direct naar inhoud van 3.2 Geldend recht
Plan: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Ecofactorij
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1071-ont1

3.2 Geldend recht

Het geldend recht is vastgelegd in drie bestemmingsplannen. Het agrarisch gebied binnen het plangebied, nabij de A50, maakt deel uit van het bestemmingsplan Broekland-Woudhuis en heeft daarin de bestemming Agrarisch gebied met landschapswaarde. Er bevinden zich ter plaatse geen agrarische bouwvlakken. De A50 maakt deel uit van hetzelfde plan en kent de bestemming Wegen. De A1 ligt in het gebied waar nog het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1947 geldt. Bestemming voor het gebied waar de A1 deel van uitmaakt is Agrarische bedrijven klasse B.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1071-ont1_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1071-ont1_0009.png"

Het bedrijventerrein Ecofactorij, de spoorlijn, de Zutphensestraat en de Woudhuizermark maken deel uit van het Bestemmingsplan Bedrijventerrein Apeldoorn-Oost: Ecofactorij. Geldende bestemmingen zijn Bedrijfsdoeleinden, Spoorwegdoeleinden, Verkeersdoeleinden, Water (bedrijfsdoeleinden toegestaan) en Groen-/watervoorzieningen.

Zoals aangegeven is duurzaamheid in al zijn facetten leidraad geweest bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein. De ruimtelijk relevante onderdelen daarvan zijn vastgelegd in het geldende bestemmingsplan, deels in de vorm van een Beschrijving in Hoofdlijnen en deels in de vorm van concrete gebruiks- en bouwregels. Er is daarbij in het bestemmingsplan een verdeling naar de volgende onderwerpen aangehouden:

  • inrichting en vormgeving
  • bescherming archeologische waarden
  • meervoudig intensief grondgebruik
  • ruimtelijke en milieukwaliteit
  • energie, water en afval
  • verkeer en vervoer
  • handhaving en versterking bestaande kwaliteiten.

Per onderwerp zijn in het geldende bestemmingsplan uit 1999 uitgangspunten geformuleerd. Het betreft de volgende.

Inrichting en vormgeving

Uitgangspunt is dat grootschalige bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden, zodanig dat deze gebouwen een onderdeel van het grootschalige landschap zullen vormen. Dit is geregeld door:

  • uitsluitend bedrijven met een terreinomvang van tenminste 3 hectare toe te staan, behoudens vrijstelling (maximaal 20% van oppervlak van de bedrijfsbestemming);
  • het contrast tussen bebouwing en landschap te maximaliseren en de ecologische en belevingswaarde van de individuele kavels te versterken door 30% van de oppervlakte van het bedrijfskavel te bestemmen voor water en groen, geconcentreerd langs landschappelijke en ecologische elementen;
  • een vormgeving van de gebouwen die de duurzaamheid van het plangebied benadrukt, door het zichtbaar accentueren van het meervoudig intensief grondgebruik en technische voorzieningen ten behoeve van het duurzame energie- en waterverbruik en ketenbeheer;
  • een minimale maat voor het grondoppervlakte van een gebouw van 1000 m²;
  • een bebouwingspercentage van maximaal 50% per bedrijfskavel.

Bescherming archeologische waarden

Uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met de archeologische waarden in de in het bestemmingsplan aangegeven gebieden en om ter bescherming van deze waarden zonodig nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en de inrichting van de betreffende kavel.

Meervoudig intensief grondgebruik

Streven is bedrijfsactiviteiten die niet strikt op de begane grond dienen te worden uitgevoerd, op de verdiepingen te doen plaatsvinden (grondoppervlak kantoorruimte en showroom beperkt tot 500 m2). Met ruime maximaal toegestane bebouwingshoogtes wordt ruimte geboden voor meer bedrijfsvloeroppervlak en daarmee een intensiever ruimtegebruik.

Ruimtelijke en milieukwaliteit

Uitgangspunt is dat een ruimtelijke en milieukwaliteit ontwikkeld wordt, die een hoge toekomstwaarde garandeert. Dit is geregeld door:

  • het ontwikkelen van een bedrijfsterrein dat met minimale ingrepen in overeenstemming is te brengen met andere ruimtelijke en functionele gebruiksvormen, onder meer door zo weinig mogelijk infrastructuur aan te leggen en door hergebruiks-mogelijkheden van bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen na te streven;
  • het minimaliseren van het oppervlak aan verharding onder andere door een hoog percentage water en groen op de bedrijfsterreinen ten behoeve van waterbuffering en zo mogelijk natuurbouw en de ontwikkeling van droge en natte ecologische zones.

