direct naar inhoud van 5.1 Milieuaspecten
Plan: Bestemmingsplan Zevenhuizen Stadsdeelhart Anklaar
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1051-von1

5.1 Milieuaspecten

5.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

5.1.2 Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht van artikel 3.1.6 Bro dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is, en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de bouwvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheersplan.

Onderzoeksresultaten bodem

Deellocatie Tannhauserstraat 64

Van deze locatie zijn een aantal bodemonderzoeken bekend bij de gemeente. Deze staan opgesomd in onderstaande tabel.

Tabel Overzicht bodemonderzoeken planlocatie WC Anklaar

Naam   Einddatum  
Verkennend onderzoek Tannhauserstraat 64   30-05-1994  
Nader onderzoek Tannhauserstraat 64   01-12-1997  
Saneringsplan Tannhauserstraat 64   01-04-1999  
Saneringsevaluatie (tank) Tannhauserstraat 64 (meerdere rapporten)   31-08-1999  
Saneringsevaluatie Tannhauserstraat 64   01-10-1999  
Verkennend bodem- en asbest onderzoek NEN 5740/5707 Tannhauserstraat 64   22-12-2004  
Oriënterend onderzoek Tannhauserstraat 64   23-05-2005  
Saneringsevaluatie Tannhauserstraat 64   01-01-2005  
Tannhauserstraat 64 historisch onderzoek   14-11-2005  
Actualisatie en aanvullend bodemonderzoek Tannhauserstraat 64-64a en Operaplein 50   28-05-2010  


Uit de eerste onderzoeken bleek dat twee verdachte activiteiten, namelijk de voormalige wasplaats en de voormalige smeerput, nog niet voldoende zijn onderzocht op het niveau van verkennend bodemonderzoek. In het gecombineerde verkennend bodem en asbestonderzoek van 22 december 2004 is gebleken dat er sprake is van een sterke koperverontreiniging. Deze verontreiniging was nog niet voldoende afgeperkt voor de wijziging van het bestemmingsplan.

Voor de bestemmingsplanwijziging is de rest van het terrein voor bodem geactualiseerd.

Uit het onderzoek van mei 2010 (Actualisatie en aanvullend bodemonderzoek Tannhauserstraat 64-64a en Operaplein 50, kenmerk 180049, d.d. 28 mei 2010) blijkt dat de grond rondom de voormalige smeerput en voormalige wasplaats niet verontreinigd zijn voor de onderzochte stoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

De sterke verontreiniging met koper in de grond is horizontaal en verticaal afgeperkt. De sterke verontreiniging met koper is aanwezig in de bodemlaag 0,5 - 0,7 meter beneden maaiveld over een oppervlakte van maximaal 10 m². In totaal is er ongeveer 2 tot 3 m³ sterk verontreinigde grond met koper aanwezig. De sterk verontreinigde grond bedraagt minder dan 25 m³ grond en is volgens de Wet Bodembescherming geen ernstig geval van bodemverontreiniging.

In het overige terrein is in de onder- en bovengrond geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en 1,2- dichloorethenen.

Voor de sterke koperverontreiniging is volgens de Wet Bodembescherming geen saneringsplicht. Geadviseerd wordt om tijdens de graafwerkzaamheden, de sterk verontreinigde grond onder milieukundige begeleiding af te graven en af te voeren naar een erkende verwerker.


Overige percelen

In de rapportage d.d. september 2008, opgesteld door het advies bureau TAUW, zijn de resultaten van het vooronderzoek op basisniveau, een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek weergegeven (kenmerk 4605804, zie Bijlage Verkennend bodemonderzoek Tauw september 2008). Hieruit blijkt dat de boven- en ondergrond licht verontreinigd zijn met kobalt, minerale olie, PCB en PAK. De bovengrond ter plaatse van deellocatie B ( medisch centrum) is bij één boring een sterk verhoogd gehalte aan PAK ( boven de interventie waarde) aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. Uit het vooronderzoek en het veldwerk blijkt dat het terrein op de locatie niet verdacht is op het voorkomen van asbest in de bodem. Zintuigelijk is er tijdens het veldwerk geen asbest aangetroffen. Het asfalt blijkt niet teerhoudend en is geschikt voor warm hergebruik. Onder het asfalt is cunetzand aanwezig. Het cunetzand is licht verontreinigd met minerale olie en kobalt.


Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoeken zijn er geen bezwaren voor een bestemmingsplanwijziging. De sterke PAK verontreiniging zal voor het afgeven van een bouwvergunning verder moeten worden onderzocht. De overige deellocaties zijn geen belemmeringen voor het afgeven van een bodemgeschiktheidverklaring voor de bouwvergunning, mits bij indiening van de bouwvergunning het bodemonderzoek niet ouder is dan vijf jaar.

5.1.3 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen. Derhalve wordt wegverkeerslawaai beschouwd.


Wegverkeerslawaai

Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.


Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur.


De omvang van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Indien de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. De voorwaarde die de gemeente Apeldoorn daaraan stelt is dat er een ontheffingsgrond aanwezig is. De ontheffingsgronden zijn vastgelegd in de gemeentelijke beleidsregel voor de voorkeurswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

Alleen de Laan van Zevenhuizen (N344) betreft na realisatie van dit plan een gezoneerde weg. Deze binnenstedelijke weg heeft een geluidzone van 200 meter en voor nieuwe woningen binnen deze zone is akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting noodzakelijk. Voor een goede ruimtelijke ordening is ook de geluidbelasting t.g.v. de Parelvisserstraat en de Sluisoordlaan berekend. Dit zijn, na realisatie van het plan, beide 30 km/u wegen.

Onderzoeksresultaten

In het Onderzoek verkeerslawaai d.d. juni 2010, opgesteld door DHV (kenmerk HL.D2786.R02), is de geluidsbelasting ten gevolge van de Sluisoordlaan en de Laan van Zevenhuizen berekend ter plaatse van de nieuwe woningen. Daarnaast zijn de geluidseffecten bepaald bij de bestaande woningen vanwege de verkeerstoename over de Sluisoordlaan.

Geluidsituatie nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen

Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege de Sluisoordlaan (max. 59 dB) en de Laan van Zevenhuizen (max. 61 dB). De maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor woningen wordt niet overschreden. Geluidsreducerende maatregelen zoals stil asfalt en geluidsschermen zijn niet doeltreffend genoeg om de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde (48 dB) te krijgen. Geluidsschermen zijn, gelet op de minimaal benodigde hoogte en ligging ten opzichte van de wegas vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst.

De nieuwe woningen direct langs de Laan van Zevenhuizen kunnen enkel worden gerealiseerd als hiervoor ontheffing wordt verleend (hogere grenswaarde wordt vastgesteld) in gevolge de Wet geluidhinder. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden in de 'Beleidsregel hogere grenswaarde gemeente Apeldoorn'. De ontheffingsgrond die gebruikt kan worden is 'vervanging van bestaande bebouwing'.

Hogere waarden voor nog niet geprojecteerde woningen binnen bebouwde kom kunnen worden vastgesteld omdat ze in een bestemmingsplan gericht op stads- of dorpsvernieuwing worden opgenomen.

De geluidbelasting is (ook na maatregelen) hoger dan 53 dB, waardoor ook moet worden voldaan aan de indelingseis. Hierbij moet tenminste één geluidsgevoelige ruimte gesitueerd zijn aan de geluidsluwe gevel. Vaststelling van een hogere waarde hoger dan 53 dB zonder één geluidsgevoelige ruimte aan de geluidsluwe gevel kan om redenen van stedenbouw en volkshuisvesting, na motivatie, billijk worden geacht. Voor de nieuwe woningen is vanwege de Sluisoordlaan geen hogere waarde procedure noodzakelijk, doordat de Wet geluidhinder niet van toepassing is. De indelingseis is niet verplicht, maar voor een goede ruimtelijke ordening wel gewenst. Daarnaast moet worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit.


