direct naar inhoud van 4.1 Milieu
Plan: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Ecofactorij
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1071-ont1

4.1 Milieu

Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan bedrijventerrein Ecofactorij is een beheerplan. Er worden ten opzichte van het geldende juridische kader geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Bodem

Voor het grootste deel van het plangebied, ter hoogte van het bedrijventerrein, is in de periode 1997 tot 2011 de kwaliteit van de bodem en het grondwater onderzocht. Uit het gemeentelijk Bodem Informatiesysteem (afgekort BIS) blijken een zeer beperkt aantal locaties waar op basis van onderzoek verontreiniging van de bodem is vastgesteld. Voor zover bekend betreft het hier geen gevallen van bodemverontreiniging welke op korte termijn saneringsmaatregelen behoeven. Omdat in dit bestemmingsplan sprake is van herbestemmen van bestaande situaties is op dit moment geen nader inzicht vooraf in de bodemsituatie nodig.
Bij (vervangende) nieuwbouw zal apart bodemonderzoek gedaan worden in het kader van de Omgevingsvergunningaanvraag (rekening houdende met de bovengenoemde informatie uit het BIS).

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussenbedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

De omgeving van het bedrijventerrein Ecofactorij is divers van aard. Aanwezig is een woonwijk, buitengebied en een gebied met een gemengd karakter. Op basis hiervan is bij de interne milieuzonering van het bedrijventerrein uitgegaan van het gebiedstype rustige woonwijk. Hier dienen in principe de richtafstanden uit de hiervoor opgenomen tabel te worden aangehouden. In dit bestemmingsplan is dat gedaan door voor die gebieden de aanwezige bedrijven de bestemming Bedrijfsterrein te geven en daarbinnen die milieucategorie toe te laten die op grond van de afstand tot omringende milieugevoelige functies toelaatbaar is.

Op basis van de aan te houden afstanden uit de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 is het bedrijventerrein ingedeeld in de milieuzones 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2. Dit overeenkomstig de aangehouden duurzaamheidsprincipes aangaande Energie, water en afval. De bedrijvenlijst van het bestemmingsplan, die is gebaseerd op genoemde VNG uitgave en deel uitmaakt van de regels, richt zich in hoofdzaak op grootschalige productiebedrijven en distributiebedrijven, behorende tot milieucategorie 3 en 4. Dit overeenkomstig de bedrijvenlijst uit het geldende bestemmingsplan.

Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Dit bestemmingsplan laat geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige functies toe. Bovendien worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Op grond van de Wet geluidhinder hoeft daarom geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

De Ecofactorij betreft geen op grond van de Wet geluidhinder geluidgezoneerd industrieterrein. Inrichtingen als bedoeld in als genoemd in Bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht van het Besluit omgevingsrecht (de zgn. 'grote lawaaimakers') zijn dan ook niet toegestaan.

Het beleid inzake de geluidsproductie van inrichtingen op de Ecofactorij is vastgelegd in de Nota Geluidruimte Ecofactorij d.d. februari 2008. In deze nota is de Ecofactorij verdeeld in kavels. Per kavel is vastgelegd wat de maximale geluidsproductie mag zijn voor inrichtingen binnen het kavel. Bij het bepalen van de maximale geluidsproductie is uitgegaan van het omgevingsniveau op een aantal referentiepunten. Het gebied kent door de aanwezigheid van de A1, A50 en de Zutphensestraat een verhoogd omgevingsniveau.

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard, het legt de bestaande situatie vast. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op grond van de Wet milieubeheer is het daarom niet nodig de luchtkwaliteit te onderzoeken.

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteren het Bevi en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies.

In de bij deze toelichting gevoegde notitie van het Projectbureauexterne veiligheid van de Regio Stedendriehoek, Beoordeling externe veiligheid ten behoeve van het conserverende plan Ecofactorij (28337), kenmerk LS/2011-0242, d.d. 3 februari 2011, wordt nader ingegaan op dit onderwerp. Algehele conclusie is dat externe veiligheid geen belemmering oplevert.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijking van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtingsgrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Op Ecofactorij 20 is het bedrijf Interlogica b.v. gevestigd, een bedrijf met opslagmogelijkheden voor gevaarlijke stoffen. Dit bedrijf valt onder het Bevi. Interlogica b.v. ligt binnen het plangebied van bestemmingsplan Ecofactorij. Het bedrijf kent de volgende veiligheidsafstanden:

Installatie   Hi-ex inside air
compartiment  
Hi-ex outside air compartiment  
PR-10-6 contour
 
20 meter   55 meter  
Invloedsgebied voor bepaling Groepsrisico
 
320 meter   350 meter  
Coördinaten
(hoekpunten installatie)  
X198606/Y468067, X198629/Y468058,
X198604/ Y468007,
X198579/ Y468018  
X198632/Y468125, X198656/Y468114, X198606/Y468067, X198629/Y468058,
 

(Beperkt) kwetsbare objecten, zoals gedefinieerd in het Bevi zijn niet toegestaan binnen de PR 10-6 contouren, tenzij deze deel uitmaken van de Bevi-inrichting zelf. Om die reden zijn op de plankaart deze contouren opgenomen en is in de regels een verbodsbepaling hierover opgenomen.

Het bestemmingsplan laat bij recht uitsluitend al aanwezige Bevi-inrichtingen toe. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor nieuwvestiging, waaraan de voorwaarde is gekoppeld dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico of -indien van toepassing- de afstand als bedoeld in artikel 5 lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2 lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen de grens van de kavel van de risicovolle inrichting niet mag overschrijden en er geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Toetsing plaatsgebonden risicocontour

In de nabijheid van het plangebied Ecofactorij bevinden zich 3 transportroutes waarover gevaarlijke stoffen getransporteerd mogen worden, te weten: rijksweg A1, rijksweg A50 en de Zutphensestraat. Geen van de drie transportroutes kent een contour voor het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen beperking voor de planontwikkeling.


Toetsing en verantwoording groepsrisico

Gelet op de hoogte van het groepsrisico wordt het niet zinvol geacht om risicoreducerende maatregelen te evalueren voor de planvorming. Zowel op basis van het RNVGS als het concept Btev moet echter wel de rampenbestrijding alsmede de zelfredzaamheid van personen worden geëvalueerd. Gezien het conserverende karakter van het plan zijn er geen nieuwe ontwikkelingen waarop de hulpdiensten zich moeten prepareren.

De bereikbaarheid van het bedrijventerrein is goed te noemen, gezien de lay-out (overzichtelijke wegenstructuur en van verschillende aanrijd en ontvluchtingroutes) van het industrieterrein. Door de ruime opzet van het plangebied kunnen hulpdiensten eenvoudig bij locaties komen waardoor een calamiteit op de weg een secundair effect is opgetreden.

Verondersteld mag worden dat de personen die verblijven binnen de bedrijven die aanwezig zijn of opgericht worden binnen de planlocatie in een hoge mate zelfredzaam zijn. Het plangebied voorziet niet in bestemmingen voor ouderen, kinderen of gehandicapten.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van het RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1, K2 en K3 vloeistoffen'. Er wordt gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen. De minister van VROM heeft geadviseerd om ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen al uit te gaan van het nieuwe toetsingskader van deze AMvB, in plaats van de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen'.

In de nabijheid van het plangebied Ecofactorij bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

Binnen het plangebied zijn een aantal hoogspanningslijnen aanwezig. Gelet op de conserverende aard van het bestemmingsplan zijn er geen nieuwe objecten geprojecteerd welke het langdurig verblijf van kinderen toestaan. De aanwezigheid van de hoogspanningslijnen vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Wel bevat het bestemmingsplan een dubbelbestemming ter plaatse van de zakelijke rechtstrook van de lijnen. Dit ter bescherming van de lijnen.

Zendmasten

Binnen het plangebied ligt geen veiligheidscontour van een zendmast.

Radar

Het plangebied ligt binnen het radarverstoringsgebied van de radar Nieuw Milligen. Ter voorkoming van de radarverstoring zijn beperkingen van toepassing voor het oprichten van hoge gebouwen en overige bouwwerken. Voor op te richten bouwwerken hoger dan 45 meter boven de maaiveldhoogte bij de radar is het noodzakelijk een radarverstoringsonderzoek uit te voeren. Bij een uitkomst dat meer dan tien procent vermindering van het radarbereik in een bepaalde richting optreedt is de nieuwbouw niet toegestaan. Omdat de het maaiveld bij de radar op 45 meter boven NAP ligt bedraagt de toetsingshoogte 80 meter boven NAP.

De maaiveldhoogte in het plangebied is lager dan 10 meter boven NAP. Het bestemmingsplan laat bouwwerken toe tot maximaal 70 meter hoog. De toetsingshoogte wordt dus niet overschreden zodat een nadere regeling niet noodzakelijk is.