direct naar inhoud van 4.8 Milieueffectrapportage
Plan: Buitengebied Noord-Oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1044-ont2

4.8 Milieueffectrapportage

Gelet op de verplichtingen van de Wet milieubeheer (Wm) is ook een MER (Milieueffectrapportage) opgesteld. Dit 'MER bestemmingsplannen buitengebied Apeldoorn' is opgesteld voor het gehele buitengebied van Apeldoorn en is opgenomen als bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting.

Aanleiding voor het MER waren vooral de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijbedrijven. Daarnaast is de (beperkte) ontwikkelingsruimte voor de recreatie in het MER onderzocht op z'n milieugevolgen.

Na afronding van het MER is een 'Aanvulling MER bestemmingsplan buitengebied Noord Oost' (25 april 2012) opgesteld. Hierin zijn de milieueffecten voor het deelgebied Noord Oost uitgewerkt voor de aspecten natuur en geur. Deze aanvulling is opgenomen als bijlage 4 van de Bijlagen bij de toelichting.

4.8.1 Milieueffecten ontwikkelingsruimte veehouderijen

In het MER bestemmingsplannen buitengebied Apeldoorn is onder andere onderzocht welke milieueffecten te verwachten zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden in de bestemmingsplannen voor de veehouderij. Hiertoe is in het MER een aantal scenario's beoordeeld. Na afronding van het MER is een 'Aanvulling MER bestemmingsplan buitengebied Noord-Oost' (25 april 2012) opgesteld. Hierin zijn de milieueffecten voor het deelgebied Noord Oost uitgewerkt voor de aspecten natuur en geur.

Voor het deelgebied Noord-Oost geldt dat de milieuruimte voor groei van vee-houderijbedrijven beperkt is zonder flink te investeren in emissiearme stal-technieken.

In het MER is het milieueffect per deelgebied indicatief beoordeeld op basis van de beschikbare informatie. De conclusies per deelgebied zijn relatief t.o.v. de andere deelgebieden. Voor het groeipotentieel van veehouderijbedrijven en voor geur- en natuureffecten zijn de conclusies:


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1044-ont2_0010.png"

Samen met de Agrarische Enclave is het groeipotentieel van de veehouderij in Noord-Oost, op basis van beschikbare milieuruimte en bedrijfseconomische omvang, het grootst. Het effect is relatief beperkt voor Noord-Oost omdat het gebied de grootste afstand heeft tot de Natura 2000-gebieden en de minste geurknelpunten veroorzaakt door groei van de bedrijven.

Met de extra milieu informatie uit de 'Aanvulling MER bestemmingsplan buitengebied Noord-Oost', waarin een groeiscenario voor het deelgebied Noord-Oost is uitgewerkt, blijkt dat:


Deelaspect natuur en ammoniak

Voor zowel EHS- als Natura 2000-gebieden is een stijging van de depositie aan de orde door het worst-case scenario in buitengebied Noord-Oost. Significant negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

De relatieve bijdrage van Noord Oost per Natura 2000-gebied verschilt sterk. Met name voor de Veluwe en de Uiterwaarden IJssel is de relatieve bijdrage groot. Voor vijf habitattypen in de Uiterwaarden van de IJssel, voor een type in Landgoederen Brummen en voor twee typen op de Veluwe kan het effect meevallen omdat voor een aantal locaties van deze typen een overschrijding van het kritische depositie niveau niet aan de orde is.

Voor de EHS geldt dat met name de stikstof depositie op het landgoed Woud-huis flink toeneemt door de ontwikkelingsmogelijkheden in het deelgebied Noord Oost.

Deze uitwerking maakt duidelijk dat het effect op natuur zeer negatief blijft ten opzichte van de referentiesituatie en dat ook in relatieve zin de bijdrage uit dit deelgebied groot is t.o.v. de overige deelgebieden.


Aspect geur

Voor het aspect geur heeft de worst-case invulling voor het deelgebied Noord Oost een licht negatief effect voor de ggo's in het buitengebied. Het effect is klein omdat de groeimogelijkheden beperkt zijn binnen de beschikbare milieu-ruimte en omdat alleen de bedrijven met intensieve veehouderij effect hebben op de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder. Voor bedrijven met melkrundvee gelden vaste afstanden, dit staat los van het aan-tal dieren. Er is geen geureffect voor de bebouwde kom en de bungalowparken.