Geluidseffecten bestaande woningen

Als gevolg van de wijzigingen aan de Sluisoordlaan zal de verkeersintensiteit op de Sluisoordlaan, na realisatie van het plan, toenemen ten opzichte van 2009. De Wet geluidhinder is niet van toepassing, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel nagegaan wat de verkeerstoename betekent voor de geluidsbelasting. Bij de bestaande woningen langs de Sluisoordlaan leidt de verkeerstoename tot een toename in de geluidsbelasting van minder dan 2 dB. Dit komt mede door de maximum snelheid op de Sluisoordlaan (tussen Laan van Zevenhuizen en Anklaarseweg) te verlagen van 50 km/uur naar 30 km/uur.

5.1.4 Luchtkwaliteit

Algemeen

Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn wettelijke eisen vastgesteld in het Besluit luchtkwaliteit 2005. Dit besluit is een implementatie van de EU-richtlijn luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving. Doel van het besluit is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het autoverkeer. Het besluit geeft grenswaarden aan voor diverse stoffen, waaronder fijn stof en stikstofdioxide. Voor enkele stoffen kent het besluit ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt aanvankelijk boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot in 2010 de plandrempels gelijk zijn aan de grenswaarden. Met de in het besluit opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. Derhalve moet worden onderzocht wat de luchtkwaliteit in de huidige en toekomstige situatie zal zijn.


Onderzoeksresultaten

Voor de herontwikkeling van het winkelcentrum Anklaar is de luchtkwaliteit onderzocht door DHV (d.d. juni 2010, kenmerk HL.D2786.R01), zie .Onderzoek luchtkwaliteit als opgenomen in de bij deze toelichting behorende bijlage. In geen van de zichtjaren worden de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit overschreden. Het beoogde plan voldoet hiermee aan Wet luchtkwaliteit.

5.1.5 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2007. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Als bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden uit de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype "rustige woonwijk". Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het is daarmee een van de gevoeligste omgevingstypen. Voorbeelden van andere omgevingstypen zijn een gemengd gebied en een (hiervoor aangewezen) gebied met functiemenging. Als een gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustige woonwijk, kan dit aanleiding zijn om gemotiveerd een kleinere richtafstand aan te houden, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt. Voor één of meer milieuaspecten kan dan een afstandsstap lager worden aangehouden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering hierop vormt in principe de afstand voor het aspect gevaar.

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en woningen in een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieugevoelige en milieubelastende functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stad- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd. In deze gebieden worden geen richtafstanden gehanteerd, maar wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van het gewenste woon- en leefklimaat.

Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden de volgende randvoorwaarden:

  • het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;
  • de productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig;
  • activiteiten met een grote verkeersaantrekkende werking beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.


Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Bij het onderzoek wordt zowel de milieu-invloed van de bestaande situatie meegenomen als ook de milieu-invloed van de functies die op basis van het bestemmingsplan zijn toegestaan.

Onderzoeksresultaten

In de onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de soort bedrijven zoals aangetroffen tijdens het veldonderzoek op 11 augustus 2008.

Soort bedrijf   Aantal   Milieucategorie  
Restaurant, cafetaria, etc.   5   1  
Bank   2   1  
Drogist   2   1  
Kledingwinkel   5   1  
Supermarkt   2   1  
Kapper   2   1  
Overige detailhandel   11   1  
Reisbureau   1   1  
Apotheek   1   1  
Huisartsenpraktijk   2   1  
Medisch centrum   1   1  
Thuiszorgorganisatie   1   1  
Praktijk fysiotherapie   1   1  
Woonzorgcentrum   1   2  
Tankstation (gesaneerd in 2009)   1   2  
Politie Noord Oost Apeldoorn   1   1  
Onbekend   1   1  

Het gebied van het winkelcentrum Anklaar kan worden beschouwd als een gebied waar functiemenging gewenst is. De huidige activiteiten kunnen worden gerealiseerd in een gebied met functiemenging, met uitzondering van het tankstation, maar deze is in 2009 gesaneerd. Voor de gewenste bedrijvigheid geldt dat tot maximaal milieucategorie 2 is toegestaan. Voldaan moet worden aan de eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit.