Energie, water en afval

Uitgangspunt is dat het beroep op conventionele energievoorzieningen tot een minimum beperkt wordt. Dit is geregeld door:

  • het bevorderen dat bedrijven aan hoge eisen op het gebied van duurzaamheid voldoen;
  • het streven naar de vestiging van productiebedrijven die een groot beroep doen op de water en energievoorziening dan wel afvalproducten van aangrenzende bedrijven en/of gronden (bedrijvenlijst van het bestemmingsplan bevat uitsluitend dit type bedrijven en distributiebedrijven, behorende tot milieucategorie 3 en 4);
  • te streven naar een centrale warmtekrachtcentrale dan wel decentrale warmtekrachtcentrales met als energiedrager biogas; ten behoeve van de centrale warmtekrachtcentrale wordt tenminste 2000 m² grondoppervlakte binnen het plangebied gereserveerd;
  • het realiseren van een duurzame en beeldbepalende waterstructuur in het plangebied in verband met het vasthouden van gebiedseigen water ten behoeve van hergebruik in het plangebied:

- door het realiseren van de centrale watergang, waarlangs waterwinning, -buffering en-zuivering mogelijk is, alsmede het mogelijk maken van deze activiteiten langs de Woudhuizermark;

- door het realiseren van een verbinding tussen de centrale watergang en de watergang die uit de Biezenmaten komt;

- door het stimuleren van het aanleggen van vijvers op het hoger gelegen terreingedeelte;

- door een koppeling van hemelwaterreservoirs en infiltratievijvers na te streven;

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1071-ont1_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1071-ont1_0011.png"

- door op de bedrijfskavels een grote buffercapaciteit te realiseren voor de opvang van water;

- door na te streven dat zoveel mogelijk zuivering en hergebruik van afvalwater plaats vindt, al dan niet in samenwerking tussen aangrenzende bedrijven.

Verkeer en vervoer

Uitgangspunt is dat een goede ontsluiting van het plangebied gerealiseerd wordt zonder negatieve uitstraling van het bedrijventerrein op de omgeving met betrekking tot verkeer en parkeren en dat het ruimtebeslag beperkt wordt. Dit is geregeld door:

  • het beperken van het vrachtverkeer over de weg:

- door het actief meewerken van de gemeente aan railcargo-voorzieningen (intermodaal en gecombineerd vervoerbedrijven), indien de ontwikkelingen na realisering van nieuwe railvoorzieningen daartoe aanleiding geven;

- door het bevorderen van vervoersmanagement en het bevorderen van ketenbeheer van de afvalstromen;

  • het beperken van het woon-werkverkeer per auto:

- door het beperken van het aantal parkeerplaatsen tot het aantal dat voor een B-locatie geldt, te weten0,5 parkeerplaats per 100 m2 vloeroppervlakte;

- door het niet toestaan dat langs de openbare weg parkeerplaatsen worden gerealiseerd

- door het mogelijk maken van een centraal parkeerterrein ten behoeve van het bedrijventerrein;

- door het realiseren van een fijnmazig, goed en (sociaal) veilig net van langzaamverkeersverbindingen;

- door het bevorderen van een bushalte langs de Zutphensestraat;

- door het bevorderen van de aanleg van light-railvoorzieningen met station;

- door te bevorderen dat bedrijven faciliteiten aanbieden ten behoeve van fietsverkeer en door collectief vervoer te bevorderen;

  • de centrale hoofdontsluiting van het plangebied op een duurzaam veilige wijze aan te sluiten op de Zutphensestraat.

Voor zover een aansluiting van bedrijven op het spoorwegnet wordt gerealiseerd mag een overslagperron worden opgericht. Wanneer de aanleg van een parallelspoor wordt gerealiseerd mag het bestemmingsplan gewijzigd worden ten behoeve van de aanleg van een spoorbaan naar bedrijven voor de aansluiting op het spoorwegennet.

Handhaving en versterking bestaande kwaliteiten

De bestaande kwaliteiten moet behouden blijven en verder worden ontwikkeld. Ten aanzien van de structuurelementen in het plangebied betekent dit het volgende:

  • versterking van de Woudhuizermark als landschappelijk en ecologisch belangrijk element met name door uitbreiding van de natte biotopen;
  • behoud van de bermen en taluds van de spoorlijn als belangrijke ecologische verbindingszone;
  • behoud van de IJsseldijk, als structurerende verbinding;
  • herprofilering van de Zutphensestraat tot een groene drager die past bij het historische karakter en de grote landschappelijke elementen van de groene scheg (Zonnehoeve/Groot Schuilenburg/Woudhuis/Bussloo) met elkaar verbindt.