direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Buitengebied Noord-Oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1044-ont2

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische bedrijven, met dien verstande dat een gebruik als intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
  • b. behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • c. zorgboerderijen;
  • d. kwekerij;
  • e. detailhandel als nevenactiviteit van een kwekerij in ter plaatse gekweekte sierteeltgewassen en tuinbouwzaden, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
  • f. dierenpension, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension';
  • g. gebruiksgerichte paardenhouderij, ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij';
  • h. hovenier, ter plaatse van de aanduiding 'hovenier';
  • i. ambachtelijke bedrijvigheid en cursusruimte, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - educatie en ambachtelijke bedrijvigheid';
  • j. dependances, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - dependance';
  • k. bedrijfswoningen;
  • l. beroepsuitoefening aan huis;
  • m. nevenactiviteiten in categorie 1 van de bij deze regels behorende 'Lijst van toegelaten nevenactiviteiten';
  • n. recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, hobbymatig weiden van vee, wandelen en fietsen;
  • o. natuurbeheer;
  • p. wegen, ter plaatse van de aanduiding 'weg', met dien verstande dat wegen voorzover bestaand tevens zijn toegestaan op gronden die niet zijn aangeduid als 'weg';
  • q. nutsvoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' een gasmeet- en gasregelstation is toegestaan;
  • r. voor zover aangeduid gelden tevens de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3;

met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

3.2 Bouwregels

Naast de algemene bouwregels van artikel 22 en de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3 gelden de specifieke regels van het navolgende bebouwingsschema, waarbij geldt dat de in het schema voorkomende verwijzingen verwijzen naar de in lid 3.4 genoemde afwijkingen.

Bebouwing   Maximale oppervlakte /inhoud   Maximale goothoogte   Maximale bouwhoogte   Bijzondere regels  
Bedrijfsgebouwen en overkappingen

 
bouwvlak   4 m   - Voor bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorisch gebied', 'natuur en landschap', 'open landschap' en 'ecologische verbindingszone': 10 m.
- Voor overige bouwvlakken: 12 m  
- de afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,50 m
- de oppervlakte aan kassen bedraagt ten hoogste 120% van de bestaande oppervlakte aan kassen
- de afstand van op te richten kassen tot niet bij het bedrijf behorende woningen bedraagt ten minste 30 m  
Bedrijfswoningen   700 m3, , tenzij anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume'   4 m     - uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan
- voor het bepalen van de inhoud worden de deel, inpandige garages en bergingen meegeteld;
- per bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen' of 'specifieke vorm van agrarisch - bijzondere regeling 2e bedrijfswoning';
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bijzondere regeling 2e bedrijfswoning' is de tweede bedrijfswoning uitsluitend toegestaan binnen dat aanduidingsvlak
- de afstand van de bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,50 m
- voor het splitsen van de bedrijfswoning in twee wooneenheden geldt het in artikel 22 lid 22.3 bepaalde
- de afstand van een op te richten bedrijfswoning tot bestaande niet bij het betreffende bedrijf behorende kassen bedraagt ten minste 30 m  
Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen   75 m2   3 m   5 m   - uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan
- bijgebouwen en overkappingen mogen niet voor de voorgevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan worden opgericht (3.4.1a)
- de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,50 m
- voor het bepalen van de oppervlakte worden bijgebouwen die worden gebruikt voor beroepsuitoefening aan huis meegeteld
- in bijgebouwen is het aanbrengen van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de beroepsuitoefening aan huis toegestaan  
Dependances   65 m2   3 m   5 m   - uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan
- de totale oppervlakte aan bijgebouwen, overkappingen en dependances mag niet meer dan 75 m2 bedragen
- een dependance heeft geen zelfstandig recht op bijgebouwen
- bij een dependance zijn geen dakkapellen, erkers en balkons toegestaan  
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen:
 
      - bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen en bouwwerken geen gebouwen zijnde voor teeltondersteunende voorzieningen
 
- mestsilo's
 
    10 m    
- sleufsilo's
 
2500 m2     4 m    
- overige silo's
 
    10 m    
- erf- en terreinafscheidingen       2 m   - de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak of voor de voorgevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan bedraagt ten hoogste 1,50 m (3.4.1d)
 
