direct naar inhoud van 2.5 Gemeentelijk beleid
Plan: Buitengebied Het Woud
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1052-ont1

2.5 Gemeentelijk beleid

2.5.1 Algemeen

Ruimtelijke ontwikkelingsvisie Apeldoorn 2020 (2000)

In de ontwikkelingsvisie is het landelijk gebied, met uitzondering van het toekomstig stedelijk uitloopgebied, niet meegenomen. Echter, ten aanzien van het landelijk gebied en het landelijk wonen wordt opgemerkt dat dit zeer hoog wordt gewaardeerd. Aantasting van het karakter door verdichting moet worden voorkomen.

Integrale dorpsvisie Klarenbeek 2015

Eind september 2003 hebben de gemeenteraden van Apeldoorn en Voorst de Dorpsvisie Klarenbeek vastgesteld. Vanwege het niet doorgaan van de woningbouwontwikkelingen op de huidige sportvelden was het noodzakelijk de dorpsvisie aan te passen om vervolgens het bestemmingsplan vast te kunnen stellen. De colleges van Apeldoorn en Voorst hebben de aangepaste Dorpsvisie Klarenbeek voorbereid en hebben deze op 19 maart 2012 aan de inwoners gepresenteerd, op 28 maart is hierover politieke markt geweest waarin elke fractie van de gemeente is vertegenwoordigd.

Kernpunten van de visie waren behoud en versterking van de leefbaarheid en de sociale samenhang in het dorp, enige verjonging van het dorp, het toevoegen van 220 woningen, een concentratie van voorzieningen en woningen in het nieuwe dorpshart, nieuwe sportvoorzieningen aan de rand van het dorp en de mogelijkheid voor bestaande kleine bedrijven uit het dorp die willen uitbreiden om in het dorp te blijven.

Naar aanleiding van de inspraakavond en de politieke markt wordt de visie gewijzigd. Het eindresultaat zal hier worden weergegeven.

2.5.2 De Groene Mal

Het gemeentelijke groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0005.png"

Figuur 2.3 - De Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat vooral in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de directe woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijk gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem evenals het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

2.5.3 Groot Apeldoorns Landschaps Kookboek

In het Groot Apeldoorns Landschap Kookboek is onderstaande landschapsvisie opgenomen (zie figuur 2.6).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0006.jpg"

Figuur 2.6 - Landschapvisiekaart Kookboek Apeldoorn

De visie is opgebouwd uit verschillende landschappelijke eenheden. Voor het bestemmingsplangebied zijn de volgende eenheden van belang:

  • Beekdalen: De beekdalen zullen open worden gehouden en toegankelijk worden gemaakt. De continuïteit wordt gewaarborgd. De randen naast de beekdalen kunnen verdicht worden.
  • Broeklanden: Ook de broeklanden worden open gehouden, aan de randen van het kampenlandschap is verdichting passend.
  • Kamerstructuren: De wegen en kavelgrenzen beplanten, desgewenst bebouwing toevoegen in kamers.
  • Kampenlandschap: Het kampenlandschap bestaat uit een (relatief kleine) onregelmatige blokverkaveling, éénmans engen of kampen genoemd, met daartussen een onregelmatig wegenpatroon.
  • Groene wiggen: Landschap de stad intrekken, onderliggend landschapstype is leidend in vormgeving.
  • Het kanaal en de weteringen: Indien hier geen paden aanwezig zijn, worden deze toegevoegd. Het gewenste beplantingspatroon is afhankelijk van de locatie.
2.5.4 Waterbeleid

Sinds 1 november 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2005 is 'Werken aan water', het Apeldoorns waterplan 2005 - 2015, vastgesteld. Het waterplan beschrijft de visie van de Apeldoornse waterpartners Vitens, Waterschap Veluwe en gemeente op water in de stad en de dorpen. Het plan stelt de kaders voor het onderhoud en voor toekomstige plannen met water. Tevens dient het plan als basis voor communicatie en als toetsingskader voor de watertoets.

