direct naar inhoud van 6.4 PlanMER
Plan: Buitengebied Het Woud
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1052-ont1

6.4 PlanMER

Bij de voorbereidingen van de bestemmingsplannen is sprake van de m.e.r.-plicht. Deze plicht geldt voor wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen (zoals bestemmingsplannen):

  • waarvoor een passende beoordeling nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet;
  • die het kader vormen voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (zoals agrarische bedrijven van een bepaald type en minimale omvang).

Op basis van de Natuurbeschermingswet wordt het Natura 2000-gebied 'De Veluwe' beschermd. Wanneer een ingreep gepland is in of nabij een Natura 2000-gebied, dient voor de ingreep onderzocht te zijn of er een significant effect wordt verwacht op de gestelde doelen. Wanneer een dergelijk effect, als gevolg van de ingreep, niet uitgesloten kan worden, dient een vergunning aangevraagd te worden bij de provincie. Het bestemmingsplan kan een degelijke ingreep/ontwikkeling mogelijk maken.

Het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij kan leiden tot extra ammoniakdepositie op de Veluwe. Deze toename aan ammoniakdepositie kan leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingdoelen van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan extra ontwikkelingsruimte voor recreatiebedrijven leiden tot een toename aan recreatiedruk op de Natura 2000-gebieden. Ook dit kan leiden tot een significant effect op de instandhoudingdoelen.

De gemeente heeft voor al haar 'buitengebied-bestemmingsplannen' (zie figuur 6.3) middels een planMER onderzocht in hoeverre de geboden ruimte in de nieuwe bestemmingsplannen kan leiden tot significante effecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0016.png"

Figuur 6.3 - Ligging onderzochte buitengebied-bestemmingsplannen

De resultaten van het PlanMER zijn doorvertaald in de Apeldoornse 'Standaard Landelijk Gebied, versie vertaling planMER', d.d. 15 december 2011. Deze standaardregels zijn toegepast op voorliggend bestemmingsplan.

De doorvertaling van het planMER in de regels heeft ertoe geleid dat uitbreiding van het aantal dierplaatsen -voor zowel grondgebonden agrarische bedrijven als intensieve veehouderijen- alleen mogelijk is onder stricte voorwaarden. Middels een afwijkingsbevoegdheid in de regels is dit opgenomen in lid 3.6.2 en 3.6.3. In 3.8 is voor bedrijven met een omvang van meer dan 70 NGE een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het vergroten van het agrarische bouwvlak tot 1,5 ha. Hiervoor gelden stricte voorwaarden.