- antenne-installaties
 
    15 m    
- bouwwerken voor teeltondersteunende voorzieningen       1,5 m   - de oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van kassen bedraagt ten hoogste 1.000 m2
- het buiten het bouwvlak oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor teeltondersteunende voorzieningen is uitsluitend toegestaan buiten de aanduidingen 'cultuurhistorisch gebied', 'natuur en landschap', 'open landschap' en 'ecologische verbindingszone'  
- paardenbakken, stapmolens en lichtmasten t.b.v. paardenbakken       6 m   - indien de paardenbak geen onderdeel vormt van het agrarisch bedrijf als bedoeld in lid 3.1 is er ten hoogste één paardenbak per bedrijfswoning toegestaan
- de hoogte van omheiningen van een paardenbak bedraagt ten hoogste 2 m;
- de afstand van een paardenbak tot (bedrijfs)woningen van derden bedraagt ten minste 50 meter;
- uitsluitend in samenhang met het afwijken van de gebruiksregels als bedoeld in lid 3.6 onder 3.6.4 zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een paardenbak buiten het bouwvlak toegestaan
 
- overig
 
    6 m    

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van de bebouwing binnen het bouwvlak en de oppervlakte per gebouw teneinde de bebouwing in een compacte eenheid te situeren, voor zover dit noodzakelijk is voor een landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbare en verantwoorde inpassing in de omgeving.

Op het stellen van nadere eisen zijn de in artikel 34 opgenomen procedureregels van toepassing.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.2 bepaalde:

  • a. voor het bouwen van bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen en overkappingen voor de voorgevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan;
  • b. voor het buiten het bouwvlak oprichten van bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 per agrarisch bedrijf en een hoogte van ten hoogste 3 m, mits dat noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en de bebouwing niet binnen het bouwvlak zelf kan worden opgericht;
  • c. voor het buiten het bouwvlak oprichten van een stalruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt, met dien verstande dat bij de stalruimte ten minste 1 hectare aaneengesloten grond hoort, waarop de stalruimte wordt gebouwd en die grond ligt binnen een bestemmingsvlak met de bestemming 'Agrarisch';
  • d. voor het ten behoeve van de privacy binnen het bouwvlak bouwen van een erf- of terreinafscheiding voor de voorgevelrooilijn bij bedrijfswoningen tot een bouwhoogte van 2 m, indien dit met het oog op de verkeers- en sociale veiligheid niet onaanvaardbaar is;
  • e. voor het oprichten dan wel vergroten van sleufsilo's buiten het bouwvlak, mits dat noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, de bebouwing aantoonbaar niet binnen het bouwvlak zelf kan worden opgericht, het totaal toegestane oppervlak van 2.500 m2 niet wordt overschreden, de gehele sleufsilo binnen een afstand van 50 meter van het betreffende bouwvlak gesitueerd wordt, wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap en de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad;
  • f. voor het oprichten dan wel vergroten van mestsilo's buiten het bouwvlak, mits dat nood-zakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, de bebouwing aantoonbaar niet binnen het bouwvlak zelf kan worden opgericht, de gehele mestsilo binnen een afstand van 50 meter van het betreffende bouwvlak gesitueerd wordt, wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap en de belangen van de om-liggende functies niet onevenredig worden geschaad;
  • g. voor het oprichten dan wel vergroten van agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde veestallen, buiten het bouwvlak, mits dat noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, de bebouwing aantoonbaar niet binnen het bouwvlak zelf kan worden opgericht, de gebouwen binnen een afstand van 50 m van het betreffende bouwvlak gesitueerd worden, de totale oppervlakte aan bij het bedrijf behorende gebouwen buiten het bouwvlak en binnen 50 m van het bouwvlak niet meer dan 500 m2 bedraagt, wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap en de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.
3.4.2 Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in dit lid is alleen mogelijk voor zover de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied niet significant worden aangetast en het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Naast de algemene gebruiksregels van artikel 23 en de regels voor gebiedsaanduidingen van hoofdstuk 3 gelden de volgende specifieke regels.

3.5.1 Intensieve veehouderij

Ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' mag uitsluitend de bestaande oppervlakte aan bebouwing die binnen een bouwvlak voor de intensieve veehouderij als stalruimte in gebruik is, als zodanig gebruikt worden.

3.5.2 Grondgebonden veehouderij

Uitsluitend mag de bestaande oppervlakte aan bebouwing, die binnen een bouwvlak voor een grondgebonden veehouderij als stalruimte in gebruik is, mede voor de grondgebonden veehouderij gebruikt worden.

3.5.3 Wonen

Grond behorende bij woningen, maar gelegen buiten het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' mag, als zijnde een aan het landelijk gebied verwante activiteit, gebruikt worden als moestuin.

3.5.4 Niet toegelaten bedrijven

Behoudens bestaande bedrijven zijn niet toegelaten:

  • a. wormen-, maden- en viskwekerijen en fokkerijen en mesterijen van ganzen, eenden en kalkoenen, voor zover dit in de open lucht plaatsvindt;
  • b. pelsdierhouderijen, voor zover dit in de open lucht plaatsvindt.

Overtreding van deze bepaling is een strafbaar feit.

3.5.5 Wegen ter plaatse van de aanduiding 'weg'

De rijbaanbreedte van wegen ter plaatse van de aanduiding 'weg' bedraagt ten hoogste 5 meter. Voor bestaande wegen die een grotere breedte hebben, geldt de bestaande breedte als maximum. Naast de rijbaan is aan één zijde van de weg een in twee richtingen berijdbaar fietspad of aan beide zijden

een in één richting berijdbaar fietspad toegestaan, mits:

  • a. het fietspad binnen een afstand van ten hoogste 15 m uit de kant van de rijbaan is gesitueerd;
  • b. de breedte van een in één richting berijdbaar fietspad niet meer dan 2 m en van een in twee richtingen berijdbaar fietspad niet meer dan 3,50 m bedraagt.
3.5.6 Beroepsuitoefening aan huis

Het gebruik van bedrijfswoningen en bijgebouwen voor beroepsuitoefening aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. dit gebruik beslaat niet meer dan 40% van de oppervlakte van de bedrijfswoning en 100% van de oppervlakte van de bijgebouwen, met een gezamenlijk maximum van 50 m2 per kavel;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu;
  • c. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen nadelige toename van de parkeerbehoefte;
  • d. er wordt geen detailhandel uitgeoefend;
  • e. de activiteiten veroorzaken geen duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen en hebben geen ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur tot gevolg;
  • f. het beroep wordt in ieder geval door de bewoner uitgeoefend.
3.5.7 Paardenbakken

Het is niet toegestaan de gronden gelegen buiten het bouwvlak te gebruiken ten behoeve van paardenbakken.

3.5.8 Nevenactiviteiten

Nevenactiviteiten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat voorzieningen ten behoeve van Bed&Breakfast uitsluitend in het hoofdgebouw zijn toegestaan. Buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten is niet toegestaan. De vloeroppervlakte die ten behoeve van de nevenactiviteiten mag worden gebruikt bedraagt niet meer dan 75 m2, met dien verstande dat de vloeroppervlakte die ten behoeve van detailhandel mag worden gebruikt niet meer dan 50 m2 mag bedragen. Nevenactiviteit bij een kwekerij in de vorm van detailhandel is niet toegestaan.

Overtreding van deze bepaling is een strafbaar feit.

3.5.9 Opslag

Het is niet toegestaan de gronden gelegen buiten het bouwvlak te gebruiken ten behoeve van opslag, waaronder kuilvoeropslag, en het ten behoeve daarvan aanleggen van verhardingen. Overtreding van deze bepaling is een strafbaar feit.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Afwijkingsbevoegdheid algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.5 bepaalde:

  • a. teneinde de maximale rijbaanbreedte van wegen ter plaatse van de aanduiding 'weg' met ten hoogste 2 m te verbreden, mits dat noodzakelijk is voor een goede verkeersafwikkeling;
  • b. teneinde fietspaden op een afstand tot ten hoogste 25 m uit de kant van de rijbaan aan te leggen, mits dat noodzakelijk is in verband met de ruimtelijke inrichting van de gronden.
3.6.2 Afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van het gebruik van de bestaande oppervlakte aan bebouwing van intensieve veehouderijen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5onder 3.5.1 ten behoeve van het vergroten van het gebruik van de oppervlakte aan bebouwing die voor een intensieve veehouderij als stalruimte wordt gebruikt ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', met dien verstande dat:

  • a. de vergroting is toegestaan tot een omvang van maximaal 1 hectare, waarbij:
    • 1. de vergroting aantoonbaar noodzakelijk is voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering; en
    • 2. is aangetoond dat de vergroting, gelet op de omvang, ligging en aard van de intensieve veehouderij ten opzichte van in de nabijheid gelegen functies een zodanig beperkte milieuhinder veroorzaakt dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschaad;
    • 3. is aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van Natura-2000 gebied niet significant worden aangetast vanwege de ammoniak depositie;
  • b. indien de bestaande oppervlakte aan bebouwing die voor de intensieve veehouderij in gebruik is als stalruimte 1 hectare of meer bedraagt, deze bestaande oppervlakte aan bebouwing voor het gebruik als stalruimte mag worden vergroot met 10%, mits:
    • 1. de vergroting aantoonbaar noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid;
    • 2. het aantal dierplaatsen niet toeneemt;
    • 3. is aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied niet significant worden aangetast vanwege de ammoniakdepositie.
3.6.3 Afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van de bestaande oppervlakte aan bebouwing van grondgebonden veehouderijen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5onder 3.5.2 ten behoeve van het vergroten van het gebruik van de oppervlakte aan bebouwing die voor een grondgebonden veehouderij als stalruimte wordt gebruikt, met dien verstande dat:

  • a. de vergroting van het gebruik (hieronder mede verstaan al dan niet geheel of gedeeltelijke omschakeling van land/tuinbouw naar grondgebonden veehouderij) binnen het bouwvlak is toegestaan;
  • b. de vergroting aantoonbaar noodzakelijk is voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering;
  • c. is aangetoond dat het de vergroting, gelet op de omvang, ligging en aard van de grondgebonden veehouderij ten opzichte van in de nabijheid gelegen functies een zodanig beperkte milieuhinder veroorzaakt dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschaad; en
  • d. is aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van Natura-2000 gebied niet significant worden aangetast vanwege de ammoniakdepositie.
3.6.4 Afwijkingsbevoegdheid voor paardenbakken

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.5 onder 3.5.7bepaalde:

  • a. voor het realiseren van paardenbakken:
    • 1. behorende bij een agrarisch bedrijf, maar gelegen buiten het bouwvlak;
    • 2. behorende bij de bedrijfsvoering van een gebruiksgerichte paardenhouderij, maar gelegen buiten het bouwvlak of de gronden ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij';
  • b. voor het realiseren van ten hoogste één paardenbak:
    • 1. behorende bij een woning maar gelegen buiten het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen';
    • 2. behorende bij een bedrijfswoning maar gelegen buiten het bouwvlak dan wel buiten het bestemmingsvlak met de bestemming 'Bedrijf' respectievelijk de bestemming 'Maatschappelijk';

Met dien verstande dat voor zowel a als b geldt dat:

  • a. de gehele paardenbak binnen een afstand van 75 meter van het betreffende bouwvlak of bestemmingsvlak gesitueerd dient te worden;
  • b. er geen onevenredige hinder ten gevolge van de paardenbak mag optreden bij andere (bedrijfs)woningen; in ieder geval mag de afstand tussen enig punt van de paardenbak en een (bedrijfs)woning van derden niet minder dan 50 meter bedragen;
  • c. de hoogte van de paardenbakomheiningen niet meer dan 2 m en lichtmasten niet meer dan 4 m bedraagt;
  • d. realisatie van de paardenbak binnen het betreffende bouwvlak dan wel binnen het betreffende bestemmingsvlak aantoonbaar niet haalbaar is.
3.6.5 Afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.1 onder k en lid 3.5onder 3.5.8 bepaalde teneinde:

  • a. nevenactiviteiten in categorie 2 van de bij deze regels behorende 'Lijst van toegelaten nevenactiviteiten' toe te staan;
  • b. nevenactiviteiten toe te staan die niet zijn genoemd in de 'Lijst van toegelaten nevenactiviteiten' en die naar hun aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met nevenactiviteiten die wel voorkomen op de lijst;
  • c. de maximale vloeroppervlakte die voor nevenactiviteiten gebruikt mag worden te vergroten, met uitzondering van nevenactiviteiten in de vorm van detailhandel en recreatieverblijven;
  • d. gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor nevenactiviteiten toe te staan.

mits:

