direct naar inhoud van 5.3 Natuurwaarden
Plan: Bestemmingsplan Veluwe natuurontwikkeling 2 locaties
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1031-vas1

5.3 Natuurwaarden

5.3.1 Algemeen

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet, de Habitat- en Vogelrichtlijn, de Natuurbeschermingswet, de Boswet en de provinciale richtlijn voor Bos- en natuurcompensatie.

Soortbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet is iedere handeling verboden die schade kan toebrengen aan de op grond van de wet beschermde planten en dieren en/of hun leefgebied. Op grond van artikel 75 van de wet kan ontheffing van het verbod worden verleend en op grond van de ex artikel 75 vastgestelde AmvB gelden enkele ontheffingen van het verbod. Het systeem werkt als volgt:

  • algemene soorten
    Voor de (met name genoemde) algemene soorten geldt (onder andere) voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing van het verbod.
  • overige soorten
    Voor de overige (met name genoemde) soorten geldt (onder andere) voor activiteiten die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing van het verbod, mits die activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Wanneer er geen (goedgekeurde) gedragscode is, is voor die soorten een ontheffing nodig; de ontheffingsaanvraag wordt voor deze soorten getoetst aan het criterium "doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort".
  • soorten bijlage IV Habitatrichtlijn/bijlage 1 AmvB
    Voor de soorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage 1 van de AmvB artikel 75 is voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing nodig. De ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria:
    • 1. er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang (daaronder valt de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling); en
    • 2. er is geen alternatief; en
    • 3. doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort.

Voor vogelsoorten bestaat geen ontheffingsmogelijkheid.

Gebiedsbescherming

Naast de hiervoor beschreven soortbescherming kan ook een gebiedsbescherming gelden op grond van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor zo'n gebiedsbescherming geldt.

5.3.2 Onderzoeksresultaten

Assel

Door bureau Viridis is de natuurtoets Garderen uitgevoerd (januari 2011, nr. 2010-51, zie bijlage).

Conclusie ten aanzien van de Flora en Faunawet zijn:

  • De functionaliteit van het leefgebied van de das wordt negatief beïnvloed door de omzetting, middels plaggen, van grasland naar heide.
  • Voor het plaggen zal een ontheffing van de FF-wet dienen te worden aangevraagd.
  • Het opstellen van mitigerende maatregelen voor het verlies aan foerageergebied is niet mogelijk.
  • Compenseren van verloren gegaan foerageergebied zal noodzakelijk zijn maar praktisch waarschijnlijk niet uitvoerbaar.

Gelet op deze conclusies heeft overleg plaatsgehad en zal nog nader overleg plaatsvinden tussen de Dienst Landelijk Gebied, Staatsbosbeheer en de Stichting Das en Boom.

Om achteruitgang van de kwaliteit van het leefgebied van de das als gevolg van de inrichtingsmaatregelen te voorkomen wordt als mitigerende maatregel de aanleg van een wildakker op de projectlocatie opgenomen. Hiermee wordt de kwaliteit van het leefgebied van de das verbeterd. De exacte locatie binnen het projectgebied wordt in overleg met Das en Boom nader bekeken.

Daarnaast is het volgende aan de orde. Inrichting van het plangebied Assel geeft invulling aan de doelen van Natura2000. Dit houdt in dat er heide ontwikkeld zal worden wat leidt tot een minder interessant leefgebied voor de das. Bij de provincie is navraag gedaan hoe er omgegaan moet worden met invulling van de doelen vanuit Natura2000 en in hoeverre er dan rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van de das. Daaruit is naar voren gekomen dat wel rekening moet worden gehouden met de das, dit betekent dat er aandacht moet zijn voor de das bij de planvorming en bij de afweging. Dit betekent echter niet dat er ook binnen het plangebied per definitie rekening moet worden gehouden met inrichtingsaspecten voor de das. Het fourageergebied ligt op korte afstand ( i.c. de gronden die nog agrarisch in gebruik zijn). Het in te richten terrein is voor de das in z'n huidige vorm waarschijnlijk niet al te interessant, de vraag is dan ook of dit door de voorgenomen inrichting verder als leefgebied voor de das in kwaliteit achteruit gaat. Mede vanwege de geplande verbinding, krijgt in dit geval inrichting als heide corridor dan ook prioriteit.


Op basis van bovenstaande is voldoende aannemelijk dat een ontheffing verkregen kan worden.

Conclusies ten aanzien van de Natuurbeschermingswet zijn:

  • In het onderzoeksgebied komen geen van de in het aanwijzingsbesluit genoemde habitattypen voor.
  • In het onderzoeksgebied komt geen van de in het aanwijzingsbesluit genoemde doelsoorten voor.

Een vergunningaanvraag voor de werkzaamheden is niet noodzakelijk, omdat er geen significante schadelijke gevolgen voor de aanwezige habitattypen en doelsoorten zullen optreden.


Achterste Steenberg

Door bureau Viridis is de natuurtoets Achterste Steenberg uitgevoerd (december 2010, nr. 2010-51, zie bijlage).

Conclusie ten aanzien van de Flora en Faunawet zijn:

  • De Achterste Steenberg herbergt geen leefgebied van de zandhagedis en er hoeven daarom geen mitigerende en compenserende maatregelen binnen het onderzoeksgebied te worden toegepast.
  • De zandpaden naar de Achterste Steenberg dienen als eiafzetplaats voor de zandhagedis en dienen niet betreden te worden van eind mei tot en met eind september. Het gebied is dan te bereiken via bospaden uit het noorden.
  • Gezien het voorkomen van broedvogels dienen de maatregelen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.
  • De groeiplaats van de steenanjer blijft intact door de werkzaamheden, maar zou voor de zekerheid met een cirkel met een diameter van 2 m aangegeven moeten worden.

Indien bovenstaande maatregelen voor de zandhagedis, broedvogels en steenanjer uitgevoerd worden, wat uitgangspunt is, hoeft er geen ontheffing van de FF-wet aangevraagd te worden.

Conclusies ten aanzien van de Natuurbeschermingswet zijn:

  • In het onderzoeksgebied komen geen in het aanwijzingsbesluit genoemde habitattypen voor.
  • In het onderzoeksgebied komen enkele van de in het aanwijzingsbesluit genoemde vogelsoorten voor, maar het verwijderen van bouwvoor buiten het broedseizoen zal geen nadelige effecten hebben op de soorten.
  • De Achterste Steenberg herbergt geen leefgebied van de zandhagedis.

Een vergunningaanvraag voor de werkzaamheden is niet noodzakelijk.