direct naar inhoud van Artikel 4 Bedrijventerrein
Plan: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Ecofactorij
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1071-ont1

Artikel 4 Bedrijventerrein

4.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. bedrijven, waarbij geldt dat:
      • I. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorie 3.1 van de bij deze regels behorende Lijst toegelaten bedrijfstypen;
      • II. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorieën 3.1 en 3.2 van de bij deze regels behorende Lijst toegelaten bedrijfstypen;
      • III. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorieën 3.1, 3.2 en 4.1 van de bij deze regels behorende Lijst toegelaten bedrijfstypen;
      • IV. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de bij deze regels behorende Lijst toegelaten bedrijfstypen;
    • 2. ter plaatse van de navolgende aanduiding tevens is toegestaan:
Aanduiding   Bedrijf   Straatnaam   Huisnummer  
gh   groothandel met daarbij behorende en verwante activiteiten annex een intermodaal en gecombineerd vervoerbedrijf   Ecofactorij   20  

    • 1. een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg, ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';
    • 2. onderhouds-, reparatie-, productiebedrijven en dienstverlenende bedrijven, met bijbehorende voorzieningen, ten behoeve van de op de tot het plan behorende gronden gevestigde andere bedrijven (zgn. dienstverleningscentrum), die door fysieke clustering van activiteiten en diensten in één gebouwencomplex schaalvoordelen behalen op het gebied van ruimtegebruik en het gebruik van energie, water en (grond)stoffen;
    • 3. doeleinden gericht op het beheer van het bedrijventerrein (parkmanagement) en voorlichting;
    • 4. fiets- en voetpaden;
    • 5. groenvoorzieningen;
    • 6. nutsvoorzieningen;
    • 7. wegen;
    • 8. water, waaronder vijvers en sloten ten behoeve van de waterberging, waterafvoer en/of beheersing van de grondwaterstand;
    • 9. bos en natuurgebied;
    • 10. tuin en/of erf;
  • b. De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn niet bestemd voor:
    • 1. inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 juncto Bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
    • 2. risicovolle inrichtingen, met uitzondering van bestaande risicovolle inrichtingen;
    • 3. detailhandelsbedrijven, met uitzondering van:
      • I. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van nijverheid en industrie, in ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde detailhandel in textiel, schoeisel en lederwaren, voedings- en genotmiddelen en huishoudelijke artikelen;
      • II. niet voor particulieren toegankelijke detailhandelsbedrijven die zich uitsluitend toeleggen op postorderactiviteiten en/of verkoop via Internet;
      • III. detailhandel in een testverkoopruimte (pilot store) ter plaatse van de aanduiding 'groothandel', als ondergeschikte nevenactiviteit, van de in I genoemde goederen, die niet ter plaatse worden vervaardigd.

met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen, met dien verstande dat geen bedrijfswoningen zijn toegestaan.

4.2 Bouwregels

Naast de algemene bouwregels van artikel 15 en de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3 gelden de specifieke regels van het navolgende bebouwingsschema, waarbij geldt dat de in het schema voorkomende verwijzingen verwijzen naar de in lid 4.3 genoemde afwijkingen.

Bebouwing   Maximale / minimale grondoppervlakte   Maximale bebouwingspercentage   Maximale bouwhoogte   Bijzondere regels  
Gebouwen en overkappingen   minimaal 1000 m² (4.3.1a)   de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven waarde   de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven waarde   - onverminderd het bepaalde in art. 15.1.b mag de afstand van gebouwen en overkappingen tot een kavelgrens niet minder dan 15 m bedragen (4.3.1.b en c)
- voor bebouwing aan en nabij de bestemming 'Verkeer - Spoorweg' geldt, dat het bepaalde in de Spoorwegwet onverminderd van toepassing is;

- voor maximaal eenderde van de grondoppervlakte van een gebouw is een bouwhoogte van maximaal 20 m toegestaan, met dien verstande dat voor de helft van dit eenderde deel de hoogte maximaal 25 m mag bedragen; in afwijking hiervan is daar waar de aangeduide hoogte 13 meter bedraagt voor maximaal eenvierde deel van de grondoppervlakte van een gebouw een hoogte van 20 m toegestaan;
- de maximale bouwhoogte mag met ten hoogste 5% van de grondoppervlakte van een gebouw worden overschreden met ten hoogste 3.50 m ten behoeve van de integratie in de bouwmassa van liftkokers en andere technische ruimten