  • 1. de vloeroppervlakte die voor de nevenactiviteiten wordt gebruikt niet meer bedraagt dan 25% van de vloeroppervlakte die voor de hoofdfunctie wordt gebruikt, met een absoluut maximum van 350 m2;
  • 2. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van de nevenactiviteit zich beperkt tot gronden die direct aansluiten aan het bouwvlak;
  • 3. wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap, indien nodig geacht met behulp van het aanbrengen van beplanting;
  • 4. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  • 5. de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.
3.6.6 Afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten bij wonen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.1 onder d en lid 3.5 onder f bepaalde teneinde:

nevenactiviteiten in de vorm kleinschalig kamperen behorende bij een woning maar gelegen buiten het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' toe te staan, bestaande uit ten hoogste 25 standplaatsen uitsluitend ten behoeve van kampeermiddelen, uitsluitend in de pe-riode van 15 maart tot en met 31 oktober, mits:

  • a. een afstand van ten minste 200 m tussen kampeerterreinen wordt aangehouden,
  • b. realisatie van de standplaatsen binnen het betreffende bestemmingsvlak aantoonbaar niet haalbaar is;
  • c. wordt voorzien in een kwalitatief zorgvuldige inpassing in het landschap, indien nodig geacht met behulp van het aanbrengen van beplanting;
  • d. de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt;
  • e. de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.
3.6.7 Afwijkingsbevoegdheid voor recreatief medegebruik

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.1 onder l bepaalde teneinde overige vormen van recreatief medegebruik toe te staan, mits de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt en de belangen van de omliggende functies niet onevenredig worden geschaad.

3.6.8 Afwijkingsbevoegdheid voor buitenopslag

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 3.5 onder 3.5.9bepaalde teneinde kuilvoeropslag toe te staan buiten het bouwvlak, mits dat noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, de kuilvoeropslag niet binnen het bouwvlak zelf kan worden uitgevoerd en de gehele kuilvoeropslag binnen een afstand van 50 meter van het betreffende bouwvlak gesitueerd wordt.

3.6.9 Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in dit lid is alleen mogelijk voor zover de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied niet significant worden aangetast en het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De in artikel 36 opgenomen regels voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zijn van toepassing.

3.8 Wijzigingsbevoegdheid

Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in dit lid mag alleen plaatsvinden voor zover de in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Voorts zijn de algemene criteria van artikel 33 lid 33.3 van toepassing.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van:

  • a. het realiseren van een tweede agrarische bedrijfswoning, mits dit bedrijfseconomisch aantoonbaar noodzakelijk is:
    • 1. de aard van het bedrijf vereist blijvend toezicht van twee personen op het bedrijf, en
    • 2. het bedrijf heeft ten minste twee maal de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf, wat overeenkomt met ten minste 140 NGE, waardoor de continuïteit als tweemansbedrijf verzekerd is;
  • b. het vergroten van een bouwvlak zonder aanduiding 'intensieve veehouderij' ter plaatse, tot een totale oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare, mits;
    • 1. dit voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering aantoonbaar noodzakelijk is,
    • 2. de omvang van het bedrijf ten minste 70 NGE bedraagt en,
    • 3. is aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van Natura-2000 gebied niet significant worden aangetast vanwege de ammoniakdepositie;
  • c. het ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' vergroten van een bouwvlak tot een totale oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare, uitsluitend met als doel om op verschillende locaties gesitueerde onderdelen van één intensieve veehouderij te concentreren binnen één bouwvlak, mits:
    • 1. verzekerd is dat de intensieve veehouderij op de andere locaties wordt beëindigd;
    • 2. er aantoonbaar veterinaire voordelen zijn;
    • 3. dit voor een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering aantoonbaar noodzakelijk is;
    • 4. de ruimtelijke kwaliteit, bezien vanuit de betrokken locaties als geheel, verbetert;
    • 5. de omvang van het bedrijf ten minste 70 NGE bedraagt;
    • 6. is aangetoond dat de vestiging niet leidt tot een significante toenamen van de ammoniakdepositie in een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
  • d. het vestigen van een intensieve veehouderij binnen een bouwvlak zonder aanduiding 'intensieve veehouderij', mits;
    • 1. het uitsluitend betreft een verplaatsing van een intensieve veehouderij naar het betreffende bouwvlak dan wel een gehele of gedeeltelijke omzetting en/of uitbreiding van een ter plaatse bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf in een intensieve veehouderij;
    • 2. de oppervlakte aan bebouwing die voor een intensieve veehouderij als stalruimte zal worden gebruikt niet meer zal bedragen dan 1 ha;
    • 3. is aangetoond dat de vestiging niet leidt tot een significante toenamen van de ammoniakdepositie in een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.