De hoofdlijnen van het waterplan zijn:

  • afkoppelen en bergen
    Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzone naast iedere beek. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.
  • herstel van beken en sprengen
    Het beken- en sprengensysteem in het stedelijk gebied van de stad en de dorpen wordt hersteld. De naast de beek liggende waterbergingen krijgen ook een recreatieve functie voor wandelaars en fietsers. De cultuurhistorische waarde van de beken wordt hersteld en de hoge natuurwaarde wordt beschermd. Het sprengenwater wordt verzameld in de Grift en kan ten noorden van Apeldoorn geïnfiltreerd worden op de Veluwe voor drinkwaterbereiding.
  • saneren en beheersen van verontreinigd diep grondwater
    Het verontreinigde diepe grondwater wordt gesaneerd en beheerst. Dit water, samen met grondwater dat vrijkomt bij het bestrijden van wateroverlast, wordt zo veel mogelijk benut. De prioriteitsvolgorde daarbij is: eerst aanwenden voor duurzame energie, vervolgens als voeding naar de beken, daarna naar het kanaal, en tot slot is het bestemd voor infiltratie voor de drinkwaterbereiding. Hiertoe wordt een grondwaterbank in het leven geroepen.
2.5.5 Cultuurhistorisch beleid

Nota I-Cultuur

Algemeen

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart.

Archeologische beleidskaart

Op de archeologische beleidskaart staan bekende archeologische vindplaatsen en terreinen waarbij reeds is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Daarnaast is het gehele grondgebied van de gemeente Apeldoorn verdeeld in zones met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachtingswaarde. Deze verdeling is gebaseerd op onder andere bodemkundige, geo(morfo)logische, archeologische en historische kaarten en kennis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0007.png"

Figuur - Archeologische verwachtingskaart

Deze verwachtingswaarden geven geen feitelijke vindplaatsen weer, maar de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats bij het uitvoeren van bodemingrepen. Concreet betekent dit dat de kans op het aantreffen van archeologische sporen en/of vondsten binnen een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde wel aanwezig is, maar dat deze kans veel kleiner is dan binnen een zone met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.

Het verschil in de zogenaamde trefkans heeft ertoe geleid dat er verschillende grenzen van bodemingrepen zijn opgesteld, waarbij het uitvoeren van archeologisch onderzoek nodig is.

Het verschil in de zogenaamde trefkans heeft ertoe geleid dat er verschillende grenzen van bodemingrepen zijn opgesteld, waarbij het uitvoeren van archeologisch onderzoek nodig is. Deze grenswaarden zien er als volgt uit:

  • Hoge archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan 50 m2en dieper dan 50 cm.
  • Hoge archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan 50 m²  en dieper dan 35 cm.
  • Middelhoge archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan
    100 m2 en dieper dan 50 cm.
  • Middelhoge archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan
    100 m2 en dieper dan 35 cm.
  • Lage archeologische verwachting, bebouwde kom: Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm.
  • Lage archeologische verwachting, buitengebied: Bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2en dieper dan 35 cm.

De archeologische beleidskaart zal, in overeenstemming met de Apeldoornse standaardregels, worden doorvertaald naar bestemmingen en planregels. Het Woud ligt in een zone met zowel hoge, middelhoge als lage archeologische verwachtingswaarden.

Cultuurhistorische beleidskaart

Op de cultuurhistorische beleidskaart is aangegeven in hoeverre de cultuurhistorische waarden bepalend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • bij een hoge attentiewaarde is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt gestreefd naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische waarden;
  • bij een gemiddelde attentiewaarde is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht, afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Er wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen gestreefd naar behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische waarden;
  • bij een lage attentiewaarde is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

Op deze kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0008.png"

Figuur - Cultuurhistorische beleidskaart

Het bestemmingsplangebied Het Woud ligt in een zone met zowel hoge, middelhoge als lage attentiewaarden op de beleidskaart. Op basis daarvan is een cultuurhistorische analyse (CHA) gemaakt, zie paragraaf 3.4.2.1. Bij toekomstige ontwikkelingen kan op grond van de attentiewaarde specifieker onderzoek vereist zijn.