- voor zover een aansluiting van bedrijven op het poorwegnet wordt gerealiseerd mag een overslagperron van maximaal 150 meter lengte en 10 meter breedte, voorzien van een overkapping van maximaal 5 meter hoogte worden opgericht.  
Gebouwen en overkappingen voor beheer van het bedrijventerrein (parkmanagement) en voorlichting   maximaal 300 m²     de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)'en maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven waarde    
Gebouwen en overkappingen voor bewaking van het bedrijventerrein   maximaal 25 m2     5m    
Gebouwen en overkappingen voor verkooppunten motorbrandstoffen ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'   maximaal 75 m² voor gebouwen;
maximaal 250 m² voor overkappingen  
  5m    
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen       erfafscheidingen: 3 m
antenne-installaties: 15 m
silo's/opslagtanks: 25 m
industriële procestorens, antennes, schoorstenen en pijpen: 35 m (4.3.1.d, 4.3.1e)
voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 12,5 m  
van de bouwhoogtebepaling zijn tunnels en bruggen uitgezonderd  

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken:

  • a. voor de realisatie van een gebouw of overkapping met een geringere grondoppervlakte dan 1000 m2, mits een zelfstandig gebouw of overkapping van kleinere omvang in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • b. voor de realisatie van een gebouw of overkapping tot op de zijdelingse en/of achterste kavelgrens, mits dit uit oogpunt van brandveiligheid en bereikbaarheid aanvaardbaar is en met dien verstande dat geen bouwgrens wordt overschreden;
  • c. voor de realisatie van een gebouw of overkapping tot een afstand van niet minder dan 10 meter ten opzichte van de voorste kavelgrens, mits dit uit oogpunt van brandveiligheid en bereikbaarheid aanvaardbaar is, met dien verstande dat geen bouwgrens wordt overschreden en ten aanzien van aan de Zutphensestraat gesitueerde voorste kavelgrenzen de afstand geen 10 maar 15 meter bedraagt;
  • d. voor de realisatie van industriële procestorens, waarvan de hoogte ten hoogste 50 m mag bedragen, voor zover geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan;
  • e. voor de realisatie van schoorstenen, pijpen en soortgelijke constructies voor ten hoogste 70 m, voor zover geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan;
  • f. van het in lid 4.1 en lid 4.2 bepaalde voor het oprichten van bebouwing ten behoeve van activiteiten waarvoor ingevolge lid 4.5 is afgeweken van de gebruiksregels.

4.3.2 Voorwaarden voor afwijking

Afwijken als bedoeld in dit lid is alleen mogelijk voor zover de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied niet significant worden aangetast en het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

4.4 Specifieke gebruiksregels

Naast de algemene gebruiksregels van artikel 16 en de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3 gelden de volgende specifieke regels.

4.4.1 Oppervlak kavels

Het oppervlak van een bedrijfskavel bedraagt minimaal 2 ha.

4.4.2 Indeling kavels

Minimaal 30% van de oppervlakte van een bedrijfskavel mag uitsluitend worden ingericht en gebruikt voor water- en groenvoorzieningen. Dit is niet van toepassing op de gronden waarvoor een bebouwingspercentage van 80% geldt.

a Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van het oppervlak aan water en groen op een bedrijfskavel, teneinde te komen tot een concentratie langs landschappelijke en ecologische elementen, waarbij de breedte zodanig moet zijn dat een bijdrage wordt geleverd aan het benadrukken van bedoelde elementen.

4.4.3 Ecologische zones

De voor bedrijventerrein aangewezen gronden, voorzover gelegen binnen 15 meter van de bestemmingsgrens van de bestemming “Verkeer-Weg” van de Zutphensestraat of de rijksweg A1 zijn uitsluitend bestemd voor water- en groenvoorzieningen, bestaande wegen en fietspaden.

4.4.4 Duurzaamheid
  • a. Voor de in lid 4.1 genoemde bedrijven geldt dat de grondoppervlakte van industriële kantoren niet meer mag bedragen dan 500 m²;
  • b. De vloeroppervlakte van industriële kantoren mag niet meer dan 25% van de totale vloeroppervlakte van een bedrijf bedragen (met uitzondering van inpandige parkeergelegenheid), zulks met een maximum van 3000 m2, met dien verstande dat voor een groothandel met de daarbij behorende en verwante activiteiten annex een intermodaal- en gecombineerd vervoerbedrijf als bedoeld in lid 1.a een maximum geldt van in totaal 6500 m², waarbij de maat van 500 m2 voor het grondoppervlakte van industriële kantoren niet van toepassing is;
  • c. Een showroom, waarvan de grondoppervlakte niet meer dan 500 m² mag bedragen, is uitsluitend toelaatbaar ten behoeve van een ter plaatse gevestigd bedrijf; de vloeroppervlakte van zo'n showroom mag niet meer bedragen dan 1500 m², waarbij als maximum geldt 25% van de totale vloeroppervlakte van een bedrijf (met uitzondering van parkeergelegenheid);
  • d. De in lid 1 sub b genoemde testverkoopruimte (pilot store) mag een netto-verkoop-vloeroppervlakte hebben van maximaal 3% van de bebouwde oppervlakte van het bedrijf.
4.4.5 Gebruik niet bebouwde grond

De niet bebouwde grond mag uitsluitend worden gebruikt als bedrijfsterrein, verkeersvoorziening inclusief parkeren, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bos en natuurgebied, water of tuin, met dien verstande dat gebruik als opslagterrein niet is toegestaan van gronden gelegen vóór de bebouwing aan de wegzijde en van gronden ingericht als groen en water. Gebruik voor parkeren van deze laatst genoemde gronden wordt eveneens aangemerkt als verboden gebruik. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.

4.4.6 Regels voor verkooppunt motorbrandstoffen

Voor een verkooppunt motorbrandstoffen gelden de volgende regels:

  • a. bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' mag worden gebruikt als technische ruimte, zoals werkplaatsen, en als servicegebouw, waaronder in ieder geval begrepen magazijn en sanitaire ruimten, zulks ten dienste van het verkooppunt motorbrandstoffen;
  • b. detailhandel is niet toegestaan;
  • c. al dan niet zelfstandige horecaruimten in de zin van café/bar, restaurant, snackbar, et cetera zijn niet toegestaan.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken:

  • a. van het in lid 4.1 onder a1 bepaalde teneinde de vestiging van bedrijfstypen toe te staan die niet zijn genoemd in de Lijst toegelaten bedrijfstypen, dan wel in de Lijst van toegelaten bedrijfstypen voorkomen in een hogere categorie dan in het betreffende aanduidingsvlak is toegestaan, en die naar hun aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijfstypen die ter plaatse bij recht zijn toegestaan;
  • b. van het in lid 4.4.1 bepaalde tot maximaal 20% van de oppervlakte van de bestemming ten behoeve van kleinschalige bedrijven (met een kleiner kaveloppervlak dan 2 ha) in de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de lijst van bedrijfstypen, alsmede kleinschalige bedrijven welke niet worden genoemd in de lijst van bedrijfstypen, voor zover deze naar aard en invloed minder hinderlijk zijn dan bedrijven in categorie 3.1. De kleinschalige bedrijven mogen geen blijvende onevenredige afbreuk doen aan het stedenbouwkundige beeld, zoals wordt beoogd in dit bestemmingsplan. Overschrijding van het percentage van 20% is toegestaan indien aantoonbaar noodzakelijk voor de uitgifte van reststroken bedrijfsterrein.
  • c. van het in lid 4.1 onder b2 bepaalde teneinde de vestiging van een risicovolle inrichtingtoe te staan;
  • d. van het in lid 4.1 bepaalde teneinde de vestiging van intermodaal en gecombineerd vervoerbedrijven toe te staan, indien de ontwikkelingen na realisering van nieuwe railvoorzieningen daartoe aanleiding geven.

4.5.2 Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in dit lid is alleen mogelijk:

  • a. voor zover geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan;
  • b. voor de afwijking als bedoeld in sublid 4.5.1 onder c: voor zover de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico of -indien van toepassing- de afstand als bedoeld in artikel 5 lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2 lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen de grens van de kavel van de risicovolle inrichting niet overschrijdt, ingevolge deze regels het vestigen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen op de kavel niet is toegelaten en voor zover geen onevenredige belemmeringen voor omliggende functies ontstaan;
  • c. voorzover geen wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast en het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.