter.

Anders dan in het geldende plan, worden voor sportvoorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hoogtebepalingen opgenomen. Die zijn toegespitst op bouwwerken die gebruikelijk zijn op een sportpark, zoals tribunes, ballenvangers, lichtmasten.

Het geldende bestemmingsplan voorzag in het ongelimiteerd plaatsen van tribunes op het sportpark, zolang het maar geen gebouwen betroffen. De huidige gebruiker heeft inzichtelijk gemaakt behoefte te hebben aan tribunes, meer dan de vergunde, monumentale tribune (zie paragraaf 3.9). Toch kan het geldende recht op dit punt niet onverkort worden doorgezet. Hierboven is reeds uiteengezet dat een concentratie van de faciliteiten rond het hoofdveld, vanuit ruimtelijk oogpunt de voorkeur verdient. Tribunes zullen daarom alleen nog maar rond het hoofdveld mogelijk zijn. Daarnaast is de parkeersituatie op het sportpark en de omgeving beperkend. Naast de vergunde, monumentale tribune (circa 750 zitplaatsen) is de parkeersituatie berekend op de niet meer vergunde tribunes rond het hoofdveld. Dat betreffen in totaal 2500 zitplaatsen. Verder is een inperking van het geldende recht nodig om een goed woon- en leefklimaat in omliggende woningen te kunnen garanderen. Met een totaal van maximaal 3250 zitplaatsen en de inperking van het gebruik tot 'veldsporten' kan een goed woon- en leefklimaat in de omliggende woningen worden gegarandeerd (zie paragraaf 5.1).

4.4 Verkeer en parkeren

Op een klein parkeerterrein op het sportpark (ruim 60 plaatsen) en op het grote parkeerterrein bij natuurpark Berg en Bos kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van het sportpark. Op dat laatste terrein zijn ruim 1500 parkeerplaatsen aanwezig. De capaciteit van de hoofdwegen die het sportpark gebruikt voor zijn ontsluiting zijn toereikend.

In het verleden heeft de gebruiker van het sportpark het kleine parkeerterrein langs de Laan van Spitsbergen een aantal maal verhuurd aan andere functies in de omgeving. Op die wijze konden die functies hun parkeerbehoefte (deels) kwijt op de momenten dat het sportpark niet in gebruik is. Mede gelet op de goede ontsluiting is dit een vorm van dubbelgebruik die hier goed passend is, zonder dat de ruimtelijke effecten van het sportpark wezenlijk toenemen. Het bestemmingsplan zal dan ook voorzien in deze vorm van dubbelgebruik.

4.5 Medegebruik

De huidige gebruiker van het sportpark wil meer zijn dan een vereniging waarbinnen gesport wordt. De vereniging wil een bijdrage leveren aan de maatschappij. Daarvoor wil de vereniging graag de mogelijkheid hebben om maatschappelijke en culture functies c.q. zorgfuncties een plek te kunnen geven op sportpark, waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanwezige faciliteiten. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan het ondersteunen van reïntegratietrajecten, sportactiviteiten voor mensen met een beperking en fysiotherapie.

Binnen de huidige, maatschappelijke context zijn de wensen van de vereniging reële wensen. Maar gezien de beschreven ruimtelijke en functionele koers, wordt een functieverbreding echter ook beperkt mogelijk geacht. Het karakter van een 'bosrijke locatie voor veldsport' moet behouden blijven en hinder voor omwonenden moet worden voorkomen. Daarnaast geldt dat de voornemens van de vereniging weinig concreet zijn op dit punt.

Daarom worden nieuwe, maatschappelijke nevenfuncties op het sportpark niet zondermeer toegestaan op het sportpark. Alleen via een afwijkingsbevoegdheid kan daaraan medewerking worden verleend. Deze bevoegdheid voorziet in het medegebruik van onbebouwde grond en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een beperkt aantal maatschappelijke functies. Van de gebouwen kan alleen een ondergeschikt deel, via de afwijingsbevoegheid, voor die maatschappelijke functies gebruikt worden. Het gaat dan om maximaal 150 m² (10% van 1500 m²). Gedacht kan dan bijvoorbeeld worden aan kinderopvang of fysiotherapie. Voorwaarden voor de bevoegdheid zijn dat de ruimtelijke kwaliteit van het sportpark in stand blijft en dat de effecten op de omgeving aanvaardbaar blijven.