Cultuurhistorische analyse Buitengebied Het Woud

In opdracht van de gemeente Apeldoorn is begin 2010 een cultuurhistorische analyse opgesteld van het plangebied. Het project is uitgevoerd door SB4 in samenwerking met ARCX In het onderzoek zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen, structuren en ensembles geïnventariseerd en zijn aanbevelingen gedaan voor het behoud en de ontwikkeling van de aangetroffen waarden. In bijlage 1 bij dit bestemmingsplan is de Cultuurhistorische analyse Buitengebied Het Woud opgenomen. In deze analyse staan ook de waardevolle landschapsstructuren aangegeven het betreft de:

  • Grillige ringsloot, in samenhang met afwateringssloten Groote en Kleine Leigraaf
  • Wegenkruis Van Spreekenslaan en De Somp.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1052-ont1_0009.png"

afbeelding waardevolle landschapsstructuren

2.5.6 Welstand

Artikel 12a van de Woningwet verplicht alle gemeenten om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing.

Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juli 2004 de kadernota 'Over welstand geschreven' vastgesteld. De nota geeft de kaders voor het welstandsbeleid. Hiermee worden bouwplannen getoetst aan redelijke eisen van welstand, om de fraaie leefomgeving in de stad te behouden en te versterken.

Niet voor elke gebied in Apeldoorn gelden gelijke welstandseisen. Voor grote delen van Apeldoorn is een welstandsthema en een welstandsniveau vastgesteld. Het niveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied geeft, waarbij de niveaus variëren van zwaar tot welstandsvrij. Het thema wordt bepaald door de bouwstijl of bouwperiode van de bebouwing.

In het bestemmingsplan wordt het specifieke karakter van het gebied geregeld voor zover dit gaat om bebouwingsregels en gebruik. Het welstandsbeleid is hierop aanvullend en heeft betrekking op situering, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaalgebruik.

2.5.7 Recreatiebeleid

Nota Kampeerbeleid Apeldoorn

Recreatie en toerisme zijn beeld bepalende sectoren in de Apeldoornse economie, de gemeente kent een zeer brede variatie aan toeristische activiteiten. De sector is zeer positief voor de leefbaarheid van kleine dorpen. Het biedt werk aan mensen, is mede drager voor het voorzieningenniveau en zorgt voor nieuwe investeringen. Zeker in agrarische gebieden is het een alternatief voor ondernemers die de agrarische bedrijfsvoering beëindigen, danwel willen verbreden. De gemeente hecht er dus veel waarde aan ontwikkelingsmogelijkheden hieromtrent te bieden en geeft met het (nog vast te stellen) kader ruimte voor nieuwe initiatieven.

In de Nota Kampeerbeleid Apeldoorn uit 2010 heeft de gemeente beleid geformuleerd voor de verschillende vormen van kamperen. Het betreft kampeerterreinen, kleinschalig kamperen, natuurkampeerterreinen, verenigingskamperen of groepskamperen, vrij kamperen en kamperen voor eigen gebruik, paalkamperen en Gereguleerde Overnachtings Plaatsen. Het beleid gaat onder andere in op de omvang van de recreatieve eenheden. Voor zover mogelijk dienen deze normen in het bestemmingsplan te worden opgenomen.


Voor de zonering van de kleinschalige en deels reguliere kampeerterreinen is uitgegaan van een onderverdeling in twee zones:'nee, tenzij' en 'ja, mits'.

