direct naar inhoud van 4.2 Flora en fauna
Plan: Bestemmingsplan Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1063-von2

4.2 Flora en fauna

De effecten op de Natura 2000-gebieden is aan bod gekomen in de effectbeschrijving van ammoniak. De onderstaande effectbeschrijving richt zich op de effecten op de omliggende natuurgebieden en op de aanwezige beschermde soorten.


E f f e c t b e s c h e r m d e n a t u u r g e b i e d e n

In de nadere uitwerking van het EHS-gebied bij het LOG zijn vijf verschillende deelgebieden onderscheiden. De provincie heeft voor de EHS-gebieden wezenlijke kenmerken geformuleerd. Wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied mogen niet significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.


De ecologische kernkwaliteiten van een bepaald gebied zijn gelijk aan de door Gedeputeerde Staten geformuleerde natuurdoelstellingen voor dat gebied. Gedeputeerde Staten beschouwen een ruimtelijke ingreep waarvoor een bestemmingsplan moet worden aangepast als een significante aantasting van kernkwaliteiten en omgevingscondities wanneer deze kan leiden tot de volgende effecten:

  • Een vermindering van areaal en kwaliteit van bestaande natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen voor nieuwe natuur en agrarische natuur;
  • Een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in de overige delen van de EHS. In het bijzonder de vrije verplaatsing van herten en wilde zwijnen binnen het gehele bos- en natuurgebied van de Veluwe;
  • Een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor conform de Flora en faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing vereist is en als zodanig worden genoemd in de AMvB Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora en faunawet;
  • Een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid);
  • Een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden;
  • Een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van HEN-wateren;
  • Een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewater situatie (verder) aantast;
  • Een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting in stiltebeleidsgebieden en stiltegebieden (in geval de norm van 40 decibel wordt overschreden).


Door de invulling van het LOG valt met name effect te verwachten door de toename in de depositie van stikstof. Vergeleken met Natura 2000-gebieden is de depositie van het LOG op de EHS veel groter aangezien de gebieden dicht bij het LOG gelegen zijn. Dit betekent dat het LOG negatief werkt op de kwaliteit van de EHS gebieden.


Niet alle deelgebieden van de EHS zijn verzuringgevoelig. Wanneer naar de ammoniakdepositie wordt gekeken zal de depositie op deelgebied 1 het hoogst zijn. In alle varianten bedraagt dit tussen 600 en 800 mol per ha per jaar. In deelgebied 2 en 3 bedraagt de depositie 400 tot 500 mol per ha per jaar. Door de invulling van het LOG zal de ammoniakdepositie toenemen. Negatieve effecten voor de natuurwaarden worden echter niet verwacht.


Ook op het Wav-gebied ten westen van het LOG zal de depositie van ammoniak door de invulling van het LOG waarschijnlijk toenemen. Er zijn geen kritische waarden van het Wav-gebied bekend. Omdat de ammoniakdepositie in alle varianten toeneemt, is de beoordeling voor zowel de basisvarianten als de plusvarianten negatief.


E f f e c t b e s c h e r m d e s o o r t e n

Een onderzoek (9) is uitgevoerd in het kader van de Flora- en faunawet. In het rapport wordt beschreven welke beschermde soorten voorkomen in het gebied en welke effecten er kunnen optreden.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------(9) - Arcadis, Quickscan LOG Beemte-Vaassen, 1 april 2010


Door de veranderingen in het landschap door de inrichting van het LOG kunnen er invloeden optreden op planten en dieren. De belangrijkste veranderingen met mogelijke gevolgen voor beschermde soorten zijn:

  • verlies aan leefruimte door het ruimtebeslag;
  • verstoring en verlies van verblijfplaatsen;
  • verwijderen van vegetatie;
  • geen kap van bomen of sloop van bestaande gebouwen.


A l g e m e e n

Door grond- en graafwerkzaamheden kunnen holen en/of schuilplaatsen worden verstoord of vernietigd, individuele dieren kunnen daarbij worden verstoord of omkomen. De bouw van nieuwe erven kan voor extra verstoring door licht en geluid zorgen. Ook vindt door de bouw van woningen ruimtebeslag op leefgebied van soorten plaats. Met het toenemen van de verharding van het terrein kan biotoop van grondgebonden dieren verdwijnen. Tijdens de uitvoering kan de fysieke aanwezigheid van machines en mensen leiden tot verstoring van dieren. Ook de ingebruikname van het terrein als woonlocatie kan hiertoe leiden.