Ook de wens van de vereniging om binnensport te faciliteren is beperkt qua concreetheid. Maar dit betreft wel een voornemen om geldende rechten te gaan benutten. Anderszijds geldt ook hiervoor dat het streven is om het ruimtelijke karakter van het sportpark te handhaven. Daarom geldt ook hiervoor dat het bij voorkeur om medegebruik gaat van faciliteiten voor veldsport. Dit overwegende is ervoor gekozen een afwijkingsbevoegdheid in dit plan op te nemen voor binnensporten. Met die bevoegdheid kan worden voorzien in het gebruik van bestaande gebouwen voor binnensporten tot maximaal 300 m².

5 UITVOERBAARHEID

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.

Onderzoeksresultaten bodem

Bij de Gemeente Apeldoorn zijn onderstaande bodemonderzoeken bekend:

  • Laan van Spitsbergen 2 historisch onderzoek, Syncera, C0200001652, 04-01-2005
  • Verkennend onderzoek NEN 5740 Laan van Spitsbergen 2, De Klinker, 020802LA.510, 28-08-2008
  • Verkennend onderzoek NEN/VKB Laan van Spitsbergen 2, Furgo, 82030224, 01-08-2003
  • Verkennend onderzoek NEN-5740 Laan van Spitsbergen 2, MUG, 3-245-08-01, 2-02-2004

Uit de onderzoeken blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met PAK. De ondergrond is niet verontreinigd voor de onderzochte stoffen. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5 m-mv en is conform de NEN 5740 niet onderzocht.

Uit het historisch onderzoek komt naar voren dat er een tank ligt (heeft gelegen) in de kelder van het clubhuis. Deze tank is nog niet voldoende onderzocht op het niveau van het verkennend bodemonderzoek.

5.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen gebieden met functiemenging zijn er milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn of worden gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Onderhavig plan betreft uitsluitend een milieubelastende functie. Derhalve is alleen sprake van een uitwaartse zonering. Aangezien in de omgeving diverse, drukke doorgaande wegen liggen, kunnen de milieuzones worden gecorrigeerd naar het omgevingstype 'gemengd gebied'. Een sportveldencomplex met verlichting heeft een (gecorrigeerde) milieuzone van 30 meter (milieucategorie 3.1). Binnen die zone bevinden zicht geen gevoelige objecten.

Met betrekking tot het voorkomen van lichthinder moet voldaan worden aan de eisen uit het Besluit houdende algemene regels voor inrichtingen (Activiteitenbesluit).

5.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen. Het plan voorziet echter niet in de realisatie van geluidgevoelige objecten. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

5.1.5 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan c.q. de vrijstelling niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de vrijstelling per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan c.q. de vrijstelling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan c.q. het verlenen van een vrijstelling in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan dan 3000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer een voorgenomen ontwikkeling niet onder de categorieën van gevallen valt, kan het bestuursorgaan op andere wijze aannemelijk maken dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen waarvoor grenswaarden gelden.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan voorziet in hoofdzaak ik het vastleggen van een al aanwezige situatie. De nog niet benutten ontwikkelingsmogelijkheden brengen verkeersbewegingen met zich mee waarvan bij voorbaat kan worden aangenomen dat de effecten op de luchtkwaliteit daarvan lager zijn dan de projecten die per definitie niet in betekende mate bijdragen aan het verslechteren van de lucht kwaliteit, zoals een woningbouwlocatie met 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Daarom kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat dit plan niet in betekende mate bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit en dat luchtkwaliteitsonderzoek daarom niet nodig is.

5.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het Bevi heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Bevi gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening afstand aan te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven. Het Bevi regelt hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het Bevi het plaatsgebonden risico vast en geeft het een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor het realiseren van de nieuwe bebouwing.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor het realiseren van de nieuwe bebouwing.

Buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Transport gevaarlijke stoffen

Op basis van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen dient het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) van de transportroute te worden bepaald en te worden verantwoord. Hierbij wordt dezelfde systematiek als in het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) toegepast. Op circa 10 meter van de inrichtingsgrens en ongeveer 50 meter van het sportpark is Laan van Spitsbergen gelegen. De planlocatie is gelegen binnen de invloedsgebied van 200 meter van deze ringweg door Apeldoorn. Het gedeelte van de Laan van Spitsbergen waaraan het complex van AGOVV is gelegen betreft geen route waarover LPG getransporteerd wordt. De mogelijkheid bestaat wel dat er incidenteel transport van benzine of diesel plaats vindt. Uit de resultaten zoals opgenomen in de notitie 'Deelonderbouwing voor de Uitvoeringsnotitie verantwoording Groepsrisico' (d.d. maart 2009) die door het Projectbureau Externe Veiligheid van de Regio Stedendriehoek is opgesteld blijkt dat in een worst case scenario geen groepsrisico aanwezig is. Een PR-contour is ook niet aanwezig.

Gelet op de beperkte bevolkingsdichtheid in relatie tot het verwaarloosbare aantal vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen neemt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet significant toe en is een nadere verantwoording niet noodzakelijk

5.1.7 Elektromagnetische straling

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. In het plangebied zijn zendmasten aanwezig met antennes op een hoogte van 30 meter. De veilige afstand is vanaf 2,16 meter recht voor de antenne en 0.5 meter onder de antenne. Gelet op het feit dat de antennes op een hoogte van 30 meter hangen vormt de aanwezigheid van de masten geen belemmering voor de realisatie van nieuwe bebouwing.

5.2 Waterhuishouding

5.2.1 Grondwater

Het plangebied ligt ten westen van het Apeldoorn Kanaal en daarmee deels, langs de oostzijde, in (de buffer van) de in het Streekplan vastgelegde grondwaterfluctuatiezone. Uit gegevens van peilbuizen in de omgeving blijkt dat het grondwaterpeil in het plangebied tussen de 7 en 10 meter onder maaiveldniveau ligt. Door deze lage grondwaterstand zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld. Het plangebied ligt buiten het grondwaterbeschermingsgebied ten westen van de stad Apeldoorn, maar deels wel binnen het 100 jaars intrekgebied dat daar bij hoort. Eventuele, nieuwe bebouwing is buiten dat gebied geprojecteerd.

5.2.2 Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Een van de sprengkoppen van de Badhuisspreng is gesitueerd in het plangebied. Deze sprengkop staat in verbinding met de vijver in het Park Berg en Bos. De sprengkop wordt gevoed door grondwater en incidenteel door overtollig oppervlaktewater uit de vijver. De Badhuisspreng is onderdeel van het beekherstelprogramma van de gemeente Apeldoorn. In de toekomst zal de Badhuisspreng worden hersteld. Op dit moment vormt de incidentele watervoerendheid van de spreng een belemmering voor het herstel. De spreng is een a-watergang waarop de keur van het waterschap rust. De spreng behoort niet tot de HEN- en/of SED-wateren. Dit plan heeft geen (nadelig) gevolgen voor de waterkwaliteit en –kwantiteit van de spreng.

De geplande ontwikkelingen hebben geen invloed op de spreng en de sprengzone. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. 

In en om het plangebied komt geen waardevolle, waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

5.2.3 Afvoer van hemelwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en hemelwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken. Het plangebied ligt niet in een zoekgebied voor waterberging.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van hemelwater niet op de riolering aan te sluiten. In de Bouwverordening is bepaald dat het hemelwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

De (bouw)materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen.

In dit plangebied wordt het hemelwater geinfiltreerd in de bodem. Door geen geloogde bouwmaterialen te gebruiken, wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.

5.2.4 Afvoer van afvalwater

Eventuele nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en hemelwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit.

5.2.5 Watertoets

Het plan omvat minder dan 1.500 m² extra verhard oppervlak. Bouwmogelijkheden liggen niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

5.3 Natuurwaarden

5.3.1 Algemeen

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de provinciale richtlijn voor Bos- en natuurcompensatie.

Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. Op grond van artikel 75 van de wet kan ontheffing van het verbod worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AmvB gelden enkele ontheffingen van het verbod. Het systeem werkt als volgt:

  • algemene soorten
    Voor de (met name genoemde) algemene soorten geldt (onder andere) voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing van het verbod.
  • overige soorten
    Voor de overige (met name genoemde) soorten geldt (onder andere) voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium 'doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort'.
  • soorten bijlage IV Habitatrichtlijn/bijlage 1 AmvB
    Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AmvB artikel 75 is voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing nodig. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • 1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang (daaronder valt de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling); en
    • 2. er is geen alternatief; en
    • 3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.

Vogels vormen een aparte groep: activiteiten die verstorend zijn gedurende de broedperiode van voorkomende broedvogels zijn niet toegestaan; een ontheffingsmogelijkheid ontbreekt dan ook. Daarnaast is voor aantasting van vaste verblijfplaatsen van vogels (nesten die jaarlijks terugkerend worden bezocht) buiten de broedperiode een ontheffingsprocedure van belang.

Gebiedsbescherming

Naast de hiervoor beschreven soortbescherming kan ook een gebiedsbescherming gelden op grond van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en/of Habitatrichtlijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1083-ont2_0014.jpg"

Figuur 11: ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Vogel- en Habitatrichtlijngebied de Veluwe (groen).