Aan de noordkant van het plangebied zijn woningen op circa 10 meter van het plangebied gelegen. Deze woningen bevinden zich niet in het gebied met functiemenging en ten opzichte van deze woningen gelden daarom in principe de richtafstanden uit Bedrijven en Milieuzonering 2009. De woningen bevinden zich in een overgangsgebied tussen een gebied met functiemenging en een rustige woonwijk, waardoor mede gezien de toegestane functies in het gebied met functiemenging een correctie van de richtafstanden acceptabel is. Hiermee is dus 10 meter voldoende om aan te houden.

Voor alle bedrijven gelden bepaalde randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden om te passen binnen een gebied met functiemenging. Niet alle bedrijven en maataschappelijke voorzieningen binnen het plangebied kunnen voldoen direct aan deze voorwaarden, zoals scholen, kinderopvang en supermarkten.

Hieronder worden geluidreducerende 'maatregelen' voor de bovengenoemde activiteiten behandeld.

Supermarkten

Bij supermarkten zijn de voornaamste oorzaken voor geluidsoverlast bij woningen nabij winkels:

  • 1. Het laden en lossen van vrachtwagens, wat vaak 's avonds en 's nachts plaatsvindt;
  • 2. Het rijden met winkelwagentjes en rolcontainers;
  • 3. Het in werking zijn van koelingen, airco's, luchtbehandelingkasten e.d.


Met onderstaande aspecten dient rekening gehouden te worden bij het ontwerp en de indeling van Winkelcentrum Anklaar.

Om geluidsoverlast te voorkomen is het uitgangspunt om de afstand tussen de woningen en geluidproducerende activiteiten zo groot mogelijk te maken. Dit betekent dat wordt geadviseerd de laad- en loslocatie, de route voor winkelwagentjes en de locatie van airco's e.d. zo ver mogelijk van de woningen te situeren en dan vooral ten opzichte van de slaapvertrekken. Daarnaast is een goede geluidsisolatie van de woningen en de commerciële ruimten waar veel geluid wordt geproduceerd noodzakelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat het geluid de bewoners bereikt.

Aan- en afvoerroute

De laad- en losplaats moet goed bereikbaar zijn, om het manoeuvreren van vrachtwagens zoveel mogelijk te beperken. Het geluidsniveau wordt hiermee niet teruggebracht, maar wel de duur ervan, en daarmee de overlast. Dus: zo min mogelijk scherpe of onoverzichtelijke bochten. Daarnaast moet worden vermeden dat de locaties worden geblokkeerd door bijvoorbeeld geparkeerde auto's of andere objecten.

Inrichting laad- en loslocatie

De laad- en losactiviteiten van supermarkten en bakkerijen moeten inpandig plaatsvinden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de grootte van de bevoorradingsvoertuigen en het aantal voertuigen dat tegelijkertijd aanwezig is. Bij meerdere voertuigen moet ofwel gelijktijdig kunnen worden geladen of gelost, of er moet tijdelijke parkeerruimte beschikbaar zijn (zo ver mogelijk van nabijgelegen woningen).

Verharding rondom en in winkels

Het rijden met winkelwagentjes en rolcontainers kan erg veel geluid produceren. Door hiermee rekening te houden bij het kiezen van de verharding rondom en in de winkels kan de geluidsproductie hiervan worden beperkt. Klinkers veroorzaken meer geluid dan bijvoorbeeld asfalt. Een egale verharding, zoals asfalt, verdient daarom de voorkeur.

Beperking contactgeluid

Bij de indeling van de ontvangst/opslagruimte dient de mogelijkheid op contactgeluid zo veel mogelijk te worden beperkt. Onder contactgeluid wordt verstaan het botsen van wagentjes en rolcontainers tegen randen en dergelijke.

Situering van de airco's, luchtbehandelingkasten, koelingen e.d.

Bij de situering van airco's e.d. buiten de gebouwen dient rekening gehouden te worden met de cumulatie van geluid van deze installaties. Dit kan voor overlast zorgen. Het aantal installaties dient beperkt te blijven en het bronvermogen zo laag mogelijk. Mogelijk is het toepassen van warmte/koudeopslag een alternatief voor dergelijke installaties. Een ander aandachtspunt is de situering van afvoerpijpen van afzuigingen van bakdampen bij bijvoorbeeld bakkers, slagers en snackbars. De afvoerpijp van de afzuigingen moeten een aantal meters boven de binnen 25 meter gelegen hoogste daklijn (dus nog boven de woningen) uitkomen. Hier dient men rekening mee te houden bij het ontwerp van het complex.