V a a t p l a n t e n

Met de aanleg van wegen en erven worden waarschijnlijk geen beschermde vaatplanten beschadigd of verdwijnen er geen standplaatsen. De mogelijke standplaats van beschermde vaatplanten zijn te verwachten in en rondom de watergangen, in de bossages of in de randen van erven, weiden en akkers. Er worden geen zwaarder beschermde vaatplanten verwacht in het gebied. Effecten bij de aanleg van de nieuwe erven zijn bij voorbaat echter niet geheel uit te sluiten, doordat de precieze locatie van de erven en het voorkomen van beschermde vaatplanten in het gebied nog niet bekend zijn. Deze mogelijke effecten zijn op lokaal niveau te mitigeren, door de planten te verplaatsen naar een andere geschikte standplaats.


Zo o g d i e r e n

Met de ontwikkeling van het LOG worden de zoogdieren in het gebied tijdelijk verstoord door de activiteiten, echter zal er in verloop van tijd gewenning optreden. Voor de algemene zoogdieren heeft de aanleg van erven geen effecten. Met betrekking tot de zwaarder beschermde vleermuizen zijn er mogelijke effecten bij veranderingen van bestaande erven. Door de uitbreiding van de erven en het slopen van gebouwen kan er (potentieel) leefgebied c.q. verblijfplaatsen verloren gaan. Deze effecten moeten vooraf gemitigeerd worden voordat de bestaande erven kunnen uitbreiden. Deze voorafgaande mitigatie is te realiseren door de nieuwe erven een vleermuisvriendelijke inrichting te geven. Door het toepassen van een vleermuisvriendelijke inrichting op de nieuwe erven wordt de draagkracht voor vleermuizen in het LOG vergroot. Over de tijdsperiode en de afstand tussen bestaande, uit te breiden erven en nieuwe erven waarvoor de mitigatie geldig is, moet vooraf doorgesproken met Dienst Regelingen van LNV. Met de aanleg van de nieuwe erven op de bestaande wei- en bouwlanden zijn geen effecten te verwachten op het foerageergebied en vliegroutes in het LOG. Bij de aanleg van de nieuwe erven wordt de openheid van het gebied behouden en de lijnstructuren in het landschap worden gehandhaafd. Mochten bij de aanleg van de nieuwe erven toch bomen worden gekapt, dan moet gekeken worden of deze geen verblijfplaatsen bezitten of onderdeel uitmaken van een vliegroute.


Met betrekking tot de das zal er foerageergebied verdwijnen door de aanleg van de nieuwe erven. Deze effecten zijn te mitigeren door voor de aanleg van de erven binnen het foerageergebied van de das de kwaliteit van het foerageergebied te verbeteren. Het foerageergebied van de das is te verbeteren door de aanleg van heggen en houtwallen met bomen en struiken met bessen en noten. Eén van de erven is langs de bosrand gepland met de dassenburcht. Deze locatie geeft teveel verstoring waarop op den duur de locatie van de dassenburcht ongeschikt wordt. Met name honden geven een grote verstoring.


Vo g e l s

Broedvogels

Met de ontwikkelingen in het LOG zijn er effecten mogelijk op weidevogels en vogels die afhankelijk zijn van erven. Door veranderingen van bestaande erven, door uitbreiding, gaat er (potentieel) leefgebied verloren. Met de komst van nieuwe erven neemt het areaal aan akkers en weilanden af, waardoor er (potentieel) geschikte broedlocaties van weidevogels verdwijnen. Voor de weidevogels zijn de effecten minimaal omdat het in totaal om vijf nieuwe locaties gaat van maximaal 3 hectare. Het totale LOG bestaat uit meer dan 300 hectare aan weiden en akkers. De effecten op bestaande bedrijven zijn te mitigeren door bij de uitbreiding en ook op de nieuwe erven een vogelvriendelijke inrichting toe te passen. Met name de soorten, huismus, steenuil, zwarte roodstaart en huis- en boerenzwaluw zijn kritische soorten met specifieke eisen. Door het toepassen van een vogelvriendelijke inrichting op de nieuwe erven wordt de draagkracht voor erfbewonende vogels in het LOG vergroot.