Bos- en natuurcompensatie

Flora wordt ook beschermd door de Boswet en de provinciale richtlijn Bos- en natuurcompensatie uit 1998, die is gericht op de instandhouding van het bos- en natuurareaal in de provincie Gelderland. Voor gronden met de hoofd- of medebestemming 'Bos' en 'Natuur' die in het kader van ruimtelijke planvorming wordt aangetast, gelden bepaalde compensatieregels. Deze compensatie is afhankelijk van de vervangbaarheid van de aan te tasten natuur of de leeftijd van het te kappen bos. Bij bos jonger dan 25 jaar geldt een compensatie van 120%; voor bos van 25 tot 100 jaar 130% en voor bos ouder dan 100 jaar, 140%. Voor gronden binnen de bebouwde kom die volgens de criteria van de Boswet herplantplichtig zijn (bosjes van minimaal 10 are of 20 bomen in rijbeplanting) geldt eveneens de compensatieverplichting vanuit de richtlijn.

5.3.2 Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan voorziet in het bestemmen van een aanwezige situatie. Overtredingen van de Flora en Faunawet zijn derhalve niet te verwachten. Dit plan heeft geen significanf effect op een gebied dat beschermd is op grond van de Natuurbeschermingswet. Verder leidt het plan ook niet tot het verdwijnen van bos die beschermd is op basis van de Boswet.

5.4 Cultuurhistorie

5.4.1 Cultuurhistorische waarden

De bestaande groene opzet van het sportpark blijft gehandhaafd. Rondom de monumentale tribune wordt geen bebouwing toegevoegd. Die monumentale waarde wordt derhalve niet verstoord. De overige cultuurhistorische waarden in het plangebied, namelijk de hoofdstructuur met het bosachtige karakter en de 'sprengvallei' ten langs de noordoostzijde van het plangebied worden niet aangetast door de plannen.

5.4.2 Archeologische waarden

Door een dubbelbestemming voor (naar verwachting aanwezige) archeologische waarden met bijpassende regels, worden mogelijk aanwezige, archeologische waarden beschermd.

5.5 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan voorziet in hoofdzaak in het bestemmen van een aanwezige situatie. De financieel-economische uitvoerbaarheid is derhalve niet in het geding. Er behoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

6 JURIDISCHE PLANOPZET

6.1 Inleiding

In hoofdstuk 4 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 5 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 6.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 6.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 6.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

6.2 Karakter bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Laan van Spitsbergen 2 is een beheerplan. Uitgangspunt is constistent bestemmen in de aanwezige situatie en het beschermen van de aanwezige kwaliteiten.

6.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

Bos

De bestemming Bos is opgenomen om een eenduidige regeling te krijgen voor het sportpark en de directe omgeving. In verband met de grofmazigheid van het geldende plan, is het huidige bestemmingsvlak is namelijk groter dan het aanwezige sportpark. Het gaat hier om stukken bosgrond. Door het omliggende bosgebied in het plangebied te betrekken kan een en ander worden gecorrigeerd. Dat corrigeren is gedaan op basis van de feitelijke situatie en de eigendomssituatie.

Op de gronden met de bestemming Bos zijn bos, struikgewas, hakhout en afschermende groenbeplanting toegestaan. Daarnaast zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, de bescherming en de versterking van het bos met de bijbehorende landschaps- en natuurwaarden. Verder zijn paden en nutsvoorzieningen toegestaan.

Direct ten zuiden van het sportpark is een mast voor telecommunicatie gelegen die hoger is dan 15 meter. In deze mast wordt met een specifieke aanduiding binnen de bestemming Bos voorzien.

Sport

Met de bestemmings Sport is de geldende bestemming Sportvoorzieningen doorvertaald. Op de gronden met de bestemming Sport is een veldsportcomplex toegestaan. Daaronder wordt verstaan: veldsporten, met bijbehorende voorzieningen. De gebruiksmogelijkheden voor sport worden daarmee, in vergelijking met het huidige plan, aanmerkelijk teruggebracht: alleen de aanwezige functie is nog mogelijk. Die reductie is aangebracht in verband met milieuzoneringen en in verband met het behouden van de ruimtelijke opzet. Verder zijn binnen deze bestemming ook nutsvoorzieningen en sportevenementen toegestaan. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor de bescherming van de bestaande houtopstanden.