De 'nee, tenzij' zone bestaat uit de volgende gebieden:

  • Natura 2000-gebieden;
  • EHS-gebieden;
  • aangewezen enkgebieden
  • aangewezen beekzones en dalen (HEN- en SED-wateren), tot 15 m (HEN-norm) aan weerszijden uit de beek in beekdal, rekening houden met de karakteristieke landschappelijke kwaliteiten van het beekdal;
  • beschermde dorpsgezichten.

De zonering heeft betrekking op nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande reguliere en kleinschalige kampeerterreinen. In de 'nee, tenzij' zone wordt geen nieuwvestiging of uitbreiding toegestaan, tenzij er grote natuurlijke en/of landschappelijke meerwaarden worden bereikt, passend in een gebiedsgerichte ontwikkeling. Voor de reguliere kampeerterreinen geldt in de eerste plaats het 'groei- en krimpbeleid'. Dit betekent dat in een krimpgebied geen nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande terreinen mogelijk is. Ontwikkelingen zijn enkel mogelijk binnen het zoekgebied 'recreatiecluster'.

Ontwikkeling van het kleinschalig kamperen is onder voorwaarden mogelijk in de 'ja, mits'-zone door middel van een afwijkingsmogelijkheid. Maximaal kunnen zes terreinen per deelgebied (Uddel, Wenum en Wiesel, Broekland en Woudhuis, het Woud, Beekbergen en Loenen) worden toegestaan.

Voor de nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande reguliere kampeerterreinen zijn geen specifieke (ontwikkelings)gebieden aangewezen. Hiervoor zal altijd een individuele, specifieke afweging plaatsvinden.

2.5.8 Milieubeleid

Beleidsvisie externe veiligheid

De gemeente Apeldoorn wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Apeldoorn het externe veiligheidsbeleid geformuleerd.

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico's doen zich zowel voor bij risicovolle inrichtingen als rondom transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota's, onder andere in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Invulling geven aan deze wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Apeldoorn aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen, bij het nemen van besluiten. Voor het plaatsgebonden risico in bestaande situaties geldt, dat deze moet voldoen aan de wettelijke grenswaarden.

In de bestaande situatie zijn er geen overschrijdingen van de oriënterende waarde van het groepsrisico aanwezig. Toename van de personendichtheid groter dan 1 x de oriënterende waarde moet worden voorkomen; opvullen van de personendichtheid tot 1 x oriënterende waarde is toegestaan.

De uitgangspunten voor het basisniveau externe veiligheid voor nieuwe situaties in woon- en gemengde gebieden zijn dat de realisering van een risicobron met externe veiligheidsconsequenties niet mogelijk is. De realisatie van een beperkt kwetsbaar object is gemotiveerd mogelijk tot 1x de oriënterende waarde.

2.5.9 Geurbeleid

Het geurbeleid van de gemeente Apeldoorn komt tot uiting in de ‘Handreiking geurbeleid en milieuvergunningen’ (maart 2004) en de ‘Beleidsnotitie Industrieel Geurbeleid Apeldoorn’ (april 2004).

Een nieuwe woonlocatie, of een anderszins geurgevoelige bestemming, kan op een zodanige afstand van stankbronnen (en andersom) worden gepland, dat geen of slechts acceptabele mate van hinder te verwachten is. Indicaties voor aan te houden afstanden met betrekking tot een bedrijventerrein zijn onder meer te ontlenen aan vergelijkbare activiteiten of bedrijven uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In bijzondere situaties kan maatwerk nodig zijn, waarbij diverse vormen van geuronderzoek kunnen worden uitgevoerd. Van de VNG-publicatie mag slechts worden afgeweken indien dit niet leidt tot een milieuhygiënisch onwenselijke situatie. Gezien het type bedrijven dat in Apeldoorn is gevestigd, evenals het aantal ontvangen klachten omtrent stankoverlast, is een lokaal gemeentelijk geurbeleid slechts voor een handvol bedrijven van toepassing. Als voorbeeld kan worden gedacht aan enkele bedrijven in Apeldoorn die vallen in de branche kunststofverwerkende industrie.

2.5.10 Verkeersbeleid

Verkeersvisie 2010 - 2020 (2009)

In juli 2009 is de Verkeersvisie 2010–2020 vastgesteld. De gemeente Apeldoorn heeft bij het bepalen van verkeersbeleid een aantal vaste doelen, namelijk behoud en zo mogelijk vergroting van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. De uitgangspunten van het verkeersbeleid zijn:

  • Faciliteren, kennis vergroten
  • Autoverkeer bundelen
  • Gebruik van bestaande ruimte slim verdelen

In het buitengebied wordt gekozen voor het bundelen van autoverkeer op een aantal hoofdwegen met een maximum snelheid van 80 km/uur, met daarnaast autoluwe verblijfsgebieden. In deze verblijfsgebieden geldt een maximum snelheid van 60 km/uur.

In het buitengebied wordt veel gefietst, onder andere door recreanten en scholieren. De realisatie van 60 km-zones, met fietssuggestiestroken die ook voor automobilisten duidelijk herkenbaar zijn, maken veel wegen beter geschikt voor fietsers. Daarnaast zijn er op sommige wegen verdergaande maatregelen nodig, zoals lagere snelheden bij gemengd verkeer, aparte fietsstroken en goede oversteekvoorzieningen.

Voor wat betreft recreatief fietsen is een goed recreatief netwerk wenselijk. In het buitengebied is het fietsknooppuntennetwerk gerealiseerd dat goed aansluit op omliggende recreatieve bestemmingen. Indien er nieuwe bestemmingen bijkomen, zal ook het netwerk worden aangepast.

2.5.11 Woonbeleid

Notitie Woningsplitsing in het Buitengebied (2006)

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2006 een beleidsnotitie “Woningsplitsing in het Buitengebied” vastgesteld. Splitsen leidt tot efficiënt gebruik van de bestaande oppervlakte/inhoud van woningen en maakt bijvoorbeeld het geheel zelfstandig wonen van kinderen bij ouders (of andersom) mogelijk. Wel geldt dat gesplitste woningen tezamen de maximale toegestane inhoud of oppervlakte van één woning niet mogen overschrijden. Voorts ontstaat er geen groter recht op oppervlakte aan bijgebouwen. Het karakter van de woning als één woning en samenhangende bouwmassa dient behouden te blijven en de extra woning mag geen belemmering vormen voor naastgelegen (niet-) agrarische bedrijven.

Uitwerking dependanceregeling (2009)

In deze uitwerking is een eenduidige regeling voor een dependance-woning opgenomen. De aanleiding hiervoor is de toenemende behoefte aan zorgwoningen. Met deze dependance-regeling kunnen bijvoorbeeld familieleden zorgtaken dicht bij huis op zich nemen.

Om ontoelaatbare of ongeremde groei van "tweede" (commercieel aantrekkelijke) woningen te voorkomen, gelden voor dependance-woningen strikte voorwaarden. Aan een dependance-woning kan uitsluitend medewerking worden verleend na het doorlopen van een afzonderlijke planologische procedure. Met deze procedure kan worden geregeld dat een dependance-woning geen zelfstandig recht heeft op bijgebouwen en dergelijke. Hiermee wordt voorkomen dat de legalisering van de dependance-woning conform de standaard bestemmingsplanruimte resulteert in extra juridische ruimte voor bebouwing. Door het doorlopen van een dergelijke procedure, wordt tevens gegarandeerd dat een goede ruimtelijk afweging wordt gemaakt voor het betreffende perceel en omgeving. Dit is van belang omdat een zorgrelatie tussen mensen, bijvoorbeeld door overlijden, kan worden beëindigd.