Met name de inrichting van het landbouwontwikkelingsgebied en het Besluit huisvesting als autonome ontwikkelingen, zijn van invloed op het deelgebied Noord-Oost.

Voor een worst-case scenario in de vijf deelgebieden tezamen geldt dat het geureffect licht negatief is in de bebouwde kom en het buitengebied. Voor de bungalowparken blijft het effect neutraal.

Deze uitwerking maakt duidelijk dat het effect voor geur licht negatief tot neutraal is ten opzichte van de referentiesituatie en dat ook in relatieve zin de bijdrage uit dit deelgebied beperkt is ten opzichte van de overige deelgebieden.Aanbevelingen MER

Uiteindelijk wordt er in het MER een aantal aanbevelingen gedaan voor de uitwerking van het beleid voor de veehouderij, die voor een groot deel in de bestemmingsplanregeling moeten worden vertaald:

  • De ontwikkelingsruimte voor veehouderij ruimtelijk differentiëren waarbij Noordoost en Het Woud de meeste ontwikkelingsruimte krijgen en de Agrarische Enclave de minste.
  • Zorg dat alle bouwkavels van bedrijven met (veel) vleeskalveren worden aangeduid met i.v. Hierdoor wordt een maximale omvang van 1 ha moge-lijk in plaats van 1,5 ha.
  • Een actieve handhaving en intrekking van 'lege' vergunningen, met priori-teit in en rondom de kwetsbare gebieden.
  • Bij uitbreidingen van bestaande veehouderijen, het omschakelen van melkrundvee naar intensieve veehouderij of bij nieuwvestiging van bedrij-ven met melkrundvee, een omgevingstoets uitvoeren in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Belangrijke voorwaarden zijn dan:
    o de geurbelasting, inclusief de cumulatieve belasting, mag de streef-waarden niet overschrijden. Lagere (dus strengere) streefwaarden c.q. toetswaarden zijn aan te bevelen om lokale knelpunten m.b.t. een te hoge achtergrondbelasting te voorkomen, met name op woonlocaties rond het LOG Beemte Vaassen;
    o concrete en voldoende salderingsmogelijkheden bij een toename van de ammoniakemissie, waarmee voldaan wordt aan de eisen uit de provinciale verordening stikstof en Natura 2000;
    o een goede kwaliteitsborging m.b.t. het inpassen van het initiatief in het landschap;
    o een goede ontsluiting;
    o aanvaardbare risico's voor de volksgezondheid;
    o aen evenredige verdeling van de milieuruimte;
    o een positief advies van de waterbeheerder(s).
  • Omschakeling van melkrundvee naar intensieve veehouderij alleen toestaan als onderdeel van de afwaartse beweging. Dus als er sprake is van de afbouw van een locatie in het extensiveringsgebied, een niet-duurzame locatie in het verwevingsgebied of het oplossen van een knelpunt. Ook dient de locatie waar sprake is van omschakeling zodanig te zijn gelegen, dat deze gezien de milieuruimte en andere omgevingsaspecten als een duurzame locatie kan worden aangemerkt.
  • Ook bij grote schaalsprongen van bestaande intensieve veehouderijen (bij hervestiging) kan een vergelijkbare toets op duurzaamheid het milieu effect aanzienlijk beperken.
  • Omdat het aandeel ammoniakdepositie op kwetsbare natuurgebieden vanuit de melkrundveehouderij vergelijkbaar is met het aandeel vanuit de intensieve veehouderij, kan de reconstructiewetzonering ook gelden voor de grondgebonden veehouderij.


Vertaling naar het bestemmingsplan Buitengebied Noordoost

Uit het MER blijkt dat voor een aantal milieuthema's negatieve effecten mogelijk zijn bij vergroting van veehouderijen. Dit betreft met name de thema's ammoniak en natuur, fijn stof (onderdeel bedrijfsvoering), geurhinder, verstoring archeologische waarden, aardkundige waarden en verkeer. Daarom is overwogen of dit aanleiding is om hiervoor specifieke regels op te nemen in het bestemmingsplan.


Fixeren huidig ruimtebeslag veehouderij

In het licht van de aanbevelingen van het MER om bij elke uitbreiding en ver-andering bij veehouderijen een omgevingstoets uit te voeren, is gekozen voor de constructie in het bestemmingsplan waarbij het huidige gebruik van de bedrijfsgebouwen voor zowel de intensieve veehouderij als de grondgebonden veehouderij is gefixeerd op het bestaande gebruik in termen van het ruimtebeslag van het maximaal toegestaan aantal dieren volgens de geldende omge-vingsvergunning (onderdeel milieu), c.q. op grond van de milieumelding. Uitbreiding van het aantal dieren en het bijbehorende ruimtebeslag is dus niet zonder meer mogelijk. Wel zijn er afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het ruimtebeslag voor dieren te kunnen uitbreiden. Maar daarbij dient een brede omgevingstoets plaats te vinden, waarbij er op verschillende aspecten wordt getoetst, zoals natuur, landschap (Natura- 2000, EHS) geur, volksgezondheid, ontsluiting etc.

Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de zonering voor de intensieve veehouderij vanuit het Reconstructieplan, te weten de zonering in extensiverings-gebieden en verwevingsgebieden. Immers, ook vanuit dat plan was de uitbreiding van het ruimtebeslag voor de intensieve veehouderij in het extensiveringsgebied al niet toegestaan (tenzij het noodzakelijk was uit oogpunt van regelgeving op het gebied van dierwelzijn en het aantal dierplaatsen niet wordt vergroot).

Omdat vanuit het MER blijkt dat ook de grondgebonden veehouderij negatieve effecten kan hebben op het gebied van stikstofdepositie in natuurgebieden, is overeenkomstig de aanbevelingen van het MER voor het extensiveringsgebied een vergelijkbare regeling opgenomen als voor de intensieve veehouderij.

In onderstaand overzicht is de wijze van regeling in beeld gebracht.


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1044-ont2_0011.png"

*) afwijking = het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de opgenomen gebruiksregel dat alleen de bestaande oppervlakte gebouwen, die als stalruimte in gebruik is voor veehouderij, mag worden gebruikt.

**) vergroten ruimtebeslag kan plaatsvinden binnen bestaande, te vergroten of nieuw te bouwen stallen.


Op deze wijze wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de aanbevelingen vanuit het MER. Onderstaand wordt per thema ingegaan op de vertaling van het MER in het bestemmingsplan.


Natuur

Voor dit thema is het volgens het MER niet uitgesloten dat er negatieve effecten zullen optreden bij de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en de stikstofdepositie op EHS-gebieden.


stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Hierbij is vooral de passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998) van belang (hoofdstuk 7 van het MER). Hieruit blijkt dat er bij alle scenario's sprake kan zijn van significant negatieve effecten met betrekking tot de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten op-zichte van de feitelijke situatie. Deze effecten kunnen zowel ontstaan bij vergroting van intensieve veehouderijen als bij vergroting van melkveehouderijen.

Het bestemmingsplan mag geen ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen bevatten, die in strijd zijn met de Nb-wet 1998. Dat betekent dat bijzondere aandacht nodig is voor de regeling van de uitbreiding van het ruimtebeslag van veehouderijen (bouw van veestallen).

Daarbij is het volgende van belang:

  • Op 15 oktober 2011 is de provinciale Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland in werking getreden. Dit betreft een verordening op grond van art. 19ke van de Nb-wet 1998. Met de Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland wil de provincie bereiken dat de kwetsbare natuur in Natura 2000-gebieden beter wordt beschermd én dat veehouderijbedrijven in Gelderland mogelijkheden krijgen om uit te breiden. Veehouders die een nieuwe stal willen bouwen of een andere wijziging in de stallen willen aanbrengen, moeten hiervoor een vergunning aanvragen op grond van de Nb-wet 1998. Bedrijven die willen uitbreiden kunnen alleen een vergun-ning krijgen als ook de stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden daalt. De verordening bereikt deze twee doelen met behulp van een salderingssysteem. In de verordening staan de regels voor dit salderingssysteem. Het salderingssysteem, dat wordt beheerd door de provincie, registreert de stikstofuitstoot door veehouderijbedrijven, ook wel depositieruimte genoemd en houdt de ontwikkeling daarvan bij. Als de depositieruimte van een bedrijf afneemt door het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten, kan een ander bedrijf deze depositieruimte voor een deel overnemen.
    Als de stikstofuitstoot door de uitbreiding een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, is het bedrijf dat de vergunning aanvraagt verplicht om ge-bruik te maken van het salderingssysteem. De drempelwaarde is gerela-teerd aan de stikstofgevoeligheid van het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Beneden een bepaalde drempelwaarde hoeft er niet gesaldeerd te worden en krijgt het bedrijf de Nb-wetvergunning zonder extra voorwaar-den ten aanzien van de stikstofuitstoot.
  • Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor uitbreiding van een veehouderij vindt afstemming plaats met de provincie inzake de benodigde vergunning op grond van de Nb-wet 1998. Met de komst van de Wabo ha-ken vergunningen in het kader van de Nb-wet 1998 aan bij de omgevings-vergunning. De provincie verstrekt dan niet langer een Nb-wet 1998 vergunning, maar een verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Ofwel: in geval er samenloop is met een Wabo-activiteit, gaat de natuurbeschermingsvergunning op in de omgevingsvergunning. B&W zijn het bevoegde gezag en GS geven een verklaring van geen bedenkingen af.
    Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van stallen voor een veehouderij, is langs de weg van het aanhaken dus afstem-ming met de Nb-wet 1998 gegarandeerd. De omgevingsvergunning voor het bouwen van veestallen kan, naast de toets aan andere relevante aspecten, pas worden verleend als de provincie een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. Dat zal de provincie pas doen als duidelijk is dat de omgevingsvergunning pas binnen de regels van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland.


Gelet op het bovenstaande is de gemeente van mening dat het wenselijk is om in enigerlei vorm in de regels van het bestemmingsplan afstemming te zoeken met de Nb wet 1998 en de daarop gebaseerde verordening. Hierdoor kan ook door middel van de regels van het bestemmingsplan helder worden gemaakt dat er naast een toetsing aan het bestemmingsplan ook een toetsing aan de Nb wet 1998 noodzakelijk is.

Aangezien elke uitbreiding en verandering bij veehouderijen pas door middel van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid mogelijk is, is daarin een specifiek afwegingscriterium opgenomen met betrekking tot het voorkomen van toename van stikstofdepositie. Bij die afweging toetsen B&W of de wezenlijke kenmerken of waarden (de instandhoudingsdoelen) van het Natura 2000-gebied niet significant worden aangetast (c.q. of het past binnen de regels van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland). In de praktijk betekent dit dat dan geborgd is dat een omgevingsvergunning voor het vergroten of bouwen van een nieuwe veestal, slechts kan worden verleend indien ook de Nb-wet 1998 vergunning verleend kan worden, c.q. indien de bouw van de veestal past binnen de regels van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Gelderland.

Hierbij zijn de mogelijkheden voor de intensieve veehouderij in overeenstemming met het Reconstructieplan. Dit betekent dat in het extensiverings-gebied geen uitbreiding van stallen (of het vergroten van het ruimtebeslag voor intensieve veehouderij) is toegestaan, tenzij uitbreiding noodzakelijk is om te voldoen aan de wettelijke eisen op het gebied van dierwelzijn. Voor het verwevingsgebied is dan vergroting van het ruimtebeslag of uitbreiding van stallen tot 1 ha mogelijk. Op basis van het MER geldt daarvoor nu een brede omgevingstoets, waarbij een afwegingscriterium met betrekking tot het voor-komen van toename van stikstofdepositie is opgenomen.

In het verwevingsgebied is de vergroting van het ruimtebeslag of uitbreiding van stallen voor de grondgebonden veehouderij binnen het bouwvlak mogelijk door middel van een afwijkingsprocedure, waarbij een afweging van de gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden plaatsvindt in het kader van de brede omgevingstoets. Ook een uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha is mogelijk door middel van een wijzigingsprocedure, waarbij eveneens een brede omgevingstoets plaatsvindt (inclusief de gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden).

Door bovenstaande regelingen in het bestemmingsplan is gegarandeerd dat de ontwikkelingsruimte voor de veehouderij niet leidt tot negatieve effecten op het gebied van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden.


Stikstofdepositie op EHS-gebieden

Voor alle scenario's in het MER is er een stijging te zien ten opzichte van de autonome ontwikkeling van stikstofdepositie op gevoelige WAV?gebieden van de EHS (buiten Natura 2000). Effecten van stikstofdepositie op gevoelige EHS?gebieden kunnen voor de scenario's op voorhand niet worden uitgesloten.

De hierboven genoemde regelingen voor de Natura 2000-gebieden zullen ook voor de EHS-gebieden leiden tot een adequate manier om negatieve effecten in de EHS-gebieden te voorkomen. Immers, ook rond de EHS-gebieden liggen de extensiveringsgebieden als een soort bufferzone. Bovendien zullen bij de regelingen zoals hierboven genoemd, in de brede afwegingen ook de effecten op de EHS-gebieden worden betrokken.


Luchtkwaliteit: Fijn stof

Vanwege de emissies van agrarische bedrijven kan er bij groei van de veehou-derijen mogelijk sprake zijn van negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij altijd om problemen dicht bij de bron (hooguit enkele honderden meters). Met behulp van technische maatregelen bij de bron (juiste staluitvoering, toepassing luchtwassers e.d.) en voermaatregelen kunnen negatieve effecten worden voorkomen. Dat komt aan de orde in de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu. Een regeling hiervoor opnemen in het bestemmingsplan is daarom niet nodig.


Geur

Het worst-case scenario leidt gemiddeld tot een lichte daling van de leefbaar-heid ten opzichte van de referentiesituatie. Het MER geeft echter aan dat het om een zodanig lichte daling gaat dat er geen mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan noodzakelijk zijn.

Bovendien kan worden opgemerkt dat de toetsing van uitbreidingen van vee-houderijen aan de Wet geurhinder en veehouderij er voldoende voor zal zorg-dragen dat er geen milieuproblemen ontstaan. Wel zal geurhinder naast andere (milieu)aspecten worden meegewogen in de brede omgevingstoets, zoals die is opgenomen in de verschillende afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.


Archeologische waarden

Het MER geeft aan dat de mate waarin de ontwikkelingen een nadelig effect kunnen hebben op de archeologie, in sterke mate plaatsgebonden is. Over het algemeen geldt dat er weinig bekende waarden liggen rond de locaties met boerderijen, zodat mogelijke verstoringen van deze bekende waarden naar verwachting beperkt zullen zijn.

Tevens kan hierbij worden opgemerkt dat de archeologische (verwachtings)waarden afdoende zijn geregeld door middel van de archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Hiermee kunnen verstoringen afdoende worden voorkomen.


Aardkundige waarden

Het MER constateert dat er negatieve effecten zijn ten aanzien van aardkunde, maar deze zullen heel beperkt zijn. Bij het toekennen van bestemmingen en aanduidingen, kan voldoende rekening worden gehouden met aanwezige aardkundige waarden, bijvoorbeeld door het opnemen van de gebiedsaanduiding cultuurhistorisch gebied of openheid. Daarmee kan aantasting van aardkundige waarden worden voorkomen.

Daarnaast doet het MER de aanbeveling om de aardkundige waarden te verta-len naar beeldkwaliteitsplannen of welstandsnota-uitwerkingen.


Verkeersveiligheid

Door de schaalvergroting in de veehouderij kan er sprake zijn van een toename van met name het vrachtverkeer. Dat kan een licht negatief effect hebben op de verkeersveiligheid.

Het MER geeft echter aan dat het om dermate gering effect gaat dat er geen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

4.8.2 Milieueffecten ontwikkelingsruimte recreatie

In het MER bestemmingsplannen buitengebied Apeldoorn is eveneens onderzocht welke milieueffecten te verwachten zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden in de bestemmingsplannen voor de recreatie. Hiertoe is in het MER een worst-case scenario beoordeeld.

Uit het MER blijkt dat voor enkele milieuthema's negatieve effecten mogelijk zijn bij recreatieve ontwikkelingen binnen dit plangebied.

Dit betreft:

1. De uitbreiding van dagrecreatieve voorzieningen kan leiden tot licht negatieve effecten op beschermede soorten in het onderdeel natuur;

2. Er bestaat de mogelijkheid dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor de recreatie leiden tot een toename van het aantal conflicten tussen recrea-tief verkeer en landbouwverkeer. Dit heeft een licht negatief effect op de verkeersveiligheid.

Deze onderdelen zijn als volgt vertaald in het bestemmingsplan:

Ad. 1. In alle bestemmingsplannen buitengebied is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning genoemd) opgenomen voor de aanleg van recreatieve wegen, paden en parkeervoorzieningen in de bestemming Agrarisch. Daarbij is een toetsingscriterium opgenomen dat er geen sprake mag zijn van negatieve effecten voor de beschermde soorten, die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet.

Ad. 2. In de regels van de agrarische bestemming is het toelaten van een kleinschalig kampeerterrein alleen mogelijk door middel van een afwijking bij omgevingsvergunning. De verkeerstechnische en de verkeers-veiligheidsaspecten worden daarbij in de afweging betrokken. Voor het overige is de toename van het recreatief verkeer in een bestemmingsplan niet te reguleren.