direct naar inhoud van 6.2 De regels
Plan: Bestemmingsplan Regentesselaan herinrichting weg
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1059-onh1

6.2 De regels

6.2.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels. Het betreft de begripsregels, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten en berekenen. Artikel 1.5 tenslotte geeft een regeling voor verwijzingen naar andere wettelijke regelingen en plannen.

6.2.2 Regels omtrent gebruik en bebouwing van de grond

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin worden voor de bestemming regels gegeven voor gebruik en inrichten/bebouwen van de grond. Deze bestemmingsregeling wordt hierna besproken.

6.2.3 Algemene regels en overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) zijn de regels opgenomen die gelden voor de bestemming. In artikel 7 zijn bouwregels opgenomen. In lid 7.1 van dit artikel staat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen in het hele plangebied is toegestaan, zowel binnen als buiten de bebouwingsvlakken, mits het gaat om ondergronds bouwen voor een functie die aan de bestemming gerelateerd is.

In dit lid is ook een regeling opgenomen voor de bomen die door burgemeester en wethouders als bijzondere boom zijn aangewezen. Bijzondere bomen vinden hun voornaamste bescherming in de Algemene Plaatselijke Verordening, waarin is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning bomen te kappen en dat er geen vergunning tot het kappen van bijzondere bomen wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Dit geheel biedt reeds een aanzienlijke bescherming van de bijzondere bomen. In het bestemmingsplan is een aanvullende regeling opgenomen. De bijzondere bomen zijn op de plankaart aangegeven. In de regels is bepaald dat, daar waar de aanduiding 'bijzondere boom' voorkomt, de afstand van bebouwing tot het hart van de boom ten minste 10 meter dient te bedragen; onder voorwaarden kan ontheffing worden verleend voor het verkleinen van deze afstand tot 5 meter. Ter verdere bescherming van de bomen is een aantal werken en werkzaamheden binnen een afstand van 5 meter van bijzondere bomen slechts toegestaan indien een aanlegvergunning is verleend.

Lid 7.3 bevat de afdekbepaling. Hier is bepaald dat, wanneer in het plan een maximale bouw- en goothoogte is aangegeven, het gebouw tot de bouwhoogte plat dient te worden afgedekt. Dit kan een lessenaarsdak zijn.

In artikel 8 staan de algemene gebruiksregels, zoals het verbod om grond en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming.

In artikel 10 staan de procedureregels die bij ontheffing en wijziging in acht genomen moeten worden. Artikel 11 tenslotte geeft een regeling voor verwijzingen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

Hoofdstuk 4 bevat tot slot de strafbepaling, het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.