Verwijderen van vegetatie

Bij verwijdering van vegetatie kunnen broedende vogels verstoord en nesten vernietigd worden wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden. In dit plan worden geen bomen gekapt


Am f i b i e ë n

Met de ontwikkeling in het LOG zijn er geen effecten te verwachten op populatieniveau van amfibieën. Lokale, individuele effecten bij de aanleg en uitbreiding van de erven zijn bij voorbaat niet uit te sluiten, doordat de precieze locatie van de erven en het voorkomen van beschermde amfibieën in het gebied nog niet bekend zijn. Deze mogelijke effecten zijn op lokaal niveau te mitigeren.


V i s s e n

Met de ontwikkeling in het LOG zijn er geen effecten te verwachten op populatieniveau van vissen, wanneer bestaande watergangen niet worden gedempt of anders worden ingericht. In onderstaande tabel zijn de effecten van de inrichting van het LOG op beschermde soorten kort samengevat. De mogelijke effecten die kunnen voorkomen op lokaal niveau zijn buiten beschouwing gelaten omdat deze door de initiatiefnemer van een erf zelf gemitigeerd dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1063-von2_0011.jpg"

T o e t s i n g v a n e f f e c t e n a a n d e f l o r a - e n f a u n a w e t

Niet alle effecten op (beschermde) planten en dieren zijn in strijd met de Flora- en faunawet. Alleen wanneer de effecten vallen binnen de algemene verbodsbepalingen van artikel 8 tot en met 12 is sprake van een dreigende overtreding. In onderstaande tabel is aangegeven voor welke soorten de negatieve effecten, zoals hierboven beschreven, strijdig zijn met de algemene verbodsbepalingen.


afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1063-von2_0012.jpg"


M i t i g e r e n d e m a a t r e g e l e n

Bij alle werkzaamheden in het gebied dient zorgvuldig gewerkt te worden. Wanneer bij de inrichting en de uitvoer van de werkzaamheden gewerkt wordt met behulp van de volgende mitigerende maatregelen kan schade aan wilde planten en dieren en hun leefgebieden tot een minimum beperkt worden. Dit kan door middel van een goede fasering van werkzaamheden, kleine aanpassingen in werkwijzen en inrichting. Deze maatregelen zijn er o.a. op gericht om het (potentieel) leefgebied van beschermde erfbewonende dieren en de das te behouden. Voor de tabel 3-soorten, en tabel 2 zonder gedragscode, geldt ook dat moet worden aangetoond dat er geen sprake is van achteruitgang van het functioneren van het leefgebied in de omgeving van een vaste verblijfplaats.


Om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:

  • Nieuwe erven worden vleermuis- en vogelvriendelijk ingericht.
  • Uitbreiding van erven worden vleermuis- en vogelvriendelijk uitgevoerd. Mitigatie vindt vooraf plaats.
  • Het foerageergebied van de das wordt in kwaliteit verbeterd voordat de nieuwe erven worden aangelegd, door de aanleg van heggen en houtwallen met struiken en bomen met bossen en noten. De nieuwe erven nabij het bos met de dassenburcht krijgen een bufferzone tussen het erf en het bos, zodat het erf geen verstoring oplevert in het bos. Dit is te realiseren door een randzone van minimaal 50 meter breed aan te leggen met extensief beheer waarin bomen en struiken worden aangeplant met bessen en noten. Deze randzone mag niet verlicht worden en is afgesloten voor publiek en honden. In deze strook kan de das foerageren en wordt de burcht niet verstoord door het nabije erf. De breedte en de inrichting van de zone tussen de bosrand met de dassenburcht en het nieuwe erf moet worden afgestemd met Dienst Regelingen van LNV.


Bij het nieuwe erf dat is gepland in de directe nabijheid van dit bosperceel wordt rekening gehouden met een bufferzone van 50 meter.