Ruimtelijk is het gewenst dat de bebouwing zich concentreert rondom het hoofdveld en niet dat bouwmogelijkheden worden aangewend voor gebouwen bij een van de andere velden. Om daar uitvoering aan te geven is aan het bestemmingsvlak een bouwvlak toegekend. Alleen daarbinnen is het toegestaan gebouwen op te richten. De bestaande gebouwen rondom het hoofdveld en de nieuw te realiseren gebouwen zijn binnen dat bouwvlak gelegen. In de regels wordt daar een maximum van 1500 m² aan gekoppeld. Voor de maximum goot- en bouwhoogte voor gebouwen zijn de geldende waarden aangehouden: 4 respectievelijk 8 meter.

In het geldende bestemmingsplan geldt voor tribunes geen oppervlaktebeperking. Afhankelijk van de uitvoering kan een tribune een gebouw zijn of een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Qua ruimtebeslag en capaciteit hoeft tussen beide varianten geen verschil aanwezig te zijn. Daarop gelet zijn tribunes opgenomen als aparte categorie in het bebouwingschema. Tribunes dienen, net als gebouwen, binnen het bouwvlak te zijn gelegen. Daarbij is niet het grondbeslag bepalend, maar de capaciteit uitgedrukt in het aantal zitplaatsen.

Met een specifieke gebruiksregel is geregeld dat de bezoekerscapaciteit, uitgedrukt in het aantal zitplaatsen dat redelijkerwijs op enig moment in gebruik is, niet meer mag bedragen dan 3250. Dat aantal is gebaseerd op de bestaande capaciteit plus de opnieuw te vergunnen tribunes. Qua ruimtelijke effecten kan de huidige functie van het sportpark zo niet verder groeien. De bouwmogelijkheden zijn weergegeven in een bebouwingschema.

Met deze constructie wordt voorkomen dat de ruimte voor tribunes (zondermeer) ingewisseld kan worden voor andere gebouwen en vice versa. Tribunes die niet als zelfstandig bouwwerk aan te merken zijn, maar onderdeel zijn van een gebouw, worden geacht onderdeel uit te maken van dat gebouw en tellen daarom mee bij de oppervlaktebepaling van de gebouwen, niet zijnde tribunes.

De hoofdmoot van het bos op het sportpark ligt tussen de westelijke en de oostelijke velden. Met de functieaanduiding 'bos' wordt die hoofdmoot van extra bescherming voorzien. Grond met die aanduiding is tevens bestemd voor het behoud en de ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden.

In de bestemming zijn afwijkingsbepalingen opgenomen voor het gebruik. Deze zijn in paragraaf 4.5 reeds toegelicht.

Waarde - Archeologie Hoog en Waarde - Archeologie Middelhoog

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als gebied met hoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie Hoog gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als gebied met middelhoge trefkans op archeologische resten hebben de dubbelbestemming Waarde - Archeologie Middelhoog gekregen. Voor beide bestemmingen geldt dat bij het indienen van een bouwaanvraag voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (Hoog) respectievelijk 100 m2 (Middelhoog) tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Als uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk zullen worden verstoord kunnen burgemeester en wethouders bepaalde voorwaarden aan de bouwvergunning verbinden. Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren. Voor een aantal werken en werkzaamheden geldt in beide bestemmingen een aanlegvergunningvereiste.


Waarde - Beken en sprengen

De dubbelbestemming Waarde - Beken en sprengen is gegeven aan het tracé van de Badhuisspreng. De gronden zijn, naast de daar voorkomende besteming Bos, mede bestemd voor het beheer, herstel en onderhoud van de landschappelijk en ecologisch waardevolle sprengen. De dubbelbestemming beoogt ook de sprengoevers te beschermen. Daarom is het bestemmingsvlak beduidend breder dan de spreng zelf. Op de gronden met deze dubbelbestemming mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van het beheer van de beken of sprengen worden gebouwd. Andere gebouwen zijn, mits passend binnen de andere bestemming, uitsluitend toegestaan door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Er kan pas afgeweken worden wanneer vooraf advies van de beheerder van de beek of spreng is opgenomen. Als voorwaarde is daarnaast opgenomen dat de landschappelijke en ecologische waarden van de beek of spreng niet mogen worden aangetast. Ook deze bestemming kent voor een aantal werken en werkzaamheden een aanlegvergunningvereiste.

6.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) zijn regels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 9 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. In lid 9.1 is onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen in het hele pangebied is toegestaan. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

In artikel 10 staan de algemene gebruiksregels. Hierin is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming.

In artikel 13 staan de procedureregels die bij nadere eisen in acht genomen moeten worden. Artikel 14 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

7 INSPRAAK EN OVERLEG

7.1 Inspraak

Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde heeft geen voorontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen.

7.2 Totstandkoming plan

P.M.