direct naar inhoud van 3.3 Archeologie
Plan: Bestemmingsplan Veluwe natuurontwikkeling 2 locaties
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1031-vas1

3.3 Archeologie

APD01 P 290-292 (Assel)

De locatie ligt op een kleine daluitspoelingswaaier tussen de stuwwal van Garderen en de stuwwal van de Oostelijke Veluwe. Dit landschap is ontstaan door de afzetting van daluitspoelings- en hellingmateriaal tijdens de koudere fasen van het Weichselien en het Holoceen. Door ontbossing vanaf de IJzertijd en vooral in de Vroege en Volle Middeleeuwen ontstond door kwelwater en bij hevige neerslag erosie langs de hellingen van de stuwwal. De aanvoer van erosiemateriaal geschiedt vanuit verschillende erosiedalen en langs de hellingen. Bij de mondingen van erosiedalen konden op gunstige plaatsen binnen de bredere dalen waaiervormige terrassen ontstaan: kleine daluitspoelingswaaiers. Door de lange ontstaansgeschiedenis is er een getrapt landschap ontstaan van over elkaar heen gevormde waaierachtige afzettingen uit verschillende perioden. Het materiaal bestaat vaak uit lokaal opgenomen materiaal en heeft daarom een samengesteld en sterk vermengd karakter. De bodem bestaat uit grof- en fijnzandige, soms grindrijke afzettingen waarin voornamelijk humuspodzolen zijn ontstaan.

Op de kleine daluitspoelingswaaiers wordt een hoge dichtheid aan archeologische resten verwacht. In gebieden waar hellingmateriaal en daluitspoelingswaaiermateriaal is afgezet op flauw hellend terrein kunne archeologische resten afgedekt zijn geraakt door een sterk vermeng heterogeen pakket. Hierdoor zijn ze doorgaans goed geconserveerd. Voor gebieden met zeer steile terrasflanken is de kans op structurele archeologische resten, anders dan losse vondsten, vanwege het reliëf en de bodemerosie zeer laag.

Op een afstand van ongeveer 500 m naar het noordoosten werden in het verleden regelmatig vondsten uit het Neolithicum aangetroffen, en ongeveer 850 m naar het noorden ligt een grafheuvel (Neolithicum-Bronstijd).

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is voor het plangebied een hoge archeologische trefkans op archeologische resten aangegeven.

APD01 P 242 en 244 (Achterste Steenberg)

Het plangebied ligt in een landschap van stuwwalglooiingen, -hellingen en –plateaus.

De stuwwalplateaus zijn relatief vlak en kenmerken zich door flauwe hellingen. De bodem bestaat uit grindrijke, mineralogisch relatief rijke, bruine zanden (moderpodzolen). Op de stuwwalplateaus wordt een hoge dichtheid aan archeologische resten verwacht. Gebieden met moderpodzolen hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en hebben hiermee vanaf het Neolithicum aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor landbouwers. In het algemeen worden de gebieden met moderpodzolen gekenmerkt door een hoge dichtheid aan vindplaatsen uit meerdere perioden. Het gaat hierbij zowel om nederzettingen en grafvelden als om resten van ijzerwinning.

In gebieden met glooiingen was bewoning mogelijk; archeologische vindplaatsen kunnen hier dus voorkomen. Op de stuwwalglooiingen wordt een middelmatige dichtheid aan archeologische resten verwacht. De meeste vindplaatsen beperken zich tot de (randen van de) stuwwalplateaus. Voor de gebieden met stuwwalhellingen wordt uitgegaan van de veronderstelling dat vanwege het reliëf de kans op het voorkomen van structurele archeologische resten, anders dan losse vondsten, gering is. Dit sluit niet uit dat in deze gebieden plaatselijk specifieke archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen, bijvoorbeeld ijzerkuilen of slakkenhopen.

Ongeveer 700 m ten oosten van het plangebied liggen verschillende grafheuvels uit het laat-Neolithicum en circa 1,5 km naar het noordoosten liggen ijzerwinkuilen.

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is voor het plangebied een variërende trefkans op archeologische resten weergegeven. Voor het westelijk deel geldt over het algemeen een middelmatige tot lage trefkans; voor het oosten een hoge tot middelmatige trefkans.