2.5.12 Notitie Paardenbakken, Stapmolens (en Lichtmasten)

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2006 een beleidsnotitie inzake paardenbakken, stapmolens (en lichtmasten) vastgesteld. Binnen de woonbestemmingen is een paardenbak juridisch vaak wel toegestaan, maar praktisch vaak onmogelijk. Buiten die vlakken is een paardenbak strijdig met de bestemming (dat geldt voor veel bestaande paardenbakken). De beleidsnotitie maakt een paardenbak buiten de woonbestemming ook mogelijk. Hierbij geldt een afstand tot andere woningen van 50 m. Voorts dient de gehele bak zich binnen een afstand van 75 m van de woning te bevinden. Voor stapmolens en lichtmasten geldt een maximale hoogte van 2 m.

De bestaande paardenbakken en lichtmasten worden als gegeven aanvaard (ook wanneer deze strijdig zijn met het nieuwe beleid), met uitzondering van paardenbakken waar handhavingsprocedures voor zijn gestart.

2.5.13 Duurzaamheidsbeleid

De uitgangspunten van duurzame ontwikkeling binnen de Gemeente Apeldoorn zijn vastgelegd in de nota's "Apeldoorn ontwikkelt Duurzaam, Aanpasbaar en Flexibel" (DAF-nota) en "Apeldoorn Duurzaam, zo doen we dat hier", in de Woonvisie 2010, in het MOP 2005-2009 en in diverse collegebesluiten, waaronder die over het BANS-klimaatprogramma. De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Apeldoorn zijn hoog. Een belangrijk uitgangspunt bij deze duurzame ontwikkeling vormt het besluit van de gemeenteraad om als stad energieneutraal te zijn in 2020.

Bij de uitvoering van het duurzaamheidsbeleid wordt onder andere gestreefd naar een optimale energie-infrastructuur, waarbij duurzame bronnen als wind- en zonne-energie en bodemwarmte zoveel mogelijk worden benut. Daarnaast worden nieuwe energiebesparende technieken ingezet. Het herstellen van de natuurlijke waterhuishouding van stad en landschap, ondermeer door het vasthouden van (regen)water in het stedelijk gebied, is eveneens van belang.

De uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer zijn vastgelegd in de in 2005 vastgestelde nota "Werken aan water; Apeldoorns waterplan 2005-2015". Dit waterplan zal ook als basis dienen voor de voor veel ruimtelijke projecten wettelijk verplichte watertoets.

2.5.14 Gevolgen gemeentelijke beleid voor bestemmingsplan
  • Landschappelijke structuren zijn uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen.
  • De verschillende archeologische verwachtingswaarden voor het plangebied zullen moeten worden doorvertaald in het bestemmingsplan. Hieraan worden specifieke voorwaarden gekoppeld in relatie tot de mate van verwachting en de toegestane ingrepen. Aantasting van de verwachtingswaarden wordt voorkomen door middel van een aanlegvergunningstelsel.
  • Cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en gebieden worden in het bestemmingsplan beschermd.
  • Waardevolle enken, essen, broeklanden en beekdalen dienen hun kenmerkende openheid te behouden.
  • Als er in het buitengebied nieuwe (recreatieve) bestemmingen bijkomen, zal het fietsknooppuntennetwerk worden aangepast.
  • De recreatieve sector moet de ruimte krijgen om zich kwalitatief te kunnen ontwikkelen.
  • Het bestemmingsplan dient de aanwezige natuur in het plangebied te beschermen.
  • Het bestemmingsplan zal in het kader van de externe veiligheid moeten voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt binnen zoneringen van gevaarlijke inrichtingen en buisleidingen.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen van gevoelige bestemmingen (in het kader van de Wet geurhinder) dient rekening gehouden te worden met geurhinder van agrarische bedrijven.
  • Ontwikkeling van kleinschalig kamperen is binnen de aangewezen gebieden onder voorwaarden mogelijk. Dit zal door middel van een ontheffingsbevoegdheid in de planregels worden geregeld.