direct naar inhoud van 4.3 Geur
Plan: Bestemmingsplan Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1063-von2

4.3 Geur

De Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv) stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. Deze is in de plaats gekomen van de Stankwet voor reconstructiegebieden en de drie stankrichtlijnen: de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996, de Veehouderij en Hinderwet 1985 en het Cumulatierapport.


In de Wgv wordt de geurbelasting berekend in OU (Odour Units). De geuremissie wordt uitgedrukt in OU/s. Normen (geurimmissie) die gehanteerd dienen te worden in de reconstructiegebieden zijn 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel). De gemeenten Epe en Apeldoorn hebben geen eigen geurbeleid geformuleerd, zodat de wettelijke geurnormen van toepassing zijn.


Om de effecten van geur voor de drie verschillende varianten te kunnen bepalen, is gekeken naar de achtergrondbelasting/leefklimaat in vergelijking tot de huidige en autonome situatie. Het leefklimaat is beoordeeld voor de geurgevoelige objecten (woningen) door de achtergrondbelasting te relateren aan de kans op geurhinder.


Het leefklimaat qua geur gaat in alle drie de varianten achteruit gaat in vergelijking met de referentiesituatie. Dit is onvermijdelijk gezien de toename van het aantal IV-bedrijven, alsmede de uitbreidingen, in het LOG. Tussen de verschillende varianten zijn de verschillen minimaal.


Naast de berekening van geurbelasting op geurgevoelige objecten dient vanuit de Wet Geurhinder en Veehouderij altijd een afstand van 25 m tussen de bouwblokken en 50 m tussen het emissiepunt en de naastgelegen bedrijfswoning (van naastgelegen bedrijf) te worden aangehouden.