Maatschappelijke voorzieningen

Binnen de bestemming Gemengd -2 zijn maatschappelijke voorzieningen in categorie 1 toegestaan als opgenomen in de Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen. Door middel van ontheffing kunnen maatchappelijke voorzieningen worden toegestaan die niet in deze lijst staan dan wel in categorie 2 als opgenomen in deze lijst. Hier onder vallen ook scholen en kinderopvang. Het laatste jaar zijn er op het gebied van mogelijke overlast door spelende kinderen bij scholen en kinderopvang nieuwe inzichten ontstaan. Het vigerende bestemmingsplan 'Anklaar - Sprenkelaar' staat op de plek van de gewenste locatie 1 (nieuwbouw multifunctioneel centrum, woonzorgcentrum, woningen) o.a. scholen en kinderopvang toe. Ook in het nieuwe bestemmingsplan zou dit door middel van ontheffing mogelijk kunnen worden gemaakt. De ervaring leert dat met name het buitenspelen van kinderen van een school of opvang tot geluidsoverlast kan leiden. De school/opvang dient te voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Hierin staat met betrekking tot stemgeluid het volgende:

1. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 2.17, blijft buiten beschouwing:

a. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

b. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

c. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.


Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat stemgeluid van kinderen op speelterreinen in de open lucht bij zowel het basisonderwijs als bij kinderopvang wordt uitgesloten voor de bepaling van het geluidsniveau en daarmee van de toetsing aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Een goede ruimtelijke ordening is in dit geval echter nodig om er voor te zorgen dat overlast van spelende kinderen nabij woningen wordt voorkomen. Uit de plannen blijkt echter niet dat er ruimte is voor een speelterrein, alleen eventueel op het binnenterrein van de bebouwing. Met een binnenterrein wordt hier bedoeld een buitenplaats die omsloten is door bebouwing. Het omgevingsgeluid is hier doorgaans veel lager. Stemgeluid van het speelterrein zal dan eerder leiden tot overlast. Daarnaast wordt het geluid versterkt door de weerkaatsing van het geluid. (Binnen)speelterreinen waar kinderen kunnen spelen zijn daarom niet direct wenselijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Medewerking aan het verlenen van ontheffing is alleen wenselijk voor zover het activiteitenbesluit niet van toepassing is en de hinder naar aard en invloed vergelijkbaar is met activiteiten die bij recht zijn toegestaan. In praktijk is gebleken dat een kinderdagverblijf mogelijk is nadat er de nodige voorzieningen zijn getroffen en er goede afspraken zijn gemaakt, zoals het om de beurd in kleinere groepjes buiten spelen.

5.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle bedrijven en transportroutes van gevaarlijke stoffen. Begrippen die hierbij van belang zijn, zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.


Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.


Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1,K2 en K3 vloeistoffen'. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen. De minister van VROM heeft geadviseerd om ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen al uit te gaan van het nieuwe toetsingskader van deze AMvB, in plaats van de 'circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen'.


Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een (nieuwe en bestaande) risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten

Door het Projectbureau Externe Veiligheid van de Regio Stedendriehoek is een advies d.d. 30 maart 2009 (zie Onderzoek Externe Veiligheid projectbureau EV Regio stedendriehoek maart 2009) uitgebracht over de externe veiligheidsaspecten rondom de revitalisering en uitbreiding van het winkelcentrum Anklaar. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen die van invloed zijn op de ontwikkeling van het plangebied. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de eisen die gesteld worden op vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

5.1.7 Elektromagnetische straling

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen een de 0,4 microTesla (µT) magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen (0-15 jaar). Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT - zone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen.

Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.


Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het winkelcentrum Anklaar bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Op circa 60 meter van het winkelcentrum Anklaar staat een GMS/UMTS antenne. De contour van deze antenne komt niet in de buurt van het winkelcentrum Anklaar en vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkelingen.