direct naar inhoud van 3.1 Milieuaspecten
Plan: Zutphensestraat 240
Status: ontwerp
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.pb1006-ont1

3.1 Milieuaspecten

3.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het projectbesluit een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een projectbesluit vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

3.1.2 Bodem

Algemeen

In het kader van de onderzoeksplicht van artikel 3.1.6 Bro dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart gebracht te worden. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is, en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten.

Onderzoeksresultaten

In de rapportage van 8 april 2009, opgesteld door Sigma bouw en milieu (kenm. 09-M4727) zijn de resultaten van het bodemonderzoek weergegeven. Hieruit blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met lood. De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd voor de onderzochte stoffen.

Er zijn geen belemmeringen voor het projectbesluit.

3.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het vervangen van de aanwezige woning en voormalige agrarische opstallen door een woning met bijgebouw. De nieuwe woning wordt niet dichterbij omliggende bedrijven geprojecteerd. Bijkomend is tussen de bedrijven op de percelen Zutphensestraat 242 en 246 en de nieuwe woning een stalling geprojecteerd welke een afschermende werking heeft wat betreft eventuele geluidhinder. Nadere toetsing aan de bedrijven in de omgeving hoeft niet plaats te vinden, omdat er geen sprake is van verslechtering van het woon- en leefklimaat door de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de bestaande situatie.

De nieuwe woning met bijgebouw zal ook geen negatieve invloed hebben op de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven.

3.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij een projectbesluit rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is gelegen binnen de invloedsfeer van verkeerswegen. Derhalve wordt wegverkeerslawaai beschouwd.

Wegverkeerslawaai

Algemeen

In het algemeen zal men bij het projecteren van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen nabij wegen een akoestisch onderzoek in moeten stellen naar de te verwachten geluidsbelasting op de gevel van deze nieuwe bestemmingen (artikel 76 Wgh) Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied;
  • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur;

De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.

Onderzoeksresultaten

Doordat er een nieuwe woning wordt gerealiseerd ter vervanging van de bestaande woning (op dezelfde locatie) is in deze situatie geen sprake van een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. Hiermee is deze wet niet van toepassing. Wel moet voldaan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit. Hiertoe is de geluidsbelasting op de woning bepaald.

Voor de berekening van de geluidsbelasting is gebruik gemaakt van verkeersgegevens van de gemeente Apeldoorn, zoals die zijn opgenomen in de Verkeersmilieukaart 2020. Voor de globale ligging van het pand is uitgegaan van de aangeleverde situatietekening die bij de bouwaanvraag is ingediend.

Uit de wegverkeersberekeningen (op een berekeningshoogte van 1,5 en 4,5 meter ten opzichte van maaiveld) met methode II volgens het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2006 volgt dat ten gevolge van alle relevante wegen de geluidsbelasting Lden in 2020 op de nieuwbouw maximaal 69 dB bedraagt zonder aftrek ex art. 110g Wgh.

Een akoestisch onderzoek dient aan te tonen dat de gevelwering van het pand met een woonfunctie voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Dit houdt een gevelwering van minimaal de geluidsbelasting min 33 dB in. Voor dit pand bedraagt de minimale gevelwering daarom (69-33=)36 dB.

Door Adviesburo van der Boom is een onderzoek uitgevoerd naar de gevelwering en de geluidwerende gevelmaatregelen (1 april 2010, kenm. 10-081). Met dit onderzoek is aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit.

3.1.5 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen). De Wet milieubeheer kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. Bij overschrijding van de plandrempel moet een plan worden opgesteld ter verbetering van de luchtkwaliteit. De plandrempel ligt boven het niveau van de grenswaarde en wordt jaarlijks aangescherpt tot de grenswaarde. In 2010 zijn de plandrempels gelijk aan de grenswaarden. De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer.

Het gemeentebestuur kan een projecbesluit dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen nemen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het projectbesluit niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het projectbesluit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het projectbesluit niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het nemen van projecbesluiten in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

In dit plan is sprake van de realisatie van een woning (ter vervanging van een bestaande woning) en derhalve is nader onderzoek van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

3.1.6 Externe veiligheid

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteert het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1,K2 en K3 vloeistoffen'. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen.

Beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn

In juli 2008 is de beleidsvisie Externe Veiligheid Apeldoorn vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een ontheffing mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen.

Onderzoeksresultaten

Bedrijven

In de nabijheid van het plangebied Zutphensestraat 240 bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi.

Buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied Zutphensestraat 240 bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Transport gevaarlijke stoffen

Op circa 20 meter van de planlocatie is de provinciale weg N345 (Zutphensestraat) gelegen. Op basis van de gegevens die ons ter beschikking staan zijn de transportaantallen dermate laag dat er geen plaatsgebonden risico 10-6 aanwezig is. De planlocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van 200 meter van de N345. Op basis van de Circulaire risiconormering vervoergevaarlijke stoffen dient binnen deze zone het groepsrisico beschouwd te worden indien het groepsrisico veranderd.

Het plan heeft betrekking op het vervangen van een bestaande woning, waardoor zowel planologisch als feitelijk geen sprake zal zijn van een toename van de bevolkingsdichtheid. Gelet op de geprojecteerde locatie van de woning is er ook geen sprake van een nadelige verandering ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde verandering zal geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Gelet op de zeer lage kans dat een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt ter hoogte van de planlocatie, is het doorvoeren van eventuele maatregelen voor zelfredzaamheid, beheersbaarheid en bestrijdbaarheid ook niet proportioneel.

3.1.7 Elektromagnetische straling

Algemeen

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied Zutphensestraat 240 bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Ook is het plangebied niet gelegen binnen de veiligheidscontour van een zendmast.